VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Groote veranderingen.

„Eer een meisje verloofd of zelfs gehuwd is, kan men niet weten wat er in haar steekt,” had Tante Betsy dikwijls gezegd en hoe juist en menschkundig haar woorden steeds waren, dat bemerkte ik nu weder. Ook Eugenie, dat ongedurige schepsel, ontwikkelde als verloofde geheel nieuwe, ongekende eigenschappen, die onze oprechte bewondering opwekten. 't Was inderdaad treffend, hoe ze poogde zich te verbeteren. Tot hiertoe had zij er nooit aan gedacht om veel voor anderen over te hebben; allen waren haar tegemoetgekomen en hadden voor haar ingeschikt; bij wat zij deed, vroeg zij er nooit naar: hinder ik daarmee ook anderen, stoor of kwel ik soms iemand? Thans echter was ze steeds op alles bedacht, wat den baron aangenaam kon zijn en met bevallige teederheid poogde ze voor hem uit den weg te ruimen, wat hem bij zijn blooheid lastig moest vallen. Daartoe behoorden vooral de bezoeken, die het jonge paar te maken had om elkander aan vrienden en bekenden voor te stellen. Deze kon zij den armen baron wel is waar niet besparen, en, daar ik die niet bijwoonde, weet ik ook niet hoe stijf en gedwongen hij daarbij was; maar bij de contravisites zag ik, hoe Eugenie met fijne behendigheid altijd tusschenbeide wist te komen, waar hij het antwoord schuldig bleef, hoe zij er meestal in slaagde hem steeds in het gesprek te trekken, op 't juiste oogenblik zijn arm wistte grijpen, kortom hoe zij met de meeste beminnelijkheid hem meer vertrouwen op zichzelf wist in te boezemen. Geen wonder dat zijn oogen steeds op haar rustten en het scheen dat de heele wereld buiten haar niet bestond. Eugenie was hem alles; wat hij dacht en gevoelde, het gold alles haar, háár geluk en háár vreugde waren het eenige doel zijns levens. O, hoe dankte ik er God voor, dat Hij mijn wensch vervuld en den braven man het geluk geschonken had, dat hij zoozeer verdiende en dat ik hem nooit had kunnen schenken.

Hoezeer Eugenie en de baron ook in karakter verschilden, was het toch alsof zij voor elkander geschapen waren: want haar zwakheden brachten hem niet minder in verrukking dan haar goede hoedanigheden. Hij bedierf haar zooveel hij maar kon, en hoe ondeugender zij was, van hoe meer geluk zijn oogen schitterden. Al haar oolijke grappen bewonderde hij als waren het heldendaden, en nooit werd hij knorrig, wanneer ze ook, en dat slechts al te dikwijls, hem tot het doel harer plagerijen maakte. Hij wist ook wel dat Eugenie bij al haar guitenstreken een fijn gevoel bezat en hem hartelijk beminde, en 't was wonderlijk om te zien, hoe die zoo schuwe, achterhoudende man voor haar zijn geheele hart opende. En diezelfde Eugenie, die zich altijd zoo tegen alle teedere aandoeningen verzet had, kon dan soms met een traan in 't oog naar hem zitten luisteren.

Reeds in de maand Mei wenschte de baron te trouwen; doch Tante verzette zich daartegen, daar ze haar pleegkind gaarne eerst in de geheimen der huishouding wilde inwijden. En, ofschoon de baron meende dat dit volstrekt niet noodig was, daar zijne vrouw zich niet met de huishouding behoefde te bemoeien en alles wel evengoed zijn gang zou gaan als het tegenwoordig ging, stond Tante er toch op en ook Eugenie nam de zaak ernstig op en zeide: „Oprecht gesproken, zou ik niet graag in naam aan 't hoofd van een huishouding staan en inderdaad van ondergeschikten afhankelijk wezen. Ik heb er geen lust in de speelbal van knechts en meiden te zijn, die de domme barones in hun vuistje zouden uitlachen en haar tusschen neus en lippen bestelen. 't Mocht me dan eens gaanals het zekere jonge vrouw ging, die zachte eieren voor haar man zou koken, en ze een uur lang in den ketel liet, steeds probeerende of ze haast zacht werden. Tante Betsy heeft groot gelijk; eerst zullen we maken dat we wat van de huishouding leeren en dan mag de baron zijn zin hebben en kan hij zijn huiskruis krijgen.”

Ik was brandend nieuwsgierig om eens te zien hoe 't bemoeien met de huishouding Eugenie zou afgaan. Daar had men haar vroeger eens mee moeten aankomen! „Ik dank je hartelijk voor dien smerigen boel!” had ze me steeds geantwoord als ik haar mee naar de keuken wilde nemen. Thans kwam haar eergevoel in 't spel, en als zij iets wilde moest het haar gelukken. Toch zou 't haar in den beginne wel vreemd afgaan.

't Was inderdaad voor Tante Betsy een moeilijke taak, om Eugenie in de geheimen der huishouding in te wijden; want bij al den ijver, dien het meisje aan den dag legde, nam ze de zaak niet altijd ernstig op en had ze dikwijls guitenstreken in den zin. Voor haar nieuwe onderneming wapende zij zich met een dozijn witte keukenboezelaars, en de baron schonk haar een heele bibliotheek van de voortreffelijkste keukenboeken. Hieruit leerde zij alle dagen drie recepten uit het hoofd, en die zeide ze dan, als een schoolmeisje haar les, voor den aanstaanden huisheer op. Wat haar echter van die recepten in 't hoofd bleef hangen, was weinig bruikbaars en gaf aanleiding tot allerhande dolligheden; want ze maakte tusschenbeide stilletjes de fabelachtigste gerechten klaar en beriep zich dan op haar keukenboeken. Als ze maar wilde en oplette, begreep zij de huishoudelijke zaken spoedig, want ze toonde heel veel aanleg; maar dan kwam de guiterij weer voor den dag en was 't met de oplettendheid gedaan.

„Lieve Eugenie, je moest die rammenas eens schoonmaken,” zeide Tante Betsy en ijverig ging Eugenie aan 't werk. Het duurde niet lang of de rammenas was onder haar handen een aardig popje geworden. Onder de groene bladerkroon had ze een gezicht uitgesneden, dat door 't groen als een muts bedekt werd, een koolsblad was de rok van 't popje en een paarzwavelstokken vervulden de plaats van armen en beenen.

„Maar, Eugenie! Wat moet dat nu beteekenen?” vroeg Tante lachend.

„Wel, u hebt mij bevolen om de rammenasschoonte maken,” antwoordde zij. „Is zij nu nog nietschoongenoeg? Mij dunkt het! Ze heeft haar Zondagschen rok aan!”

Op een anderen tijd moesten er peren of appelen gekookt worden.

„Ze eerst goed wasschen, Eugenie!” zeide Tante.

Dadelijk ijlde Eugenie de keuken uit en kwam met zeep en een handdoek terug.

„Wat wil je nu doen, kind?” vroeg Tante, die groote oogen opzette.

„Wel, de appelen wasschen,” antwoordde zij guitachtig, en lachte dat het door de keuken heenklonk.

Een poosje daarna stond ze peinzend aan de kookkachel.

„Let op het water en waarschuw mij als het kookt, Eugenie,” zeide Tante toen ze de keuken verliet.

Het duurde niet lang, of de talentvolle leerling der kookkunst kwam bij mij in de mangelkamer, waar ik met strijken bezig was, hield mij een kommetje vol dampend water onder den neus en zeide met een ernstig gezicht:

„Zeg eens, Madeliefje, kun je ook zien of dat water kookt?”

En zoo kwamen er dagelijks allerlei guitenstreken voor den dag; geen oogenblik was men zeker van haar. Dikwijls verzocht zij Tante om haar eens alleen te laten koken, en hoezeer ze dan ook aan haar luim den ruimen teugel vierde, zorgde ze er toch altijd voor dat het eten goed op tafel kwam. Toch kon ze ook zelfs dan haar spotlust niet bedwingen.

„Van daag is 't watersoep,” heette het. „Ge moet er u maar mee behelpen,” en inderdaad was de terrine gevuld met enkel heet water. Maar terwijl wij elkaar verbluft aanzagen, kwam de meid al met een andere terrine vol krachtige soep aan—de plaaggeest had eens willen zien, hoe raar we zouden kijken.

Er kwam bijna geen gerecht, dat door haar handen was gegaan, op tafel, of er was de een of andere grap mee uitgehaald.Nu eens droeg een gebraden gans een bloemruiker op de borst; dan was een kotelet met een guirlande van peterselie omgeven en had een hoentje een kroon van papier op den kop; de visschen hadden soms een briefje in den bek, dat een klaaglied over hun te vroegen dood of over de buitengewone warmte van den ketel behelsde; eens hadden een paar gansjes kransen van roode radijzen om den hals en verzochten in versmaat, dat we haar naar 't eerstkomende bal zouden meenemen; want ze verlangden zoo naar 't gezelschap harer zusteren, die op zoo'n bal in overvloed te vinden zijn.

