VIERDE HOOFDSTUK.

Aan tafel.

Ik heb u reeds verteld, hoe 't mij den eersten dag aan 't ontbijt was gegaan; natuurlijk waren er bij 't middagmaal ook verscheidene dingen, die ik niet behoorlijk deed: want thuis was de kleine bende luidruchtige kinderen oorzaak dat papa en mama op mij niet konden letten. 't Bewaren van de rust toch was bij ons de eerste en eenige eisch; al 't andere bleef genoegzaam geheel en al aan ons eigen goeddunken overgelaten.

De maaltijden bij Tante Betsy geleken in den regel vrijwel op elkander; toch heerschte er een opgeruimde en prettige geest: want Tante kruidde het maal met een aangenaam onderhoud, waarin haar vermaningen als groote uitroepteekens van tijd tot tijd de redeneering afbraken.

„Gebruik toch je servet, kindlief!” was eens een der geboden uit haar welvoeglijkheidsformulier. „Alleen daar waar geen servetten groeien, veegt men zich den mond met de handen af.”

Ik greep terstond naar het door mij zoo veronachtzaamde voorwerp.

„O, jij kleine lekkerbek!” heette het toen weer. „Je slurpt je soep met al de eigenschappen van een kenster, juist zooals een echte wijnproever het druivenvocht keurt. Je wilt zeker eens proeven, hoeveel pond rundvleesch er noodig is geweest, om zulk een krachtigen bouillon te trekken. En wat zit jedaar op je gemak. Eten bij u thuis de ellebogen ook mee?”

„De poort is te klein voor zulk een hoog voer hooi,” werd er kort daarop lachend aangemerkt, toen ik zooveel eten te gelijk op mijn vork had genomen, dat ik het bijna niet in den mond kon krijgen. Toen ik nu met dien vollen mond wilde antwoorden, wenkte Tante mij dat ik zou zwijgen.

„Men spreekt nooit, als men den mond vol heeft,” zeide zij. „Dat is zeer onfatsoenlijk.”

Allerlei onhandigheden beging ik, waarover ik moest terechtgewezen worden. Nu eens kwamen mijn vingers in aanraking met hetgeen op mijn bord lag, dan gebruikte ik mijn mes in plaats van mijn vork, of legde de beenderen van het vleesch niet op den rand van mijn bord, maar op het tafellaken.

„Lieve Margot, denk toch dat die arme Philax nog graag een vezeltje vleesch aan de beenderen vindt,” was het dan weer als ik de kluifjes van hoenders of duiven bijna geheel opat en alle beenderen zoo schoon afkloof of uitkauwde, dat er niets meer aanbleef.

„Papa zegt altijd, dat in de beenderen de meeste kracht zit, Tante,” antwoordde ik. Toen echter op zekeren dag het vet van mijn vingers droop onder 't afkluiven van een hoenderboutje, zeide Tante glimlachend:

„Hoor eens, kindlief. Morgen zijn we, zooals gij weet, bij de Donkers ten eten gevraagd. Wees dan zoo wijs, geen jong hoen in de handen te nemen. Hier bij mij kan ik het door de vingers zien. Maar het gebruik eischt, dat men met mes en vork het vleesch van de beenderen doet; 't is nu eenmaal zoo en niet anders.”

„Heel goed, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd; want tot hiertoe had ik nog nooit gevogelte naar den mond gebracht dan met mijn vingers.

't Was voor de eerste maal, dat ik met Tante uit eten ging en mijn hart klopte als een hamer van angst dat ik weer bok op bok zou schieten. Tot mijn geluk kreeg ik Marie naast mij aan tafel en zoo was ik in geval van nood gedekt. Aan mijn andere zijde zat een dikke, vriendelijke heer, die er uitzag, als bestond zijn grootste genot in lekker eten en drinken. Dit was inderdaad het geval; doch het welbehagen, waarmedehij slurpte en smakte, de onsmakelijke manier, waarop hij evenveel langs zijn breede lippen als daartusschen bracht, en eindelijk het snuffelen, dat hij onder dien gewichtigen arbeid deed, bedierven mijn eetlust. Nu schoten mij Tantes woorden van gisteren te binnen: dat het alleronaangenaamst is aan tafel naast iemand te zitten die slechte gewoonten heeft. En al mochten nu die slechte gewoonten aan een ouden heer eer te vergeven zijn dan aan een jong meisje: ik begreep toch ten volle, hoezeer ikzelve op goede manieren te letten had, om geen ergernis te geven.

Na de soep werd er een gerecht rondgediend, dat ik nog nooit gegeten had: het was een zwartachtig moes en om de korreligheid hield ik het voor vla van moerbeziën of bramen, waarvan ik een groote liefhebster ben. Daar nu de oude heer naast mij braaf toetastte, nam ik er ook een goede portie van op mijn bord en begon die te verorberen.

Maar hoe verschrikte ik, toen ik in plaats van de heerlijke moerbeivla een zout, slijmerig goed op mijn tong kreeg. Ik was niet in staat er een tweede vork van te nemen en keek verwonderd naar mijn buurman, die dat zwarte korrelige goed op geroosterde sneedjes brood streek, er dan citroensap op liet druppelen en al wat hij op zijn bord had genomen spoedig naar binnen gewerkt had.

Juist wilde ik Marie vragen, wat voor goed dit eigenlijk was, toen zich de oude heer nog kauwend en genietend tot mij wendde.

„Delicieuse kaviaar!” zeide hij. „Ook een liefhebster van dat heerlijke Russische product, jonge dame?”

Dus was het kaviaar. De naam was mij wel bekend, maar ik had het goed nooit gezien; daar er nooit een korreltje van naar ons dorp verdwaald was.

„O, neen, mijnheer, ik.... ik was in gedachte, toen ik er van nam,” stotterde ik, terwijl ik een kleur kreeg, en mijn onwetendheid dwaas genoeg onder een leugen verborg.

„O, dat is niet mogelijk! Proef 't nog maar eens, 't is heerlijk, dat kan ik u verzekeren, en ik.... ik heb verstand van wat goed smaakt,” verzekerde de dikkert met nadruk, en hoezeer ik van de waarheid zijner bewering overtuigd was,waagde ik het toch niet, om aan zijn uitnoodiging gehoor te geven en had er vermaak in te zien, met welke verlangende blikken mijn buurman de door mij versmade lekkernij nakeek, waarvan de knecht mij eindelijk bevrijdde.

Eenige volgende gerechten gingen zonder verder ongeval voorbij; slechts toen ik Marie om zout gevraagd had en zooals ik gewoon was, met de vingers in 't zoutvaatje wilde komen, zeide zij zacht: „Met het mes, Margot.”

Beschaamd deed ik wat zij zeide, ofschoon ik werkelijk zeer verwonderd was: want tot nu toe had ik mij altijd van mijn vinger en duim bediend, om zout te nemen.

Nu kwam het gevogelte op tafel, werkelijk jonge hoenders, juist zooals Tante Betsy gedacht had. Ik herinnerde mij gelukkig de ontvangen vermaning en beproefde het vleesch met mes en vork los te maken, in plaats van zooals anders de teedere beentjes met mijn tanden te bearbeiden. 't Was echter een ondankbare arbeid, het beste bleef daarbij aan de beenderen zitten en het deed mij groot verdriet, dat ik die heerlijke overblijfselen moest laten wegnemen. Met de confituren, die bij 't gevogelte werden gepresenteerd, was ik ditmaal niet bedrogen: die waren zoet en frisch, zooals ik ze gaarne lustte en niet zoo onaangenaam zout als de kaviaar. Ik gebruikte die confituren met niet minder welbehagen dan mijn dikke buurman zijn steurkuit en verheugde mij reeds op 't genot van de gesmolten suiker, waarin de vruchten op mijn bord lagen te zwemmen. Daar ik die suiker met geen vork kon machtig worden en er geen lepel onder mijn bereik was, lichtte ik mijn bordje op en wilde het aan mijn lippen brengen, om, zooals ik thuis altijd deed, het sap er van af te slurpen. Reeds zweefde het bordje in de lucht en was het dicht bij mijn mond, toen ik mij eensklaps bij den arm voelde vatten, en met een snellen ruk stond het bord weer op zijn plaats.

„Om 's hemels wil, Margot! Ben je niet wijs?” fluisterde Marie mij toe. „Men laat de suiker op zijn bord liggen.”

„Op zijn bord?” vroeg ik, terwijl ik Marie aankeek, die nog altijd mijn arm vasthield, uit vrees, dat ik de comedie nog eenmaal mocht vertoonen. „De gesmolten suiker is juist het lekkerste van de confituren; die kan ik toch niet op mijn bord laten liggen.”

„Doe thuis, wat gij wilt;—in gezelschap gaat dat niet anders,” fluisterde Marie snel; want juist sprak haar buurman haar aan, en kon ze zich niet meer met mij bemoeien. Zoo zat ik daar bedroefd tegenover mijn bord met heerlijke vruchtensuiker, die ik niet gebruiken mocht en ergerde mij vreeselijk over de zonderlinge wetten der welvoeglijkheid, die mij eerst geboden hadden het vleesch aan de beenderen te laten zitten en nu het lekkerste van 't geheele diner op te offeren.

