Twaalfde hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professorjuris utriusquein Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’tniet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heetgijWeber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “vanwienhebiku verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep opmijngeweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!”Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! eenverblijdendvoorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleinekinderenklemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hemgaarnezijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan benikhet, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,”riep mijnheer de baljuw hem toe, “watdoet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.Pag. 531.De geheele zaak ging zoo schielijk in ’t werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi’s hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. “Mijnheer de baljuw,” zeide mijn vader, “troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,” riep hij mij toe, “haal jij mijn hoed eens.”—Ik liep naar binnen om zijn’ hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mijop, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: “Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom.”Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.“Goede God!” zeide mijn vader, “raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?” “Voor ’t vaderland, burgemeester!” riep mijn oom Herse;—“ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is ’t wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.”—Zij deelden nu elkander in ’t kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn’ driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij ’s nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn’ mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.Dertiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,—straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;—en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den “paardendood” of ook wel, “halsbrekerseinde” noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: “halt!” want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nunietdaar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een’ drogen draad aan het lijf hield. “Vader Voss,” zegt de bakker Witt, “wat is dat een regen!”—“Mooi weêr voor de late gerst;” zegt de oude Voss, “als iemand ze al gezaaid heeft.” “Ik kan mijn hemd wel uitwringen,” zegt de bakker.—“En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol,” zegt de molenaar.—“Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn’ mantel staan, om te schuilen,” zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;—ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden.”—Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in ’t oog gekregen.Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop FritsSahlmannheen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die ’t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.—De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn’ vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een’ wortel van een’ ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. “Let goed op dat paard!” zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.Was mijn vader te voren al half oplettend op deninspektoren den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die FritsSahlmannin de hand gaf; hij zag, hoe de jongennu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een’ hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn’ vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,—heb ik van mijn leven zoo iets gezien!—holde den berg af.“Feu, Feu!” schreeuwden de Franschen; “knak! knak!” zeiden de hanen; en “misgeschoten!” antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: “Leve onze burgem...,” toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen3naar welken de berg zijn naam heeft.Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. “Voor den burgemeester is ’t goed,” sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; “dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is ’t erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben.”—“Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,” zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.—“Hm!” bracht oom Herse daartegen in.—“Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t’huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als....”—“Als gij en ik, mijnheer Herse,” zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.—“Molenaar Voss,” hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; “ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Watgijdaarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en alsiker mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?” “Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?”—“Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.”—“Neen, die man is mij onbekend.” “Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een’ student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,—want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,—en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.—“Niets,” antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.”—“Dat was brutaal,” zegt de oude molenaar.—“Ja, mijnheer Herse,” zegt de bakker, “ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar....”—“Laat mij toch uitvertellen!” zegt mijn oom Herse; “Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, “dit is een aandenken voor’t nietsdenken.Gijhadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.”—“Ja, maar....” zegt Witt.—“Maar, dat is dan toch....” zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan ’t woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: “Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?”—“Mijnheer Herse,” zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een’ afstand blijft. “Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?”—“Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?”—“Wel,” zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;—“wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in ’t voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.”—“En daarin hebt ge gelijk, oude!” zegt de bakker.—“En daarin heeft hij ongelijk!” roept mijn oom Herse: “als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in ’t heele land moeten in brand gestoken worden.” Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.—“De hemel moge ons bewaren!” zegt de molenaar Voss, “wie zal die schanddaad uitoefenen?”“Ik!” zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: “Wanneer de landstorm uitrukt,dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en ’t beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.”—“Mijnheer de raadsheer,” zegt Voss, “’t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn’ watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.”—“Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, alsik?”—“Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,” zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.—“Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo’n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een’ baktrog,ikkneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indienikgeplaatst was, waar ik t’huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en ’k sprak met dien man. “Majesteit,” zou ’k zeggen, “gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.”—“Hoe kan het anders, raadsheer,” zegt hij—“ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.”