De baron had ontzaglijk veel schik in al die guitenstreken. Hij vond dat het witte keukenschortje Eugenie allerliefst stond, en niets ging bij hem boven 't geen zij had klaargemaakt; 't mocht smaken zooals het wilde.

„Nu heb ik vandaag eens een zandtaart voor je gebakken, Arthur,” zeide ze op zekeren dag tegen hem. „Ik weet dat je er zooveel van houdt.”

„Nu, dat is heerlijk, Eugenie,” antwoordde hij. „Die zal lekker smaken.”

Eugenie snelde de kamer uit en kwam weldra met een groote met suiker bestrooide en met bloemen omgeven taart terug.

„Je moet die zelf maar snijden, Arthur,” zeide zij, terwijl ze hem een groot mes toereikte. De baron schoof de bloemen wat op zijde, sneed terstond een ferm stuk van de taart af en legde dat op een bord. Wel zag de taart er van binnen wat verdacht van kleur uit en brokkelde ze geweldig; maar Eugenie had haar gebakken en dus moest ze goed zijn. In deze overtuiging bracht de baron een stukje aan den mond; en Eugenie kon nog juist: „Halt!” roepen, anders was de scherts te ver gedreven, daar de taart werkelijk uit zand bestond. Terstond echter werd ze door een echte, heerlijk gebakken zandtaart vervangen, en de baron was opgetogen van bewondering over zijn lieve, guitige Eugenie, die altijd nieuw, altijd schelmsch en vroolijk, maar ook altijd vol innige liefde en attentie voor hem was.

Hoeveel Eugenie eigenlijk van de huishouding leerde, daar ben ik nooit recht achtergekomen; want nu eens was haar't eenvoudigste nieuw en vreemd, en dan weer verraste zij ons met allerlei kundigheden, die een practische huismoeder kenmerken. Tante glimlachte als ik dan mijn verwondering te kennen gaf.

„Laat haar maar begaan, Margot,” zeide zij. „Ik ben niet bang, of Eugenie zal haar post goed vervullen; want zij kan het, als 't haar maar ernst is. Hier is 't alles maar gekheid, bij ons wordt ze nooit anders. Maar een meisje met zulk een klaar verstand en zulk een practischen aanleg wordt een flinke vrouw, zoodra zij haar eigen huishouding zal besturen. Ze zal in 't eerst nog wel eens leergeld moeten betalen; doch dat is niets: ze zal er zich wel doorheen slaan, daar is ze juist de rechte toe. God geve, dat haar 't leven geen zware beproevingen oplegge, opdat zij haar vroolijk humeur moge behouden. Kleine beproevingen zal ze wel niet ontgaan; maar ik ken haar genoegzaam en weet dat er een goede kern in haar is, en die zal blijven ook als ze getrouwd is. God leidt de menschen wijs en wonderbaar; dat zie ik weer zoo duidelijk aan Eugenie's lotgevallen. In haar ouderlijk huis zouden de heerlijke kiemen verstikt zijn, die in haar verborgen waren. God bracht haar onder ons dak en gaf haar in u, mijn kind, een lieve zuster, en zoo ontwikkelde zich het goede, dat in haar sluimerde. Hij zond haar een liefhebbenden man, die juist voor haar past, en thans kan ik haar toekomst gerust te gemoet zien; want alles zal goed worden.”

De brieven, die Eugenie van haar vader ontving, vloeiden over van vreugdebetuigingen over het geluk van zijn kind. Hij beloofde dat hij bij haar huwelijk tegenwoordig zou zijn, ofschoon hij geen lang verlof kon krijgen. Maar dat was niets. Eugenie en haar man konden hem dan op hun huwelijksreisje een bezoek brengen. Ook Tante had moeten beloven tegen dien tijd mede te komen, en ik, gelukskind, zou dan meegaan en een heerlijk reisje door 't schoone Duitschland maken.

„Je bent bij mij op de hoogeschool, zooals Eugenie het noemt,” zei Tante. „Welnu, dan is 't ook noodig, dat je leert, hoe een mensch zich op reis moet gedragen.”

Zoover waren we echter nog niet. Op aandrang van denbaron zou 't huwelijk nu in Juli gesloten worden, en 't gaf ons handen vol werk, om met Eugenie's uitzet klaar te komen. Wel werd er niets bij ons aan huis genaaid; maar er waren toch veel zorgen en bemoeiingen aan verbonden. Van al die dingen wist Eugenie genoegzaam niets; als zij die zaken had moeten besturen, zou er wat fraais voor den dag zijn gekomen. Tante en ik moesten dus schier dagelijks met haar naar de winkels of de naaisters. Gelukkig liet ze zich in alles ten goede raden, doch in sommige bijzonderheden wilde en moest ze haar eigen zin volgen. Daarbij kwam nog dat de baron, die gaarne zijn wel wat ouderwetsch gemeubileerd kasteel voor een gedeelte nieuw en elegant wilde inrichten, opdat zijn schoone, jonge vrouw daar alles naar wensch zou vinden, ook daarvoor de goede Tante Betsy in den arm nam; waarbij echter Eugenie natuurlijk ook een woord, zoo niet 't hoogste, in 't midden te brengen had.

„Dat zou nu eigenlijk eerst een werk voor Mama zijn,” zeide Eugenie glimlachend. „Die dweept met nieuwe inrichting van ameublement en ze heeft een heel goeden smaak in die soort van zaken!”

Tante Betsy keek Eugenie uitvorschend aan en vroeg of het haar ernst was; dan zou ze hare mama uitnoodigen om te komen logeeren.

„Neen, lieve Tante,” antwoordde Eugenie met een lichten blos en neergeslagen oogen. „'t Is beter dat ze niet komt. Gij weet het zelf wel; 't is veel beter voor ons allen.”

Tante zuchtte en gaf Eugenie, wie de tranen in de oogen stonden, een kus. En Eugenie had gelijk; want de brief, dien ze van hare moeder als antwoord op de mededeeling van hare verloving had gekregen, was zoo vreeselijk koel geweest, dat het arme meisje er tranen bij geschreid had. Wel had ze daarin haar vreugde over de verloving uitgesproken; maar alleen in betrekking tot „de schitterende partij,” zooals ze 't noemde; het geluk van haar kind, de waarde van haar aanstaanden schoonzoon waren bijzaken, waarvan ze niet eens melding had gemaakt. Ja, er was zelfs wel wat nijd en afgunst tusschen de regels te lezen, nijd en afgunst over denhoogen rang der aanstaande barones; zelfs sloot de brief met eenige bittere klachten over haar eigen ongelukkig huwelijk en over haar echtgenoot, dien zij zoozeer had veronachtzaamd en zoo ongelukkig gemaakt had, zonder het te willen bekennen. „Tot mijn spijt,” had ze er nog bijgevoegd, „zal ik, daar uwe bruiloft in den zomer valt, er niet bij kunnen tegenwoordig zijn. Ge weet dat ik sedert eenigen tijd aan de lever lijd, en de dokters raden mij, om daarvoor Carlsbad te bezoeken. Natuurlijk moet men zulk een kuur gedurende het badseizoen ondernemen. Maar in den herfst, als 't hier zoo vervelend is, eer 't winterseizoen begint, hoop ik u op uw kasteel een bezoek te brengen.”

Hoe smartelijk deze brief Eugenie ook moest vallen, ons was die in zooverre aangenaam, dat wij in ons genoeglijk leven niet door zulk een onhartelijke, wereldsche vrouw zouden worden gestoord. Des te meer verheugde 't ons, dat Eugenie's Papa zou overkomen; dat zou een aangenamer gast zijn—zijzelf verlangde met smachtend ongeduld naar zijn komst.

De mensch wikt, maar God beschikt.

't Kwam echter alles anders uit dan we gedacht en berekend hadden.

De baron was een voortreffelijk ruiter; niets was hem liever dan jonge vurige paarden aan zijn wil te onderwerpen. De moedige Eugenie vermeide zich zeer in zulke zegepralen van haar geliefde, die er dan bijzonder trotsch en mannelijk uitzag, en haar lof vuurde den ijver van den koenen rijder dikwijls tot overmoed aan. Ik kon er bij beven en begreep niet hoe 't mogelijk was, dat Eugenie's oogen van vreugde schitterden bij zulke halsbrekende toeren; terwijl ik er zelfs niet naar durfde kijken, en vreesde dat de baron nog eens een ongeluk zou krijgen.

