TIENDE HOOFDSTUK.

Verschillende moeders.

Had Eugenie in den eersten tijd van haar verblijf in ons huis uitsluitend al onze gedachten vervuld, langzamerhand begon nu ons levensbeekje weer zijn gewonen loop te hervatten. Eugenie's gedrag verwekte hoe langer hoe minder stoornis en zij begon zich al wat meer bezig te houden met de bemoeiingen, waarmede Tante Betsy en ik den tijd besteedden. Aan de lessen, die ik ontving, nam ze geen deel; want daar had ze al meer dan genoeg van, zooals zij zeide, en ik vond het heel pleizierig, dat ik die op den ouden voet met Marie kon voortzetten.

Ook het voorlezen, waarmede Tante nog regelmatig met mij voortging, verveelde Eugenie in den beginne doodelijk; en ik vond niets onpleizieriger dan voor te lezen als zij er bij was, daar ze zich volstrekt niet geneerde mij om mijn slechte uitspraak en den verkeerden klemtoon, dien ik soms op de woorden legde, uit te lachen. Doch Tante verbood haar dit spoedig, en een tijdlang ging ze de kamer uit als wij begonnen te lezen. Op zekeren dag echter kwam ze juist op het leesuur binnen en vroeg aan Tante, of zij 't vandaag eens doen mocht. Natuurlijk stemde Tante toe. En nu hadt gij eens moeten hooren hoe prachtig zij las. Haar stem was jeugdiger en dus frisscher dan die van Tante, en er wasbovendien zulk een klank en zulk een juistheid in hare voordracht, dat we beiden in bewondering opgetogen waren.

Eensklaps scheen ze zin in 't voorlezen te hebben gekregen; want van nu af aan nam ze geregeld deel aan onze leesuren. Ze las bij afwisseling met Tante en mij, en hare plagerijen bij mijn lezen bepaalden zich nu tot kleine aardigheden, die ik volgaarne verdroeg en waarom ik zelf meelachte. Zoo was ze nu eenmaal. Wanneer men haar den goeden weg gewezen had, moest men haar tijd tot nadenken laten, en dan kon men er zeker van zijn, dat haar goed hart haar op den rechten weg bracht. Deze gegronde overtuiging troostte Tante en ondersteunde haar bij al de zorg, die Eugenie's gedrag haar veroorzaakte; en de goede vrouw was innig dankbaar jegens God, dat Hij dit meisje onder haar hoede had geplaatst, eer nog het weelderig opgeschoten onkruid al het goede zaad in haar hart had verstikt.

Eugenie zelve gevoelde dit ook dagelijks meer en meer, en op de meest ongekunstelde wijze sprak zij die gedachte zelf uit, altoos op haar zonderlinge manier om de zaken uit te drukken.

„Tante,” vroeg zij eens, „wie van uw beide bakerkinderen veroorzaakt u eigenlijk de meeste moeite? Madeliefje, die ongelikte jonge boerin, of de ondeugende en lastige Eugenie? Beken het maar, het tweede bakerkind is 't lastigst van de beiden. Maar wat kan zij het helpen, die zoo lang in 't spinneweb verward is geweest, dat het weken duurde eer ze zag hoe ze er uit kon geraken. Maar nu word ik ook zoo duf en oudbakken als onze oude kat thuis, die op haar ouden dag geen muizen meer wil vangen; waarschijnlijk wel, omdat Tante Betsy haar in 't oor heeft geblazen dat dit zonde is. Foei, als Mama eens zag hoe ik daar aan een grove wollen kous zit te breien, of de kleine kinderen met hunne vuile neuzen kus; wat zou 't goede mensch van mij schrikken! Ze kocht mij zeker terstond den kost in 't oude-vrouwenhuis, waar ze zou zeggen, dat mijn plaats was!”

En dan begon ze op haar gewone vroolijke manier te lachen en draaide met mij in de rondte, 't geen ik me maar moest laten welgevallen, of ik wilde of niet.

Ondanks haar elegante uiterlijke beschaving, kwamen er toch bij Eugenie allerlei dingen te voorschijn, die Tante Betsy berispte, en ik knoopte hare aanmerkingen tot mijn eigen behartiging in 't oor. Zoo had b. v. Eugenie er veel pret in, om uit het venster te kijken en allerlei opmerkingen te maken over de voorbijgangers. Ik vond dat ook heel prettig; en zoo lagen wij beiden eens met onze schouders ver uit het geopende venster, om toch al wat er beneden op straat voorbijging goed op te nemen. Maar spoedig kwam Tante er op aan en beknorde ons braaf over ons ongepast gedrag; want het beviel haar niet, als jonge meisjes niets beters weten te doen dan uit het venster te liggen kijken; en zoo met het geheele bovenlijf in de lucht te hangen was geen teeken van welvoeglijkheid.

Ik trok mijn hoofd dadelijk naar binnen; maar Eugenie lachte zooals altijd, en zeide dat Tante bang was voor een bestorming van haar kasteel, om de daarin gevangene schoonen te bevrijden; daarom wou ze ons aan de oogen der wereld onttrekken. Ze deed echter wat Tante bevolen had, en 't open venster zag ons van toen af slechts voor weinige oogenblikken.

Een ander gebrek van Eugenie, dat ik echter minder met haar deelde, was 't gebruik van krachtige uitdrukkingen en ongepaste woorden. 't Was inderdaad grappig om te hooren, hoe dat fijne dametje soms duchtig kon razen en er wel eens soldatenwoorden uit dat fijne mondje vlogen.

„Ik ben nu eenmaal zoo'n halve jongen, wat kan ik het helpen!” antwoordde zij op de terechtwijzingen van Tante daarover; toch hoorde men dergelijke uitdrukkingen minder dan vroeger. Ook op 't ijdel gebruik van Gods naam en zoogenaamde bastaardvloeken maakte Tante haar opmerkzaam, en ze gaf zich werkelijk veel moeite om 't af te leeren; ofschoon ze zei dat ze wel een slot op haar mond mocht leggen, omdat ze hier geen mensch naar den zin kon spreken.

Verwende menschen zijn achteloos ten aanzien van 't geen zij anderen verschuldigd zijn, en zoo ging 't ook Eugenie, wie 't geheel en al onverschillig was, of anderen reden hadden oplettendheden van haar te verwachten of niet.

„Laat mij toch met rust. Ik kan dat bezoekenafleggen niet uitstaan,” antwoordde zij steeds op de herinnering van Tante, dat ze de een of andere dame een bezoek schuldig was. „De menschen zijn mij ten eenenmale onverschillig; ik kan 't niet uitstaan dat zij zich om mij bekommeren!” Kwam zij er eindelijk toe om ergens een visite te maken, dan deed ze 't met zooveel beminnelijkheid, dat ze alle menschen in verrukking bracht. Tante was op zulke kleine maatschappelijke plichten zeer streng. „Wie zich,” zeide zij, „in 't kleine gewent om de plichten jegens zijn medemenschen in 't oog te houden, zal ook in grootere zaken zoo handelen.”

Deze geringschatting van anderen was ook de oorzaak dat Eugenie dingen, die aan anderen toebehoorden, niet ontzag en dit had reeds meermalen onaangenaamheden veroorzaakt. Op een prachtige sjaal, die een dame haar bij 't naar huisgaan opgedrongen had, maakte de hond een vlek, die er slechts met groote moeite uit te krijgen was; een parapluie, die zij geleend had, liet zij ergens staan en moest er natuurlijk een nieuwe voor terugzenden; op het mooie album van Amanda liet ze olie vallen en bemorste daardoor niet alleen eenige schoone teekeningen, maar ook Tantes tafelkleed. Wel herstelde Eugenie de schade door nog schooner teekeningen en een ander tafelkleed, maar 't gaf haar wat moeite en kosten, en zij had dat alles kunnen sparen, als ze wat zorgvuldiger op 't eigendom van anderen gepast had. Even onachtzaam ging zij met de boeken om, die men haar leende, en Tante zeide haar heel streng, dat het haar niet verwonderen zou, wanneer niemand haar meer een boek wilde toevertrouwen, daar ze er nooit een zonder ezelsooren of beduimelde bladeren en vlekken teruggaf. „Het is een teeken van weinig opvoeding, kindlief!” zoo eindigde Tante haar toespraak, waarnaar Eugenie met weinig oplettendheid luisterde. Intusschen had ze in 't vervolg toch meer attentie voor andere menschen en voor hun eigendom.

Niet, dat ze met haar eigen goed zorgvuldiger omging; 't kostte Tante vrij wat moeite, om haar het verkeerde daarvan onder 't oog te brengen. Te denken dat het spaarzaamheidwas, haar goed te ontzien, was nog nooit in haar opgekomen, en daar zij evenveel onachtzaamheid en onervarenheid in 't gebruiken van haar geld aan den dag legde, deed het Tante veel genoegen, toen Eugenie haar tot haar minister van financiën benoemde. Onder zulk een leiding leerde zij spoedig haar geld beter besteden; toch had ze altijd grooten lust, om meer uit te geven dan haar inkomsten bedroegen.

„Ik moet een rijken man hebben,” zeide zij dikwijls, en 't scheen mij toe, dat ze daarin geen ongelijk had.

„Maar als je nu eens een armen krijgt, hoe dan?”

„Dien neem ik niet. Misschien neem ik er wel in 't geheel geen,” antwoordde zij op die vraag.

