[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als we Constant Kemper op de koffie vroegen?”„Hè, prettig Grootmoeder.”„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en Tante kunnen al gauw hier zijn.”„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na, die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet krijgen.Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.[70]„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij vertelt zoo prettig.”Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.„Is Lili er al?” vraagt zij.„Neen nog niet; waar is Constant?”„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig is Jantje de flesch te geven.„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”[71]„Dat zal hij prettig vinden.”Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje bij een grooten jongen?”Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:„Bij Lili.”Arthur lacht en zegt:„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. Ga je mee Constant!”„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur uit naar beneden.„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn vader’s kamer.„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie gevraagd.”„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen dus nog veel prettige oogenblikken[72]zijn bij welslagen, maar o wee! als je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar? je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het weer in te halen.„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt willen.”„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder vragen.”„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten aan Lili!”Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.[73]„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu toe zoo alleen,” zegt Constant.„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over hooren.”„Jongens ja, dat is leuk.”„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met den tong uit den bek achter hem loopen.„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, „wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”[74]„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”„Nou, of ik! heb jullie die?”„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan, door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.[75]Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en met witte suikerletters is er op geschreven:„Lang leve Arthur Mung!”„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”„Voor jou.”„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was gevraagd.”„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om kersen mee te eten?”„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar …”„Wat is het?”„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”„O natuurlijk, die moet meekomen.”Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.[76]Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor Lorre en haar toegedekt met een theedoek.De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet nieuwsgierig zijn naar Lorre.„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en loopt dan regelrecht naar de canapé.„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een doek om het hoofd?”„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”[77]Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en een beetje angstig. Lili zegt:„Vindje het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom Lili, ik zal je wel helpen.”[78]„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.„Zeker,” zegt Lili.Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.„Ha! de kersen!” juicht Arthur.„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast houden.„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen ook.”Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.[79][81]Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes en torren.„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, dan droomt ze er van.”„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel gauw beter zal zijn.”„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb ik het warm.”Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden[82]in het dikke zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de walletjes zitten.„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan gedaan hebben?”Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen hebben de muizen er aan geknabbeld.”„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes gedaan en ik de mouwtjes.”„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels ingestopt, voel eens hoe zacht!”[83]Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze bleek zijn na zoo’n operatie.”„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”„Zal ik het vertellen?”„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd, en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar zwommen zilveren en[84]gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, druipnat.”„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had zoo graag dat kasteel willen zien.”„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik[85]houd veel van sprookjes en niet van leugens.”„Zijn het dan geen leugens?”„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen voorstellen.”„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets geen bijzonders aan.”„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze keukenmeid.”„Hoe dan? wat zegt die?”„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna, waarom kijk je niet naar de lucht?”[86]„Och, wat scheeltmijdie lucht, mijn fornuis is veel mooier.”„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar mijn lieve zon.”„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen gaan eten.”Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek, Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en Lili zegt:„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen niet inrijden.”[87]„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het veiligst.Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog niet gewend zijn aan loopen.„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik wil ze geen pijn doen.”„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze loopen ongedeerd verder.”Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het[88]mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje van een kers.„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen plukken.”„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand vol aan Lili zenden.”[89]„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”„Ja, als ik mag.”„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw Bantam aan Jeanne en Geertruid.Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:„Heel graag!”Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het te warmen en te koesteren.„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun vuurtje stookten en een[90]legertje op den grond spreidden van varens en heidestruiken.”„En als het dan regende?”„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten zich wel te redden.”„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, „maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.[91]
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als we Constant Kemper op de koffie vroegen?”„Hè, prettig Grootmoeder.”„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en Tante kunnen al gauw hier zijn.”„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na, die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet krijgen.Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.[70]„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij vertelt zoo prettig.”Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.„Is Lili er al?” vraagt zij.„Neen nog niet; waar is Constant?”„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig is Jantje de flesch te geven.„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”[71]„Dat zal hij prettig vinden.”Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje bij een grooten jongen?”Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:„Bij Lili.”Arthur lacht en zegt:„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. Ga je mee Constant!”„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur uit naar beneden.„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn vader’s kamer.„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie gevraagd.”„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen dus nog veel prettige oogenblikken[72]zijn bij welslagen, maar o wee! als je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar? je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het weer in te halen.„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt willen.”„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder vragen.”„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten aan Lili!”Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.[73]„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu toe zoo alleen,” zegt Constant.„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over hooren.”„Jongens ja, dat is leuk.”„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met den tong uit den bek achter hem loopen.„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, „wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”[74]„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”„Nou, of ik! heb jullie die?”„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan, door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.[75]Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en met witte suikerletters is er op geschreven:„Lang leve Arthur Mung!”„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”„Voor jou.”„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was gevraagd.”„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om kersen mee te eten?”„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar …”„Wat is het?”„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”„O natuurlijk, die moet meekomen.”Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.[76]Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor Lorre en haar toegedekt met een theedoek.De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet nieuwsgierig zijn naar Lorre.„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en loopt dan regelrecht naar de canapé.„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een doek om het hoofd?”„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”[77]Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en een beetje angstig. Lili zegt:„Vindje het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom Lili, ik zal je wel helpen.”[78]„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.„Zeker,” zegt Lili.Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.„Ha! de kersen!” juicht Arthur.