En mijn vrees werd maar al te zeer bewaarheid. Op zekeren dag kregen wij de vreeselijke tijding, dat de baron van een onhandelbaar paard gestort en een eind weg meegesleept was. Hij had een zware wond aan het hoofd bekomen en het been gebroken.

De tranen sprongen mij bij deze tijding uit de oogen; Eugenie echter sprak geen woord, liet geen traan; doch het doodelijke bleek dat haar gelaat overtoog, toonde genoegzaam wat er in haar binnenste omging.

„Terstond een rijtuig!” beval Tante Betsy, en weinige minuten later reden wij naar 't buiten van den baron, terwijlEugenie nog altijd zweeg en geen traan haar oogleden bevochtigde. Ook wij spraken geen woord; doch ik deed niets dan weenen, en Tante droogde onophoudelijk de oogen af.

Toen wij aan het kasteel kwamen, had de chirurgijn met behulp van den dokter juist het verband gelegd: de laatste gaf ons een vrij geruststellende tijding. Wel was de beenbreuk gevaarlijk en bedenkelijk, maar de wond aan het hoofd was niet verontrustend: die zou door een zorgvuldige verpleging wel spoedig genezen zijn. Maar de pijn had den patiënt afgemat; hij was genoegzaam bewusteloos; spoedig echter zou hij wel in slaap vallen, en als dat gebeurde, dan was er geen gevaar. Doch op 't oogenblik mocht er niemand bij hem, zelfs Eugenie niet.

„Ik blijf hier toch,” zeide zij met akelige bedaardheid. „Ik wil wachten tot Arthur in slaap is.”

Nadat we eenigen tijd gewacht hadden, een tijd, die ons en vooral Eugenie zonder einde toescheen, kwam de dokter ons waarschuwen en begaven wij ons naar het bed van den lijder.

Tot nu toe had Eugenie zich goed gehouden en haar smart bedwongen; toen echter de krachtige man daar zoo hulpeloos voor haar lag, bleek als een doode, beefde zij over haar geheele lichaam en, steunende op Tante, ging zij de kamer weer uit. Daar barstte ze in tranen los en weende lang. En die tranen waren een weldaad voor haar overkropt gemoed. Nadat zij eindelijk wat bedaard was, zeide zij ernstig en met bewogen stem:

„Tante, ik ga niet van hem weg; wie weet hoe kort ik hem nog heb. Hij behoort mij toe—ik heb heilige rechten op hem: ik moet hem oppassen.”

„En ik blijf bij je, kindlief,” antwoordde Tante. „Anders zou 't niet gaan. Margot zal wel gedurende mijn afwezigheid op mijn huis passen en komt ons van tijd tot tijd gezelschap houden. Den overigen tijd zal Marie haar wel helpen korten.”

Tante gaf mij nu de noodige inlichtingen, en met een bezwaard hart keerde ik alleen huiswaarts. Toen snelde ik naar Marie, die reeds van 't ongeluk gehoord had en mij met ongeduld verwachtte. Bijna dagelijks reed ik naar 't buiten vanden baron; altijd in zijn rijtuig, en dikwijls gingen Marie en hare mama met mij mee. In de eerste dagen was de toestand van den baron zeer gevaarlijk; want hij lag voortdurend in een hevige wondkoorts en had veel pijn. 't Scheen echter dat Eugenie's tegenwoordigheid hem veelal tot kalmte bracht; wat was die vroegere salondame voor hem eene trouwe, zorgvuldige ziekenverpleegster! Tante kon er niet genoeg over uit, welk een verandering er met Eugenie voorgevallen was. Haar lichtzinnigheid, haar oppervlakkigheid en onbezonnenheid waren voor stillen ernst en nauwgezette plichtsvervulling geweken. Slechts met moeite kon men haar in de eerste bange dagen van 't leger des kranken verwijderen, opdat ze zelf wat rust zou genieten. Al wat hij gebruikte moest ze zelf klaarmaken, en met de meeste nauwkeurigheid gaf ze hem op 't uur zijn drankje in en zorgde voor de verordende omslagen.

De wond aan 't hoofd genas spoedig, en de zieke mocht nu meer van Eugenie's bijzijn genieten, daar de dokter hem 't spreken veroorloofde, wat hij hem in de eerste dagen volstrekt verboden had. Het duurde niet lang of ze mocht hem ook voorlezen, den tijd met muziek verdrijven en Tante, die de zorg voor de huishouding op zich had genomen, hield beiden gezelschap. En kwam ik er dan bij, of nog een of twee van onze vrienden, dan verzamelde zich een heele kring om den zieke, die met oogen vol dankbaarheid nu den een dan den ander aankeek, maar ze eindelijk steeds op zijn schoone verpleegster liet rusten. Dan werd Eugenie wel weer eens het vroolijke, ondeugende kind met haar schelmsche oogen; over 't geheel echter was ze veel stiller en ernstiger dan ik haar ooit gekend had. De beenbreuk heelde langzaam; geheel genezen zou die waarschijnlijk wel nooit: de baron zou er zijn leven lang een stijf been van houden.

„Arme Eugenie,” zeide de baron op zekeren dag met tranen in de oogen. „Een kreupele kunt ge toch niet trouwen.”

„Zoudt ge dan vreezen dat uw voet moet worden afgezet?” vroeg ze angstig.

„Dat nu juist niet,” antwoordde hij. „Maar een stijf been houd ik mijn leven lang. Daaraan behoef ik niet te twijfelen.”

„Laten wij liever het beste hopen, Arthur,” antwoordde Eugenie met een vriendelijken glimlach. „Ge hebt een knappen chirurgijn; 't zal beter gaan, dan ge denkt.”

De baron zweeg; maar Tante bemerkte wel, dat hij sedert dit gesprek zijn oog dikwijls onrustig op Eugenie vestigde. Hij sprak er echter verder geen woord meer over.

En zoo ging de eene week na de andere voorbij en de tijd kwam dat het hoofdverband van den voet zou worden afgenomen. De baron was vreeselijk zenuwachtig en had een lang gesprek met Tante Betsy, waardoor deze ook zeer opgewonden werd; slechts Eugenie wachtte het gewichtig oogenblik kalm af en was opgeruimd en vol moed. Den dag vóórdat het verband zou worden afgenomen, reed Tante met Eugenie naar de stad, wat zij in den laatsten tijd meermalen hadden gedaan. Maar nauwelijks waren zij daar eenige uren, en juist thuisgekomen van een paar noodzakelijke boodschappen, of daar kwam een brief van den baron aan Tante met een ingesloten biljet aan Eugenie.

Eugenie brak haar briefje snel open, las het en werd bleek; toen ging ze stil en peinzend bij het raam zitten. Tante Betsy rolden de tranen uit de oogen, toen zij haar brief had gelezen. Zij ging naar Eugenie toe en sloot haar in de armen.

„God legt u een zwaar kruis op de schouders, kind,” zeide zij zacht. „Waar uw geluk zoo vlak voor u lag, zendt Hij u een zware beproeving. De baron heeft u toch zeker dezelfde mededeeling gedaan als mij?”

„Ik wist reeds vooraf dat het zoo afloopen zou, Tante,” antwoordde Eugenie met bewogen, maar toch vaste stem. „Reeds eenige dagen geleden heb ik den chirurgijn tegen den dokter hooren zeggen, dat Arthur levenslang een stijf been zou houden. Ik heb dus niets anders verwacht.”

„Gij wist dat, lieve Eugenie, en toch waart ge al dien tijd de bedaardste en opgeruimdste van ons allen!” riep Tante met verbazing uit. „Weet je wel wat dat zeggen wil, een stijf been?”

„Jawel, Tante! Ik weet zeer goed dat daaraan een kreupele gang, misschien wel een krukstok verbonden is,” zeide Eugeniemet bewogen stem; terwijl haar de tranen langs de wangen liepen. „Doch ik weet ook dat zulk een man dubbel een vrouw noodig heeft.”

„Maar deze ramp ontslaat u van uwe belofte, Eugenie,” zeide Tante zacht. „Ge hebt uw woord gegeven aan een gezonden, krachtigen man; de vrouw van een kreupele te worden, daartoe hebt gij u niet verbonden. Bedenk je wel, mijn kind! Ge zijt jong en bloeiend en hebt nog veel genot in 't leven te hopen; een kreupel echtgenoot kan niet anders dan je daarin hinderlijk zijn. Zullen u mettertijd de boeien niet te knellend worden, die u daardoor worden aangelegd? Gij neemt dure verplichtingen op u, en, hebt ge die eenmaal op u genomen, dan moet gij ze ook trouw en gewillig vervullen.”