Eugenie's zorgeloosheid omtrent haar goed strekte zich ook uit tot iets, waarvan ik 't volstrekt niet begrijpen kon, en wel tot haar correspondentie. Ik bewaarde mijn brieven achter slot en 't was wel een blijk van 't grootste vertrouwen, als ik iemand een blik in de brieven, die ik ontving, veroorloofde. Eugenie daarentegen scheen geen waarde aan de haren te hechten; zij slingerden dagen lang open en bloot over de tafel en zij gebruikte ze menigmaal tot omslag voor alle mogelijke dingen of bezigde ze voor papillotten.

Nu scheen er in deze brieven, zoowel in die, welke zij van hare mama, als die ze van goede bekenden ontving, al heel weinig te staan, dat eenige attentie waard was, en van haar vader kreeg ze hoogst zelden tijding. Alleen zijn brieven sloot ze zorgvuldig in haar mappe, en na de ontvangst daarvan was ze steeds voor een poos ernstiger en zachter gestemd dan gewoonlijk. Ten opzichte van dit verschijnsel herinner ik mij een tooneel, dat mij altijd onvergetelijk is gebleven en wel getuigenis gaf van haar gevoel.

Met onbeschrijfelijk groot verlangen had ik op tijding van huis gewacht en met luid gejubel ontving ik die, toen we juist met ontbijten gedaan hadden. Er was een brief van mijne lieve mama bij, en haar trouwe, liefdevolle woorden troffen mij zoo, dat de tranen mij over de wangen rolden en ik een paar hartelijke kussen op 't mij zoo lieve schrift drukte.

Eugenie had ook een schrijven van hare mama gekregen;doch dat had ze spoedig gelezen. Ze zag mij nu met groote oogen aan.

„Mag ik je brief lezen, Madeliefje? O, doe mij dat genoegen!” zeide zij en pakte mijn brief beet. Ik liet haar dien ook gaarne, en tot vergelding schoof ze mij een rooskleurig biljet toe, dat zij van hare mama had gekregen.

„Het zal je wel geen tranen uit de oogen persen,” zeide zij daarbij eenigszins spottend.

Ik ging aan 't venster staan en las het vluchtig geschreven briefje, dat niets anders inhield dan klachten over vreeselijke verveling, het slechte spel der nieuwe operazangeres en berichten over de nieuwste modes. „Verzuim toch niet,” schreef ze, „je kleeren in dien geest te laten veranderen, er zal dan wel wat nieuw garneersel op moeten; maar zorg er toch vooral voor, dat je niet loopt alsof je iemand uit de vorige eeuw waart. Je schrijft mij geen enkel woord over de nieuwste modes in de residentie, en toch weet je hoezeer me dat interesseert. We zijn hier altijd wat ten achteren, en je weet wel, hoe dikwijls ik reeds in die zaken den toon aangegeven en daardoor furore gemaakt heb. Ik hoop ook dat je toch vooral zorgt voor 't conserveeren van je schoonheid. Vergeet toch niet de druppels te gebruiken, die dienen om een welriekenden adem te behouden, wasch je toch alle avonden met amandelmelk; ik zal je er een nieuw recept voor sturen, dat de huid nog frisscher maakt. Hoed je ook vooral tegen 't gebruik van alles wat te heet of te koud is; 't is zoo nadeelig voor 't glazuur der tanden.” Doch genoeg van dien brief. Een onvermijdelijk postscriptum behelsde: „Papa is wel. Zijn brieven zijn vreeselijk vervelend. Meld mij eens wat moderner is: veeren of bloemen op de herfsthoeden. Gekleurde schoenen komen hier weer erg in zwang.”

Ik was zoo geheel en al bezig met het lezen van dien brief, dat ik niet bemerkt had, hoe Eugenie de kamer verlaten had. 't Scheen dat ze den brief van mijne mama had meegenomen. Ik wachtte een poosje; eindelijk ging ik naar hare kamer om te zien waar zij bleef.

„U kunt er niet binnen, juffrouw,” zeide Lizette eenigszinsverlegen, toen ik de kruk der kamerdeur in de hand nam. „Juffrouw Eugenie heeft de deur op slot gedaan.”

Ik ging dus terug en wachtte. Eenigen tijd daarna kwam Tante diep bewogen bij mij en gaf mij den brief mijner mama.

„Zijt gij bij Eugenie geweest, Tante?” vroeg ik.

„Ja, Margot. Waarom vraag je dat zoo?”

„Omdat zij zich opgesloten had. Wat scheelt haar toch?”

„Het arme kind is door den brief uwer mama vreeselijk ontroerd,” zeide Tante, terwijl haar de tranen in de oogen stonden. „Op mijn verzoek liet zij mij in haar kamer, en ik vond haar in tranen smeltende, met je mama's brief voor haar.—„O, Tante! Tante!” riep zij uit, terwijl ze mij om den hals vloog, „wat heb ik toch voor een moeder!” Meer kon 't arme kind niet uitbrengen. 't Was de eerste maal dat het verschil tusschen hare moeder en eene lieve vrouw als de uwe, haar trof. Ik liet haar stil uitweenen en bracht haar toen onder 't oog, dat ze zich gelukkig mocht rekenen zulk een goeden papa te hebben. „Ja, mijn papa! Mijn allerliefste papa! Als ik dien niet gehad had, wat zou er dan van mij geworden zijn!” snikte zij. „Maar ik kan zoo weinig bij hem zijn; hij is altijd zoo met bezigheden overladen en zoo dikwijls uit zijn humeur over mama's luimen. En nu, nu is hij zoo vreeselijk ver van mij af, en ach! ik heb niemand in de wereld, die zooveel van mij houdt, als Margots mama 't van hare dochter doet!” Ik hield het meisje in mijn armen geklemd en poogde haar tot bedaren te brengen. Dat gelukte mij langzamerhand. „Ja, Tante! Gij hebt mij lief, en Margot heeft mij ook lief!” zeide zij eindelijk op teederen toon, en haar vroolijkheid kreeg weer de overhand. Mijn troostwoorden schenen invloed op haar gehad te hebben, en 't zal niet lang duren, of ze zal weer even vroolijk en opgeruimd als altijd bij ons zijn. Doch je ziet wel, Margot, hoeveel 't arme kind tot nu toe ontbeerd heeft, zonder dat zij 't zelf wist. Laten wij haar dubbel liefhebben.”

„Ja, Tante! Dat willen wij!” zeide ik innig aangedaan.

Het bal.

„Hier heb ik een uitnoodiging, die u wel pleizier zal doen,” zeide Tante Betsy op zekeren morgen, terwijl zij met een briefje binnentrad, waarin we tegen den volgenden Maandag op een bal werden genoodigd.

„Eindelijk zal ik toch weer eens dansen!” riep Eugenie uit. „Ik was al bang dat ik het heelemaal verleeren zou! Mijn balkleeren zijn zeker duf van 't liggen en door de mot verteerd, zoo lang hebben zij 't gaslicht niet gezien. Wel, Madeliefje! wat voor toilet willen we maken? Ik laat de keus geheel aan je over. Wil je wit, of blauw, of rose, of wat anders? Maar we kleeden ons niet precies hetzelfde; want dan zouden de menschen wel denken dat we tweelingen waren.”

Ik zat stil en peinzend neder en hoorde Eugenie's vragen ter nauwernood. Een bal! Ik zou op een bal gaan! In groote gezelschappen was ik wel eens met Tante Betsy geweest, maar nog nooit op een bal! Ik had in mijn geheele leven nog geen balzaal betreden, en mijn hart trilde van angst, van vreugde en van verwachting. Tante bemerkte mijn opgewondenheid.

„Ik geloof, dat je reeds de balkoorts heb, Margot,” zeide zij glimlachend. „Wacht maar, als eerst het balkostuum klaar is, zullen de vleugels wel wassen. 't Is niet om je leven te doen; stel je dienaangaande maar gerust.”

Eugenie was onuitputtelijk in plagerijen over mijn kleinmoedigheid; want voor haar, die reeds als kind zich in de schitterendste gezelschappen bewogen had, was een balzaal zulk een bekende plaats, dat die haar nooit eenigen angst of eenige vrees had doen koesteren. Onophoudelijk vond ik haar bezig aan 't raadplegen met Lizette, die zoo onder neteldoek, bloemen en linten begraven was, dat slechts haar hoofd boven al die fraaiigheden uitstak als een schip boven de golven. Eugenie duldde echter geen derde bij zich, als ze die conferentiën hield; want als ik 't waagde haar kamer binnen te treden, werd ik met bloemen en andere versierselen gebombardeerd of onder dichte wolken van krip en neteldoek begraven en schoof ze me heel bedaard de deur uit.

Mijn eigen baltoilet gaf mij ook vrij wat te doen; want al had ook Tante Betsy mij een prachtige stof voor een mooie baljapon gegeven, ik moest er zelf hard aan meepieken. „Dan alleen heeft zoo'n japon groote waarde,” zeide Tante. Eindelijk was het balkleed gereed, doch wat ik in mijn haar zou doen, daarover was ik het nog niet met mijzelf eens. Ik kon maar tot geen besluit komen; doch op een morgen, juist toen ik Marie zou gaan afhalen om met mij een keus te doen, bracht de meid mij een doos met de boodschap, dat hier de bestelde krans was. Ik wilde de doos eerst niet aannemen, omdat ik niets besteld had; maar mijn naam stond op het adres en vol verwondering deed ik de doos open. En wat lag daar in? Een dikke krans van frissche, bloeiende madeliefjes met een briefje, waarop met veranderde hand geschreven stond:

„Aan 't kleine madeliefje,Geef ik mijzelf present;Geen kent mijn hartediefje,Als zij zichzelve kent.”