„Wat zou mama wel van deze verkwisting zeggen!” dacht ik knorrig, maar eensklaps stond ik doodelijk verschrikt van mijn stoel op, en keek om mij heen, wie daar zoo vlak bij mij een pistool had afgeschoten. Mijn oude buurman lachte hartelijk over mijn schrik en weldra bemerkte ik, dat hetgeen ik voor een pistoolschot had gehouden, het knallen van een champagneflesch was, een geluid dat ik misschien eens in mijn leven gehoord had. En de wijn zelf: Ik had hem lang geleden thuis eenmaal geproefd, toen het doopmaal van een mijner zusjes gevierd werd, en nu stond daar een hoog vol glas voor mij, waarin tallooze kleine paarlen dansten.

De wijn smaakte mij buitengewoon goed. Dat prikkelen op de tong, dat vuur, dat zoete zonder flauw te zijn, alles droeg bij, om mij hem lekker te doen vinden. Mijn dikke buurman had er niet minder smaak in dan ik en 't scheen hem zooveel pleizier te doen, dat de wijn mij zoo beviel, dat hij mij 't eene glas na 't andere inschonk. Weldra gloeiden mijn wangen en het werd mij zoo raar voor de oogen; doch ik lette daarop niet, tot ik eindelijk zoo wonderlijk zat te kijken, dat Marie mij angstig aanzag en zeide:

„Ben je niet wel, Margot? Wat scheelt je?”

„Ik ben zoo wonderlijk! Alles draait mij voor de oogen,” antwoordde ik en greepMarie'shand om mij vast te houden.

„Heb je champagne gedronken? Dat is koppig goed! Pas op!” zeide Marie.

„Ja, drie of vier glazen. Mijnheer Martini heeft mij aldoor maar ingeschonken,” fluisterde ik en hield de oogen toe, om wat tot mijzelf te komen; want ik wist werkelijk niet waar ik was.

„Hoe kon je dat ook doen? Je hadt al wijn gedronken,”zeide Marie en schonk mij een groot glas water in dat ik snel leegdronk. Dat hielp gelukkig, en nu wachtte ik mij wel, nog een enkelen druppel van dien verraderlijken wijn te drinken, hoe mijn buurman mij ook noodigde en toeknikte. Hij kon, zooals 't mij toescheen, geducht veel verdragen, zonder er duizelig van te worden, zooals ik, arme nieuweling, dat geworden was; want zijn glas was onophoudelijk vol en even spoedig weer leeg. Ik was recht blij, toen men van tafel opstond om naar den tuin te gaan, waar de koffie zou gepresenteerd worden. De frissche lucht bracht mijn verward hoofd weer geheel en al in orde, en alweder rijker aan ondervinding wandelde ik met Marie den tuin rond. Aan Tante Betsy, die spoedig bij ons kwam, biechtte ik eerlijk al de domme streken, die ik op dit eerste diner begaan had en die mij nooit uit het geheugen zullen gewischt worden, al word ik ook honderd jaar oud.

Onder ons.

Elken Maandag kreeg Tante bezoek van eenige kennissen, die thee bij haar dronken en zich met praten, voorlezen of ook wel eens met kaartspel vermaakten. Mij werd op die avonden de post opgedragen, om thee te schenken en den kleinen kring te bedienen, daar Tante niet graag de meid in de kamer zag. Dat was mij, nadat ik de eerste moeilijkheden had overwonnen, zeer aangenaam: want huiselijke bezigheden vond ik heel prettig: ik ontging daardoor het best de verlegenheid, om onder die oudere heeren en dames fatsoenlijk stil te moeten zitten of ook wel soms aan hun gesprekken deel te nemen, waarvoor ik nog veel te weinig algemeene kennis en beschaving bezat. Ik kon immers evengoed toeluisteren en had tevens wat te doen. Maar in den beginne waren er natuurlijk verscheidene dingen, die ik eerst moest leeren.

Zoo vulde ik de kopjes altijd hoog tot aan den rand, wat Tante mij reeds den eersten morgen verboden had; doch dat ik maar niet scheen te kunnen onthouden. Het kwam mij altijd voor, als zouden de menschen denken, dat ik 't hun niet gunde, wanneer ik zoo weinig in de kopjes schonk. Verder liep ik met den trekpot de kamer rond, om terstond de kopjes op de plaats waar ze stonden, te vullen; totdat Tante mij zacht terugtrok en mij de kopjes aan de schenktafel bracht, om ze daar weder vol te schenken.

Wanneer dan de een of andere gast bedankte, hield ik 't voormijn plicht zoolang bij hem aan te dringen, tot ik mijn thee of mijn banket aan den man gebracht had. Tante verbood mij dat. „Dat opdringen,” zeide zij, „mogen de menschen op uw dorp hartelijk vinden, tot den goeden toon behoort het echter niet, al is het dan ook juist geen kwaad. Ook moet je wel opletten, dat je de gasten altijd aan hun linkerhand iets presenteert en nooit aan hun rechterzijde; anders hebben zij de rechterhand niet vrij om 't gepresenteerde aan te nemen.”

Vooral was Tante er zeer op gesteld, dat ik alles wat ik deed stil en zonder veel gedruisch ten uitvoer bracht, „opdat de gasten,” zeide zij, „het knarsen der raderen, waardoor de huishouding loopt, niet bemerken. Ik ten minste vind het altijd onpleizierig, wanneer ik iemand een bezoek breng en ik zie, hoeveel stoornis mijn tegenwoordigheid veroorzaakt. Dan wordt er gerend en geroepen, deuren en kasten worden open- en toegeworpen, en dat alles om mij misschien een stukje taart op een bordje te presenteeren of de thee klaar te zetten. Maak nooit zooveel leven om niets, kindlief, in 't lichamelijke, zoomin als in 't geestelijke.”

Daar op die Maandagen slechts oude heeren en dames kwamen, kon ik mijn lust voldoen, om zoo voorkomend en attent te zijn, als mij maar mogelijk was. Waren er jongere personen, vooral jonge heeren, dan bedwong Tante mij meermalen in mijn dienstvaardigheid, als die, volgens haar, menigmaal te ver ging. 't Was voor mij iets nieuws, dat men overdreven dienstvaardig kon zijn; Tante wist het echter beter dan ik. Waren er bejaarde dames, dan liet ze mij stil mijn gang gaan. Vooral voor die, welke ik 't liefst mocht lijden, kende mijn dienstijver geen grenzen. Haar van sjaal of mantel te ontlasten, een gemakkelijken stoel te geven, voetbankjes of stoven aan te dragen, voor een ruggekussentje te zorgen, voor haar de steken van haar breiwerk te tellen of ze op te rapen als ze gevallen waren, naalden in te steken, garen of zijde te winden, fruit te schillen, kortom, haar op alle mogelijke wijzen te bedienen, was mijn lust en mijn leven. Mijn oog was dan gedurig in de weer, om ook slechts den minsten wensch te raden. Haar vriendelijk bedanken was mij een voldoende belooning.

Ten opzichte van de oude heeren was ik natuurlijk beschroomder; toch deed ik ook voor hen mijn best, om hun gemakkelijke stoelen te geven, alles wat op den grond viel op te rapen, fijngedrukt schrift voor te lezen, brillenglazen af te vegen, of soms rustig en vriendelijk toe te luisteren bij een vervelende vertelling, waarvoor men geen enkelen oplettenden toehoorder kon vinden.

Veelal, wanneer er op deze prettige avondjes niet gespeeld werd, las de een of andere van 't gezelschap een mooi boek voor. 't Liefst hoorde ik Tante Betsy lezen, die niet alleen een mooie stem had, maar ook op elk woord zoo den juisten klemtoon wist te leggen, dat ik toen eerst goed begreep welk een schoon talent het is, als men goed kan voorlezen. Trouwens voorlezen viel mij meermalen ten deel, en opdat ook ik mij in die kunst zou oefenen, nam Tante dikwijls de moeite om iets met mij te lezen. In den beginne durfde ik bij zulk een begaafde lezeres nauwelijks mijn lippen openen; doch zij wist mij vriendelijk aan te moedigen, liet mij dikwerf regel voor regel naspreken, denzelfden volzin drie- of viermalen nazeggen, totdat ik den rechten toon gevat had, en dat alles met zooveel geduld en volharding, dat ik die niet genoeg roemen kan. Zij had dan ook de voldoening, dat ik langzamerhand eene zeer goede voorlezeres werd.

Maar wanneer Tante voorlas mocht ik nooit met de handen over elkander zitten. Altijd moest ik mij met een of ander vrouwelijk handwerk bezighouden.

„Als jonge meisjes niet wat doen, weten zij geen raad met haar handen en zitten dikwijls in de alleronbehagelijkste houding.” De mijne, al zeg ik 't zelf, liet vrijwat te wenschen over; mijn rug zocht onophoudelijk de leuning van mijn stoel, waarschijnlijk omdat ik zoo'n lange slungel was en mijn ruggegraat daarom een steun verlangde.

„Kijk, ik ben oud, en zit veel rechter dan jij, jonge meid,” zeide Tante Betsy menigwerf tegen mij. En inderdaad, wat zij zeide, was waar; want zij zat altijd zoo recht als een kaars, zonder dit te doen, alsof zij een boonenstaak had ingeslikt.

„'t Is maar gewoonte, kind,” placht zij te zeggen als ik haar daarover bewonderde. „Wie krom zit, groeit krom. Hetboompje, dat jong goed geleid wordt, geeft bij 't opwassen een flinken, statigen stam. Jong geleerd, oud gedaan. Wie b. v. zooals mijn lieve Margot, reeds op zestienjarigen leeftijd zijn voeten zoover vooruitsteekt, met de handen zulke vechtende bewegingen maakt en overluid in zichzelf spreekt, die zal op zijn zestigste jaar zich nog even dwaas aanstellen.”