„Ik dank u voor uw heusche woorden, Tante,” gaf Eugenie met zachtheid ten antwoord. „Het was uw plicht mij dit te zeggen, en de liefde van mijn verloofde heeft hem ook bevolen mij in zijn treurigen toestand van mijn belofte te ontslaan. Maar nu gij gedaan hebt wat uw geweten u beval, mag ik zeker ook wel eens een woordje meespreken. Zeg mij, Tante Betsy, houdt ge mij werkelijk voor zoo—ja, welk woord zal ik er voor gebruiken?—voor zoo laag, dat ik zou weigeren de gade te worden van een man, die door zijn ongeluk toch reeds beklagenswaardig genoeg is geworden? Ik ben een zeer oppervlakkig, lichtzinnig meisje geweest, voor wie niets ernstig of heilig scheen en dat bovendien zeer zelfzuchtig was. Maar, lieve Tante, ik ben niet meer de oude Eugenie. Aan u en aan Margot heb ik meer te danken, dan ik u beiden ooit vergelden kan. Ge hebt veel van mij verdragen, maar, al heb ik 't u nooit getoond, van 't eerste oogenblik af heb ik het diep in mijn hart gevoeld, in welke trouwe handen de goede God mij gevoerd heeft. En wat er nog verkeerds en dwaas in mijn hart was, dat hebben de laatste lijdensweken er volkomen uitgeroeid. Arthur zal met Gods hulp in zijn Eugenie een trouwe gade krijgen. Gelooft ge 't ook niet, Tante?”

Ik kon Tante's antwoord niet hooren; want de tranen verstikten haar stem. Ook ik snikte luid. Nu sloot Eugenie mijin haar armen, zij trok mij den doek van de oogen weg en zeide:

„Nu zal mijn gouvernante toch wel tevreden zijn met haar kweekeling. Nietwaar, Madeliefje? Zulke afschuwelijk lange redevoeringen te houden heb ik van u geleerd. Heb ik 't er goed afgebracht, kleine?”

Een tweede brief voor Tante leidde onze gedachten spoedig op iets anders. Tante en Papa hadden een zuster, die veel ouder was dan zij. Zij was erg ziek geworden en wenschte haar broeder en zuster voor haar dood nog eens te zien. Papa meldde, dat hij binnen eenige dagen bij haar zou zijn en hoopte dat Tante ook aan 't verzoek der stervende zou voldoen. 't Zou voor hun zuster een werk van barmhartigheid zijn als Tante haar wilde komen oppassen en tot aan haar dood, die spoedig te verwachten was, bij haar wilde blijven.

Tante was zeer getroffen en, ofschoon ze met die zuster, die altijd een zeer zonderling mensch was geweest, weinig vriendschap gehouden had, wenschte zij toch zoo spoedig mogelijk naar haar toe te gaan. Aan den anderen kant had zij een moeilijken plicht ten aanzien van Eugenie, die toch niet alleen bij den baron kon blijven.

„Dat is niets, lieve Tante,” zei Eugenie. „Ga gerust naar uw zuster. Ik zal alle dagen met Margot naar mijn bruidegom rijden—hij heeft thans zooveel zorg niet noodig.”

„Uw bruidegom? Hoe meent ge dat, Eugenie?”

„Wacht maar even,” riep ze, en snelde naar hare kamer. Spoedig kwam ze terug met een paar opgevouwen papieren in de hand.

„Hier zijn mijn papieren; ik heb gezorgd dat ze in behoorlijke orde zijn. Dokter Huisman heeft er mij bij geholpen; 't zijn de doodacte van mijn eigene mama en mijn geboorteacte. De papieren van den baron zullen wel in orde zijn. Nog heden worden wij bruid en bruidegom en over veertien dagen—als Tante Betsy ten minste terug is—man en vrouw.”

„En vindt de baron dat goed?” vroeg ik verwonderd.

„Hij wil me in 't geheel niet meer tot vrouw hebben,” antwoordde Eugenie. „Moet ik dus zelf niet zorgen dat alles in orde komt?”

Terstond werden er briefjes aan Dokter Huisman, Eduard en Marie geschreven, en na het noodige met ons afgesproken te hebben, reed Tante Betsy met een huurrijtuig naar 't buiten van den baron. Weldra kwamen de dokter, Marie en haar broeder. Wij hadden den korten tijd gebruikt om ons te verkleeden: Eugenie had een lichte neteldoekschen japon aangetrokken en een krans van oranjebloesem in 't haar gestoken. Ze zag er uit om te stelen. We wachtten nu slechts op het rijtuig van den baron, dat Tante met de koets, waarmede zij naar 't buiten gereden was, ons zou zenden. Het duurde echter nog een heele poos eer het kwam; dat was echter volgens afspraak.

Tante was intusschen reeds lang en breed op 't buitengoed aangekomen. Daar had ze haar tijd goed besteed. Ze had de noodige bevelen gegeven aan de bedienden en dezen, die in den laatsten tijd daaraan reeds gewoon waren, haastten zich die bevelen ten uitvoer te brengen. Daarop begaf zij zich naar den baron. Zij vond hem treurig in zijn armstoel zitten.

„'t Is lief van u, beste Tante Betsy, dat ge me nog eens komt opzoeken,” zeide hij. „Maar waar zijt gij zoolang gebleven? 't Is al een half uur geleden, dat ik uw rijtuig de laan zag oprijden.”

„Ja, lieve baron,” antwoordde Tante, „ik moest het huishouden eens nakijken. Dat hebt ge me niet voor niemendal opgedragen. En dat wilde ik eerst doen, om daarna eens rustig met u te kunnen praten.”

„Rustig praten?” zeide de baron treurig. „Ge komt zeker wel voor altijd afscheid van mij nemen. Ge hebt toch mijn brief ontvangen en deningesloteneaan Eugenie gegeven?”

„Welzeker. 't Is een kwade tijding, beste baron! En ik heb ook al tot Eugenie gezegd dat zoo'n knappe, flinke meid slecht een kreupel man kan nemen. Wat voor een leven zou dat zijn!”

„Dat heb ik ook begrepen, lieve Mevrouw, en daarom heb ik haar heur woord teruggegeven.”

„Waaraan ge braaf gedaan hebt, baron! Ofschoon ik 't in uw geval nog niet zoo gauw zou gedaan hebben.”

„Hoe, Mevrouw! En gij meent zelve dat Eugenie slecht een kreupel man kan nemen.”

„Nu, ja; wat ik meen, komt hier minder te pas. Maar van uw kant toont het wel een weinig gebrek aan vertrouwen op Eugenie's hart en op haar innige liefde jegens u.”

„Maar ik mocht daarvan geen misbruik maken, Mevrouw! want dan zou ze mij uit medelijden genomen hebben. Dan kwam later 't berouw—een kreupele als ik is geen echtgenoot voor een meisje als Eugenie—en ik had mijn geheele leven het zelfverwijt, 't liefst wat me op aarde is ongelukkig gemaakt te hebben.”

„Laten wij daarover zwijgen, baron. Straks komt Eugenie om afscheid van u te nemen. Ge zult haar, hoop ik, toch niet in dit gewaad wachten? Ze heeft u nu lang genoeg zoo gezien. Mij dunkt, het zou wel passen dat ge heden eenig toilet maaktet. Zoolang ge met Eugenie verloofd waart, ging dat goed—thans echter, nu ge een afscheidsbezoek van een jonge dame wacht, eischt de achting, die gij voor die dame hebt, dat ge er fatsoenlijk gekleed uitziet.”

„Ook dat nog!” zuchtte de baron. „Maar gij hebt gelijk.”

„Ik zal u uw kamerdienaar zenden en hem zeggen hoe hij u kleeden moet. Ik wensch 't om uwentwil, dat uw laatste onderhoud met Eugenie in de vormen plaats heeft, die uw beider stand en de welvoeglijkheid eischen.”

Dit zeggende verliet Tante de kamer en weldra kwam de kamerdienaar bij den baron met een zwarten pantalon, een zwarten rok en een wit vest, volmaakt als moest de patiënt naar een feest. En of de baron al tegenwerpingen maakte: „Mevrouw had het zoo bevolen,” zeide de kamerdienaar. Toen de baron gekleed was kwam Tante weer binnen.

„Zie zoo, nu ziet ge er uit als moest ge de bruigom worden,” zei Tante lachend.

„Ik bruigom!” zeide de baron bitter.

„Wel waarom niet? Gij hebt Eugenie wel bedankt; zij heeft echter uw bedanken nog niet aangenomen. Ik heb haar wel onder 't oog gebracht wat ze doet als ze een kreupel man neemt; maar daarom is 't nog niet gezegd, dat ze mijn raad opvolgt.”

„Hoe, Mevrouw! Zoudt gij dan meenen.....”