„Aan 't kleine madeliefje,Geef ik mijzelf present;Geen kent mijn hartediefje,Als zij zichzelve kent.”

„Aan 't kleine madeliefje,

Geef ik mijzelf present;

Geen kent mijn hartediefje,

Als zij zichzelve kent.”

Dat was een streek van Eugenie; daaraan behoefde ik geen oogenblik te twijfelen. Hoe zij aan die natuurlijke madeliefjes in den laten herfst gekomen was, begreep ik niet, doch dat was mij onverschillig; de spotternij kwam van haar en hinderde mij. Geërgerd wierp ik den krans weer in de doos;doch daar verschoof het papier, en er kwamen eenige groene blaadjes te voorschijn. Ik nam het stijve papier weg, en voor mij lag de bekoorlijkste, geurigste bloemenkrans, die ooit een bloemenwinkel versierd heeft. O, zoo schoon en zoo frisch!

't Was dus een surprise, en Eugenie was weer de ondeugende plaaggeest, die eerst prikte om daarna des te vriendelijker te streelen. Want dat zij het was, stond bij mij vast. Juist wilde ik juichend naar Tante snellen om haar den schoonen krans te laten zien, toen Eugenie de kamer binnentrad en ik haar dankend om den hals vloog. Doch ze hield eensklaps haar zakdoek onder den neus en riep:„Hè, wat ruikt het hier verschrikkelijk boersch! 't Is of men midden onder de koeien op de wei is. Net naar madeliefjes!” en met gezwinden pas snelde zij de deur weer uit.

En zoo was ik dan aan een allerschoonsten bloemenkrans gekomen, zonder dat ik mij verder met wikken en wegen behoefde te kwellen. De bloemen in mijn wit neteldoeksch kleedje lachten mij zoo vriendelijk toe, sjerp en witte atlasschoentjes ontbraken er ook niet aan; kortom—mijn geheele baltoilet was kant en klaar.

Tante Betsy had beloofd mij bij het kleeden te helpen. En dat deed zij ook werkelijk, waarover ik zeer blij was, omdat ik dan zeker wist dat alles mij goed zou zitten.

„Alles keurig en rein, Margot!” zeide Tante, toen ze de kamer binnentrad, om mij aan mijn toilet te helpen. En toen ik eindelijk voor Tantes grooten spiegel stond en mij in mijn sneeuwwit balkleed en met de frissche bloemen in 't haar zag staan, schrikte ik bijna van mijzelf; keuriger en netter dame, dacht mij, kon er niet naar 't bal gaan.

Doch ziet, daar ging de deur open en zweefde er een fee binnen—zoo kwam 't mij ten minste in 't eerste oogenblik voor, totdat ik onze schoone Eugenie herkende. In zacht rose tule gekleed, die met frissche witte camelia's boven een even zacht rose zijden kleedje was opgenomen, een krans van dezelfde kleur van camelia's, waartusschen enkele diamanten schitterden, in de bruine lokken,—'t was of er een bovenaardschegedaante de kamer kwam binnenzweven; ik was geheel betooverd door haar schoonheid.

„Ha! daar is ons madeliefje!” riep zij uit, terwijl ze naar mij toesnelde. „'t Is alsof het zoo pas in de weide geplukt is. Hoe nederig je er ook uitziet, je zult alle vlinders 't hoofd doen draaien.”

Lachend gaf ze me met haar kostbaren waaier een slag op de schouders; toen wierp ze een pak nieuwe handschoenen op de tafel neer en begon daarin te zoeken en paar voor paar aan te passen. Het duurde echter lang eer ze tevreden scheen te zijn, en in haar ongeduld trok ze zoo hard aan 't witte leer, dat ze meer dan één paar gescheurd ter zijde wierp.

Met verbazing zag ik naar haar; want het paar handschoenen, dat Tante mij voor het bal gekocht had, lag zorgvuldig opgevouwen op den fijnen zakdoek en wachtte er slechts op om nog veel zorgvuldiger over mijn vingers te worden geschoven; ze te scheuren, zou iets verschrikkelijks zijn geweest.... ik had geen tweede paar om aan te trekken. Toen ik Eugenie zeide wat ik dacht, lachte zij mij uit en schoof mij het pakket toe om er uit te kiezen; want, dat men ook in zulke kleinigheden zuinig kan zijn, was haar even nieuw als onbegrijpelijk.

Eindelijk reden we naar het oord onzer verwachting. Toen we de balzaal binnentraden klemde ik mij aan de hand van Tante vast; want als een zee golfden de lichte, heldere balkleedjes der dames om mij heen. Ik kreeg weer een hevige aanval van de balkoorts; en toen eenige prachtiggekleede dames van onze kennis op ons toekwamen, had ik wel in een hoek willen kruipen.

Doch, o vreugde! Daar ontsloot zich voor mij de hemel: want in 't lichtblauw neteldoek gehuld, met een krans van witte rozen in de blonde lokken, kwam daar, als een engel der verlossing, mijne lieve Marie naar mij toe, en aan haar hand schepte ik weer vroolijk adem; nu was ik geborgen! Wel deden de eerste tonen der dansmuziek weer een lichte rilling door mijn leden gaan; die had ik echter spoedig overwonnen; en 't genot van het dansen verdrong alle andere gevoelens.

Vroolijk monsterde ik mijn balboekje, waarop ik alle dansen als besproken kon aanteekenen, en zoo had ik ten minste niet het treurige vooruitzicht om als een muurbloem den wand te versieren,terwijl allen om mij heen dansten. Ik begreep spoedig zelf niet, welke verrukking mij bezielde, terwijl de golven van den dans mij voortstuwden; het was onbeschrijfelijk aangenaam, zich op de maat van de muziek te bewegen; ik danste met geestdrift.

„O, die lieve zestienjarige onschuld!” riep Eugenie lachend, toen ik eenige oogenblikken later met gloeiende wangen naar haar toesnelde en haar meedeelde, welk een genot ik smaakte. „Waarlijk! ik zou je kunnen benijden! Dat danst nog zoo met hart en ziel; terwijl wij blij zijn, dat we in een pauze eens tot ons zelf kunnen komen.”

Eugenie was de schoonste der dames; dat was ontegenzeggelijk waar, zoowel wat haar uiterlijk als wat haar toilet betrof. De balzaal was volkomen de plaats, om haar schoonheid en bevalligheid in vollen glans te voorschijn te doen treden, en ik vond het zeer natuurlijk, dat ze onophoudelijk door een breeden kring van heeren omgeven was, die zich de eer betwistten haar hun hulde aan te bieden. 't Zou mij bang om 't hart zijn geworden, als ik in haar plaats was geweest. 't Scheen Eugenie echter geheel en al onverschillig te zijn; want met verbazing bemerkte ik meermalen, hoe zij al haar vereerders den rug toekeerde en met de een of andere dame de zaal rondging.

„Ja, zij is eenig, dat meisje,” zeide Marie. „Mijn broeder maakt haar 't hof, evenals alle heeren; doch zij geeft haren vereerders óf scherpe antwoorden, óf ontsnapt hun als een aal, óf spot met hen, lacht hen uit en keert hun den rug toe.LouiseTerstege heeft me daar een aardige historie van haar verteld, waarin ge ook wel pleizier zult hebben. Luitenant Vergouw, dien iedereen om zijn dwaasheden uitlacht, staat naast Eugenie en zegt haar zulke laffe vleierijen, dat ze ongeduldig op haar waaier bijt en haar blikken verstrooid in de zaal laat weiden. Eindelijk ziet ze opmerkzaam naar de plaats, waar wij met elkander staan te praten. Onwillekeurigglimlacht zij en haar hoffelijke galant houdt het voor zijn plicht, insgelijks te glimlachen. Eugenie keert hem den rug toe en zegt tegen Louise, terwijl zij op ons wijst, tamelijk zacht:

„Die beiden, praten en kozen.”

„Die beiden, praten en kozen.”

„Die beiden, praten en kozen.”

„En zien naar de sterren omhoog,”

„En zien naar de sterren omhoog,”

„En zien naar de sterren omhoog,”

klinkt het eensklaps naast Eugenie, en met een diepe buiging staat Luitenant Vergouw glimlachend voor haar, die, terwijl hij zijn rooden knevel krult, op deze wijs het bekende lied voltooit. Dat gaat echter boven de lankmoedigheid van Eugenie. Met een toornigen blik ziet zij den indringer aan, werpt het hoofd in den nek en zegt scherp:

„En, lieve vriendin, in mijn oogZijn luitenants brutaal als de booze.”

„En, lieve vriendin, in mijn oogZijn luitenants brutaal als de booze.”

„En, lieve vriendin, in mijn oog

Zijn luitenants brutaal als de booze.”

Daarop maakte zij een trotsche buiging en zoekt met Louise een andere zaal op.”

Hoe aardig ik die geschiedenis ook vond, ik vreesde echter, en niet ten onrechte, dat Eugenie zich op die manier allerlei onaangenaamheden op den hals zou halen. Wat zij door scherpe antwoorden of op andere wijze ondervond, heeft ze mij nooit meegedeeld; slechts eens gedurende den cotillon kwam ze naar mij toe, wierp een prachtigen bouquet, dien zij gedurende den dans ontvangen had, verachtelijk onder de stoelen, en gaf mij lachend een klein briefje, dat iemand in de bloemen gestoken had, en waarop deze woorden stonden:

„Uw taal verwondt;Uw schoone mondDoet elk verdriet;En daarom zegtEen elk terecht:Ik mag u niet.”

