[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hoofdstuk VIII.Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:„We zullen je helpen.”„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.[98]„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de poort brengen.”„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar deH. B. S.MarietjeGeukesteingaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.[99]„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand veranderd is door de beschaving[100]en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten vereffenen.„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.[101]„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant,„moet ik daar veel voor leeren?”„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang[102]voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich voor, erg hun best te doen.Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer, de lange blonde.„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het veel leuker.”„Bij ons wordt beter gewerkt.”„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”„Haal jij dan maar wat uit.”„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, en in de[103]tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naarverscheidenesprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en stuurt hem de klasse uit.„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk niet klikken.„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les hoor, wie het gedaan heeft.”[104]Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?” Niemand spreekt.„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen Amalia:„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”[105]„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van hebben.”Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf om.”[106]
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hoofdstuk VIII.Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:„We zullen je helpen.”„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.[98]„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de poort brengen.”„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar deH. B. S.MarietjeGeukesteingaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.[99]„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand veranderd is door de beschaving[100]en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten vereffenen.„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.[101]„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant,„moet ik daar veel voor leeren?”„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang[102]voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich voor, erg hun best te doen.Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer, de lange blonde.„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het veel leuker.”„Bij ons wordt beter gewerkt.”„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”„Haal jij dan maar wat uit.”„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, en in de[103]tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naarverscheidenesprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en stuurt hem de klasse uit.„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk niet klikken.„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les hoor, wie het gedaan heeft.”[104]Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?” Niemand spreekt.„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen Amalia:„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”[105]„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van hebben.”Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf om.”[106]
Hoofdstuk VIII.Hoofdstuk VIII.
Hoofdstuk VIII.
Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:„We zullen je helpen.”„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.[98]„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de poort brengen.”„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar deH. B. S.MarietjeGeukesteingaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.[99]„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand veranderd is door de beschaving[100]en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten vereffenen.„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.[101]„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant,„moet ik daar veel voor leeren?”„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang[102]voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich voor, erg hun best te doen.Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer, de lange blonde.„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het veel leuker.”„Bij ons wordt beter gewerkt.”„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”„Haal jij dan maar wat uit.”„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, en in de[103]tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naarverscheidenesprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en stuurt hem de klasse uit.„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk niet klikken.„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les hoor, wie het gedaan heeft.”[104]Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?” Niemand spreekt.„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen Amalia:„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”[105]„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van hebben.”Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf om.”[106]
Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.
„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”
„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:
„We zullen je helpen.”
„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”
Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.[98]
„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de poort brengen.”
„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.
Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar deH. B. S.
MarietjeGeukesteingaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.
De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.
„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.[99]
„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”
Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.
Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.
Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand veranderd is door de beschaving[100]en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.
Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten vereffenen.
„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.[101]
„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”
„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”
„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”
„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant,„moet ik daar veel voor leeren?”
„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang[102]voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”
De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich voor, erg hun best te doen.
Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer, de lange blonde.
„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het veel leuker.”
„Bij ons wordt beter gewerkt.”
„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”
„Haal jij dan maar wat uit.”
„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”
Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, en in de[103]tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naarverscheidenesprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.
„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.
Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en stuurt hem de klasse uit.
„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.
In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk niet klikken.
„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les hoor, wie het gedaan heeft.”[104]
Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.
„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?” Niemand spreekt.
„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”
Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen Amalia:
„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”
Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.
Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:
„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”
„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”[105]
„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van hebben.”
Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”
„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf om.”[106]