„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast houden.„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen ook.”Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.[79][81]Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes en torren.„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, dan droomt ze er van.”„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel gauw beter zal zijn.”„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb ik het warm.”Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden[82]in het dikke zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de walletjes zitten.„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan gedaan hebben?”Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen hebben de muizen er aan geknabbeld.”„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes gedaan en ik de mouwtjes.”„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels ingestopt, voel eens hoe zacht!”[83]Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze bleek zijn na zoo’n operatie.”„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”„Zal ik het vertellen?”„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd, en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar zwommen zilveren en[84]gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, druipnat.”„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had zoo graag dat kasteel willen zien.”„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik[85]houd veel van sprookjes en niet van leugens.”„Zijn het dan geen leugens?”„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen voorstellen.”„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets geen bijzonders aan.”„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze keukenmeid.”„Hoe dan? wat zegt die?”„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna, waarom kijk je niet naar de lucht?”[86]„Och, wat scheeltmijdie lucht, mijn fornuis is veel mooier.”„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar mijn lieve zon.”„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen gaan eten.”Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek, Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en Lili zegt:„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen niet inrijden.”[87]„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het veiligst.Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog niet gewend zijn aan loopen.„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik wil ze geen pijn doen.”„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze loopen ongedeerd verder.”Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het[88]mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje van een kers.„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen plukken.”„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand vol aan Lili zenden.”[89]„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”„Ja, als ik mag.”„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw Bantam aan Jeanne en Geertruid.Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:„Heel graag!”Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het te warmen en te koesteren.„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun vuurtje stookten en een[90]legertje op den grond spreidden van varens en heidestruiken.”„En als het dan regende?”„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten zich wel te redden.”„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, „maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.[91]
Hoofdstuk VI.Hoofdstuk VI.
Hoofdstuk VI.
„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als we Constant Kemper op de koffie vroegen?”„Hè, prettig Grootmoeder.”„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en Tante kunnen al gauw hier zijn.”„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na, die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet krijgen.Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.[70]„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij vertelt zoo prettig.”Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.„Is Lili er al?” vraagt zij.„Neen nog niet; waar is Constant?”„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig is Jantje de flesch te geven.„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”[71]„Dat zal hij prettig vinden.”Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje bij een grooten jongen?”Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:„Bij Lili.”Arthur lacht en zegt:„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. Ga je mee Constant!”„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur uit naar beneden.„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn vader’s kamer.„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie gevraagd.”„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen dus nog veel prettige oogenblikken[72]zijn bij welslagen, maar o wee! als je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar? je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het weer in te halen.„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt willen.”„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder vragen.”„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten aan Lili!”Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.[73]„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu toe zoo alleen,” zegt Constant.„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over hooren.”„Jongens ja, dat is leuk.”„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met den tong uit den bek achter hem loopen.„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, „wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”[74]„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”„Nou, of ik! heb jullie die?”„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan, door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.[75]Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en met witte suikerletters is er op geschreven:„Lang leve Arthur Mung!”„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”„Voor jou.”„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was gevraagd.”„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om kersen mee te eten?”„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar …”„Wat is het?”„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”„O natuurlijk, die moet meekomen.”Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.[76]Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor Lorre en haar toegedekt met een theedoek.De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet nieuwsgierig zijn naar Lorre.„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en loopt dan regelrecht naar de canapé.„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een doek om het hoofd?”„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”[77]Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en een beetje angstig. Lili zegt:„Vindje het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom Lili, ik zal je wel helpen.”[78]„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.„Zeker,” zegt Lili.Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.„Ha! de kersen!” juicht Arthur.„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast houden.„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen ook.”Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.[79][81]Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes en torren.„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, dan droomt ze er van.”„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel gauw beter zal zijn.”„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb ik het warm.”Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden[82]in het dikke zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de walletjes zitten.„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan gedaan hebben?”Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen hebben de muizen er aan geknabbeld.”„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes gedaan en ik de mouwtjes.”„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels ingestopt, voel eens hoe zacht!”[83]Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze bleek zijn na zoo’n operatie.”„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”„Zal ik het vertellen?”„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd, en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar zwommen zilveren en[84]gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, druipnat.”„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had zoo graag dat kasteel willen zien.”„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik[85]houd veel van sprookjes en niet van leugens.”„Zijn het dan geen leugens?”„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen voorstellen.”„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets geen bijzonders aan.”„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze keukenmeid.”„Hoe dan? wat zegt die?”„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna, waarom kijk je niet naar de lucht?”[86]„Och, wat scheeltmijdie lucht, mijn fornuis is veel mooier.”„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar mijn lieve zon.”„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen gaan eten.”Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek, Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en Lili zegt:„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen niet inrijden.”[87]„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het veiligst.Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog niet gewend zijn aan loopen.„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik wil ze geen pijn doen.”„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze loopen ongedeerd verder.”Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het[88]mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje van een kers.„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen plukken.”„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand vol aan Lili zenden.”[89]„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”„Ja, als ik mag.”„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw Bantam aan Jeanne en Geertruid.Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:„Heel graag!”Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het te warmen en te koesteren.„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun vuurtje stookten en een[90]legertje op den grond spreidden van varens en heidestruiken.”„En als het dan regende?”„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten zich wel te redden.”„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, „maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.[91]
„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als we Constant Kemper op de koffie vroegen?”