„Ik meen,” antwoordde Tante ernstig, „dat we beiden onzen plicht gedaan hebben: gij, met Eugenie haar woord terug te geven; ik met haar te zeggen wat haar lot kan zijn, als ze haar woord niet terugneemt. Eugenie verstaat ons beiden. Ze heeft in uw schrijven den man van karakter herkend, die haar onbaatzuchtig bemint en alles, ook zichzelf, voor haar geluk kan opofferen—in mij de moederlijke vriendin, die haar gewaarschuwd heeft, opdat ze niet alleen haar hart, maar ook haar verstand zou raadplegen. Maar de beslissing blijft natuurlijk aan haar. En thans gaan wij uit een ander vaatje tappen, baron! Ge noemt uzelf kreupel! Kom, wat kreupel! Een stijf been maakt een mensch niet kreupel! wacht eerst de uitwerking van de baden te Töplitz af en spreek dan mee.”

Terwijl Tante dit zeide, kwam 't rijtuig van den baron, gevolgd door het huurrijtuig, waarmede Tante gekomen was, de laan oprijden en een oogenblik later ging de deur van de kamer open en Eugenie, in bruidsgewaad getooid, trad de kamer binnen. Wij volgden haar op den voet. De baron was opgestaan; zijn voet belette hem echter naar haar toe te komen.

„Eugenie!” riep hij hevig ontroerd: „Wat beteekent dat?”

„Dat beteekent, Arthur,” antwoordde zij, terwijl ze hem de hand reikte, „dat ik u antwoord kom brengen op uw briefje. Dat antwoord is: ik word heden uw bruid!”

„Eugenie! Is 't mogelijk! De bruid van mij, een....”

Met een kus sloot Eugenie hem den mond.

„Ge wilt me toch nog wel hebben?” vroeg zij.

„Dierbaar meisje!” was al wat de baron kon uitbrengen.

„Welnu dan, mijnheer de Burgemeester, wees zoo goed binnen te komen,” hernam Eugenie tot den burgervader van het dorp, die op verzoek van Tante met het register was gekomen. En binnen weinige oogenblikken waren Baron Arthur Van der Land en Eugenie bruidegom en bruid.

„We hebben van middag slechts een familiediner,” zeide Tante. „Mijnheer en Mevrouw Donker, die tegen dien tijd zullen komen, Eduard en Marie, onzen vriend Huisman enden Burgemeester en zijne vrouw. Maar buiten zal het groot diner zijn. Want de omroeper gaat reeds het dorp rond, om al de dorpelingen aan een diner-champêtre te noodigen, dat dezen middag om zes uren door den bruidegom als aanteekenpartij zal gegeven worden.”

„Maar hoe is dat alles mogelijk, Mevrouw!” riep de baron uit. „Zijt ge dan een toovenaarster?”

„Dat is alles bedisseld, terwijl ik dat halfuur beneden doorbracht. Ik heb orde onder uw dienstpersoneel.”

Inderdaad had Tante er orde onder. Maar ze had gezorgd dat er nog eenige handen bijkwamen; want anders was 't onmogelijk geweest, zooveel gereed te maken.

't Was een onvergetelijke dag! En 't was of ieder wat had willen toebrengen om dien genoeglijk te maken. Dokter Huisman had, eer hij bij ons kwam, een goochelaar besteld, die de boeren en boerinnen vermaakte, terwijl de koude gerechten voor hen werden gereedgezet, en Mijnheer Donker bracht eenige muzikanten mede, die op het terras speelden. Eduard had den huisknecht naar de stad gezonden om een paarhonderd lampions te halen, en liet die door een paar timmerlieden aan de boomen hangen.

Bij 't licht van die lampions dansten de dorpelingen en wij mengden ons onder die vroolijke, eenvoudige lieden. Maar hun vreugd werd uitbundig, toen ook de schoone bruid beneden kwam en meedanste. De baron had zijn stoel voor 't open raam doen rollen, en zat met oogen, schitterend van vreugde, dat liefelijk tooneel aan te zien.

't Was mij in 't oog gevallen dat de dorpsonderwijzer met eenige jongelui stil was heengegaan, en een aantal knapen en meisjes hen gevolgd waren. Ik begreep er niets van en sprak er met Marie over.

„Zeker een kleine verrassing, die ze bruid en bruidegom bereiden,” zeide zij. „Zwijg er van: zulke dingen moet men veinzen niet op te merken.”

En 't was inderdaad zoo. Er kwam van den kant van het dorp een stoet met fakkellicht aan, en in 't midden van de fakkeldragers de onderwijzer met een schaar meisjes en jongens.De veldwachter verzocht ons boven te gaan naar de kamer van den baron en we voldeden daaraan. Vóór de ramen van het terras, daar waar Bruid en Bruidegom zaten, werden de kinderen geplaatst, en nu zongen ze op de wijs van „Wien Neerlandsch bloed” de volgende regelen, die de onderwijzer zijn leerlingen in der haast had laten leeren:

„Wij groeten u, o waardig Paar!Op dezen blijden dag,En hopen dat Gods gunst u beîNog jaren sparen mag!Wij juichen op uw heilrijk feest,En roepen 't vroolijk uit:Lang leve d' edele bruidegom!Lang leev' de schoone bruid!”

„Wij groeten u, o waardig Paar!Op dezen blijden dag,En hopen dat Gods gunst u beîNog jaren sparen mag!Wij juichen op uw heilrijk feest,En roepen 't vroolijk uit:Lang leve d' edele bruidegom!Lang leev' de schoone bruid!”

„Wij groeten u, o waardig Paar!

Op dezen blijden dag,

En hopen dat Gods gunst u beî

Nog jaren sparen mag!

Wij juichen op uw heilrijk feest,

En roepen 't vroolijk uit:

Lang leve d' edele bruidegom!

Lang leev' de schoone bruid!”

En 't „lang leven bruidegom en bruid!” schalde uit honderden kelen: want het volk had zich om de kinderen geschaard.

Tot laat in den nacht bleven wij bijeen, en al was 't gezelschap niet groot, des te aangenamer was het: want het waren allen goede, hartelijke vrienden. Reeds den volgenden morgen vertrok Tante naar haar zuster. Spoedig kregen we tijding van haar. Zij had de zieke in een zeer gevaarlijken toestand gevonden. Zij schreef mij ook dat Papa haar had voorgeslagen om mij weer thuis te halen; maar dat zij had verzocht mij bij haar te laten, tot we samen de reis naar Duitschland gedaan hadden. En hoe ik ook naar mijn ouders en mijn dorp verlangde: 't was mij toch ook een treurige gedachte, van Tante te moeten scheiden, aan wier gezelschap ik zoo gehecht was geworden, dat ik het denkbeeld schier niet kon verdragen haar te moeten verlaten.

De bruidsdagen brachten we op 't buiten van den baron door, met dien verstande, dat we elken avond met zijn rijtuig naar huis reden en elken morgen weer afgehaald werden. En we hadden het druk genoeg: want 's middags kwamen er gewoonlijk dames en heeren om 't jonge paar geluk te wenschen; den voormiddag gebruikten we om 't uitzet van Eugeniein orde te brengen. Wel klaagde de baron dat hij nu nog minder aan zijn bruid had dan anders; maar dat vergoedde ze hem aan het diner en gedurende den namiddag. Want dan werkten we niet.

't Was een prettig werk de bruid aan 't opbergen van haar uitzet te helpen. Gelukkig als een kind huppelde zij tusschen haar schatten rond, die ik in de kasten moest schikken en nu en dan moest ook de baron 't een en ander bewonderen. Men zou in haar die Eugenie haast niet herkend hebben, die vroeger voor dergelijke bemoeiingen zoo onverschillig was.

Met angst zagen wij de berichten van Tante te gemoet; want dit stond bij den baron, zoowel als bij Eugenie vast, als Tante nog niet terug was, zou 't huwelijk worden uitgesteld. Reeds acht dagen na haar vertrek kregen we bericht van 't sterven harer zuster, en, hoe weinig ook gestemd om feest te vieren, kwam ze den avond voor de huwelijksplechtigheid terug. Weinige dagen te voren was Eugenie's Papa in Den Haag gekomen. Hij was een knap man met een geestig gelaat en een edel voorkomen, door en door een diplomaat, wellevend en innemend. Hoe ook zijn aanstaande schoonzoon en hij in uiterlijk verschilden, konden zij het toch al heel spoedig best met elkander vinden; want Eugenie's vader vond in den baron den man van echte beschaving en ontwikkeling, zooals hij ze in den echtgenoot van zijne dochter wenschte. En 't geluk van zijne dochter, wie de vreugde uit de oogen schitterde, was een zonnestraal op 't pad van den man, die zooveel verdriet in zijn huiselijke omgeving had gehad. Hij zou tot na de bruiloft blijven en dan naar Duitschland terugkeeren;hij hoopte dat Tante en ik hem zouden vergezellen.