En dan schoof Tante een voetbank onder mijn schommelende, trappelende voeten. Had ik voor mijn tien vingers ook maar zulk een steunpunt gehad en die eenvoudig en rustig, zooals 't behoort, in mijn schoot laten liggen, dan zou 't zeker heel goed geweest zijn; maar dat was voor mij een al te zware taak.

„Je moet het echter leeren, meidlief,” zei Tante. „Onder 't gesprek behoort een jong meisje haar vingers stil te houden en niet verlegen aan haar japon of mantel te plukken; dat staat vreeselijk onbeholpen. Wanneer je eens wist hoe zulk een beweeglijkheid anderen hindert, dan zou je er meer aan denken om daartegen te waken.”

„O, Tante, 't is mij zoo moeilijk aan al die dingen te denken,” klaagde ik soms moedeloos.

„Kom, kom, dat leert men wel, en dan kan men later niet anders,” hervatte Tante. „Ik verzeker je, dat je 't vroeger zult leeren dan je wel denkt, kindlief. Ik zie dat je er moeite toe doet, en al knor ik ook dikwijls, ik ben toch zeer tevreden over je. Slechts geduld, kindlief, en alles zal wel terecht komen.”

Dit was de eerste keer, dat Tante mij te dien aanzien prees. Hoe gelukkig maakte mij die lof, en hoe werd ik er door bemoedigd!

Tante ging nu naar haar boekenkast en kreeg „Onze Buurt” voor mij, om daarin te lezen, terwijl zij haar middagdutje deed. Spoedig beviel mij dit boek zóó, dat Tante mij moest roepen om thee te zetten. Ik schrikte; want zoodanig was ik in de lectuur verdiept geweest, dat ik mijn werk geheel vergeten had.

„Eerst de plicht en dan de uitspanning,” zeide Tante vriendelijk. En zij had gelijk: ik had eerst voor de thee moeten zorgen en dan gaan lezen.

In gezelschap.

Tante ontving niet alleen dikwerf gasten, maar ging zelve ook dikwijls uit, en daar zij mij altijd meenam, maakten die gezellige avondjes, die wij bij anderen doorbrachten, het mij in den beginne angstig genoeg en gaven mijn goede Tante vrijwat aanleiding om zich over mij te ergeren. Vooral één avond is mij onvergetelijk gebleven, die zoo rijk aan gebeurtenissen was, dat ik ze u vertellen moet, daar hij in zijn gevolgen invloed op mijn leven had, zonder dat ik het toenmaals vermoeden kon.

Wij waren op een soirée bij den President der rechtbank, den Heer Van Doren. Als gewoonlijk stond ik naast mijne vriendin Marie, die mij hier als overal een redster in den nood was; want ik kende in 't geheele talrijke gezelschap geen enkel persoon. Met tamelijke verveling keek ik de zaal rond en monsterde de élegante menigte. Eensklaps echter kwam er een glans van vreugde op mijn gelaat.

„Kijk eens, Marie, daar staat warempel Dokter Huisman uit Arnhem. Die heeft Papa nog eerst onlangs een bezoek gebracht. Ik moet hem goeden dag gaan zeggen. Wat zal hij verwonderd zijn, mij hier te zien!” en ik wees met den vinger naar een grooten blonden heer, die midden onder andere gasten stond.

Snel wilde ik van Marie wegijlen en op Dokter Huismantoeloopen, toen mijne vriendin haastig haar arm op den mijnen legde.

„Blijf hier, Margot,” riep zij zacht, terwijl zij mij terugtrok. „Vooreerst, wijs toch om 's Hemels wil niet naar iemand. Dat is vreeselijk onfatsoenlijk, en dan moet ik je zeggen, dat het in 't geheel niet welvoeglijk is om Dokter Huisman thans aan te spreken, terwijl hij midden onder andere heeren staat. Om tot hem te komen, zoudt gij er doorheen moeten dringen.”

„Ach! dat is waar; daaraan had ik niet gedacht,” zeide ik verlegen.

„Daarenboven,” ging Marie voort, „kent ge dien heer zoo van nabij, dat gij hem het eerst begroeten wilt? Hij is zeker een goed vriend van je familie.”

„Neen, ik heb hem slechts eens bij ons aan huis gezien; hij kwam bij Papa voor zaken en bleef dien achtermiddag bij ons,” antwoordde ik min of meer verlegen. „Maar daar ik hier de menschen zoo weinig ken, vond ik het zoo prettig, dat ik met hem over Brondaal kon spreken; daarom voel ik mij veel meer naar hem heengetrokken dan naar de andere heeren, die noch Papa noch iemand thuis kennen.”

„Hoor eens, Margot, als je hem niet nader kent, wacht dan tot hij je aanspreekt,” zeide Marie. „Dat behoort zoo. Want al boezemt hij je ook nog zooveel belangstelling in omdat hij je familie kent, schijnt gij hem niet erg te interesseeren; anders zou hij je wel aangesproken hebben.”

Hoezeer ik Marie ook gelijk moest geven speet het mij toch geweldig dat ik door den jongenheer, in wien ik zulk een levendig belang stelde, in 't geheel niet werd opgemerkt. Doch spoedig was mijn knorrigheid over; want het heerengesprek was uit en de blonde dokter wachtte geen oogenblik om regelrecht op mij af te komen.

„Hé, juffrouw Zuidhof!” riep hij vroolijk uit. „Vind ik u hier? Een aardige verrassing! Eerst nu zie ik u, anders had ik mij reeds gehaast u vroeger mijn compliment te maken. Hoe gaat het u?”

Ik had het wel gedacht! Hij was er ook over in zijn schik, dat hij eene bekende onder al die vreemden zag; en dat had hij mij niet vroeger kunnen zeggen, daar hij mij nu eerstopgemerkt had. Gij begrijpt, hoe prettig ik dat vond, en vroolijk praatte ik nu met hem over al mijn dierbaren te huis, en Dr. Huisman scheen in alles wat ik hem voorbabbelde zooveel belang te stellen, dat ik mijn geheele omgeving vergat en hem openhartig terstond allerlei dingen vertelde. Nadat we een tijdlang zoo met elkander gepraat hadden, zag ik Tante Betsy eensklaps dicht bij mij en het scheen mij toe, als zag zij mij onderzoekend en verrast aan. Ik begreep, dat het haar genoegen zou doen, Dokter Huisman te leeren kennen, en zoo stond ik snel op en zeide, dat ik mijn Tante wilde roepen. De dokter volgde mij op den voet en verzocht mij dat ik hem liever bij Tante zou brengen, opdat hij zich aan haar mocht voorstellen. Daarbij glimlachte hij zoo zonderling, dat ik vreesde weer iets doms uitgevoerd te hebben en hoog blozend voor hem uit tot bij Tante Betsy ijlde, aan wie ik met een paar woorden mijn bekende voorstelde.

Tante begroette den dokter wel is waar op de vriendelijke manier, waarop zij voor alle menschen zoo engelachtig goed was; ik vond echter dat zij hem vrij koel en afgemeten ontving. Dat hinderde mij geducht! Doch hoe was ik verwonderd, toen Tante, nadat de dokter zich verwijderd had, met een tamelijk onvriendelijk gezicht mij wenkte om haar naar een donker vensterkozijn te volgen, waar men ons niet kon opmerken.

„Je spraakt daar al vrij vertrouwelijk met dien jongen heer!” zeide zij. „Is die dokter Huisman bij u zulk een vertrouwd vriend des huizes? Daar wist ik niets van.”

„Een vriend des huizes? Dat nu juist niet,” antwoordde ik eenigermate bedremmeld. „Ik was echter zoo blij dat ik hem zag, omdat ik hier genoegzaam geen mensch ken.”

„En in je blijdschap heb je geheel vergeten wat een jong meisje past, kindlief!” zeide Tante zacht.

„Ik, Tante?” riep ik verschrikt uit; want daarvan had ik in 't geheel geen vermoeden.

„Ja, jij,” antwoordde Tante. „In de drukte van je gesprek heb je niet opgemerkt, hoeveel verwonderde blikken zich op je vestigden; want je praatte zoo luid met dien jongen man, dat allen, die er omheen stonden, verstaan konden wat je zeide.Dan lachte je tusschenbeide ook zoo hard, sperde den mond zoo wijd open en leunde met den rug in je stoel, dat ik mij over je schaamde. En 't ergste van alles nog was, dat je tusschenbeide met den jongen heer fluisterde, alsof gij de intiemste vrienden waart. Hoe kwam dat toch? Je bent anders zoo schuchter en bedeesd.”

„Ach, Tante, ik vertelde hem eenige mijner domme streken, en die mochten anderen toch niet hooren; ik bemerkte ook niet, dat andere gasten naar ons gesprek luisterden,” zeide ik.

„En heb je hem die verteld? Dat is al heel vertrouwelijk jegens zulk een vreemden heer. Ken je hem dan zoo goed, om te weten, dat hij in zijn hart niet den spot drijft met die vertrouwelijkheid?”

„O, dat zal hij niet doen, lieve Tante,” riep ik blozend uit. „Hij stelde zulk een groot belang in alles wat ik hem van mijn familie en mijn dorp verhaalde, en dat zou hij toch niet gedaan hebben, als hij zoo slecht was.”

„Natuurlijk scheen dit u zoo toe; want hij kon toch zoo onbeleefd niet zijn om weg te loopen, als een jonge dame haar hart voor hem uitstortte,” zei Tante Betsy glimlachend.