„Hè, prettig Grootmoeder.”
„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en Tante kunnen al gauw hier zijn.”
„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na, die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet krijgen.
Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.[70]
„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij vertelt zoo prettig.”
Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.
„Is Lili er al?” vraagt zij.
„Neen nog niet; waar is Constant?”
„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”
Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.
„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”
Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig is Jantje de flesch te geven.
„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”[71]
„Dat zal hij prettig vinden.”
Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:
„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”
„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje bij een grooten jongen?”
Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:
„Bij Lili.”
Arthur lacht en zegt:
„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. Ga je mee Constant!”
„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur uit naar beneden.
„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn vader’s kamer.
„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie gevraagd.”
„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen dus nog veel prettige oogenblikken[72]zijn bij welslagen, maar o wee! als je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar? je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het weer in te halen.
„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt willen.”
„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder vragen.”
„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”
De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten aan Lili!”
Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.[73]
„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu toe zoo alleen,” zegt Constant.
„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over hooren.”
„Jongens ja, dat is leuk.”
„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”
„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”
„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”
Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met den tong uit den bek achter hem loopen.
„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, „wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”[74]
„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”
„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”
„Nou, of ik! heb jullie die?”
„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”
„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.
„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”
Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.
„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan, door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.[75]
Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en met witte suikerletters is er op geschreven:
„Lang leve Arthur Mung!”
„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”
„Voor jou.”
„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was gevraagd.”
„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om kersen mee te eten?”
„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar …”
„Wat is het?”
„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”
„O natuurlijk, die moet meekomen.”
Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.[76]
Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor Lorre en haar toegedekt met een theedoek.
De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet nieuwsgierig zijn naar Lorre.
„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”
„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”
Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en loopt dan regelrecht naar de canapé.
„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een doek om het hoofd?”
„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”[77]
Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.
„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”
Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en een beetje angstig. Lili zegt:
„Vindje het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”
„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.
„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom Lili, ik zal je wel helpen.”[78]
„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.
„Zeker,” zegt Lili.
Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.
„Ha! de kersen!” juicht Arthur.
„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.
„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast houden.
„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen ook.”
Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.
De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.[79]
[81]
Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes en torren.
„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, dan droomt ze er van.”
„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.
„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel gauw beter zal zijn.”
„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb ik het warm.”
Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden[82]in het dikke zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de walletjes zitten.
„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan gedaan hebben?”
Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.
„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen hebben de muizen er aan geknabbeld.”
„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes gedaan en ik de mouwtjes.”
„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels ingestopt, voel eens hoe zacht!”[83]
Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:
„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze bleek zijn na zoo’n operatie.”
„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”
„Zal ik het vertellen?”
„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.
„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd, en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar zwommen zilveren en[84]gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, druipnat.”
„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.
„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”
„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had zoo graag dat kasteel willen zien.”
„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.
„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”
„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”
„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.
„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.
„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik[85]houd veel van sprookjes en niet van leugens.”
„Zijn het dan geen leugens?”
„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen voorstellen.”
„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.
„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”
„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets geen bijzonders aan.”
„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze keukenmeid.”
„Hoe dan? wat zegt die?”
„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna, waarom kijk je niet naar de lucht?”[86]
„Och, wat scheeltmijdie lucht, mijn fornuis is veel mooier.”
„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.
„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar mijn lieve zon.”
„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen gaan eten.”
Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek, Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en Lili zegt:
„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”
„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen niet inrijden.”[87]
„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”
Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het veiligst.
Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog niet gewend zijn aan loopen.
„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik wil ze geen pijn doen.”
„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze loopen ongedeerd verder.”
Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het[88]mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje van een kers.
„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.
„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen plukken.”
„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”
„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”
„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand vol aan Lili zenden.”[89]
„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”
„Ja, als ik mag.”
„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw Bantam aan Jeanne en Geertruid.
Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:
„Heel graag!”
Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het te warmen en te koesteren.
„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.
„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun vuurtje stookten en een[90]legertje op den grond spreidden van varens en heidestruiken.”
„En als het dan regende?”
„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten zich wel te redden.”
„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.
„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, „maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”
Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.[91]