We gaan de trouwplechtigheid voorbij, die op het buitengoed van den baron plaats had, en waarbij verscheidene genoodigden tegenwoordig waren. Na het diner kwam 't rijtuig voor, om 't jonggehuwde paar naar 't station van den Rijnspoorweg in Den Haag te brengen. De reis zou naar Töplitz gaan, waar de baron de baden zou gebruiken. Na afloop der badkuur zouden ze bij Eugenie's vader eenigen tijd vertoeven, om daarna naar hun buitengoed terug te keeren.

't Afscheid tusschen Tante en Eugenie was treffend; tegen over mij kon de jonge barones hare geestigheid echter niet bedwingen; toen ze in 't rijtuig stapte fluisterde zij mij toe:

„Doe nog eens mijn complimenten aan Dokter Huisman en vraag hem of hij zijn ridderorde nog heeft. Adieu, Madeliefje! Ook te Töplitz zal ik aan mijn lieve, kleine gouvernante denken. Daarvan kunt ge verzekerd zijn!”

En zoo reed ze weg, die lieve, ondeugende Eugenie!

De reis.

Ofschoon wij gaarne met Eugenie's vader de reis naar Duitschland ondernomen hadden, konden wij dit plan niet volvoeren, omdat Tante noodzakelijk weer naar de plaats terug moest, waar haar zuster was gestorven, ten einde met Papa de zaken daar te regelen, en het verlof van Eugenie's vader niet lang genoeg duurde om daarop te wachten. Voor mij was dat een heel eenzame tijd: Tante weg, Eugenie en de baron weg. Had ik Marie niet gehad, ik zou waarschijnlijk 't heimwee hebben gekregen. Hoe gelukkig was ik toen Tante,spoediger dan ik verwacht had, terugkwam.

Nu moesten we ons voor de reis gereedmaken. We waren over de gestorvene tante in den rouw gegaan en hadden dus niet veel pakkage noodig, waarvan Tante trouwens toch niet hield. „Groote reiskoffers en eene massa doozen en pakken,” zeide zij, „geven mij geen gunstige meening van de reizigers aan wie zij behooren; want ze zijn òf zeer onpractisch òf pronkerig enparvenuachtig.” Ik ondervond zelf, hoe aangenaam het is weinig pakkage bij zich te hebben, en was tamelijk trotsch op den kleinen omvang, dien ons reisgoed innam in vergelijking met dat van andere reizigers. Vooral doozen, mandjes en pakjes, die men zoo los meeneemt, werden door Tante zorgvuldig vermeden, en ik moest er nu om lachen als ik aan de talrijke kistjes en pakjes dacht, die ik bij 't afscheidvan 't ouderlijke huis om mij heen stapelde; ja, ik zou zelfs toen mijn kanarievogel in zijn kooi op mijn schoot hebben meegevoerd, als Tante mij dat niet belet had.

Thans hadden we niets bij ons in den waggon, dan onze parapluies en parasols, een paar wollen doeken, opgerold en met riempjes vastgegespt, en ieder een leeren taschje, waarin kleine reisbehoeften zooals wateau de cologne, chocolaadjes, een paar naalden met een klosje garen, eenBädeker, een notitieboekje, een borstel en een zakdoek. Al het andere moest achterblijven, hoe graag ik 't ook had meegenomen; daar ik maar niet kon begrijpen dat men op reis veel ontberen moet of anders liever moet thuisblijven. Tante had vroeger veel met haar man gereisd en daardoor veel ondervinding opgedaan; daarbij was ze een eenvoudige en practische vrouw en ook op dit gebied kon ik dus geen betere leermeesteres vinden. En wat ze er slag van had om een koffer te pakken! Ik had het geprobeerd; maar de koffer was vol, terwijl er nog een heele hoop dingen naast lagen, die er maar niet in konden, hoe ik ook pakte of niet. Daar kwam Tante er bij. Bedaard pakte zij alles weer uit en nu begon zij. Op den bodem legde ze de zware dingen: ondergoed, boeken en wat dies meer zij, dan keurig opgevouwen japonnen en rokken. Daarboven, ieder in een bijzondere afdeeling, de kragen, doekjes en dergelijke zaken. Linten, handschoenen en andere losse kleinigheden werden in een afzonderlijk doosje gedaan, dat netjes in een hoekje werd gedrukt. Alle andere gaatjes werden met schoenen en andere voorwerpen gevuld, die niet meegaven; en zoo zag ik met veel genoegen, hoe eindelijk alles eene plaats vond: 't was of de kleine koffer onder Tante's handen van elastiek was geworden; zooveel ging er in.

De reis van Den Haag naar Arnhem was voor mij niet nieuw en vooral boven Utrecht tamelijk vervelend. Des te meer gelegenheid had ik, het reisgezelschap op te nemen dat zich met ons in denzelfden waggon bevond. Het bestond uit eenige dames, jonge en oude; twee daarvan zaten zwijgend in een hoek, de derde echter begon spoedig met Tante en mij een gesprek aan te knoopen, en scheen veel belang testellen in alles wat wij haar mededeelden. Tante echter scheen weinig lust te hebben om veel met haar te praten: zij haalde een boek voor den dag en begon te lezen. De dame hield zich nu geheel met mij bezig, en, ofschoon ik nu juist niet kon zeggen dat zij mij erg beviel, vond ik toch dat de beleefdheid eischte haar fatsoenlijk te antwoorden, en zoo wist zij spoedig in welke betrekking ik tot Tante stond, ons beider namen en het doel van onze reis.

„Nu, dat treft al bijzonder,” zeide zij. „Ik ga ook naar de SaksischeSchweiz. Het doet mij zeer veel genoegen dat ik u en uwe Tante ontmoet heb. We moeten maar trouw bij elkander blijven. Ik ben heel gelukkig dat ik zulk een goed gezelschap gevonden heb, en zal mij in alles naar u voegen: want voor eene dame is 't alleenreizen alles behalve aangenaam. Dat zult gij wel begrijpen.”

Ik kon haar daarin geen ongelijk geven, en dewijl zij een fatsoenlijke dame scheen te zijn, nam ik haar aanbod met vreugde aan, en vond het zelfs wel aardig dat we nu een reisgezellin hadden. Nu begon ze Tante met vragen te bestormen, hoe ze verder dacht te reizen, om zich daarnaar te richten; Tante echter scheen niet zeer in haar humeur te zijn, want ze gaf haar slechts ontwijkende antwoorden.

Toen we aan een station waren gekomen, waar de trein eenige minuten stilhield en den passagiers de gelegenheid werd gegeven iets te gebruiken, ging Tante den waggon uit en stapte tot mijn verwondering in een andere.

„Hé, Tante, dat is onze waggon niet,” zeide ik.

„Dat weet ik wel, Margot,” antwoordde Tante. „Ik doe dat opzettelijk.”

„Beviel 't u dan in dien anderen waggon niet?” vroeg ik. „We hadden daar toch zulk een goed gezelschap.”

„Neen, Margot,” antwoordde zij. „Dat indringen van die dame was onverdragelijk. Veel degelijks is zij niet; reeds op 't eerste gezicht beviel zij mij in 't geheel niet.”

„Maar ze scheen zoo fatsoenlijk en tevens zoo goedhartig en ze reist zoo alleen,” hervatte ik medelijdend. „Ik kan zeer goed begrijpen, hoe blij ze was dat ze gezelschap vond.”

„Wees daaromtrent maar gerust, kind,” antwoordde Tante glimlachend. „Zij zal niet lang alleen reizen, daar kunt ge op aan. Ons gezelschap zal ze echter moeten missen; wij passen niet voor haar. Voor 't overige moet je voortaan voorzichtiger zijn, Margot, en niet aan iedereen terstond vertellen wie we zijn en waar wij heengaan. Op reis treft men al te dikwijls menschen aan, voor wie men zich moet wachten. Wees liever al te stilzwijgend tegen uw reisgezelschap dan te openhartig; vooral een jong meisje kan op dit punt nooit te voorzichtig zijn.”

Ik volgde den raad van Tante en merkte nu ook op, hoe teruggetrokken de meeste onzer medereizigers waren, vooral de dames. Prettig vond ik dat nu juist niet; maar er was zooveel te zien, dat ik het best zonder praten afkon.

En dat Tante gelijk had mij tot voorzichtigheid aan te manen, ondervond ik slechts al te goed. We waren te Dresden aangekomen, en, ofschoon we onzen intrek in een logement genomen hadden, had Tante mij daar bij de familie geïntroduceerd van een harer oude schoolvriendinnen, wier echtgenoot een aanzienlijke betrekking bekleedde. In gezelschap van deze familie bezochten wij „de SaksischeSchweiz.” We bevonden ons in een heerlijk dal, toen ons een vroolijk troepje te gemoet kwam, welks luid gepraat en gelach onze oplettendheid tot zich trok. In dat gezelschap merkte ik terstond de dame uit den waggon op. Ze was zeer keurig gekleed en behoefde ten minste op dat oogenblik niet over de eenzaamheid te klagen; want ze bevond zich in 't gezelschap van eenige jonge elegante heeren, met wie ze zeer veel pret scheen te hebben. Op eens zag ze ons en snelde naar ons toe.

