Hoofdstuk V.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar deH. B. S.begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.„Vindje het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”„Mijn Papaheeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s[62]ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,„Zaterdag om drie uur.”„Komt dan samen hier koffie drinken.”„O, graag!” zeggen beide jongens.Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingenbekijkenen Lili zegt:„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”De jongens nemen afscheid en Oom zegt:„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”[63]De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een dolle stoeipartij.„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu maar door zijn.”„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik niet, dat is erger voor mij.”Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende examens.Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, heen en weer gereden.„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, gebreiden band in de hoogte.„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”[64]„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”„Vóór mijn bed.”„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”Moeder lacht en vraagt:„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.[65]„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug brengen.”„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”„Neen, Sientje deed het.”„Zoo zal het wel gauw afkomen.”„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, het duurt anders zoo lang.”Constant neemt het breiwerk op en zegt:„Zou ik het niet kunnen?”„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen jongenswerk.”[66]„Ik wil het toch probeeren.”Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het breiwerk van zich af.„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde maken,” zegt Moeder.„Hè, ik kan het niet.”„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in handen te nemen.„Hoezée! we zijn er allebei door!”Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en Constant blijft aan de voordeur staan.„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook hartelijk geluk, ze vragen[67]dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om haar te troosten.”„En Amalia Keer?”„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn 5 jongens gezakt.”„Bredero zeker ook?”„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat Grootmoeder daar maar op rekenen.”De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.[68]Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een doorn hangen.„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk wenschen.„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”„Zeker! of ik!”[69]

[Inhoud]Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar deH. B. S.begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.„Vindje het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”„Mijn Papaheeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s[62]ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,„Zaterdag om drie uur.”„Komt dan samen hier koffie drinken.”„O, graag!” zeggen beide jongens.Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingenbekijkenen Lili zegt:„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”De jongens nemen afscheid en Oom zegt:„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”[63]De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een dolle stoeipartij.„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu maar door zijn.”„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik niet, dat is erger voor mij.”Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende examens.Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, heen en weer gereden.„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, gebreiden band in de hoogte.„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”[64]„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”„Vóór mijn bed.”„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”Moeder lacht en vraagt:„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.[65]„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug brengen.”„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”„Neen, Sientje deed het.”„Zoo zal het wel gauw afkomen.”„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, het duurt anders zoo lang.”Constant neemt het breiwerk op en zegt:„Zou ik het niet kunnen?”„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen jongenswerk.”[66]„Ik wil het toch probeeren.”Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het breiwerk van zich af.„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde maken,” zegt Moeder.„Hè, ik kan het niet.”„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in handen te nemen.„Hoezée! we zijn er allebei door!”Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en Constant blijft aan de voordeur staan.„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook hartelijk geluk, ze vragen[67]dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om haar te troosten.”„En Amalia Keer?”„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn 5 jongens gezakt.”„Bredero zeker ook?”„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat Grootmoeder daar maar op rekenen.”De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.[68]Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een doorn hangen.„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk wenschen.„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”„Zeker! of ik!”[69]

Hoofdstuk V.Hoofdstuk V.

Hoofdstuk V.

Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar deH. B. S.begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.„Vindje het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”„Mijn Papaheeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s[62]ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,„Zaterdag om drie uur.”„Komt dan samen hier koffie drinken.”„O, graag!” zeggen beide jongens.Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingenbekijkenen Lili zegt:„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”De jongens nemen afscheid en Oom zegt:„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”[63]De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een dolle stoeipartij.„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu maar door zijn.”„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik niet, dat is erger voor mij.”Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende examens.Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, heen en weer gereden.„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, gebreiden band in de hoogte.„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”[64]„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”„Vóór mijn bed.”„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”Moeder lacht en vraagt:„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.[65]„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug brengen.”„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”„Neen, Sientje deed het.”„Zoo zal het wel gauw afkomen.”„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, het duurt anders zoo lang.”Constant neemt het breiwerk op en zegt:„Zou ik het niet kunnen?”„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen jongenswerk.”[66]„Ik wil het toch probeeren.”Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het breiwerk van zich af.„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde maken,” zegt Moeder.„Hè, ik kan het niet.”„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in handen te nemen.„Hoezée! we zijn er allebei door!”Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en Constant blijft aan de voordeur staan.„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook hartelijk geluk, ze vragen[67]dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om haar te troosten.”„En Amalia Keer?”„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn 5 jongens gezakt.”„Bredero zeker ook?”„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat Grootmoeder daar maar op rekenen.”De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.[68]Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een doorn hangen.„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk wenschen.„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”„Zeker! of ik!”[69]

Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar deH. B. S.begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.

„Vindje het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.

„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”

„Mijn Papaheeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.

Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s[62]ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.

„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,

„Zaterdag om drie uur.”

„Komt dan samen hier koffie drinken.”

„O, graag!” zeggen beide jongens.

Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingenbekijkenen Lili zegt:

„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”

De jongens nemen afscheid en Oom zegt:

„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”

„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.

„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”

„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”[63]

De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een dolle stoeipartij.

„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu maar door zijn.”

„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”

„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik niet, dat is erger voor mij.”

Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende examens.

Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, heen en weer gereden.

„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, gebreiden band in de hoogte.

„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”

„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”[64]

„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”

„Vóór mijn bed.”

„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”

„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”

Moeder lacht en vraagt:

„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”

„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”

„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”

„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”

„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”

„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”

„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.[65]

„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.

Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:

„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”

„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug brengen.”

„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”

Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.

Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.

„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”

„Neen, Sientje deed het.”

„Zoo zal het wel gauw afkomen.”

„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, het duurt anders zoo lang.”

Constant neemt het breiwerk op en zegt:

„Zou ik het niet kunnen?”

„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen jongenswerk.”[66]

„Ik wil het toch probeeren.”

Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het breiwerk van zich af.

„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde maken,” zegt Moeder.

„Hè, ik kan het niet.”

„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”

Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in handen te nemen.

„Hoezée! we zijn er allebei door!”

Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en Constant blijft aan de voordeur staan.

„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook hartelijk geluk, ze vragen[67]dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.

„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.

„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om haar te troosten.”

„En Amalia Keer?”

„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn 5 jongens gezakt.”

„Bredero zeker ook?”

„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”

„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat Grootmoeder daar maar op rekenen.”

De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.[68]

Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een doorn hangen.

„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk wenschen.

„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”

„Zeker! of ik!”[69]


Back to IndexNext