„Uw taal verwondt;Uw schoone mondDoet elk verdriet;En daarom zegtEen elk terecht:Ik mag u niet.”

„Uw taal verwondt;

Uw schoone mond

Doet elk verdriet;

En daarom zegt

Een elk terecht:

Ik mag u niet.”

Verschrikt keek ik Eugenie aan; want hoezeer moest haar dit schimpdicht hinderen; maar met een guitigen lach zeide zij:

„Nietwaar, Madeliefje, van dien ben ik ten minste gelukkigbevrijd. Doch verwerf u aangenamer vereerders; 't is niet heel vleiend op die manier bezongen te worden.”

Daarbij zweefden haar blikken schalks naar Dr. Huisman, die zeer veel met mij danste en juist weer aankwam, om mij een der schoone ruikers aan te bieden, die in den cotillon onder de dames werden verdeeld.

„Hij is een vriend van mijn goeden papa,” zeide ik, terwijl ik verlegen de blikken van Eugenie volgde; toch voelde ik, hoe mij de kleur naar de wangen steeg.

„O, neem mij niet kwalijk! Ik dacht dat de ruiker voor u was en niet voor je papa. Maar dat moet jij beter weten, Madeliefje!” zeide Eugenie lachend en sloeg mij plagend met haar waaier op de vingers. Toen knikte zij mij vriendelijk toe en begaf zich met haar danser, die haar juist kwam halen, weer in de rijen van den cotillon.

Zulk een cotillon is een wonderlijke dans. Even eindeloos als hij duurt, is de opgewektheid die hij onder de dansenden doet ontstaan; want hier kan aan allerlei galanterie, aan allerlei gevoelens, aan voor- en afkeur uitdrukking worden gegeven, en dat door beide partijen gelijk. Voor de heeren had men, zooals ik reeds zeide, keurige bouquetten om aan de dames te geven; dezen kregen kleine papieren ridderorden om die haar dansers op de borst te steken. Ik had reeds verscheidene schoone bouquetten gekregen, en was zeer trotsch en gelukkig. Doch nu moest ik een keus doen, en aan wien zou ik mijn ridderorde liever gegeven hebben dan aan den vriend mijns vaders, dokter Huisman? Hij had zich toch reeds verdienstelijk jegens mij gemaakt, daar hij mij zoo dikwerf ten dans had genoodigd; 't was dus niets meer dan een staaltje van dankbaarheid dat ik hem de orde gaf. Toch klopte mijn hart daarbij geweldig, als deed ik iets kwaads. Angstig keek ik naar Eugenie, en ik was wat blij, toen ik zag, dat zij niet bemerkte aan wien ik mijn ridderorde schonk.

Eerst laat keerden we huiswaarts, de arme Tante doodmoe (want het is geen kleinigheid, zoo'n heelen avond duenna te zijn over een paar jonge meisjes), Eugenie nog altijd onuitputtelijk in scherts en overmoed, ik dronken van verrukking,want zoo in mijn schik was ik nog nooit geweest. Nog lang lag ik wakker en haalde mij alles voor den geest terug. 't Boerendeerntje had zich van avond nog al goed gehouden, vond ik: want Tante had me geen enkelen keer behoeven te berispen. Ik was tevreden met alles wat ik gesproken en gedaan had; eindelijk drukte de slaap mij zachtkens de oogen toe, en in den droom zweefde ik nog altijd vroolijk dansend op en neder.

„Hoor eens, Madeliefje, ik zal je eens les in het dansen geven,” zeide Eugenie den volgenden morgen, toen ik bij haar in de kamer trad. Ze lag nog te bed, ofschoon ik ook niet met de kippen van stok gekomen was.

„Dans ik dan zoo slecht, Eugenie?” riep ik verschrikt uit; want ik dacht dat ik nogal goed gedanst had.

„Ja, zoowat als Mama's schoothond, als die op zijn achterpooten loopt,” antwoordde Eugenie, terwijl zij zich geeuwend uitrekte.

Ik kreeg een kleur als bloed en beet mij op de lippen. Eugenie sloot de oogen en scheen niet meer op mij te letten, zoodat ik knorrig wilde weggaan. Eensklaps begon ze neuriënd te zingen:

„Mijn taal verwondt;Mijn booze mondDoet elk verdriet;En daarom zegtMargot terecht:Ik mag u niet.”

„Mijn taal verwondt;Mijn booze mondDoet elk verdriet;En daarom zegtMargot terecht:Ik mag u niet.”

„Mijn taal verwondt;

Mijn booze mond

Doet elk verdriet;

En daarom zegt

Margot terecht:

Ik mag u niet.”

„'t Is toch een alleraardigst liedje, nietwaar, Madeliefje?” ging ze opgeruimd voort, terwijl ze zich in 't bed oprichtte. „Zoo diepzinnig, zoo makkelijk te veranderen en op andere dingen toe te passen. Ja, zoo'n luitenant, dat is een pronkstuk, kind! Wat er toch een schat van geest en humor in zoo'n paar knevels steekt! Dat zou men niet gelooven.”

„Maar ze zijn toch niet allen zoo, Eugenie,” zeide ik eenigszins vergoelijkend, want ze wou me zeker weer plagen. „Ik heb eenige officieren leeren kennen, die alleraangenaamste jongelieden zijn; laffe gekken heeft men onder alle standen.”

„Ik dacht dat jij meer met de leerplicht dan met de weerbaarheid waart ingenomen, klein Madeliefje,” riep Eugenie knipoogend uit. „Wat stond je balorde dien Dokter Huisman allerliefst!”

Die drommelsche Eugenie! Daar joeg ze me 't bloed weer naar de wangen. Zoo had ze dan toch opgemerkt aan wien ik mijn orde gegeven had.

„Hij had zooveel met mij gedanst en daarvoor moest ik mij toch dankbaar toonen,” zeide ik, eenigszins in verwarring gebracht.

Eugenie's schaterend gelach bevrijdde mij uit mijn verlegen toestand; want ze vond het bovenmate naïf en bespottelijk, om een danser nog te beloonen voor de genade, welke men hem bewezen had om met hem te dansen. Ze had zoo'n geheel andere opvatting van de zaken, dat ik er menigmaal geheel verbaasd over stond. Met mijne lieve Marie kwam ik toch beter overeen; evenals ik zag die nog schuchter de wereld in.—Eugenie was over zulke „groene dwaasheden,” zooals zij ze noemde, heen; zij eischte veel en de natuur had haar rijke middelen gegeven, waardoor zij ook veel verkreeg. Maar voor een bescheiden „boerendeerntje” zooals ik was, passen ook bescheidene eischen aan de wereld en de menschen, en daarom liet ik mij door Eugenie niet van 't spoor brengen.

Wel had ik mij ten aanzien van Eugenie's aanmerking op mijn dansen zeer geërgerd, maar ik wist mijn wrevel te bedwingen; daar ik overtuigd was dat zij het inderdaad zeer goed met mij meende en zeide dus:

„Zeg mij eens in ernst, Eugenie! Dans ik inderdaad zoo slecht?”

„De gratie ligt bij u nog in de windsels, kindlief,” antwoordde ze, goedhartig lachende. „Stel je echter gerust. Zelfs Tante was met je welvoeglijkheid tevreden; ruk je dus maar niet uit pure wanhoop de zwarte haren uit het hoofd. Maar ik moet je toch nog wat onder handen nemen, dat kan je geen kwaad, u zoomin als Marie; want, wat deze te veel achterover danst, helt gij te veel voorover, zoodat je, als je met elkander danstet, een aardigen scherpen hoek zoudtmaken. En dan maak je allebei zulke allerliefste schoolpassen, als stond Mr.le professeur de danseachter u, om je voor elke onachtzaamheid met zijn strijkstok op de teenen te kloppen.”

Met blijdschap onderwierp ik mij aan de oefeningen, die Eugenie nog denzelfden morgen mijn voeten en handen liet maken, en juichend werd ook Marie in beslag genomen, toen ze kwam om eens over 't bal van gisteren met ons te praten. Wel was Eugenie een zonderlinge leermeesteres, daar ze allerlei guitenstreken bij onze oefeningen uitvoerde; maar wij leerden toch wat zij wenschte: ons gemakkelijker te bewegen en ons rechtop te houden bij het dansen. Daarbij voegde Tante Betsy nog de les, om den gasten zoo weinig mogelijk onzen rug toe te keeren, vooral dengenen, aan wie we als de voornaamsten de meeste hoogachting en beleefdheid verschuldigd waren. Dit in aanmerking te nemen—ik moet het openhartig bekennen—heb ik tot op den huidigen dag vreeselijk moeilijk gevonden.

Een ontmoeting.

Op dit eerste bal volgden er in den loop van den winter nog verscheidene, zoodat ik langzamerhand mijn blooheid overwon en Tante mij den lof gaf, dat ik mij veel vrijer en gemakkelijker bewoog, dan zij ooit verwacht had. Bij Eugenie vergeleken, scheen ik mijzelf nog altijd een houten pop toe; doch zij was op dat punt ook onbereikbaar.

Eer ik echter van ons huiselijk leven verder verhaal, moet ik een voorval mededeelen, dat gewichtiger gevolgen had dan ik in den beginne gedacht had.

In Tante Betsy's huis kwam dikwijls een arme vrouw, die eieren en fruit verkocht, welke haar door Tante goed betaald werden. Zij was ziek geworden, en daar Tante zich gaarne eens overtuigen wilde hoe 't er bij haar uitzag, nam ze een der schoonste dagen van den laten herfst waar, en reed met ons naar het dorp, waar de vrouw woonde. 't Zag daar juist zoo uit als men 't ons beschreven had: er was behoefte genoeg, en Tante liet door de kinderen het een en ander halen, terwijl zij ons beiden de deur uitdreef; daar ze wist dat Eugenie 't hier niet lang zou uithouden.