„Hé, Mevrouw!” riep ze uit, terwijl zij Tante de hand toestak, als waren ze jarenlang familiare kennissen geweest. „Wat verheugt het mij, u te zien. En u ook, Margot! kijk, dat is een heerlijke ontmoeting!”

Tante beantwoordde den groet met in 't oog vallende koelheid, en ik kon niet zeggen dat ik bijzonder in mijn schik was om de dame weer te zien, die mij nu nog minder beviel; ik antwoordde echter vriendelijk op haar vragen—dat kon toch niet anders. Zij scheen wel lust te hebben om in onsgezelschap te blijven; maar spoedig bezon ze zich en volgde haar geleiders, die zeer met haar bevriend schenen te zijn.

„Hoe komt ge toch aan die kennis, Mevrouw!” riep de echtgenoot van Tante's vriendin uit, zoodra de dame ons verlaten had.

„Zij heeft een eindje met ons gereisd, verder ken ik haar niet,” antwoordde Tante. „Weet gij misschien iets naders van haar?”

„Iets naders? Dat nu juist niet. Evenwel zou ik u raden, die dame op een afstand te houden—voor juffrouw Margot is ze ten minste geen gepast gezelschap. Ze behoort tot een troep reizende komedianten en moet al rare avonturen gehad hebben.”

Ik kreeg een kleur als bloed en was blij, toen onze wandeling was afgeloopen: want ik was bang dat we die dame soms nog eens mochten ontmoeten. En ik voelde mij vrij wat verlicht, toen mij den volgenden dag verteld werd, dat het gezelschap den vorigen avond een afscheidsvoorstelling gegeven had en zij dus vertrokken was.

Van ons verblijf in Dresden zal ik u niets meer vertellen; ons reisplan bracht ons verder naar Beieren, waar we een nacht in Hoff vertoefden. Den volgenden dag reden we voorbij Kulmbach, welks kasteel zoo schilderachtig van een hooge rots neerziet, en, terwijl de meeste reizigers het voortreffelijke bier dronken, liet Tante voor ons ieder een kop koffie brengen. Zij zelf dronk er weinig van en ging op 't perron op en neer; ik echter ging in de nette restauratiezaal, zette mijn hoed af, deed mijn handschoenen uit, bracht mijn haar wat in orde en was juist op mijn gemak gaan zitten om de koffie te drinken, toen de bengel tot instappen luidde en Tante mij riep, waardoor ik mijn heerlijke koffie moest laten staan. 't Was alweer een goede les, en sedert maakte ik wat meer voort, als we eenige minuten aan een station vertoefden. De schoone streek troostte mij over 't verlies mijner koffie—we naderden Bamberg, reden het schoone klooster Banz voorbij, en daar lagen nu in de verte de groene bergen der „FrankischeSchweiz.”

We vertoefden eenige dagen in Bamberg, een schoone stad,heerlijk gelegen, omkranst van vriendelijke bergen en versierd met een prachtigen Dom en de ruïne van 't slot Altenburg in de hoogte. 't Was heerlijk weer, toen we derwaarts opstegen. O, wat was dat alles schoon! En welk een uitzicht! Ik had wel vleugels willen hebben, om zoo eens overal heen te vliegen.

En dat oude slot herinnerde mij aan historische feiten. Daar moet in 1208 in dezelfde torenkamer waarin wij uitrustten, keizer Philips van Zwaben door Otto van Wittelsbach omgebracht zijn. Er ging mij een rilling door de leden, hoewel de nooit uit te wisschen bloedvlek op den grond mij wat apocrief toescheen; zulke bloedvlekken schijnen bij zulke akelige geschiedenissen te behooren.

Toen we in Hoff den nacht doorbrachten, was ik op den morgen van ons vertrek slechts met moeite gekleed en gereed; want eerst liet ik onbezorgd den tijd voorbijgaan en eindelijk moest ik nog in de grootste haast het haar slechts half opgemaakt onder mijn hoed steken; want de omnibus stond reeds voor de deur van 't logement.

Daardoor geleerd, stond ik den morgen van ons vertrek uit Bamberg heel vroeg op en was met aankleeden, inpakken en ontbijten zoo tijdig klaar, dat ik Tante verlof vroeg om nog een weinig in de straten te mogen rondwandelen. „Pas op den tijd!” vermaande zij mij. Vroolijk wandelde ik nu eenige mij bekende straten door en amuseerde mij uitmuntend; want het was juist marktdag, en landlieden in vreemdsoortige dracht kwamen allerwegen de poorten in met hun waren; zoodat weldra overal een bont gewoel heerschte. Ik trad tot afscheid nog eens den schoonen Dom binnen, beschouwde de oude beelden en grafgesteenten, vooral 't beroemde gedenkteeken voor Keizer Hendrik II en zijne gemalin Kunigunde, en bemerkte niet dat het reeds laat was geworden, toen boven mij de klok eensklaps het volle uur sloeg. Verschrikt snelde ik weg; want het was kort bij 't oogenblik van ons vertrek en ik moest nog eerst naar 't logement. Ik liep dus ijlings voort en meende den weg te weten; maar welk een schrik! ik moest verkeerd geloopen zijn—eensklaps ten minste stondik weer bij den Dom, en wel op dezelfde plaats waar ik straks geweest was. Ik vroeg nu van straat tot straat; de een wees mij hier-, de andere daarheen; ik liep badende in zweet altijd voort. 't Kon onmogelijk de naaste weg zijn, dien men mij wees. Gaarne had ik een rijtuig genomen—ik zag er geen, of 't was met menschen bezet; eindelijk, terwijl 't weenen mij nader stond dan het lachen nam ik een jongen aan om met mij mee naar 't logement te gaan, en kwam daar buiten adem aan.

Tante was zeer in zorg over mij; den eersten trein konden we natuurlijk niet meer halen en moesten nu met den twaalfuurstrein gaan. Ik was geheel en al uit het veld geslagen over mijn onbezonnenheid; maar Tante troostte mij. Ditmaal had ons verzuim niets te beduiden; ik moest er echter een les uit trekken: want in een vreemde stad kon dat meer gebeuren.

Maar de verkeerdheid van dien morgen was slechts het voorspel van andere dwaasheden, die ik dien dag beging: men heeft zoo zijn ongeluksdagen—ik was dien morgen zeker met het verkeerde been uit bed gestapt.

Toen wij namelijk om twaalf uren gelukkig aan 't station waren aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen, ging Tante nog eens uit den waggon, daar ze juist een bekende in een anderen zag stappen, die zij gaarne even spreken wilde. Ze gaf mij de kaartjes over en stapte uit. Juist kwam er een vrouw met heerlijk fruit voorbij en zoowel ik als mijn medereizigers kochten daarvan. Men drong zich aan 't open portier waar ik voor zat, en gedienstig reikte ik allen de fruit aan en het geld daarvoor aan de koopvrouw.

Daar kwam Tante en met haar de conducteur, die de kaartjes moest zien en knippen. Ik wilde de onzen geven; maar—zij waren weg. Verschrikt zocht ik op de bank, op den grond, schudde mijn japon uit, onze medereizigers hielpen mij zoeken—alles te vergeefs—ze waren nergens te vinden. Alleen 't bewijs onzer goederen was er; de beide plaatskaartjes moest ik met het aangeven van de vruchten verloren hebben. De conducteur haalde de schouders op; het speet hem, maar zonderkaartjes kon hij ons met den besten wil niet veroorloven om mee te reizen; we moesten den waggon uit of nieuwe plaatsbiljetten nemen. En 't was hoog tijd ook; de trein zou binnen een paar minuten afrijden. In groote haast snelde ik den waggon uit. Daar vloog iets naast mij op den grond: het was een der kaartjes. Gelukkig! dat was ten minste een van de twee; 't andere was en bleef weg; ik snelde naar 't plaatsloket, en was blij dat ik nog mee kon komen.

Weenend zat ik in 't hoekje van den waggon. Wel sprak Tante geen enkel verwijtend woord; maar schaamte en ergernis over mijn onoplettendheid verbitterden mij 't genot van de reis.

„Steek voortaan terstond je kaartje in je portemonnaie,” zeide Tante. „Daar is 't op zijn plaats. Je bent de eerste niet wien zoo iets overkomt. Ik denk dat het je niet licht weer gebeuren zal.”