„Ach, Tante!” zeide ik, terwijl mij 't huilen nader stond dan 't lachen.

„'t Is mijn schuld niet, dat je deze kleine strafpredikatie moet aanhooren, opdat je voortaan voorzichtiger wordt,” ging mijn onverbiddelijke Tante voort. „Wie weet, of je vriend niet op ditzelfde oogenblik bezig is aan een anderen jongen man te vertellen, welk een dwaas kind juffrouw Zuidhof is, en hoe beiden zich ten uwen koste vroolijk maken.”

„Ach! lieve Tante! zeg dat toch niet!” smeekte ik haar, terwijl de tranen mij langs de wangen rolden.

„Nu, we zullen er het beste van hopen; troost je dus maar,” hernam Tante, terwijl zij 't haar uit mijn gloeiend gezicht streek. „Doch ik moet je waarschuwen om voortaan voorzichtiger en verstandiger te zijn, en niet zoo aan je gevoelens den vrijen loop te laten. Pas nu op; maak door een ingetogen, fatsoenlijk gedrag weer goed, wat gij in de oogen van zoovelen misdaan hebt en bovenal zet een kalm, vriendelijk gelaat: want het is niet raadzaam om door zijn gelaatstrekken zijngevoelens en de bewegingen van zijn hart te verraden; vooral in gezelschap. Daar komt Marie; zij zal je beter kunnen troosten dan ik.”

Tante wendde zich nu naar eene oude dame, met wie zij een gesprek aanknoopte, en liet ons alleen om vertrouwelijk met elkander te spreken. Gelukkig verborg nog steeds het donker vensterkozijn ons; want ik moest mijn bezwaren in 't hart van mijn goede Marie uitstorten. Zij troostte mij en stelde mij gerust.

„Je gedrag is in 't oog gevallen,” zeide zij, „ik kan het niet ontkennen, en ik had je er zoo gaarne opmerkzaam op gemaakt, dat je gesprek met dokter Huisman lang genoeg geduurd had. Maar je scheen het zoo druk te hebben, dat je niet om mij dacht, hoe ik ook om je heendraaide; en ongeroepen kon ik mij in je gesprek niet mengen, daar ik je vriend niet kende.”

„Ach! noem hem zoo niet,” smeekte ik. „Wie weet of hij dien naam niet geheel en al onwaardig is en zich over mij vermaakt.”

„Dat denk ik nu juist niet,” antwoordde Marie. „Daartoe ziet hij er mij veel te ernstig en te vriendelijk uit, en al lacht hij misschien ook in zichzelf een beetje over 't meisje, dat in haar eenvoud nog niet weet hoe zij zich gedragen moet, ik ben er zeker van, dat hij zich niet ten uwen koste zal vermaken.”

„Denk je dat werkelijk, Marie?” riep ik in verrukking uit. „Tante had er mij zoo bang voor gemaakt.”

„Ik zou mij al zeer in hem moeten vergissen, als hij het deed,” hervatte Marie.

„Maar al die menschen, voor wie ik mij zoo gecompromitteerd heb! Ik durf niet meer uit mijn schuilhoek komen!”

„Kom, dat is ook zoo erg niet als je denkt,” zeide Marie. „Het ergste, wat ik gehoord heb, was dat men lachte en je voor heel jong en kinderlijk hield, en dit is toch over 't geheel geen groot gebrek. Daarenboven is men nu de geheele historie alweer vergeten. Kom dus gerust maar weer te voorschijn; want langer mogen we hier niet staan. Zie, daar komt juffrouw Van der Velden; zij is altijd vriendelijk jegens mij en ik hebhaar nog niet gesproken. Nu, tot straks! Wees goedsmoeds en zet niet langer zoo'n armezondaarsgezicht!”

Vreesachtig mengde ik mij weer onder de overige gasten en zette mij neder in een kamer naast het salon, waarin men juist begon te musiceeren. Men presenteerde ijs, waarvan ik zeer veel hield, en zoo verdreef ik mij een poos lang den tijd, terwijl ik naar de muziek luisterde en mij 't ijs goed liet smaken. Daarbij sloeg ik mijn omgeving gade, of er misschien niet nog iemand was, die tegen de regelen der welvoeglijkheid zondigde, opdat ik toch niet alleen als zoo onhebbelijk mocht bekend staan. Maar helaas! rondom mij was alles zoo welvoeglijk en ernstig: men praatte wel, maar om de muziek slechts fluisterend—allen gedroegen zich zoo, dat ik mij zuchtend van hen afwendde.

Daar viel mijn blik op een heer, die dicht bij mij stond. Jong scheen hij niet en toch zag hij er in 't oogvallend angstig en verlegen uit. Blijkbaar was hij geheel onbekend in dezen kring en had in 't geheel den tact niet om zijn schuchterheid te verbergen, zoodat ik een hartelijke sympathie voor hem gevoelde.

Eindelijk zweeg de muziek en 't gezelschap bewoog zich weer door elkander; maar mijn vreemdeling bleef daar alleen staan. Ook ik bleef stil op mijn stoel zitten; want ik was geducht uit mijn humeur.

Eindelijk stond ik op om mijn ijsschoteltje ergens neer te zetten en zag daarbij, dat mijn vreemde man het zijne nog in de hand had en er klaarblijkelijk vreeselijk verlegen mee was, daar hij niet wist, wat hij er mee zou beginnen.

„Ach,” dacht ik, „die arme schelm is ook nog tusschen mal en dwaas, evengoed als ik,” en daar ik hem voorbij moest, ontlastte ik hem met een vriendelijk woord van zijn schoteltje en verloste hem daardoor uit zijn verlegenheid.

Verrast keek de heer op en zag mij zonder een woord te spreken aan; daarop scheen hij zich te bezinnen en maakte een buiging voor mij, die tamelijk stijf uitviel. Vervolgens stond hij weer even stil op zijn plaats en ging ook weer zitten, daar de muziek opnieuw begon.

Ik had eerst gedacht dat de vreemdeling, in wien ik zooveelbelang stelde, niet jong meer was; toen ik hem evenwel wat meer van nabij zag, bemerkte ik dat ik mij vergist had, en dat zijn onbeholpen gedrag de oorzaak van die vergissing was. Zoodra ik nu weer zat, nam ik hem nog eens goed op; eensklaps keek hij mij met zijn donkere, zwaarmoedige oogen strak en zwijgend een lange poos aan.

Eenigszins gepijnigd door dat aanstaren bepaalde ik mijn aandacht op mijn handschoenen, waarvan een knoopje was losgesprongen. Toen ik echter weer even opkeek was 't mij, alsof ik dat gelaat vroeger meer gezien had. Ik kon den jongen man echter (zooals men 't noemt) maar niet thuisbrengen, en dat kwelde mij. Natuurlijk keek ik hem daarbij weer aan; doch hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte, dat zijn blik nog altijd op mij rustte. Dat was toch recht lastig! Wat had die vreemde man aan mij te kijken? Ik voelde dat ik een kleur kreeg; rusteloos draaide ik mij op mijn stoel heen en weer, en besloot vast, om van plaats te veranderen, zoodra het zangstuk gedaan was. 't Scheen echter dat er geen eind aan kwam, en terwijl ik nu tamelijk schuw en verschrikt mijne oogen voor de blikken van den zonderlingen man neersloeg, gebeurde er weer iets, dat hem opnieuw verlegen maakte.

Hij hield namelijk, zooals alle heeren, zijn hoed onder den arm, maar zóó links, dat ik al bang geweest was, dat hij hem zou laten vallen. En inderdaad! Plats, daar lag de ongelukkige hoed eindelijk, en wel vlak voor mijn voeten. De vreemde was nu in de hoogste verlegenheid en waagde het nauwelijks er de hand naar uit te strekken. Onwillekeurig bukte ik snel, greep naar den hoed en reikte dien, natuurlijk nogmaals hoog kleurend, aan den eigenaar, die hem met een stijve buiging uit mijn hand ontving. Doch hierbij verloor hij nu zijn handschoen, dien hij in de hand hield, en eer hij nog zijn stijven rug gebogen had, gaf ik hem ook dit verloren kleedingstuk terug.

Wederom maakte hij met doodelijke verlegenheid een buiging, en nu stond hij daar vlak voor mij, zonder te weten of hij zou spreken of zijn stomme rol verder voortspelen. Om hem en mijzelve uit onzen pijnlijken toestand te verlossen, nam ik een album in de hand, dat vlak bij mij opengeslagenlag, en deed alsof ik mij in de beschouwing der platen ernstig verdiepte.

't Zij de fraaie gravures de opmerkzaamheid van den jongen heer trokken, of dat hij meende mij eenige oplettendheid te moeten bewijzen—hoe 't zij, met uitgerekten hals en wijdgeopende oogen keek hij naar het album dat ik doorbladerde, doch bleef op zulk een eerbiedigen afstand, dat ik mij nauwelijks van lachen kon onthouden over het dwaze figuur dat hij maakte. Om zijn vervelend meekijken te beletten, reikte ik hem 't eene blad na 't andere toe, opdat hij dat kon bezien, zonder het mij lastig te maken. 't Scheen, dat deze nieuwe attentie den dam zijner verlegenheid doorbrak.