We gingen dus wat rondwandelen, tot we aan een fraai buiten kwamen, dat we met bijzondere aandacht beschouwden. Eensklaps kwam er een stier den weg op, die zeker losgebroken was. We schrikten beiden doodelijk, wilden hard wegloopenen riepen om hulp. Maar de stier kwam regelrecht op Eugenie af. Plotseling zinkt ze bewusteloos ter aarde en reeds bukt het woedende dier den breeden kop—toen een geweldige slag het ter zijde doet wijken, zoodat het de horens, die op Eugenie gericht waren, woest in een dikken boomstomp slaat, waardoor ze er in blijven zitten en het dier zich verwoed op den grond omwentelt.

Een fiksche mannelijke gestalte snelde nu van het dier naar Eugenie. Ook ik was spoedig bij haar en zag dankend tot den redder op, die ons zoo ridderlijk verlost had. Deze had ons echter reeds weer verlaten en hielp den boer, aan wien het beest toebehoorde, om dit uit den stomp los te krijgen, waarna de eigenaar het den kop aan een der voorpooten vastbond en 't meenam.

Thans kwam onze bevrijder weer naar ons toe; doch hoe groot was mijn verrassing, toen ik in hem Baron Van der Land herkende. Ik kreeg een kleur als bloed en kon van verlegenheid slechts eenige onsamenhangende woorden uitbrengen. Ook hij was blijkbaar verrast. Eugenie echter, die spoedig weer bijgekomen was, verloste ons uit onzen pijnlijken toestand; want hartelijk bedankte zij hem, reikte hem de hand en verzocht hem vriendelijk haar naar Tante Betsy te vergezellen.

De Baron wist niet recht wat hij doen of zeggen zou. Hij wierp een vluchtigen blik op mij, en ik verwon mijn verlegenheid en vereenigde mijn verzoek met dat van Eugenie, en zoo begeleidde de baron ons naar de boerenwoning, waar Tante reeds op ons stond te wachten en nu niet minder verrast werd door 't verhaal van 't geen ons gebeurd was, dan door onze ontmoeting met onzen ouden bekende. Maar hier, in de vrije natuur, slechts omgeven door weinige opgeruimde menschen, was de baron een geheel ander mensch. Zijn stijve, verlegen manieren, die mij in 't schitterend salon en onder zooveel vreemde, elegante menschen zoo belachelijk hadden toegeschenen, waren nu nauw merkbaar; de losse kleeding die hij droeg, deed hem op zijn voordeeligst uitkomen, en de moed en de zekerheid, waarmede hij Eugenie's aanvaller tegenden grond had geworpen, hadden hem in al zijn mannelijke kracht en beteekenis aan ons oog doen kennen. Hij verzocht de eer te mogen hebben ons naar zijn buiten te geleiden, en we namen die uitnoodiging met genoegen aan. 't Was een schoon buiten en 't getuigde zoowel van den rijkdom des bezitters als van zijn goeden smaak.

't Was mij toch zonderling te moede, toen ik door de elegant gemeubelde vertrekken wandelde. Dat alles had ik het mijne kunnen noemen; ik had hier meesteres kunnen worden! Deze gedachte drong zich als onwillekeurig aan mij op, en 't was mij als las ik dezelfde gedachte op 't gelaat van Tante Betsy; ik had wel eens willen weten, of de baron ook daarover peinsde, maar ik durfde hem evenmin aanzien als hij mij. En toch, in plaats dat mij het denkbeeld met spijt en berouw vervulde, voelde ik juist thans eerst ten volle, hoe onmogelijk 't mij zou zijn geweest, de wenschen van dien man te vervullen, al ware zijn buiten nog tienmaal schooner en kostbaarder geweest.

De baron scheen er behagen in te vinden om alles te laten zien, en hij was zoo ongedwongen en opgeruimd, dat ik hem schier niet herkende. Eugenie was geheel en al bekomen van den schrik en vermeide zich vooral in de schoone schilderijen en kunstschatten, welke de kamers van het buitenbevatten. Mij boeide de prachtig aangelegde tuin veel meer. 't Meest van alles echter stonden wij te kijken, toen we in de bibliotheek van den baron kwamen, waar zich, behalve een rijke boekenschat, ook een prachtige vleugelpiano, een violoncel en andere muziekinstrumenten bevonden.

„Ha, ha! Ge schijnt een musicus te zijn, baron!” riep Eugenie uit, op een muziekboek wijzende dat bij de violoncel lag opengeslagen.

„Een weinig, juffrouw,” antwoordde de baron eenigszins verlegen, terwijl hij blijkbaar zoo spoedig mogelijk 't vertrek verlaten wilde. Maar Eugenie was er de rechte toe, om zich te laten afleiden! Zij ging naar de piano, deed die open, liet haar vingers over de toetsen glijden, sloeg een paar heerlijke akkoorden aan, en knikte den baron glimlachend toe.

„Neen, beste baron,” riep zij vroolijk uit. „Zoo gauw krijgt ge me hier niet vandaan. Ge moet mij met de violoncel accompagneeren. O, hoe lang is 't al geleden dat ik dit heerlijke instrument gehoord heb! Onder uw muziek zullen we wel wat vinden, dat we samen kunnen spelen.”

Hier hielp geen tegenstribbelen. Eugenie was al aan 't zoeken en spoedig had ze dan ook wat gevonden. Het duurde niet lang of de baron was zoo met zijn geheele ziel bij zijn spel, dat hij alles om zich heen vergat.

Doch de reeds ter kimme neigende zon waarschuwde ons dat het tijd werd om te vertrekken. We namen zulk een hartelijk afscheid van den baron, als waren we reeds sedert lang de beste vrienden geweest; hij beloofde zelfs ons een bezoek te zullen brengen, zoodra hij in de residentie kwam. Dat gebeurde echter niet dikwijls; want hij gevoelde zich buiten altijd veel vrijer en gelukkiger dan te midden van die stijve en vormelijke stadsmenschen; ik had hem dan ook sedert hetgeen er tusschen ons was voorgevallen, niet weder in eenig gezelschap ontmoet, wat mij zeer aangenaam was geweest.

Ik was er ten hoogste over verwonderd dat Eugenie met zooveel achting, ja zelfs met bewondering over den baron sprak. 't Was of ze geheel en al veranderd was; want haar ondeugende moedwil, die niets verschoonde, had toch ook hier rijke stof tot spotternij kunnen vinden, hoe voordeelig de baron zich ook had voorgedaan. Er kwamen daardoor allerlei zonderlinge gedachten in mij op, die ik echter wijselijk voor mij hield; en ik paste er wel op, om tegen Eugenie ook maar één woord te reppen over 't geen er tusschen mij en den baron was voorgevallen. Slechts tegen Marie sprak ik er vrij en ongedwongen over: want zij was in alles mijn vertrouwde.

Kort na dit avontuur hoorden wij met grooten schrik, dat er in het dorp, waar we nog zoo kort geleden geweest waren, een vreeselijke brand had gewoed, waarbij niet alleen verscheidene woningen, waaronder de school en de pastorie, een prooi der vlammen waren geworden, maar ook een gedeeltevan de kerk in de asch was gelegd. Natuurlijk trof ons 't bericht van die ramp des te meer, omdat we er nog zoo kort geleden geweest waren, en we gaven rijkelijk in de collecte, die er voor de door den brand ongelukkig geworden menschen gehouden werd. Gelukkig was de arme boerenvrouw verschoond gebleven; maar de schrik en de angst hadden haar toestand vrij wat verergerd. Door haar vernamen wij, hoe edelmoedig de baron zich gedragen had. Niet alleen had hij een werkdadig aandeel bij de blussching van den brand zelf genomen; hij had ook zijn buiten opengesteld voor de arme menschen, die op die oogenblikken zonder huisvesting waren.

Eugenie stelde een bijzonder levendig belang in dit voorval, en dacht over de middelen na om krachtige hulp te verschaffen. Een verloting van dameshandwerken en andere zaken, welke ik met Marie op het touw zette, viel weinig in haar smaak, ofschoon zij er keurige prijzen in gaf.

„We moesten een dilettantenconcert zien te houden,” riep zij eindelijk uit. „Dat zal meer opbrengen dan uw speldenkussenloterij met lootjes van twee kwartjes. Of zoudt ge een tooneelvoorstelling beter oordeelen? Ik geloof dat we daarmee een goede recette zouden maken. Natuurlijk moeten we keurig zijn in 't uitreiken van entreebiljetten en niet maar Jan en alleman toelaten.”

Onze tegenbedenkingen, dat zulke denkbeelden onuitvoerbaar waren en er al te veel moeite en zorg aan verbonden zouden zijn, vonden bij haar geen ingang; en, daar Tante Betsy er niets ongepasts in vond, omdat het voor een goed doel was, stelde Eugenie haar plan vast en nam op zich te zullen zorgen voor de uitvoering van een paar aardige stukjes, voorafgegaan door een klein concert.

De anders zoo op haar gemak gestelde, niets uitvoerende Eugenie was nu geheel werkzaamheid en ijver. Het opvoeren van tooneelstukjes behoorde tot die dingen, waarmee hare mama dweepte en die bij haar aan huis meermalen hadden plaats gehad. Ze had er dus verstand van; zij zelf was er een keer of wat in opgetreden. Men kon haar nu dagelijks in haar kamer vinden, omringd van boeken: want geschikte tooneelstukjeszijn moeilijk te vinden. Eindelijk was ze er mee klaar, en de uitslag toonde dat ze een goede keus gedaan had.