—“Is ’t anders niet?”zeg ik. “Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,—licentia poeticaheet dat in ’t latijn, molenaar Voss,—en een regiment grenadiers van de garde.” “Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,” zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan ’t hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. “Zijt gij nu allen hier?” vraag ik aan de joden.—“Ja,” zeggen zij.—“Wilt gij nu vrijwillig,” vraag ik hun, “de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?”—“Dat kunnen wij niet,” zegt de een, “dan zijn we geruweneerd.”—“Wilt gij, of wilt gij niet?” vraag ik. “Geef acht!” kommandeer ik.—“Mijnheer de raadsheer,” zegt een ander, “neem een vierde part.”—“Geen’ groschen minder dan de helft,” zeg ik. “Maakt u gereed!”—“Wij willen immers!” schreeuwden de joden.—“Mooi zoo!” zeg ik. “Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.”—Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. “Wel!” zeg ik, “Uwe Majesteit, hoe is ’t nu?”—“Opperbest, mijn lieve raadsheer!” zegt hij. “Als ’t andere ook maar zóó was!” “Dat zullen wij krijgen!” zeg ik. “Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.” “Die zult gij hebben,” zegt de koning.—“Kostelijk!” zeg ik, en ’k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prinsEckmühloverval ik; hij wordt vóór mij gebracht. “Richt eens eene zeer hooge galg op!” zeg ik.—“Genade!” zegt hij.—“Niets komt er in van genade!” zeg ik. “Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!”—-“Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,” zegt Voss, “praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden.” “Dat zou verduiveld gek wezen!” hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: “gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.—Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar ’t Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien ’k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.—Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: “Wapenstilstand!”—“Daar kan niets van komen,” zeg ik; “voor de aardigheid zijn wij niet hier.”—“Vrede!” laat hij mij zeggen.—“Best!” zeg ik “Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.”—“Dat kan ik niet!” zegt hij,“mijn broeder moet daarvan leven.”—Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. “Dat mag de drommel weten!” zegt hij; “daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!”—”’t Eerste regiment grenadiers, velt ’t geweer!” kommandeer ik, de batterij wordt genomen. “’t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!”—Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. “Hier is mijn degen!” zegt hij. “Kostelijk!” zeg ik. “Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.”—Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: “Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!”—“Mijnheer de raadsheer;” zegt de koning, “verzoek een gunstbewijs voor u.”—“Uwe Majesteit,” zeg ik, “kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor ’t overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.”—“Zooals gij wilt,” zegt de koning. “Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.” Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.”—“Dat ’s braaf van u!” zegt bakker Witt. “Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal ’t achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebthemniet; hij heeftu, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijnwij’t. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.”—“Och, loop!” zeide oom Herse; “dat ’s geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;—neen, mijn raad is, dat wij ’t fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.”De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. “Wat?” riep hij eindelijk uit, “dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fiekenen Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?”En... zoo was het.Veertiende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een’ opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamerinkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in ’t geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: “Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?” De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: “Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!”—Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: “Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!”—Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een’ treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;—maar ’t is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. “Kindlief,” zeide de oude heer, “dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? “Est solamen miseris socios habuisse malorum.” ’k Zal dat later wel eens voor u vertalen.—Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.”Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: “Wel, hoe vindt gij ’t, Netje?”—Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,—maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.“Mijnheer de baljuw,” zeide Fieken, “mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen.”—“Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!” vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.—“Mijnheer, mijn vader is onschuldig,” ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.—“Dat hij dat is, weet ik, mijn kind,” zeide de oude heer en knikte met het hoofd. “En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt,” sprak Fieken.—“Hm? Ja! Dat is te zeggen, ’t zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweldvoor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en ’t is nog erger, als de goede wil ontbreekt.”—“Daarvoor ben ik niet bang,”viel Fieken hier schielijk op in; “vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.”—“Lief kind,” hernam de oude heer en schudde het hoofd; “gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; ’t zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.”—“Mijnheer! ’k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen.”—“Een brief van vrijgeleide?” vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. “Mijn lieve kind,datvolk zal zich niet veel aan zoo’n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?” en hij wendde zich om, naar mijne moeder, “als ik haar eens zoo’n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.—En gij zegt,” zoo sprak hij weder tot Fieken, “dat uw neef Hendrik met u wil gaan?”—“Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang.”—“Roep hemeensbinnen!”Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, vandiesoort, die men bij ons in den oogsttijd van ’s morgens, klokke zes, tot ’s avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof ’t eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon,” vroeg de oude heer, “wilt gij metFiekengaan?” “Ja, mijnheer.” “En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?” “Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.”—“Mijnheer de baljuw!” riep mijne moeder, “help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!”—“’t Is waar, kindlief, ’t is waar! Ja, ik wil een’ brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.—Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder, “wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is ’t lastig, ze te moeten missen.”—“Frits,” zei de vrouw van den baljuw tot mij, “loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.”Nu ging men aan ’t pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: “Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?” “Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en ’k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als ’t naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde.” “Mijn zoon,” zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: “vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!”—Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: “’t Is een prachtig meisje, kindlief!”