„Mejuffrouw!” zeide hij stotterend en zacht, terwijl hij zich naast mij neerzette. „Ik dank u, o, ik dank u!” Daarop vroeg hij mij of ik veel van de beeldende kunst hield. Ik antwoordde bevestigend, maar bekende tevens, dat ik er weinig verstand van had. Toen begon hij mij zoo zacht, dat zijn stem de muziek niet hinderde, over de meesters te praten, wier werken zich in dat album bevonden: Koekkoek, Schotel, Ten Kate, ook van Duitsche en Italiaansche meesters. Eerst was ik wel wat angstig en herinnerde ik mij, hoe Tante mij verboden had om met andere heeren te spreken dan met degenen, die mij waren voorgesteld; maar spoedig vergat ik mijn angst voor de levendige belangstelling, die zijn woorden in mij verwekten. Hij was blijkbaar een groot kunstkenner, en wist niet alleen van de werken der meesters, maar ook van hun leven op een zeer aangename wijs wat te zeggen.

Thans echter zweeg de muziek weder en werd het levendig rondom ons. Ik begon mij weer te beangstigen, dat ik met den wonderlijken vreemdeling zoo alleen in een hoekje zat; hij scheen het echter niet te bemerken, maar ging bedaard met spreken voort. Eindelijk zag ik Marie's blauwe japon in de nabijheid; snel opstaande, zeide ik eensklaps:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Ik geloof dat mijne vriendin mij zoekt.”

Reeds kwam Marie naar mij toe. Zij was zeer verwonderd, dat zij mij zoo vertrouwelijk met den vreemdeling zag spreken, maakte een lichte buiging voor hem en zeide:

„Ha, baron! Zien wij u ook eens hier! Wel, dat is goed.”

Ik fluisterde Marie snel in 't oor, mij aan den jongen baron voor te stellen, daar zij hem kende. Zij keek mij verbaasd aan; want zij dacht natuurlijk dat de man, met wien ik in zulk een vertrouwelijk gesprek gewikkeld was geweest, dat zelf reeds gedaan had; ze wendde zich echter vriendelijk tot ons en zeide:

„Lieve Margot, veroorloof mij dat ik je een vriend van mijn broeder voorstel, mijnheer den Baron Van der Land. En dit, mijnheer de Baron, is mijn lieve vriendin, Mejuffrouw Margot Zuidhof.”

Toen Marie zich bij ons gevoegd had, werd Baron Van der Land weer even onbeholpen en stijf als straks; 't geen bleek uit de weinige afgebroken woorden, die hij uitstiet als: „Veel genoegen—juffrouw—allervriendelijkst,” die hem met veel moeite van de lippen rolden.

Om aan zijn verlegenheid een einde te maken, bogen we voor hem en begaven ons naar een anderen kant van de kamer. Daar ik echter met innig medelijden bemerkte, hoe treurig de jonge baron ons nastaarde, was 't mijn schuld niet, dat mijn goed hart mij aandreef hem nog een heel vriendelijken blik toe te werpen.

„Lieve hemel! Wat doe je toch, Margot? Wat bega je toch een dwaasheden van avond!” riep Marie uit, toen ze mijn groet bemerkte. „Eerst zoo vertrouwelijk met Dr. Huisman, en nu reeds één hart en één ziel met den menschenschuwen Baron Van der Land? Nu doet het mij inderdaad leed, dat ik je daar straks gestoord heb in het interessant tête à tête, waarin je met den zonderlingen jonkman gewikkeld waart. Voortaan behoef je me niet meer wijs te maken, dat je bloo bent. Een meisje, dat Baron Van der Land aan het praten kan krijgen, is de medaille van verdienste waard.”

„Zwijg toch met dien belachelijken onzin, en laat mij je vertellen, hoe dat alles in zijn werk is gegaan,” riep ik uit en verhaalde haar nu, hoe de vork in den steel zat.

„Gelukkig dat het de verlegen baron is,” gaf zij ten antwoord. „Ieder ander heer zou je oplettendheid geheel anders hebben uitgelegd. Wat ik je echter raad, bespaar je gedienstigheidvoor oudere lieden; jonge heeren ontvangen niet gaarne ongevraagd diensten van jonge dames. Dat is nu eenmaal zoo en niet anders. Maar op den jongen baron hebben je zwarte oogen een sterken indruk gemaakt; want zie slechts, daar staat hij weer als een zoutpilaar aan de deur en kijkt smachtend naar onzen kant.”

Marie had gelijk. Hij stond daar en keek ons met zijn groote oogen zoo zonderling aan, dat mij de kleur weer in 't gezicht sloeg en ik mij angstig aan Marie's arm klemde; waarbij ik haar smeekte, dat zij mij niet weer verlaten zou, daar ik anders vreesde nog meer dwaasheden te zullen begaan.

Toen we naar huis gingen, fluisterde Marie mij schalks in 't oor:

„Geluk met je verovering! Slaap lekker, Margot.”

De gevolgen van mijn dwaasheid.

Den volgenden morgen kwam Marie reeds vroeg bij mij om te vernemen hoe mijn avonturen van den vorigen avond mij bekomen waren. Zij hield mij op zulk een vroolijke manier voor den gek en was zoo uitgelaten en schalksch, dat haar vroolijkheid spoedig aanstekelijk voor mij was en wij beiden om 't hardst om mijn verovering lachten. Waarschijnlijk gedroegen wij ons geducht kinderachtig; want Tante, die anders gaarne met ons schertste, deelde ditmaal niet in onze vroolijkheid. Ik had haar den vorigen avond, eer wij naar bed gingen, in ons vertrouwelijk groen kamertje alles eerlijk opgebiecht enofschoon zij mij waarschuwde, om voortaan niet meer dergelijke onbezonnenheden te begaan, moest zij toch hartelijk over de geheele ontmoeting lachen: eindelijk was zij ernstig en nadenkend geworden en sprak ze niet meer van de zaak.

„Hoort eens, kinderen,” zeide zij nu, terwijl wij zaten te babbelen en te lachen. „Uw gedrag bevalt mij in 't geheel niet. Wel heeft de baron zich belachelijk aangesteld; maar het is volstrekt geen teeken van een goed hart, alleen oog te hebben voor de komische zijde van het voorval. 't Kan immers zijn dat de menschenschuwe man, werkelijk innig getroffen is door de vriendelijkheid van zulk een jong meisje? Alleen en verlaten in een gezelschap te staan is hard, en verdient medelijden, geen spotternij.”

„Maar, lieve Mevrouw,” zeide Marie. „We lachen niet omhet linksche gedrag van den baron, maar om Margots naïf gedrag en 't geen daarmee in verband staat. En wat het alleen staan van den baron aangaat, dat is geheel en al zijn eigen schuld. Waarom zondert hij zich ook zoo van anderen af? Hij heeft alles wat hij wenscht, en waardoor hij zichzelf en anderen gelukkig zou kunnen maken; rijkdom, een geëerden naam, een onafhankelijken staat, een gezond lichaam, en toch leeft hij als een kluizenaar, ziet nooit iemand bij zich en legt evenmin ooit bezoeken af. Den een of ander op zijn landgoed te noodigen, dat is nog nooit in zijn brein opgerezen; en neemt hij soms eens het besluit om uit zijn kluis te voorschijn te komen, dan ziet hij er zoo schuw en ongelukkig uit, dat niemand zich aan hem waagt. Zelfs zijn beste vrienden kunnen niets met hem aanvangen, zooals Eduard zelf zegt. Er is nu eenmaal niets aan hem te doen; hij is een zonderling.”

„Toch is hij te beklagen,” zeide Tante zacht; „want, ondanks zijn aardsche goederen, ontbreekt het hem aan 't ware geluk. Hij weet het leven niet te genieten door voor zich en anderen nuttig te zijn, en zulke menschen wekken altijd mijn medelijden op.”

„Nu, lieve Tante,” zeide ik, „we zullen niet meer om hem lachen. Ik erken dat het kinderachtig van mij was. Hij heeft mij gisteravond werkelijk goed onderhouden en ik heb van hem geleerd. Jammer, dat het zulk een innerlijk beschaafd mensch aan uiterlijke vormen ontbreekt.”

Juist op dit oogenblik kwam de meid zeggen, dat Dr. Huisman ons een bezoek kwam brengen. Bij dien naam kreeg ik weer een kleur als bloed. Des te meer verraste het mij, dat Tante zeide:

„Nu, daar ben ik zeer verheugd over. Laat den dokter binnenkomen.”

Vriendelijk werd hij door haar ontvangen. Hij begroette haar, Marie en mij zoo ongedwongen en vriendelijk, dat ik minder schroomvallig werd; want ik begreep er uit, dat hij mijn gedrag niet bespottelijk had gevonden. Ik mengde mij dus in 't gesprek, om, als 't mogelijk ware, te verbeteren wat ik den vorigen avond verkeerd gedaan had. Tante had er den slag van, zulke dingen ter sprake te brengen waaroverik meepraten kon, en zijn bezoek was inderdaad zoo aangenaam, dat ik, toen hij wegging, geheel en al over mijzelf tevreden was.

„Nu, Margot,” zeide Tante. „Ik geloof dat die dokter Huisman beter is, dan ik gisteravond vermoedde.”

„Zeker, Tante, dat heb ik u wel terstond gezegd. Doch waarom denkt u vandaag beter over hem dan gisteren.”

„Omdat hij zich anders zeker niet zou hebben gehaast ons met een bezoek te vereeren. Ware hij onverschillig geweest of had hij den spot met je gedreven, dan zou hij niet gekomen zijn. Zijn bezoek van heden echter toont mij, dat hij je kinderlijke vertrouwelijkheid als een verstandig man heeft beoordeeld, en dat bevalt mij in hem. Hij is een beschaafd man, die fijn gevoelt, en zulke menschen zie ik gaarne bij mij.”

