Hoofdstuk VII.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan nog een dik[92]stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”„Jawel, leg ze daar maar neer.”Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar huis.„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n …”„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”[93]Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in een hoek.„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje,[94]„je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn[95]ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”„Hm,” zegt Dries.„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”Dries houdt er de handen op en zegt:„Wel bedankt.”Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem geleerd.”Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:„Wel bedankt.”„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij,op zijn bretels wijzend:[96]„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”[97]

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan nog een dik[92]stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”„Jawel, leg ze daar maar neer.”Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar huis.„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n …”„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”[93]Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in een hoek.„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje,[94]„je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn[95]ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”„Hm,” zegt Dries.„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”Dries houdt er de handen op en zegt:„Wel bedankt.”Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem geleerd.”Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:„Wel bedankt.”„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij,op zijn bretels wijzend:[96]„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”[97]

Hoofdstuk VII.Hoofdstuk VII.

Hoofdstuk VII.

De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan nog een dik[92]stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”„Jawel, leg ze daar maar neer.”Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar huis.„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n …”„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”[93]Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in een hoek.„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje,[94]„je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn[95]ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”„Hm,” zegt Dries.„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”Dries houdt er de handen op en zegt:„Wel bedankt.”Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem geleerd.”Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:„Wel bedankt.”„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij,op zijn bretels wijzend:[96]„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”[97]

De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.

Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.

„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”

Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan nog een dik[92]stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.

„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”

„Jawel, leg ze daar maar neer.”

Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar huis.

„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.

Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.

„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”

„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n …”

„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”[93]

Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:

„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”

Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:

„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.

„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.

Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in een hoek.

„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje,[94]„je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”

Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”

Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn[95]ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.

„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”

„Hm,” zegt Dries.

„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”

Dries houdt er de handen op en zegt:

„Wel bedankt.”

Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:

„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem geleerd.”

Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:

„Wel bedankt.”

„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”

„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.

Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.

En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij,op zijn bretels wijzend:[96]

„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.

„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”

„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”[97]


Back to IndexNext