't Kostte echter vrij wat moeite om onder onze bekenden 't noodige personeel voor de uitvoering bijeen te krijgen; zonder Eugenie's aanminnigheid zouden we het zeker nooit zoover gebracht hebben. Eindelijk waren alle rollen bezet, en nu gingen we aan 't studeeren daarvan en 't vervaardigen van de noodige kostumes.

't Leek bij Tante wel den zoeten inval; want al de repetitiën zouden bij ons plaats hebben—voor de uitvoering was reeds een zaal afgehuurd. Er was voor Eugenie wat te doen bij die repetitiën: want zij fungeerde voor regisseur, terwijl mij een deel van de vervaardiging der garderobe was opgedragen. Bovendien had ze mij een rol opgedrongen, hoe ik er mij ook tegen verzet had.

„Ik ben er veel te stijf toe!” had ik gezegd. „Ik zal u allen te schande maken.”

„Ik zal je wel klaar krijgen, Madeliefje,” was haar antwoord geweest. „Je bent hier bij Tante Betsy op de hoogeschool; en tot een echte beschaving behoort ook, dat men mee kan doen als er komedie gespeeld wordt. Wat ik dus van je vorder, is alleen een middel om je opvoeding te perfectionneeren.”

En 't hielp mij bitter weinig, of ik al vond dat nu juist het komediespelen niet tot de elementen eener gesoigneerde educatie behoorde—wilde ik niet eigenzinnig schijnen, dan moest ik mij onderwerpen.

Haar plan om een klein concert vooraf te laten gaan, gaf Eugenie nog meer moeite dan het bezetten der rollen. Wat haar betrof, zij wilde gaarne spelen en zingen; maar er moesten haar eenige andere ferme krachten ter zijde staan: anders kon het niet. Eindelijk had Amanda Delius zich bereid verklaard iets op de piano voor te dragen, welk instrument zij met talent bespeelde, en Dokter Huisman studeerde met Eugenie een duet in; er moest echter nog voor een ouverture gezorgd worden, die 't geheel behoorlijk zou inleiden.

„Ik ben er! Dat moet gebeuren!” riep Eugenie mij op zekerenmorgen toe en liet mij een klein keurig briefje zien, waarop stond: „Den Hoogwelgeboren Heer, Baron Van der Land.”

„Nu, zet maar zulke groote oogen niet op alsof je mij zoo maar met huid en haar wilde opeten!” riep Eugenie uit, terwijl ze schelde. „Breng dat briefje eens gauw naar de post, Lizette,” vervolgde zij tot haar kamenier, aan wie ze 't overreikte.

„Maar, Eugenie! Wat heb je nu gedaan?” riep ik half versteend van verbazing uit.

„Wel, ik heb onzen goeden baron verzocht, voor zijn door brand ongelukkig geworden dorpsgenooten eenige stukken op de violoncel als bijdrage te leveren,” antwoordde Eugenie.

„Op de violoncel? Zal hij op ons concert meewerken? En heb je hem dat durven vragen, Eugenie?”

„Wel, waarom niet? Hij speelt zoo magnifiek. Waarom zou hij geen trio met mij enMarie'sbroeder uitvoeren? Ik neem de piano, Eduard de viool en de baron de violoncel; dat is een prachtige introductie.”

Ik schudde het hoofd en dacht niet anders of zij zou een weigerend antwoord van den baron ontvangen. Maar, o wonder! daar verscheen reeds den volgenden dag onze goede baron zelf, wel een beetje stijf en verlegen, maar toch levendig en vol vuur, zooals ik hem nog nooit gezien had. Hoeveel 't hem gekost had zijn menschenschuwheid te overwinnen, dat konden wij slechts vermoeden; hij had haar echter overwonnen en kwam nu om Eugenie's verdere bevelen te vernemen. Deze was dol verheugd en zeer voorkomend voor haar nieuwen vriend, met wien zij zich spoedig in de keus van een geschikt stuk verdiepte.

Toen de baron weg was, kon ik niet nalaten op mijn beurt Eugenie eens te plagen en zei heel onnoozel:

„Wat is het toch lief van den baron, dat hij alleen ter wille van het edele doel zijn blooheid overwint en het offer brengt, om met je te spelen, Eugenie.”

Ze keek eensklaps op, bukte zich toen en scheen zich in de muziek te verdiepen.

„Hm! ja, hij is zeer goed,” zeide zij verstrooid. „Apropos,Madeliefje,” ging ze toen op haar gewonen plagerigen toon voort: „ik had nooit gedacht dat je zoo onbarmhartig zoudt zijn geweest, om dezengoedenman zoo wreed te behandelen.”

Nu kwam de beurt aan mij om te blozen; want het was mij zeer onaangenaam dat Eugenie van de geschiedenis wist. Eduard moest haar die verraden hebben; Tante en Marie toch hadden mij beloofd er over te zwijgen. Het verwonderde mij echter ten hoogste dat Eugenie deze plagerij niet voortzette, en ik paste er wel op om haar weer met den baron te plagen.

Op de planken.

„Een voorstelling tot een weldadig doel,” stond op de toegangkaarten, die wij voor den avond, waarop onze voorstelling zou plaats hebben, uitreikten. Alle plaatsen in de zaal waren spoedig aan den man gebracht en we zagen onze moeite door een ruime recette beloond. Met welk een angst zag ik dien gewichtigen avond aankomen—daarmee vergeleken toch was een bal maar een kinderspel, een beuzeling! Doch wat hielp al die angst? de avond kwam spoediger dan ik wel gewenscht had; de tooneelschel ging en langzaam werd het scherm opgehaald, dat het tooneel van de zaal scheidde. Een dof gegons uit het publiek drong tot achter de coulissen door, waar wij, die moesten spelen, stonden; maar weldra werd alles doodstil en hoorden we de stem mijner lieve Marie, die een korte toespraak moest houden. Zij verzocht daarin het doel onzer uitvoering als verontschuldiging voor onze vermetelheid te willen aannemen, en de critiek, aan welke we geen entreebiljet hadden willen geven, den toegang tot de zaal te ontzeggen.

Een donderend applaus volgde op den met heldere en welluidende stem uitgesproken proloog, en hoe ik Marie ook in den beginne beklaagd had, dat haar de zware taak ten deel gevallen was, om zoo het eerst en alleen op te treden, zoozeer benijdde ik haar nu: want haar taak was volbracht, en ze had nu niets meer te doen dan naar ons spel te kijken.

Toen Marie van het tooneel was afgetreden, klonken de eerste tonen van het trio van Beethoven en heerschte er een ademlooze stilte in de zaal. Hooge planten en bloemen, die Eugenie met fijnen tact ter gemoetkoming aan des barons verlegenheid daar had laten plaatsen, verborgen de drie dilettanten voor een groot gedeelte, en daarachter vertolkte nu het muzikale klaverblad de harmonieën van den grooten meester op eene wijze, die iedereen meesleepte en met luide toejuichingen werd beloond. Nu volgde eene kleine pauze en daarna zong Eugenie een schoon lied, zoodat de oogen van den baron schitterden, toen hij bij ons achter de coulissen verscheen: 't was of al zijn zinnen zich in dien van zijn gehoor concentreerden, terwijl hij naar 't schoone gezang luisterde. Eerst toen Amanda met een prachtig concertstuk op de piano het programma vervolgde, kwam hij weer tot zichzelf. De introductie werd besloten met het duet, dat door Eugenie en Dokter Huisman gezongen werd.

Nu echter kwam het vreeselijke oogenblik waarop onze uitvoering moest beginnen. We gaven een vertaling van Kotsebu'es „De rechte weg is de beste.” Ik had de rol van de jonge predikantsweduwe, die te gelijk met de vacante predikantsplaats zal worden vergeven en een zeer vroolijk meisje, dat niet heel jong meer was, had die van de huishoudster, die ter beproeving der sollicitanten als de dame wordt voorgesteld, die ze met de plaats op den koop toe moeten nemen. Een oud majoor door Dokter Huisman met paruik, lange Duitsche pijp en beschilderde rimpels keurig voorgesteld, was degeen, die de plaats te begeven had, en bij hem meldden zich nu twee sollicitanten aan. De een heeft veel voorspraak en noemt een aantal personen die te zijnen gunste willen spreken; de voorwaarde om de oude huishoudster te trouwen neemt hij terstond aan, vooral als hij verneemt dat ze geld heeft. De andere sollicitant heeft geen voorspraak en wendt zich regelrecht tot den majoor; toen hij echter de voorwaarde hoort om de dominésweduwe op den koop toe te nemen, bedankt hij, nog vóór hij haar gezien heeft, voor de plaats. Doch toen hij haar ziet en ontdekt dat ze 't voorwerp zijner vroegereliefde is, om wier wil hij nooit heeft willen trouwen, krijgt hij natuurlijk de vrouw met de predikantsplaats er bij, en zoo eindigt alles voortreffelijk, vrij wat gemakkelijker dan mijn zedige rol van jonge weduwe. Het optreden der oude huishoudster had een algemeen handgeklap veroorzaakt, want een ontzaglijke muts met vreeselijk veel strikken en een kostelijke ouderwetsche gebloemde samaar gaven haar iets comisch; daarbij speelde zij uitmuntend.

