Achtste hoofdstuk.Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf watin ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!”roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.”“Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou deeen of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hijconseiller d’étatwas,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.Negende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeetzijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder,“’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.Tiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?”“Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemakergetranspireerdwerd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streekhem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”Men zegt, dat het bekende dier, ’t welkluiaardgenoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met denstok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij eencorpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen ermetworsttegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, omzoodramogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen!“Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje,wel, wel!Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, datvan alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!”zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”Elfde hoofdstuk.Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ikmoet mij redden; aanjeluiis niets gelegen;jeluiblijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren.Schillrukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou.Schilltrok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bijBamgartenenTribseesafsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar vanSchillnam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat wasonwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarenejongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan degrande nationvergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat degrande nationzich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdievenenroovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ookhijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hetchasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t erhierniet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heetteStettin.Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “MosjeuFransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeidehij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van denchasseurbekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Franschechasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren.Diesoort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met denchasseurwegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwdede auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maarzóó’n bonten vogelenzóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”
Achtste hoofdstuk.Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf watin ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!”roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.”“Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou deeen of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hijconseiller d’étatwas,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.Negende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeetzijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder,“’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.Tiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?”“Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemakergetranspireerdwerd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streekhem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”Men zegt, dat het bekende dier, ’t welkluiaardgenoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met denstok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij eencorpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen ermetworsttegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, omzoodramogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen!“Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje,wel, wel!Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, datvan alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!”zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”Elfde hoofdstuk.Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ikmoet mij redden; aanjeluiis niets gelegen;jeluiblijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren.Schillrukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou.Schilltrok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bijBamgartenenTribseesafsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar vanSchillnam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat wasonwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarenejongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan degrande nationvergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat degrande nationzich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdievenenroovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ookhijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hetchasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t erhierniet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heetteStettin.Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “MosjeuFransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeidehij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van denchasseurbekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Franschechasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren.Diesoort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met denchasseurwegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwdede auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maarzóó’n bonten vogelenzóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”
Achtste hoofdstuk.Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf watin ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!”roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.”“Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou deeen of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hijconseiller d’étatwas,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.Negende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeetzijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder,“’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.Tiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?”“Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemakergetranspireerdwerd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streekhem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”Men zegt, dat het bekende dier, ’t welkluiaardgenoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met denstok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij eencorpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen ermetworsttegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, omzoodramogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen!“Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje,wel, wel!Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, datvan alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!”zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”Elfde hoofdstuk.Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ikmoet mij redden; aanjeluiis niets gelegen;jeluiblijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren.Schillrukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou.Schilltrok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bijBamgartenenTribseesafsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar vanSchillnam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat wasonwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarenejongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan degrande nationvergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat degrande nationzich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdievenenroovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ookhijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hetchasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t erhierniet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heetteStettin.Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “MosjeuFransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeidehij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van denchasseurbekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Franschechasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren.Diesoort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met denchasseurwegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwdede auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maarzóó’n bonten vogelenzóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”
Achtste hoofdstuk.Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf watin ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!”roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.”“Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou deeen of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hijconseiller d’étatwas,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.
Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.
Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.
Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf watin ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”
Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.
Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?
De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”
Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!”roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.”“Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.
Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou deeen of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”
Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.
Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.
Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hijconseiller d’étatwas,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.
Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.
Negende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeetzijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder,“’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.
Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.
Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.
De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeetzijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”
Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”
“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”
De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.
Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.
De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.
Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”
De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder,“’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”
Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.
“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.
Tiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?”“Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemakergetranspireerdwerd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streekhem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”Men zegt, dat het bekende dier, ’t welkluiaardgenoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met denstok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij eencorpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen ermetworsttegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, omzoodramogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen!“Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje,wel, wel!Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, datvan alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!”zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”
Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.
Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.
Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?”“Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”
Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemakergetranspireerdwerd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streekhem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”
Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”
Men zegt, dat het bekende dier, ’t welkluiaardgenoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”
Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”
Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met denstok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.
“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij eencorpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen ermetworsttegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”
Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.
Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, omzoodramogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen!“Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.
Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje,wel, wel!Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”
Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, datvan alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”
Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.
Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!”zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”
Elfde hoofdstuk.Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ikmoet mij redden; aanjeluiis niets gelegen;jeluiblijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren.Schillrukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou.Schilltrok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bijBamgartenenTribseesafsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar vanSchillnam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat wasonwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarenejongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan degrande nationvergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat degrande nationzich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdievenenroovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ookhijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hetchasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t erhierniet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heetteStettin.Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “MosjeuFransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeidehij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van denchasseurbekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Franschechasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren.Diesoort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met denchasseurwegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwdede auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maarzóó’n bonten vogelenzóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”
Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.
Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.
Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ikmoet mij redden; aanjeluiis niets gelegen;jeluiblijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.
De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren.Schillrukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou.Schilltrok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bijBamgartenenTribseesafsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar vanSchillnam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat wasonwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.
En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarenejongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.
Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.
Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan degrande nationvergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat degrande nationzich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.
Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.
Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdievenenroovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ookhijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hetchasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t erhierniet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heetteStettin.
Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “MosjeuFransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”
Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.
Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeidehij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van denchasseurbekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Franschechasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren.Diesoort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met denchasseurwegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”
Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwdede auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.
Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maarzóó’n bonten vogelenzóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”
’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”
De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.
“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”