[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hoofdstuk IV.Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.[47]„Allons! naar huis!” zegt Arthur.Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist prettig zomerweer.„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”„Wat is het?” vraagt Constant.„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat met den staart tusschen de pooten.[48]„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter hen aan.„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur van Conifera binnenkomt.„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor[49]gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”[50]„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4deklasse.”„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”„Nu, we zullen het wel gauw merken.”De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.„Die voor de 1steklasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”[51]Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:„Johannes Bredero.”Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.„No. éen, ga daar zitten.”Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.„No. twee, Gerard Bunte.”„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.„No. drie, Anna Fladder.”Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.„No. vier, David Godard.”Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”David trekt een gezicht en springt in de bank.[52]„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.„No. vijf, Anthonie Gaarland.”„No. zes, Marie Geukestein.”Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt te staan.Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:„No. elf, Constant Kemper.”Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”„No. twaalf, Karel Kever.”„No. dertien, Arthur Mung.”„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar[53]toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het mondeling examen.Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:„Heb je moed?”„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”„Heb je de anderen goed?”„Ja, dat geloof ik wel.”„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”[54]„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vondjij dat dictée zoo gemakkelijk?”„Ja, jij niet?”„Neen, ik verstond het niet altijd.”„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte achter hen loopt.„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:„Woon je hier niet?”„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst[55]worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”Constant en Gerard gaan samen verder, om in demelkinrichtinghun boterhammen op te eten.Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de vraag:„En hoe is het gegaan?”Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein heeft gezeten.„Had zij moeite met haar werk?”„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen af had.„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”[56]„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”„Die arme jongen.”„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen Kemper.”„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”[57]Arthur ziet Tante aan en zegt:„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng haar morgen maar mee.”„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”„Denk aan de pop!” roept Lili.„Ja!”Dien middag hebben de jongens nog angstige[58]oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”[59]„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob gauw een eind achter zich.„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera en Constant naar de Pastorie.Jeanne en Geertruid staanbijhet hekje uit te kijken en roepen al van verre:„Kom je er door?”Constant lacht en roept terug:„Ja, door het hek, heel graag!”„Och neen, door het examen!”„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”[60]„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en thuis en op de trap, overal.”„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”[61]
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hoofdstuk IV.Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.[47]„Allons! naar huis!” zegt Arthur.Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist prettig zomerweer.„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”„Wat is het?” vraagt Constant.„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat met den staart tusschen de pooten.[48]„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter hen aan.„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur van Conifera binnenkomt.„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor[49]gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”[50]„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4deklasse.”„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”„Nu, we zullen het wel gauw merken.”De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.„Die voor de 1steklasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”[51]Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:„Johannes Bredero.”Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.„No. éen, ga daar zitten.”Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.„No. twee, Gerard Bunte.”„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.„No. drie, Anna Fladder.”Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.„No. vier, David Godard.”Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”David trekt een gezicht en springt in de bank.[52]„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.„No. vijf, Anthonie Gaarland.”„No. zes, Marie Geukestein.”Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt te staan.Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:„No. elf, Constant Kemper.”Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”„No. twaalf, Karel Kever.”„No. dertien, Arthur Mung.”„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar[53]toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het mondeling examen.Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:„Heb je moed?”„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”„Heb je de anderen goed?”„Ja, dat geloof ik wel.”„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”[54]„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vondjij dat dictée zoo gemakkelijk?”„Ja, jij niet?”„Neen, ik verstond het niet altijd.”„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte achter hen loopt.„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:„Woon je hier niet?”„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst[55]worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”Constant en Gerard gaan samen verder, om in demelkinrichtinghun boterhammen op te eten.Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de vraag:„En hoe is het gegaan?”Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein heeft gezeten.„Had zij moeite met haar werk?”„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen af had.„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”[56]„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”„Die arme jongen.”„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen Kemper.”„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”[57]Arthur ziet Tante aan en zegt:„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng haar morgen maar mee.”„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”„Denk aan de pop!” roept Lili.„Ja!”Dien middag hebben de jongens nog angstige[58]oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”[59]„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob gauw een eind achter zich.„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera en Constant naar de Pastorie.Jeanne en Geertruid staanbijhet hekje uit te kijken en roepen al van verre:„Kom je er door?”Constant lacht en roept terug:„Ja, door het hek, heel graag!”„Och neen, door het examen!”„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”[60]„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en thuis en op de trap, overal.”„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”[61]
Hoofdstuk IV.Hoofdstuk IV.
Hoofdstuk IV.
Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.[47]„Allons! naar huis!” zegt Arthur.Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist prettig zomerweer.„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”„Wat is het?” vraagt Constant.„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat met den staart tusschen de pooten.[48]„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter hen aan.„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur van Conifera binnenkomt.„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor[49]gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”[50]„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4deklasse.”„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”„Nu, we zullen het wel gauw merken.”De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.„Die voor de 1steklasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”[51]Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:„Johannes Bredero.”Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.„No. éen, ga daar zitten.”Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.„No. twee, Gerard Bunte.”„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.„No. drie, Anna Fladder.”Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.„No. vier, David Godard.”Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”David trekt een gezicht en springt in de bank.[52]„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.„No. vijf, Anthonie Gaarland.”„No. zes, Marie Geukestein.”Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt te staan.Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:„No. elf, Constant Kemper.”Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”„No. twaalf, Karel Kever.”„No. dertien, Arthur Mung.”„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar[53]toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het mondeling examen.Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:„Heb je moed?”„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”„Heb je de anderen goed?”„Ja, dat geloof ik wel.”„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”[54]„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vondjij dat dictée zoo gemakkelijk?”„Ja, jij niet?”„Neen, ik verstond het niet altijd.”„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte achter hen loopt.„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:„Woon je hier niet?”„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst[55]worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”Constant en Gerard gaan samen verder, om in demelkinrichtinghun boterhammen op te eten.Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de vraag:„En hoe is het gegaan?”Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein heeft gezeten.„Had zij moeite met haar werk?”„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen af had.„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”[56]„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”„Die arme jongen.”„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen Kemper.”„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”[57]Arthur ziet Tante aan en zegt:„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng haar morgen maar mee.”„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”„Denk aan de pop!” roept Lili.„Ja!”Dien middag hebben de jongens nog angstige[58]oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”[59]„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob gauw een eind achter zich.„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera en Constant naar de Pastorie.Jeanne en Geertruid staanbijhet hekje uit te kijken en roepen al van verre:„Kom je er door?”Constant lacht en roept terug:„Ja, door het hek, heel graag!”„Och neen, door het examen!”„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”[60]„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en thuis en op de trap, overal.”„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”[61]
Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.
„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”
„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.[47]
„Allons! naar huis!” zegt Arthur.
Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.
„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”
De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.
Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.
„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”
Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist prettig zomerweer.
„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”
„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”
„Wat is het?” vraagt Constant.
„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat met den staart tusschen de pooten.[48]
„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”
„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”
Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter hen aan.
„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur van Conifera binnenkomt.
„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”
„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.
„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”
„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”
„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor[49]gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”
Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.
„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”
Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.
„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”
„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”
Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.
Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.
„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.
„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”
„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”[50]
„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”
„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.
„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.
„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4deklasse.”
„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”
„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”
„Nu, we zullen het wel gauw merken.”
De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.
„Die voor de 1steklasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”
Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.
„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”[51]
Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:
„Johannes Bredero.”
Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.
„No. éen, ga daar zitten.”
Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.
„No. twee, Gerard Bunte.”
„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”
„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.
„No. drie, Anna Fladder.”
Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.
„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.
„No. vier, David Godard.”
Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:
„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”
David trekt een gezicht en springt in de bank.[52]
„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.
„No. vijf, Anthonie Gaarland.”
„No. zes, Marie Geukestein.”
Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt te staan.
Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:
„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”
Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:
„No. elf, Constant Kemper.”
Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”
„No. twaalf, Karel Kever.”
„No. dertien, Arthur Mung.”
„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar[53]toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.
Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het mondeling examen.
Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:
„Heb je moed?”
„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”
„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”
„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”
„Heb je de anderen goed?”
„Ja, dat geloof ik wel.”
„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”
„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”[54]
„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vondjij dat dictée zoo gemakkelijk?”
„Ja, jij niet?”
„Neen, ik verstond het niet altijd.”
„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”
„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte achter hen loopt.
„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.
„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”
Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:
„Woon je hier niet?”
„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.
„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”
Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”
„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst[55]worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”
„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”
„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”
Constant en Gerard gaan samen verder, om in demelkinrichtinghun boterhammen op te eten.
Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de vraag:
„En hoe is het gegaan?”
Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein heeft gezeten.
„Had zij moeite met haar werk?”
„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen af had.
„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”
„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”[56]
„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”
Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:
„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”
„Die arme jongen.”
„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen Kemper.”
„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”
„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”
„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”
„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”[57]
Arthur ziet Tante aan en zegt:
„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”
„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.
„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”
„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng haar morgen maar mee.”
„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”
Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:
„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”
„Denk aan de pop!” roept Lili.
„Ja!”
Dien middag hebben de jongens nog angstige[58]oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”
Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.
„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”
„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”
„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”
„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”
„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”
„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”[59]
„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob gauw een eind achter zich.
„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”
Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera en Constant naar de Pastorie.
Jeanne en Geertruid staanbijhet hekje uit te kijken en roepen al van verre:
„Kom je er door?”
Constant lacht en roept terug:
„Ja, door het hek, heel graag!”
„Och neen, door het examen!”
„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”
Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.
„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”[60]
„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en thuis en op de trap, overal.”
„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”
Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.
„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.
„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”
Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.
„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”
„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”[61]