Dat oordeel van Tante verheugde mij; want het stelde mij gerust over mijn gedrag van den vorigen avond. De dokter had mij niet uitgelachen, dat was de hoofdzaak, en de andere lieden hadden wel wat anders te doen gehad, dan over mij, arm kind, dat nog tusschen mal en dwaas was, lang te denken en met mijn domheden den spot te drijven.

't Was voor Marie een heele triomf, dat zij zich in de gelaatstrekken van mijn vriend niet vergist had. En zoo namen wij opgeruimd afscheid van elkander, toen Marie naar huis ging.

Denzelfden dag moest ik eenige boodschappen voor Tante doen, en ik maakte mij na den eten gereed om uit te gaan, toen ik door 't bezoek van eenige jonge meisjes werd opgehouden. Tante was bij eene oude vriendin thee gaan drinken en ik was dus verplicht de honneurs waar te nemen. 't Was daardoor al tamelijk laat geworden, eer ik de deur uit kon komen, dus ook laat, eer ik mijn boodschappen verricht had. Toen ik naar huis ging was het gaslicht der stadslantaarns en in de winkels al opgestoken. Dat was voor mij wat nieuws. Bij dag had ik die fraaie winkels dikwijls genoeg gezien; maar hoe geheel anders, hoeveel schitterender zagen zij er nu bij dat heldere gaslicht uit! Was 't wonder, dat ik, eenvoudig dorpskind, bij al die pracht er niet over nadacht dat het al laat werd en hier en daar bij een winkel bleef staan, om de uitgestalde fraaiigheden te bewonderen?

Vooral de plaatwinkels trokken mijn aandacht. In een daarvan zag ik in 't voorbijgaan enkele van de platen, die ik den dag te voren met baron Van der Land beschouwd had en wier groote waarde hij mij had leeren kennen. Bijna onwillekeurig trad ik voor de spiegelruit en beschouwde die kunstwerken nogmaals, evenzeer als de rijke verzameling van gravures, die daarnaast hingen of voor de glazen lagen. Geheel en al in mijn kunstgenot verdiept, bemerkte ik niet, hoe een jong heer mij al sedert geruimen tijd opnam, vóór hij mij op een zeer in 't oogvallende manier nadertrad en mij onder den hoed keek. Verschrikt wendde ik mij van hem af, in de hoop dat hij zich zou verwijderen: ik wist echter niet, dat mijn vertoeven voor de spiegelruit van den winkel, en dat in den avond, zeer ongepast was voor een jong meisje, en dat daarom die jonge heer zich deze brutale vrijheid veroorloofde. Het duurde niet lang of hij sprak mij op een zeer laffe manier aan, en dat verschrikte mij geducht. Ik sprong snel van de stoep af en ging met verhaaste schreden de straat door, om dat jonge mensch te ontvluchten; doch ik bemerkte, dat hij mij vlak op de hielen volgde en hoorde maar al te goed de onbehoorlijke woorden, die hij mij toevoegde. Ik had nog een heel eind af te leggen voor ik thuis was, en door mijn haast en verwarring liep ik verkeerd en wist weldra geen weg of steg meer. Dat ik slechts bij een stalhouder had in te loopen en daar een vigilante had te nemen om mij naar huis te brengen, kwam mij door den angst niet in de gedachte; ik hoorde maar altijd mijn lastigen vervolger achter mij en stormde vooruit; want ik was bang, dat hij mij zou beetpakken, daar hij hoe langer hoe dichter achter mij aankwam.

Het angstzweet parelde mij op 't voorhoofd en de tranen stonden mij in de oogen. Juist was ik van plan een winkel binnen te gaan en daar bescherming en hulp te zoeken, toen ik een bekend gezicht op mij zag afkomen. 't Was dat van baron Van der Land, mijn nieuwen kennis van den vorigen avond. Ik liep hem met vreugd te gemoet, greep zijn hand zooals een kind zou gedaan hebben en riep hem smeekend toe: „O, mijnheer de Baron, bescherm mij als 't u belieft, en wees zoo goed mij huiswaarts te geleiden,want ik ben verdwaald!”

De baron keek mij verwonderd aan; want ik beefde over mijn geheele lijf van angst en opgewondenheid; terstond echter bood hij mij den arm en zeide, terwijl hij een strengen blik op mijn vervolger wierp:

„Met genoegen, lieve juffrouw. Maak u verder maar niet ongerust; ik zal u wel beschermen.”

Thans eerst kwam 't mij in de gedachte, hoe zonderling mijn gedrag tegenover den baron was; doch hij kon van mij geen kwaad denken, daar hij wel zag in welk een radeloozen toestand ik mij bevonden had toen ik hem om bescherming verzocht, en natuurlijk vertelde ik hem nu in alle bijzonderheden, hoe ik in die moeilijkheid geraakt was. De edele jonge man gaf mij onverholen te kennen, hoe 't hem verheugde dat hij mij van dienst kon zijn. Hij was zoo hartelijk en eerbiedig jegens mij en herhaalde mij hoe gelukkig hij zich gevoelde, dewijl ik zooveel vertrouwen in hem gesteld had, dat ik weer vroolijk en gerust werd en den goeden baron als een kind innig dankbaar aankeek, toen wij eindelijk ons huis bereikt hadden. Hij zag mij daarbij zoo verwonderlijk ernstig met zijne donkere, zwaarmoedige oogen aan, dat ik niet recht wist wat ik er van denken moest; ik had hem echter als een zonderling leeren kennen en dacht er niet verder over na. Bij 't afscheidnemen gaf hij mij de hand en drukte die zoo hartelijk, als ik het van dien stijven, onbeholpen man nooit zou verwacht hebben.

„En ge zult mij wel willen veroorloven morgen naar uw welstand te komen vernemen, juffrouw Zuidhof?” vroeg hij op uiterst beleefden toon.

„'t Zal mij hoogst vereeren, mijnheer de Baron,” antwoordde ik, en wipte in huis, terstond naar Tante Betsy ijlende, aan wie ik, recht vergenoegd over den afloop, mijn avontuur en 't aanstaand bezoek van den baron mededeelde.

Tante beknorde mij braaf over mijn onvoorzichtigheid en verbood mij streng in 't vervolg weer lang voor een winkel te staan kijken, 't geen overdag voor een meisje al heel weinig past, maar 's avonds bepaald onfatsoenlijk is. Verder beval zij mij, om, wanneer 't weer mocht gebeuren dat ik door de duisternis overvallen werd, terstond een vigilante te nemen,om mij naar huis te laten brengen. Mijn ontmoeting met den baron scheen haar ook al weinig te bevallen; kortom, ik gevoelde wel, dat ik alweer heel dom geweest was en ging ontevreden op mijzelf aan mijn naaiwerk.

Den volgenden morgen verscheen het verwachte bezoek werkelijk, en liet de baron Van der Land zich aandienen. Tante Betsy ontving hem op haar beschaafde, vriendelijke manier. Toch vond ik haar meer teruggetrokken dan anders, en daar de baron, misschien wel hierdoor, ook uiterst verlegen en stijf was, liep het bezoek al heel koel af. Ik had inderdaad hartelijk medelijden met den armen schuwen jonkman, en deed wat in mijn vermogen was, om door vriendelijke tegemoetkoming en kinderlijke ongekunsteldheid zijn toestand gemakkelijker te maken.

Ik was blij dat hij spoedig vertrok; want Tante Betsy was onbegrijpelijk koel en stroef. Dat kon ik niet overeenbrengen met het liefdevolle oordeel, door haar den vorigen dag over den baron uitgesproken. Ik zeide haar dat onbewimpeld.

„Dat heb ik gedaan,” antwoordde zij ernstig, „als tegenwicht voor de al te groote vriendelijkheid van mijn nichtje. Ik moet je verzoeken, kindlief, bij al je ongekunstelde hartelijkheid, waarmede je den baron in zijn verlegenheid poogt voort te helpen, toch wat meer ingetogen te zijn. Je weet niet of zulk een gedrag wel zoo beoordeeld wordt als gij 't in je onschuld denkt. Een andere uitlegging zou je toch zeker zeer kwetsen.”

„Een andere uitlegging, Tante?” vroeg ik verwonderd. „En waarvoor zou men mijn vriendelijkheid dan kunnen houden?”

„Voor behaagzucht, coquetterie, kindlief,” hernam Tante, terwijl zij hoe langer hoe ernstiger werd.

„Maar, Tante! Hoe komt u dat in de gedachten!” riep ik uit. „Behaagzucht is toch waarlijk mijn zwak niet. Wat heb ik toch misdaan, dat hij zoo iets van mij zou kunnen denken! O, als hij dat deed, zou 't al heel slecht van hem zijn!”

„Ik hoop en geloof dat wij zoo iets van baron Van der Land niet te vreezen hebben,” antwoordde Tante vriendelijk. „Toch moet gij je van hem terugtrekken, kindlief; want al moge hij je ook niet voor coquet houden, hij kon zich tochwel eens verbeelden, dat je levendiger belang in hem stelt, dan ik vermoed dat het geval bij je is.”

„Maar, lieve Tante, hoe kunt gij nu zoo iets zeggen!” riep ik uit, terwijl ik tot achter de ooren rood werd. „Gij meent, dat hij zou kunnen denken, dat ik.... o, Tante!”