—“Wat heeft de baljuw je gezegd?” vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. “Och, hij zeî maar zoo wat,” sprak Hendrik. “Maar, je zult koû vatten!” voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. “De burgemeester heeft de plaat gepoetst!” riep hij langs de straat. “De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een’ wenk gegeven, en, roef! was hij weg.”—“Jongen, wat praat je?” zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.—“Ja, buurvrouw,” zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; “de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dattusschende schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn’ geweerkolf gekitteld heeft.”Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: “de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!” en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. “Mevrouw Reuter!” riep hij. “Schrik niet!—Mijnheer de baljuw! ’t Is wat goeds!—’t Is wat goeds, mevrouw Weber!—Mamsel Westphalen, hoe is ’t mogelijk!—Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!”—Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: “Luth,” riep hij, “man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen.”—De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!”—“Mijnheer de baljuw,” riep Luth en liet zich schudden, “geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.”“FritsSahlmann? Mijn Frits Sahlmann?” vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.—“Mijnheer de baljuw,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard: “zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan.” “Waar is de jongen?” vroeg de baljuw.—“Hij staat hier buiten, op de gang,” antwoordde Luth.Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: “Frits! FritsSahlmann, kom hier eens binnen!”—Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een’ onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en ’t scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in ’t oog vallen moest.—“Frits Sahlmann,” vroeg de oude heer, “wat is dat alles?”—Frits Sahlmann, die in ’t geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. “O, ’t is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei.”—“De hemel beware ons!” riep de vrouw van den baljuw, “wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?”—“Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een’ stompen bezem over heen,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard.—“Jongen,” sprak de baljuw; “zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zeide Frits en keek weder op, “hij is hun ontsnapt!”—“Leugens!” riep mamsel Westphalen er tegen in. “Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?”—“Vertel het, Frits!” zeide de oude man, en Frits vertelt.’t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ookdieverloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij ’t zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: “Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?” Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: “Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien.” Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: “En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om deekklipagerond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.”—“En de Franschen?” vroeg de oude heer.—“O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.” “Kindlief,” riep de oude baljuw, “die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!”—Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn’ vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in ’t geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?’t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;—ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,—een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij ’t laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: “Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.”—“En ik, mijnheer de baljuw,” sprak Luth, “wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.”—De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: “Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.”
Twaalfde hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professorjuris utriusquein Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’tniet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heetgijWeber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “vanwienhebiku verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep opmijngeweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!”Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! eenverblijdendvoorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleinekinderenklemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hemgaarnezijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan benikhet, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,”riep mijnheer de baljuw hem toe, “watdoet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.Pag. 531.De geheele zaak ging zoo schielijk in ’t werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi’s hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. “Mijnheer de baljuw,” zeide mijn vader, “troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,” riep hij mij toe, “haal jij mijn hoed eens.”—Ik liep naar binnen om zijn’ hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mijop, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: “Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom.”Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.“Goede God!” zeide mijn vader, “raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?” “Voor ’t vaderland, burgemeester!” riep mijn oom Herse;—“ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is ’t wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.”—Zij deelden nu elkander in ’t kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn’ driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij ’s nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn’ mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.Dertiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,—straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;—en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den “paardendood” of ook wel, “halsbrekerseinde” noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: “halt!” want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nunietdaar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een’ drogen draad aan het lijf hield. “Vader Voss,” zegt de bakker Witt, “wat is dat een regen!”—“Mooi weêr voor de late gerst;” zegt de oude Voss, “als iemand ze al gezaaid heeft.” “Ik kan mijn hemd wel uitwringen,” zegt de bakker.—“En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol,” zegt de molenaar.—“Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn’ mantel staan, om te schuilen,” zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;—ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden.”—Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in ’t oog gekregen.Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop FritsSahlmannheen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die ’t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.—De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn’ vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een’ wortel van een’ ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. “Let goed op dat paard!” zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.Was mijn vader te voren al half oplettend op deninspektoren den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die FritsSahlmannin de hand gaf; hij zag, hoe de jongennu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een’ hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn’ vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,—heb ik van mijn leven zoo iets gezien!