Ondanks mijn angst en benauwdheid ging alles heel goed; geen van ons bleef steken, de souffleur volbracht zijn plicht uitmuntend en alles sloot naar wensch in elkander. Mij brak in den beginne 't zweet wel uit en alles draaide mij voor de oogen, wanneer ik die van het tooneel naar het talrijke publiek wendde; maar dat ging spoedig over en al spelende wies mijn moed. Dat we luide toejuiching verwierven en teruggeroepen werden, deed mij veel genoegen; zelfs Eugenie zeide, dat ik „nogal goed gespeeld” had, en uitmuntend „het eerbare madeliefje” had voorgesteld, zooals een dominé's vrouw dat zijn moest.

Op ons kluchtspel volgde een tweede: „DeKurmarkeren 't meisje uit Picardië” van Schneider, en dat zette het geheel de kroon op. Eugenie speelde voor de bevallige Française en Eduard voor den onbehouwen Pruis. Wat zag die Eugenie er allerliefst uit in dat vlugge Fransche kostuum. De hooge Picardische muts stond haar om te stelen! De inhoud zelf van 't stuk beteekent niet veel: de kleine Française weet door aanvalligheid, dans en vleierij den lompen Pruis zoo gunstig te stemmen, en deze wint door zijn trouwhartige goedaardigheid zoozeer de gunst zijner vijandin, dat beiden als de beste vrienden van elkander gaan. Het bekende lied: „O, denneboom! O, denneboom, hoe groen zijn uwe blaren!” zong Eduard met zooveel humor en liet daarbij toch den diepen ernst die er in lag zoozeer gevoelen, dat ons de tranen in de oogen stonden, toen het gezang van den braven soldaat, die aan zijn vaderland denkt, in snikken eindigde. Daarentegen waren Eugenie's sierlijke dansen in tegenoverstelling van de plompe sprongen van den goeden Duitscher allerliefst.Beiden oogstten dan ook geen minder daverend applaudissement in dan wij en werden ook teruggeroepen.

En zoo was alles goed en zonder stoornis afgeloopen; onze voorstellingen hadden onverholen bijval gevonden, wijzelf hadden er ons patent bij geamuseerd en, wat het hoofddoel was: er was een aardige som ingekomen voor de ongelukkigen, welke som we vol vreugde in handen van den baron stelden, om ze onder hen te verdeelen.

De drukte, door de toebereidselen voor dezen avond ons allen een tijdlang gegeven, werd nu natuurlijk weer vervangen door den rustigen, gelijkmatigen gang van het dagelijksch leven. De winter met zijn lange avonden verzamelde ons meestal in de prettige huiskamer, wier ouderwetsche meubelen thans ook der dartele Eugenie begonnen te bevallen, evenals geheel ons huiselijk leven. Zulk een leven had het arme meisje nooit gekend; want hare mama beschouwde elken dag, waarop zij niet kon uitgaan, als verloren. Gelukkig dat in onze Eugenie een geheel andere aard lag;—het oorspronkelijk goede van haar karakter kreeg dan ook al meer en meer de overhand boven haar vroegere lichtzinnigheid. Zonderling en ondeugend bleef ze echter altijd en verwend ook; maar ondanks dat alles moest men haar toch liefhebben: want in den grond was ze een lieve, aardige, hartelijke meid.

Haar groote muzikale begaafdheden verschaften ons gedurende de lange winteravonden menig genot, en ten gevolge van hare aanmoediging, beproefde ik ook langzamerhand mijn geringe talenten in piano en zang te volmaken. Marie kwam op die avondjes dikwijls bij ons, ook haar broeder Eduard en Dokter Huisman, die tegenwoordig tot de vertrouwde vrienden van onzen kleinen kring behoorde. Het duurde niet lang of we kregen er nog een lid bij: onzen eerst zoo schuwen vriend, Baron Van der Land.

In groote gezelschappen ontmoetten we hem nooit en ook in onzen kleinen kring scheen hij zich in den beginne niet erg thuis te gevoelen; de muziek echter deed hem van lieverlede zijn schroomvalligheid verliezen. Eugenie had zulk een aardige, lieve manier om zijn linksch gedrag niet op te merkenen hem op zijn gemak te zetten, en Tante Betsy was zoo hartelijk en vertrouwelijk met hem, dat de ijskorst langzamerhand smolt en wij met elkander hoe langer hoe meer op gemeenzamer voet raakten. Dokter Huisman wist ons van tijd tot tijd met zijn interessante reisverhalen te vermaken, en Eduard kon over allerlei onderwerpen met een helder oordeel spreken; waarbij het weldra bleek, welk een beschaafd en ontwikkeld man de baron was. Dat had niemand achter dien stijven klaas gezocht; ik echter wel, toen hij op dien avond van de soirée met mij over de kunst en haar beoefenaars had gesproken.

Marie deelde met mij de vaste overtuiging, dat de baron tot over de ooren verliefd was op Eugenie. Hoe echter Eugenie over hem dacht, was zoo gemakkelijk niet uit te maken; haar onafgebroken scherts maakte dat men haar niet kon doorgronden, en als wij soms meenden haar gevat te hebben, ontsnapte zij als een gladde aal uit onze handen. Toch was er veel waarschijnlijkheid voor, dat ook zij den baron graag mocht lijden. Onbegrijpelijk! en toch was het zoo: de wonderlijke, stijve, schuwe menschenhater beviel aan onze schoone, elegante, verwende Eugenie beter, dan eenige andere heer van onze kennis.

Zij nam altijd zijn partij op, bracht alles te berde wat hem in een voordeelig daglicht stelde, spotte nooit met hem, lachte nooit over hem, al gaf hij daartoe ook nog zooveel reden; en thans gevoelde ik zoo ten volle de waarheid der woorden, die Tante eens tot mij gezegd had: „Spot is erger dan berisping. Een meisje zal veeleer een man huwen in wien zij veel te berispen vindt, dan een met wien zij gespot en over wien zij gelachen heeft.”

Ook ik lachte niet meer over de onbeholpenheid van den baron; want ik leerde hem al meer en meer om zijn voortreffelijk karakter achten en waardeeren. Ik moet echter bekennen, dat ik mij in den beginne tegenover hem alles behalve op mijn gemak gevoelde en zeker wel in linksche manieren met hem wedijverde. 't Is toch een pijnlijk gevoel voor een meisje, zich tegenover den man te bevinden, dien zeeen blauwtje heeft laten loopen. Tot mijn genoegen scheen de baron zich daar veel gemakkelijker over heen te zetten; als hij Eugenie zag scheen hij alles te vergeten behalve haar, en hoe zou ik dan nog bij hem in aanmerking kunnen komen?

't Stond echter oogenschijnlijk slecht met den armen baron geschapen. Week op week verliep; reeds maakte de winter plaats voor de lente, en nog waren de zaken even ver gevorderd; want de vrees om door Eugenie te worden afgewezen, bond den armen man de tong. Hij waagde het niet, aan het schoone, talentvolle meisje te bekennen, hoezeer hij haar beminde. 't Was dan ook allesbehalve gemakkelijk voor hem een tweede poging te wagen, waar de eerste mislukt was; daarenboven zou een weigering van Eugenie, die hij werkelijk liefhad, al zijn hoogste wenschen en verwachtingen den bodem inslaan en wat hem thans vreugd en een nieuw leven schonk, voor altijd doen verdwijnen.

Deze gedachten stonden hem zoo duidelijk op 't gelaat te lezen, dat ik er Eduard eens over aansprak.

„Ja, lieve Margot,” antwoordde hij mij: „Je zoudt je in dit geval eens recht verdienstelijk kunnen maken.”

„Ik? Hoe meen je dat, Eduard?”

„Je zoudt het geluk kunnen grondvesten van je vroegeren vereerder, den baron.”

„Hij is nooit mijn vereerder geweest, Eduard, en aanbidt thans andere godheden,” antwoordde ik lachend.

„Maar je hebt hem toch eens bitter teleurgesteld en gekrenkt, en dat mag je wel weer goedmaken.”

„O, heel gaarne. Maar hoe kan ik dat?”

„Hoor eens, de dames hebben er 't handje van om het verborgene te ontraadselen. Zou je niet eens 't hart van je schoone nicht kunnen peilen, om te weten of zij den baron.....”

„Ho, wat! Dat is een machtig zware taak, die je me daar op de schouders legt. Eugenie is evenals een kolibrietje, dat telkens een andere kleur krijgt, al naar 't licht er op valt, of als een kameleon, die allerlei verschillende tinten aanneemt. Zij doorziet mijn doel tienmaal, als ik zou willen beproeven haar te doorgronden.”

„Maar je zoudt een goed werk doen, Margot,” zeide Eduard, die weer ernstig werd. „Onze arme baron sterft schier van liefde voor Eugenie; maar wat hij van u ondervonden heeft, is de oorzaak dat hij geen moed heeft om ooit weer een meisje te vragen. Ik heb hem vrijwillig mijn hulp aangeboden: maar hij verzocht mij vol angst toch geen stap verder te gaan: want Eugenie's weigering zou hem levenslang ongelukkig maken. Wat moet er echter van worden als hij zich niet declareert?”

„Nu, ik zal doen wat ik kan om Eugenie te polsen, ik beloof het je,” antwoordde ik zuchtend. „Ik geloof wel dat ze den baron gaarne mag. Of ze hem echter 't jawoord zou geven, durf ik niet beslissen. Ze is zulk een zonderling meisje.”

't Was een zware taak, die ik op mij genomen had. Ik poogde dikwijls het gesprek op den baron te brengen; maar niets hielp mij: ik kwam er geen stap verder mee.