Dit denkbeeld vond ik zoo grappig, dat ik, ondanks Tantes ernstig gezicht, in een hartelijk gelach uitbarstte. Ik op den baron verliefd! Ik een dartel, jong, onbeschaafd dorpskind! En hij, die ernstige, voorname, stijve baron, die mij, hoe jong hij ook ware, als een oud heer, iemand voor wien ik eerbied moest koesteren, voorkwam en aan wien ik mij als een onergdenkend kind had toevertrouwd! Iets zonderlingers kon wel niet uitgedacht worden; Tante had dan toch vreemde invallen!

Toen ons gesprek deze vroolijke wending genomen had, want ook Tante moest bij die gedachte glimlachen, was 't mij weer lichter om 't hart geworden en ging ik zingend en opgeruimd als gewoonlijk aan mijn bezigheden. Des namiddags kwam Marie mij een bezoek brengen, en ik snelde vol verrukking mijn lieve vriendin te gemoet.

„Nu, dat is heerlijk, dat je eens komt,” riep ik uit. „Maar wat scheelt er aan? je kijkt zoo vreemd!” voegde ik er terstond bij; terwijl ik haar uitvorschend in de blauwe oogen zag, die mij nu eens zoo guitig, dan weer zoo ernstig aankeken.

„Ik weet zelf niet, of ik moet weenen dan of ik moet lachen, Margot,” antwoordde Marie, die, tegen haar gewoonte, erg opgewonden was. „Doch eerst moet je me zeggen, welke domme streken je nu weer begaan hebt. Heb je bijgeval den baron Van der Land gisteren ook gesproken?”

„Baron Van der Land? Welzeker. Gisteren en van daag,” zeide ik blozend; want ik begreep niet, wat Marie met haar vraag bedoelde. „Ik brand van verlangen, om je alles te vertellen.”

„O, dan laat het zich verklaren,” hervatte Marie nadenkend. „Maar voor u, lieve Margot, is 't een alleronaangenaamste historie.”

„Maar wat is er dan van die onaangename historie, Marie?” riep ik ongeduldig uit. „Spreek toch duidelijk. Wat is er toch gebeurd?”

„Ga mee naar je Tante; die moet de zaak te gelijk met u vernemen,” antwoordde Marie, mij voorgaande naar Tantes kamer.

„Wat is er gebeurd, kinderen?” vroeg Tante, toen wij binnentraden.

„Marie is een sphinx geworden, die in raadsels spreekt, Tante!” riep ik lachend uit. „Misschien verstaat gij wat zij wil; voor mij, arm boerenkind, is haar taal te hoog.”

„Ach, mevrouw!” riep Marie half lachend, half weenend uit. „Dat is een fraaie historie! Wat moeten we nu beginnen?”

„Wat is een fraaie historie?” vroeg Tante. „Je bent opgewonden, Marie. Ik heb je nooit zoo gezien. Wat heeft je zoo uit je gewone gemoedsstemming gebracht?”

„Toch niet misschien weer onze goede baron?” vroeg ik luid lachend.

„Ja, ja, lach maar, ondeugend nest!” zeide Marie. „Hij is het juist!”

„De baron? Wat heeft die arme man nu alweer misdaan?” vroeg Tante Betsy, insgelijks schertsend.

„Och, lieve hemel! Niets minder, dan dat hij..., 't woord moet er uit.... dan dat hij Margot wil trouwen!” riep Marie uit.

„Trouwen!...” riepen Tante en ik te gelijk uit, en ik begon 't weer uit te schateren van lachen, evenals dezen morgen bij 't zotte denkbeeld dat de baron op mij verliefd zou zijn.

„Foei, Marie! kom toch met zulk een onzin niet voor den dag en praat verstandig,” zeide ik. „Wat je daar zegt, kan niet ernstig gemeend zijn.”

„En toch is het ernst, Margot, je kunt mij gelooven,” hernam Marie. „Waarom zou ik anders zoo opgewonden zijn, als 't niet om die fatale historie was?”

„Maar Marie. Hoe kan 't een mensch met gezonde hersens in de gedachten komen, om mij, dom schepsel, te willen trouwen?” ging ik vroolijk voort. „Bedenk eens, ik trouwen! En dan nog wel met een baron!”

Nu kwam ook mijn lieve Marie de zaak zoo grappig voor, dat wij beiden kinderlijk uitgelaten lachten. In mijn vroolijke luim sloeg ik den arm om Tante Betsy's hals en keek haar vroolijk in de lieve, zachte oogen, waarin ik ook vroolijkheiddacht te zullen vinden. Maar de blik, die mij uit deze oogen aanstaarde, was ernstig en peinzend. Met een licht hoofdschudden zag ze ons aan.

„Ik begrijp je niet, kinderen,” zeide zij zacht, maar verwijtend. „Reeds gisteren heeft mij je vroolijkheid over dien braven man gehinderd, en nu lacht ge weer over hem. Margot, vergeet je dan, wat ik je van morgen gezegd heb? Had ik dan inderdaad zoo geheel en al ongelijk, toen ik je zeide dat je vriendelijke voorkomendheid anders kon worden uitgelegd? U schijnt het denkbeeld heel belachelijk; maar zou dat ook het geval zijn met hem, dien ge tot dien stap gebracht hebt?”

Deze woorden van Tante waren voor mij een bitter verwijt. Beschaamd verborg ik mijn gelaat aan haar borst. Eenigen tijd liet zij me zoo liggen; toen lichtte ze mijn hoofd op en keek mij ernstig en liefderijk aan.

„Zie je nu wel, kindlief,” zeide zij zacht en vriendelijk, „dat ik geen ongelijk had, toen ik meende dat de baron meer gevoel had, dan zijn stijve, wonderlijke figuur en zijn onhandige manieren deden vermoeden? Het is zoo hard alleen en verlaten door deze wereld te gaan. En mag men er dan om lachen, wanneer zulk een man iemand meent gevonden te hebben, die hem liefheeft onder een menigte menschen, die hem onverschillig, ja, onvriendelijk bejegenen? Is het belachelijk, omdat de arme man daarin gedwaald heeft, en dat hij dus zijn leven eenzaam en vreugdeloos moet voortzetten?”

Terwijl Tante Betsy sprak, was mijn lachlust geheel en al verdwenen en had plaats gemaakt voor een ernstig zelfverwijt, dat mij de tranen in de oogen bracht.

„Ach, lieve hemel! Tante!” riep ik uit. „Daaraan had ik niet gedacht. Het was slecht, heel slecht van mij.”

Nu kwam het ernstige, treurige beeld van den baron mij voor de oogen, en ik kreeg innig medelijden met den armen man. Gaarne had ik hem willen helpen—doch hoe kon ik dat? Hem te huwen, daaraan toch kon niemand ernstig denken, ik ten minste niet.

„Ach, lieve Tante!” riep ik schreiend uit. „Het doet mij zooveel leed, en toch kan ik er niets aan doen. Dat ik ook zoo onbezonnen moest zijn! Maar wie had dat kunnen denken?”

Tante zweeg en stoorde mij niet in mijn gedachten. Eindelijk zeide Marie:

„Neen, dat kan ik niet langer bedaard aanzien! Wel was ik voornemens de zaak niet zoo te vertellen, als zij is; doch thans moet ik 't wel doen, dat zie ik nu duidelijk in. Gij hadt gelijk, mevrouw, om ons kinderachtig lachen te berispen; want kinderachtig was het: dat moet ik bekennen. Doch de zaak is niet zoo ernstig, als gij haar beschouwt. Laat mij u eerst alles vertellen.”

„Ga je gang, kindlief,” zei Tante.

Marie begon:

„Toen ik een uur of wat geleden van een bezoek thuiskwam, zag ik den baron voor mij de trap opgaan en in de kamer van mijn broeder verdwijnen. Hij had mij niet gezien, wat mij zeer aangenaam was. Ik vond echter, dat hij er zeer opgewonden uitzag en met een ongewone haast de trappen opstormde. Ik dacht niet verder aan den zonderling, maar hield mij bezig met eenigen huiselijken arbeid, toen eenigen tijd daarna mijn broer met een vroolijk gelaat de kamer binnentrad.

„Raad eens, Marie,” zeide hij met een guitigen glimlach, „wie daar bij mij geweest is?”

„Je vriend, baron Van der Land,” antwoordde ik. „Dat is niet moeilijk te raden.”

„Doch raad nu eens waarover hij mij kwam spreken, mijn verstandig zusje,” ging hij lachend voort.

„Wat gaan mij de zaken van je vrienden aan,” zeide ik.„Laat mij daarover met rust.”

„Zeg dat niet zoo gauw,” hernam hij. „Ze gaan je zeer goed aan. Of is 't je onverschillig, als ze je aardig zwartoogje van een vriendin betreffen?”

„Hoezou 't bezoek van dien zonderling Margot aangaan?” vroeg ik. „Maar dat is niet mogelijk. Wat wil hij dan, lieve Eduard! O, vertel 't mij toch!”

„Je vroolijke, aardige Margot was het voorwerp van ons gesprek,” hernam hij.

„En wat wil de baron dan van haar?” vroeg ik.

„Niets meer of minder dan met haar trouwen,” antwoordde Eduard droogweg.

„Ik behoef u niet te zeggen, dat mijn verbazing niet geringer was dan daar straks de uwe. Toen ik een weinig van de verrassing bekomen was, deelde Eduard mij het wonderlijke gesprek mede, dat hij met den baron gehad had en dat ik wil beproeven u zoo trouw mogelijk terug te geven.