—holde den berg af.“Feu, Feu!” schreeuwden de Franschen; “knak! knak!” zeiden de hanen; en “misgeschoten!” antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: “Leve onze burgem...,” toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen3naar welken de berg zijn naam heeft.Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. “Voor den burgemeester is ’t goed,” sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; “dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is ’t erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben.”—“Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,” zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.—“Hm!” bracht oom Herse daartegen in.—“Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t’huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als....”—“Als gij en ik, mijnheer Herse,” zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.—“Molenaar Voss,” hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; “ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Watgijdaarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en alsiker mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?” “Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?”—“Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.”—“Neen, die man is mij onbekend.” “Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een’ student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,—want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,—en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.—“Niets,” antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.”—“Dat was brutaal,” zegt de oude molenaar.—“Ja, mijnheer Herse,” zegt de bakker, “ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar....”—“Laat mij toch uitvertellen!” zegt mijn oom Herse; “Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, “dit is een aandenken voor’t nietsdenken.Gijhadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.”—“Ja, maar....” zegt Witt.—“Maar, dat is dan toch....” zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan ’t woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: “Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?”—“Mijnheer Herse,” zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een’ afstand blijft. “Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?”—“Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?”—“Wel,” zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;—“wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in ’t voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.”—“En daarin hebt ge gelijk, oude!” zegt de bakker.—“En daarin heeft hij ongelijk!” roept mijn oom Herse: “als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in ’t heele land moeten in brand gestoken worden.” Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.—“De hemel moge ons bewaren!” zegt de molenaar Voss, “wie zal die schanddaad uitoefenen?”“Ik!” zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: “Wanneer de landstorm uitrukt,dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en ’t beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.”—“Mijnheer de raadsheer,” zegt Voss, “’t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn’ watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.”—“Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, alsik?”—“Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,” zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.—“Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo’n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een’ baktrog,ikkneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indienikgeplaatst was, waar ik t’huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en ’k sprak met dien man. “Majesteit,” zou ’k zeggen, “gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.”—“Hoe kan het anders, raadsheer,” zegt hij—“ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.”—“Is ’t anders niet?”zeg ik. “Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,—licentia poeticaheet dat in ’t latijn, molenaar Voss,—en een regiment grenadiers van de garde.” “Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,” zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan ’t hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. “Zijt gij nu allen hier?” vraag ik aan de joden.—“Ja,” zeggen zij.—“Wilt gij nu vrijwillig,” vraag ik hun, “de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?”—“Dat kunnen wij niet,” zegt de een, “dan zijn we geruweneerd.”—“Wilt gij, of wilt gij niet?” vraag ik. “Geef acht!” kommandeer ik.—“Mijnheer de raadsheer,” zegt een ander, “neem een vierde part.”—“Geen’ groschen minder dan de helft,” zeg ik. “Maakt u gereed!”—“Wij willen immers!” schreeuwden de joden.—“Mooi zoo!” zeg ik. “Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.”—Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. “Wel!” zeg ik, “Uwe Majesteit, hoe is ’t nu?”—“Opperbest, mijn lieve raadsheer!” zegt hij. “Als ’t andere ook maar zóó was!” “Dat zullen wij krijgen!” zeg ik. “Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.” “Die zult gij hebben,” zegt de koning.—“Kostelijk!” zeg ik, en ’k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prinsEckmühloverval ik; hij wordt vóór mij gebracht. “Richt eens eene zeer hooge galg op!” zeg ik.—“Genade!” zegt hij.—“Niets komt er in van genade!” zeg ik. “Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!”—-“Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,” zegt Voss, “praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden.” “Dat zou verduiveld gek wezen!” hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: “gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.—Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar ’t Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien ’k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.—Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: “Wapenstilstand!”—“Daar kan niets van komen,” zeg ik; “voor de aardigheid zijn wij niet hier.”—“Vrede!” laat hij mij zeggen.—“Best!” zeg ik “Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.”—“Dat kan ik niet!” zegt hij,“mijn broeder moet daarvan leven.”—Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. “Dat mag de drommel weten!” zegt hij; “daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!”—”’t Eerste regiment grenadiers, velt ’t geweer!” kommandeer ik, de batterij wordt genomen. “’t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!”—Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. “Hier is mijn degen!” zegt hij. “Kostelijk!” zeg ik. “Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.”—Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: “Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!”—“Mijnheer de raadsheer;” zegt de koning, “verzoek een gunstbewijs voor u.”—“Uwe Majesteit,” zeg ik, “kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor ’t overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.”—“Zooals gij wilt,” zegt de koning. “Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.” Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.”—“Dat ’s braaf van u!” zegt bakker Witt. “Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal ’t achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebthemniet; hij heeftu, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijnwij’t. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.”