„Vindt je niet, Eugenie,” zeide ik onder anderen eens tegen haar, „dat de baron toch een interessant gelaat heeft, vooral wanneer de muziek hem in vuur brengt?”

„Ik vind hem zeer leelijk, of hij musiceert of niet,” antwoordde zij droogjes.

„Ja, zijn manieren zijn niet bevallig, dat moet ik erkennen,” hernam ik.

„Wat komt dat er op aan?” antwoordde ze snel. „Wat mij aangaat, mag hij zoo stijf zijn als hij wil; ik wil immers niet met hem dansen! In de conversatie is hij niet stijf en dat is al veel.”

En zoo ging het altijd: berispte ik, dan prees zij hem; en zeide ik wat te zijnen gunste, dan was 't al weer niet goed.

„De baron moet schatrijk zijn,” was 't op een anderen dag. „En hoe jammer dat hij zoo alleen op dat groote buiten woont!”

„Waarom heb je dan geweigerd hem daar gezelschap te houden, als 't je zoo spijt dat hij zoo eenzaam woont?” vroeg Eugenie lachend.

Ik voelde dat ik kleurde; ik overwon echter mijn verlegenheid en zeide:

„Er zijn genoeg andere meisjes, die graag zijn vrouw willen worden: dunkt je dat ook niet?”

„'t Kan wel zijn,” antwoordde zij terwijl ze haar krullen om den vinger draaide. „Maar 't staat je niet mooi dat je een gerecht aan anderen aanpreekt dat je zelve niet lust. O, klein, onnoozel Madeliefje! Dacht je een oude rat in de val te krijgen!”

En ze groette mij wuivend met de hand en ging dansend de kamer uit; terwijl ik, boos op mijzelf, bleef staan, mij mijn domheid verwijtend, die zoo plompverloren voor den dag was gekomen.

Eindelijk, op zekeren dag, toen de baron weer lang bij ons geweest was, vatte ik moed en zeide ernstig:

„Hoor eens, Eugenie! Ik geloof dat de baron smoorlijk verliefd op je is; maar hij is te bloo om 't je te zeggen. Je moest hem wat duidelijker laten zien of je zijn neiging begunstigt, opdat de man wete, waaraan hij zich te houden heeft.”

Een oogenblik keek Eugenie mij met verbazing aan; daarop barstte zij in een luid gelach uit en zeide:

„Heeft hij je dat ook soms opgedragen, gevoelige ziel? Ik geloof het bijna. Maar, schatje, dan heeft hij al een heel slechte afgezant in je gekozen! Voor 't overige, Madeliefje!” ging zij vleiend voort, toen zij zag dat ik mij beleedigd afwendde en wilde weggaan, „voor 't overige zal ik je lessen ter harte nemen. Jammer slechts dat we geen schrikkeljaar hebben; dat zou vrij wat gemakkelijker voor den baron zijn. Dansten we samen maar eens den cotillon,” ging ze plagend voort, „dan kon ik hem ten minste een ridderorde brengen en hem toonen dat hij mij de liefste van al de heeren der schepping is. Nietwaar, Madeliefje? Hé, ja! Wie was 't ook weer, wien je op dat eerste bal de cotillonorde bracht? O, ja, Eduard .... neen, die was het niet. Wie was het dan toch?”

„Laat me met rust, afschuwelijk schepsel!” riep ik boos en toch lachend uit. „Met u kan klaar komen wie wil; ik heb er genoeg van!”

„Nu, dat is heerlijk! Dan zal ik toch eens rust hebben van u en je saamgezworenen!” riep Eugenie lachend uit. „Maar,”ging zij vroolijk voort, „opdat je arm hartje niet van kommer en medelijden moge breken, wil ik je bekennen dat ik den baron werkelijk best mag lijden. Kom, haast je nu wat, maak dat de vrienden het vernemen en de arme baron door hen; dan heeft hij eindelijk misschien nog de heldhaftigheid om mij te vragen en behaal je de zegepraal door de manier, waarop je de zaak tot stand hebt gebracht. Hoor je niet wat ik zeg, schatjelief! Haast je toch, opdat hij 't gauw verneme! Geloof je het dan nog niet, als ik je op drogen toon zeg: ik bemin hem. Of waarom sta je me weer aan te kijken alsof je het te Keulen hadt hooren onweeren?”

Ja, verwonderd stond ik daar: want wat ik langs omwegen haar niet had kunnen ontlokken, dat zei het wonderlijke meisje nu uit zichzelf, en wel in ronde woorden, toen ik dit het minst verwacht had. Juichend viel ik haar om den hals; maar dat kon ze niet hebben en ze liep brommend de kamer uit. Ik snelde echter met mijn nieuws naar Marie en met deze naar Eduard, die de tijding zoo spoedig hij maar eenigszins kon aan den baron zou brengen, in de verwachting dat deze hem wel weer de rol zou opdragen om de bruid voor hem te werven. Ook aan Tante Betsy werd 't geheim toevertrouwd; deze had reeds sedert lang alles vermoed, en verheugde zich zeer dat de zaken zulk een keer genomen hadden.

„Maar, lieve Tante,” zeide ik hoofdschuddend. „Zoudt gij dan werkelijk denken dat Eugenie den eenzelvigen man genoeg bemint om hem voor zijn leven gelukkig te maken? Zij zijn zoo geheel en al verschillend van karakter.”

„Dat doet er niets toe, kindlief,” antwoordde Tante glimlachend. „Zooals ik Eugenie langzamerhand heb leeren kennen, weet ik dat zij de waarde van dezen man zal ontdekt hebben onder al zijn wonderlijkheid en die met haar lichtzinnige, bevallige manier over 't hoofd zal zien, ja, voor anderen verbergen. Bij zijn vereering voor Eugenie zal zij wel is waar levenslang het verwende kind blijven dat zij is; maar daar het haar in den schitterenden toestand, waarin de rijkdom van den baron haar zal plaatsen, niet aan de middelen zal ontbreken om hare luimen te bevredigen, kan ze gerust voortgaanzooals zij doet, als ze maar zoo goed en beminnelijk blijft, als ze thans is geworden.”

Den geheelen dag sprak ik er met Eugenie geen enkel woord meer over; zij bleef veel op haar kamer en dat was mij heel aangenaam. Maar tusschen licht en donker zag ik haar naar Tante Betsy's kamer gaan; daarna kwam ze bij mij in de huiskamer.

„Madeliefje,” zei ze. „Daar je hier toch op de hoogeschool bent, kun je er nu ook je studie van maken, hoe je je als verloofde in de wereld te gedragen hebt.”

Ik wist niet wat die woorden te beteekenen hadden, en omdat ik vermoedde dat er weer plagerij onder school, antwoordde ik:

„Laat toch die grappen, Eugenie, ik vind ze niet aardig.”

„Wat kan 't mij schelen, of je ze aardig vindt of niet,” antwoordde zij lachend. „Maar ik maak geen grappen; 't is mij thans hooge ernst.”

„Nu, wat mij aangaat, die tijd is voor mij nog ver af,” antwoordde ik.

„Misschien zoo heel ver niet, Madeliefje,” hernam zij opgeruimd. „Je hebt altijd gezegd dat je van mij zooveel kondet leeren. Welnu, thans kunt ge leeren hoe je met gratie als verloofde kunt optreden.”

„Hoe!” riep ik verrast uit. „Heeft dan de baron den moed gehad zich te declareeren?”

„De baron? Wie zegt dat?” vroeg Eugenie lachend.

„Nu, een van beiden heeft zich toch 't eerst moeten verklaren; jij hebt toch soms niet....” stotterde ik.

„Ik? Ik heb niets anders gedaan, dan den raad mijner voortreffelijke nicht gevolgd,” zeide Eugenie vriendelijk. „Zij heeft mij getoond, hoe men orden uitdeelt, om de taal van zijn hart te doen verstaan. Ook ik heb dezen voormiddag een orde geschonken, en, zooals 't een galanten cavalier past, een bouquetje daarvoor teruggekregen; want dat is cotillonsregel, nietwaar, Madeliefje? Kom, laat eens zien of je de bloementaal verstaat. Je weet dat ik zeer openhartig ben.”

En nu haalde ze uit haar zakdoek een heerlijken bouquet enhield me dien onder den neus. Een klein briefje stak in de bloemen; ik nam het en las daarop: „Dank, onuitsprekelijken dank voor den lichtstraal in den donkeren nacht. Thans zijt gij de mijne, de mijne voor eeuwig.”

Mij was het als droomde ik. Alzoo was alles reeds in orde en onze bemiddeling geheel onnoodig geworden. Eugenie had ons aardig beet gehad en haar aangelegenheden zelf bestuurd. Was zulk een handelwijs niet door de onoverwinnelijke blooheid van den baron te verontschuldigen, ja, geheel te rechtvaardigen? Het levensgeluk van twee menschen hing er immers van af; en Eugenie was den baron zoo kiesch tegemoetgekomen, als men 't van een welopgevoed meisje als zij was, verwachten kon. Gelukkig, dat ik niet in haar plaats was—zooiets had ik nooit durven doen!

Een half uur later kwam er iemand de trappen opstormen, en in mijn leven heb ik een mensch niet zoo veranderd gezien als onze baron. Met oogen, fonkelend van geluk en liefde, vlug en levendig als een vurige jongeling, baadde hij zich in een zee van zaligheid, en Eugenie was zoo bevallig, zoo zedig, en toch weer zoo geestig, plaagachtig en teeder, dat men gerust een voorbeeld aan haar kon nemen—zij scheen mij het ideaal toe van een schoone, gelukkige verloofde.


Back to IndexNext