„Eduard!” had de baron geroepen, toen mijn broeder zijn zeldzamen gast vriendelijk begroet had. „Ik heb je een vriendschapsdienst te verzoeken.”

„Tot je orders,” antwoordde Eduard. „Wat is er? Ge zijt toch niet voornemens om te duelleeren?”

„Dat nu juist niet; maar iets bijna even gewichtigs. Ik wil trouwen,” antwoordde de baron ernstig.

„Trouwen! voortreffelijk! En wie is dan de uitverkorene van je hart? En welke rol moet ik daarbij vervullen? 't Zal toch, hoop ik, geen treurige rol zijn?” riep Eduard uit.

„Ik bemin juffrouw Margot Zuidhof,” antwoordde de baron, „en daar zij de vriendin uwer zuster is, verzoek ik je, haar voor mij ten huwelijk te vragen!”

„Hoe! Heeft die aardige kleine Margot het hart van den menschenhater getroffen!” riep Eduard verbaasd uit. „Nu, dat is drommels aardig! Maar hoe komt ge daartoe? Hoe is dat toch in zijn werk gegaan?”

„Omdat ik gemerkt heb, dat zij mij liefheeft,” zeide de baron kort en droog.

„Wat men al niet beleeft!” riep Eduard lachend uit. „Je bent een toovenaar. Maar weet je ook zeker, dat ze u bemint? Heeft ze 't je dan gezegd?”

„Niet in woorden; doch meer dan dat, door haar blikken en handelingen,” hernam de baron.

„Dus heeft de kleine Margot de coquette met je gespeeld. Wel drommels, dat had ik van dat frissche mosroosje niet gedacht!” riep Eduard vroolijk uit; want hij bemerkte wel, dat alles hier niet geheel en al was zooals 't behoorde en dat de wonderlijke baron meer vermoed had te zien, dan er werkelijk gebeurd kan zijn.

„Van coquetterie kan hier geen sprake zijn,” zeide de baron beleedigd. „Het jonge meisje heeft, zonder dat zij 't vermoedde, getoond, dat ik haar niet onverschillig ben, en daarom wenschik het roosje te plukken,dat zich voor mij in al zijn liefelijkheid ontsluit.”

„Je wordt poëtisch, vriend,” riep Eduard uit. „Dus uit ridderlijke opoffering verheft ge het meisje tot je gemalin! Hebt gij haar ook zoo lief, als je vermoedt dat zij u heeft?”

„Eduard,” hernam de baron, „ge weet, hoe mijn familie er op aandringt dat ik mij in 't huwelijk zal begeven. Ze heeft mij reeds allerlei voorstellen gedaan, mij de rijkste en aanzienlijkste meisjes aangeprezen; maar geen van allen bevallen ze mij; ik kan dat trotsche vrouwvolk niet uitstaan. Lachen en spotten ze niet allen over mijn stijf, ernstig voorkomen? houden ze mij niet allen voor den gek? toonen ze niet duidelijk, dat ze mij niet lijden mogen, en zouden ze mij niet allen hare hand alleen daarom willen geven, dewijl ik rijk en van ouden adel ben? Voor zulk een huwelijk bedank ik hartelijk. Daarom had ik reeds besloten om niet te trouwen. Doch Margot Zuidhof heeft mij tot andere gedachten gebracht. Zij is het eerste vrouwelijke wezen, dat mij achting en vertrouwen getoond heeft, in plaats van mij te bespotten; dat heb ik duidelijk in haar oogen gelezen en daarom wil ik haar huwen.”

„Je mededeeling verbaast mij,” hernam Eduard, nadenkend geworden. „Maar nog eens: wat zegt je hart van dit besluit? Is het slechts medelijden met het bevallige kind, dat je aanzet om haar je hand te schenken?”

„Ik leid een zeer eenzaam leven, vriend,” antwoordde de baron. „De liefde van zulk een jong, lief wezen kan mij niet onverschillig doen blijven, en wat er aan mijn liefde ontbreekt, zal wel komen, als ze eens mijn vrouw is.”

„Maar, vriendlief! Bedenk toch! Zulk een jong kind!” waarschuwde Eduard hem, terwijl hij 't hoofd schudde. „Ze is ter nauwernood zestien jaren.”

„Jeugd is geen gebrek,” antwoordde de baron.

„Maar zij is van burgerlijke afkomst en uw familie van ouden adel. Wat zullen uwe bloedverwanten zeggen?”

„Dat gaat mij niet aan,” hernam de baron. „Ik ben mijn eigen meester en aan niemand rekenschap verschuldigd. Zeg mij eenvoudig, of je in mijn naam 't aanzoek doen wilt. Mij ontbreekt het ten eenenmale daartoe aan tact.”

„Met genoegen. Doch wijt het mij niet, wanneer 't antwoord anders uitvalt, dan je verwacht,” hervatte Eduard, terwijl hij den baron de hand reikte.

„Wees daarover niet bekommerd, en wees verzekerd, dat, hoe de zaak ook afloopt, ik je steeds dankbaar zal zijn.”

„Met deze woorden was de baron heengegaan, en Eduard terstond bij mij gekomen, om mij het nieuws mede te deelen, en mij in den arm te nemen, om voor hem het aanzoek te doen. Nu weet je de geheele geschiedenis en ik geloof dat je lieve Tante de zaak niet meer uit zulk een tragisch oogpunt beschouwt als daar straks. Want daar Margots hart niet in zulk een hopeloozen toestand verkeert als de goede baron denkt, en dit, zooals hij duidelijk heeft te kennen gegeven, de groote reden van zijn aanzoek is, valt de geheele zaak van zelf in duigen, en we behoeven er ons niet over te verontrusten dat een weigering 't hart van den baron zal breken.”

„Zoo licht zie ik de zaak niet in, lieve Marie,” antwoordde Tante, nog steeds ernstig, toen Marie zweeg. „'t Moge nu wel niet uit liefde tot Margot zijn, dat de baron haar hand vraagt; 't staat echter niet aan ons te beoordeelen, in hoeverre zijn hart daarbij werkelijk in het spel is. Ik moet je zeggen, dat het mij in hem bevalt, dat hij zonder eenige nevenbedoeling een eenvoudig meisje kiest, en het doet mij innig leed, dat hij zich nu weer tot zijn vroegere eenzaamheid veroordeeld ziet.”

„Maar zijn ijdelheid heeft toch waarlijk deze kleine les wel verdiend, Mevrouw!” hervatte Marie. „Hij moet zich al voor zeer belangwekkend houden, om te denken dat zulk een knap meisje als onze lieve Margot zoo maar in eens tot over de ooren op hem verliefd zou zijn geworden, en dat alleen omdat zij hem eenige vriendelijkheden bewezen heeft.”

„Ik heb je nog niet kunnen verhalen, onder welke omstandigheden ik gisteren den baron ontmoet heb, Marie; en die ontmoeting heeft hem zeker in zijn meening versterkt,” zeide ik beschaamd en vertelde haar het avontuur van den vorigen avond.

„Dat alles geeft hem toch volstrekt geen recht, om het er voor te houden dat je verliefd op hem bent,” antwoordde Marie. „Hij mag er ten hoogste uit opmaken dat je hem hoogacht envertrouwt. En daarom kan 't volstrekt geen kwaad, dat mijnheer de baron bij deze gelegenheid eens ondervindt, dat er nog jonge meisjes in de wereld zijn, die niet zoo hoog met rijkdom en adelstand loopen, om daarvoor een liefde te huichelen, die zij niet bezitten.”

„Het zal den armen man nog stijver en schuwer maken dan hij nu reeds is,” hervatte ik. „Neen, neen, Marie, je oordeelt te hard, en ondanks alles, wat je hem ten laste legt, doet het mij geducht leed.”

„Welnu, trouw hem dan, schatje!” zeide Marie. „Misschien verricht je een goed werk en maakt een bruikbaar mensch van hem.”

„Neen, dat kan ik niet doen, hoeveel medelijden ik ook met hem heb,” antwoordde ik. „Daarenboven vraagt hij mij alleen, omdat hij meent dat ik hem bemin; ik zou hem dus bedriegen als ik zijn aanzoek aannam. Maar ik wensch van harte, dat hij spoedig een andere vindt, die hem kan schenken, wat ik hem niet kan aanbieden.”

„Dat willen we hopen, Margot,” zeide Tante vriendelijk, en kuste mij op 't voorhoofd. „En tevens, dat de zaak hiermede is afgedaan en geen verdere gevolgen zal hebben. Doch trek uit deze ervaring de ernstige les, dat een jong meisje tegenover heeren niet voorzichtig en ingetogen genoeg kan zijn. Zoo menig meisje heeft den naam van coquet gekregen, alleen doordien haar onbezonnenheid en levendigheid haar verleidden tot woorden of handelingen, die tegen de eenmaal aangenomen regelen der welvoeglijkheid indruischen. Dat de baron je, nu je hem weigert, niet voor een coquette moge houden, wensch ik van harte; van een minder ernstigen en soliden man dan hij is, zoudt ge nauwelijks een andere verklaring van je gedrag kunnen verwachten.”

En zoo liep deze zaak af. Eduard nam de taak op zich, den baron mijn weigering over te brengen. Hij deed dit zoo verschoonend mogelijk; maar ondanks den tact, waarmede hij zijn vriend den staat van zaken verklaarde, had die weigering toch ten gevolge, dat de schuchtere baron zich weer gedurende langen tijd uit alle gezellige kringen verwijderd hield.

Voor mij was dit voorval een les voor geheel mijn leven.


Back to IndexNext