„Ja,” zuchtte ik, „nadat gij, goede Tante, mijn dwaasheid met grof geld hebt moeten betalen!”

„Kom, kind!” hernam Tante. „Troost je nu maar. Als men alle dwaasheden zoo gemakkelijk kon herstellen, zou 't gelukkig zijn. Geniet nu liever van de schoone streek en denk er maar niet meer over; ik vergeef het je van ganscher harte.”

En inderdaad: spoedig was er zooveel schoons en interessants te zien, dat het met een vrij en vroolijk hart moest genoten worden. Wat was ik verrukt over dat prachtige, oude Neurenberg, waar we nu kwamen; ik kon mij niet verzadigen aan het bezichtigen van deze merkwaardige stad vol schoone overblijfselen uit de middeleeuwen. Elk huis heeft iets eigenaardigs, ieder torentje, iedere gevel, ja iedere dakgoot haar eigene versiering: schilderwerk, snijwerk, dierkoppen en allerlei krullen en versierselen ziet men, waar men 't oog ook richt, en dat alles geeft aan de straten een prettig, bont en toch eerwaardig aanzien. Natuurlijk bezochten wij al de merkwaardigheden der stad, en datBaedekerons daarbij te pas kwam behoef ik u niet te zeggen. 't Mooist van alles vond ik de Sint-Sebalduskerk met het prachtige graf van dien heilige. Wat moet diePeter Vischertoch een knap man zijn geweest;zijn werk is zoo doodeenvoudig en toch zoo grootsch! Ook de prachtige St.-Laurenskerk vond ik een verheven monument der middeleeuwsche bouwkunst. Vooral boeide mij de schoone roos voor 't gothische voorportaal. Vol aandoening bezocht ik het Johanneskerkhof buiten de stad, een der schoonste Duitsche kerkhoven. Daar liggen beroemde mannen begraven alsHans Sachs, Albrecht Dürer, Peter Vischeren andere groote burgers van 't oude Neurenberg. Maar geen kruisen, urnen of schitterende tomben, geen met bloemen bedekte graven, geen boomen of zodenheuvels verheffen zich boven deze rustplaatsen; meer dan drie duizend groote, vlakke zerken, dicht aan elkander in lange rijen, bedekken de geheele lengte en breedte hunner grafsteden. Ze zijn versierd met de wapens en namen der oude geslachten, die sedert eeuwen onder die steenen slapen. In het gemetselde graf daaronder worden de doodkisten op elkander gestapeld, en zoo rusten al de leden der familie bij elkander, allen onder denzelfden grafsteen, die reeds vóór eeuwen hun voorvaderen dekte. Inderdaad een ernstige en grootsche geslachtsboom, door de hand des doods zelf geteekend.

Hoe ongaarne verliet ik Neurenberg; maar ons wachtte heel wat schooners: de heerlijkheid, door geen menschenhand gemaakt, de wonderbare Alpenwereld. Het bezoek aan München, dat op onzen weg lag, stelden we uit tot de terugreis; daar zou Eugenie's vader, die er woonde, onze gids zijn. We naderden nu al meer en meer de Alpenketen, en onze intrede in deze schoone wereld had niet indrukwekkender kunnen zijn dan zij 't nu was, want de zon begon reeds te dalen en hulde de bergen in een donkerrooden, schitterenden gloed, zoodat ze daar stonden als beelden uit een tooververhaal. Het verhevene en prachtige van dit gezicht ging zoo alle begrip te boven, dat ik zwijgend de handen vouwde en de tranen mij in de oogen sprongen. O God! hoe groot, hoe heerlijk schoon is Uwe wereld en hoe nameloos gelukkig ieder, die daarvan, evenals ik, zulk een verheven gedeelte mag aanschouwen! Wat zijn alle werken der menschen tegenover Uwe scheppingen, Uwe wonderen!

Indien ik nu uitvoerig wilde verhalen, waar wij in de volgende weken ronddoolden, zou ik alleen daarvan een geheel boekdeel kunnen schrijven, en toch zou ik er u geen goed begrip van kunnen geven, hoe schoon het overal was. Onvergetelijk zijn mij die zoo heerlijke, gelukkige dagen! Eerst maakten we een uitstap naar den Algäu met zijn weelderig groene weiden en prachtig rundvee. Daar waren Immenstadt, Sonthofen en Oberstdorf de voornaamste plaatsen: in den omtrek daarvan bestegen wij eenige bergen. Van Immenstadt gaat de spoorweg naar Lindau en 't meer van Constanz. Ik zou wel graag Zwitserland eens zijn ingegaan; Tante beloofde een ander jaar met mij derwaarts te zullen reizen, thans hielden wij ons aan de Beiersche Alpen en hun eerste rustpunt Füszen. Met bijzondere voorliefde denk ik aan dat schoone plekje! want daar in de nabijheid ligt de parel van de geheele streek, het bekoorlijke Hohenschwangau waar we in 't logement „de Alpenroos”, onzen intrek namen en 't goed hadden bij de kasteleines, eene opgeruimde Tyroolsche in de schilderachtige nationale kleederdracht, met een roode roos op den spitstoeloopenden hoed en zilveren ketenen aan 't geregen lijfje. Dicht bij de deur is 't uitlokkendste plaatsje onder heerlijke lindeboomen: vóór ons schitterend in het zuiverste blauwgroen het stille Alpenmeer, waarop blanke zwanen zich bewegen, rondom omgeven door frisch groen en schilderachtige rotswanden, waarboven in de verte eenige koppen der Alpenketen komen uitkijken. 't Was waarlijk geen wonder dat de koning van Beieren hier voor zijne gemalin Maria het prachtige slot heeft doen bouwen, waaruit men een ruim uitzicht heeft over bergen, meren en over 't vlakke land.

Een avontuur.

Door steile rotswanden ingesloten, ligt stil en eenzaam het kalme Eibmeer met groene boomen op de oevers, die er de liefelijkheid nog van verhoogen. Het water is vischrijk; toch zijn er weinigen die daar voordeel van trekken; want het meer behoort sedert eeuwen aan de eigenaars van de weinige hutten, die door hen daar aan de oevers zijn neergezet. Het is een onbeschaafd soort van menschen, die er als heidenen uitzien: zwarte oogen staren ons uit de taankleurige, vuile gezichten aan, en die zich met hen afgeeft, kan er zeker van zijn dat hij bedrogen wordt, al is 't ook maar voor enkelekreutzers. De schoonheid van het meer lokt echter, ondanks die bewoners, van alle kanten tal van vreemdelingen. Ook wij bezochten het en bewonderden er de bekoorlijke omgeving. Eene stevige vrouw met zwarte oogen en bruine gelaatskleur roeide ons op het meer rond. 't Was nog lang voor 't vallen van den avond, toen we naar het dorp Greinau terugkeerden, waar ons rijtuig was gestald. De weg derwaarts ging door groene weiden en afhangende rotsen en maakte verscheidene schilderachtige krommingen, die mij rijke stof gaven tot vulling van mijn schetsboek; daarom verzocht ik Tante om met de beide dames, die dat tochtje medegemaakt hadden, maar vooruit te gaan; terwijl ik achterbleef om eenige vluchtige schetsen van de schoonste punten te maken. Tante weifeldeeerst om mij alleen te laten; doch de zon stond nog tamelijk hoog aan den hemel, de weg was verre van eenzaam en daarom gaf zij eindelijk toe, maar beval den kleinen jongen, dien ze aangenomen had om ons den weg te wijzen, bij mij te blijven. Weldra was ik geheel in mijn arbeid verdiept; de boomen hingen zoo schilderachtig over de kleine vooruitstekende rotsbrokken, waartusschen openingen hier en daar zulk een heerlijk vergezicht opleverden en nu eens een spitse kerktoren, dan weer 't vriendelijke dak eener boerenhut te voorschijn kwam, dat ik maar niet kon uitscheiden; want het eene punt was nog schooner dan het andere.

Eindelijk bemerkte ik dat de lucht rooder werd, dat de toppen der bergen begonnen te gloeien, dat de zon begon te dalen en het dus hoog tijd voor mij was om op te breken; daar Tante zeker met ongeduld op mij zou wachten. Ik pakte dus mijn boeltje op en bemerkte nu eerst hoe twee bruine mannen, die van 't Eibmeer kwamen, mij naderden. Ze droegen groote knuppels, hun kleeding was haveloos en vuil, en hun reusachtige gestalten teekenden zich dreigend tegen de avondlucht. Ik schrikte en keek angstig naar hen om; want terstond kwamen mij allerlei vreeselijke verhalen van roovers in de gedachte. Ik wist toch dat de omwoners van 't Eibmeer in geen besten reuk stonden. De avond begon reeds te vallen, met elke minuut werd het donkerder en die kerels kwamen regelrecht op mij aan.


Back to IndexNext