—“Och, loop!” zeide oom Herse; “dat ’s geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;—neen, mijn raad is, dat wij ’t fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.”De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. “Wat?” riep hij eindelijk uit, “dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fiekenen Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?”En... zoo was het.Veertiende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een’ opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamerinkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in ’t geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: “Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?” De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: “Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!”—Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: “Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!”—Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een’ treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;—maar ’t is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. “Kindlief,” zeide de oude heer, “dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? “Est solamen miseris socios habuisse malorum.” ’k Zal dat later wel eens voor u vertalen.—Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.”Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: “Wel, hoe vindt gij ’t, Netje?”—Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,—maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.“Mijnheer de baljuw,” zeide Fieken, “mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen.”—“Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!” vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.—“Mijnheer, mijn vader is onschuldig,” ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.—“Dat hij dat is, weet ik, mijn kind,” zeide de oude heer en knikte met het hoofd. “En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt,” sprak Fieken.—“Hm? Ja! Dat is te zeggen, ’t zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweldvoor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en ’t is nog erger, als de goede wil ontbreekt.”—“Daarvoor ben ik niet bang,”viel Fieken hier schielijk op in; “vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.”—“Lief kind,” hernam de oude heer en schudde het hoofd; “gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; ’t zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.”—“Mijnheer! ’k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen.”—“Een brief van vrijgeleide?” vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. “Mijn lieve kind,datvolk zal zich niet veel aan zoo’n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?” en hij wendde zich om, naar mijne moeder, “als ik haar eens zoo’n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.—En gij zegt,” zoo sprak hij weder tot Fieken, “dat uw neef Hendrik met u wil gaan?”—“Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang.”—“Roep hemeensbinnen!”Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, vandiesoort, die men bij ons in den oogsttijd van ’s morgens, klokke zes, tot ’s avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof ’t eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon,” vroeg de oude heer, “wilt gij metFiekengaan?” “Ja, mijnheer.” “En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?” “Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.”—“Mijnheer de baljuw!” riep mijne moeder, “help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!”—“’t Is waar, kindlief, ’t is waar! Ja, ik wil een’ brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.—Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder, “wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is ’t lastig, ze te moeten missen.”—“Frits,” zei de vrouw van den baljuw tot mij, “loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.”Nu ging men aan ’t pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: “Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?” “Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en ’k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als ’t naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde.” “Mijn zoon,” zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: “vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!”—Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: “’t Is een prachtig meisje, kindlief!”—“Wat heeft de baljuw je gezegd?” vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. “Och, hij zeî maar zoo wat,” sprak Hendrik. “Maar, je zult koû vatten!” voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. “De burgemeester heeft de plaat gepoetst!” riep hij langs de straat. “De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een’ wenk gegeven, en, roef! was hij weg.”—“Jongen, wat praat je?” zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.—“Ja, buurvrouw,” zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; “de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dattusschende schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn’ geweerkolf gekitteld heeft.”Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: “de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!” en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. “Mevrouw Reuter!” riep hij. “Schrik niet!—Mijnheer de baljuw! ’t Is wat goeds!—’t Is wat goeds, mevrouw Weber!—Mamsel Westphalen, hoe is ’t mogelijk!—Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!”—Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: “Luth,” riep hij, “man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen.”—De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!”—“Mijnheer de baljuw,” riep Luth en liet zich schudden, “geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.”“FritsSahlmann? Mijn Frits Sahlmann?” vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.—“Mijnheer de baljuw,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard: “zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan.” “Waar is de jongen?” vroeg de baljuw.—“Hij staat hier buiten, op de gang,” antwoordde Luth.Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: “Frits! FritsSahlmann, kom hier eens binnen!”—Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een’ onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en ’t scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in ’t oog vallen moest.—“Frits Sahlmann,” vroeg de oude heer, “wat is dat alles?”—Frits Sahlmann, die in ’t geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. “O, ’t is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei.”—“De hemel beware ons!” riep de vrouw van den baljuw, “wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?”—“Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een’ stompen bezem over heen,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard.—“Jongen,” sprak de baljuw; “zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zeide Frits en keek weder op, “hij is hun ontsnapt!”—“Leugens!” riep mamsel Westphalen er tegen in. “Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?”—“Vertel het, Frits!” zeide de oude man, en Frits vertelt.’t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ookdieverloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij ’t zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: “Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?” Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: “Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien.” Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: “En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om deekklipagerond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.”—“En de Franschen?” vroeg de oude heer.—“O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.” “Kindlief,” riep de oude baljuw, “die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!”—Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn’ vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in ’t geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?’t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;—ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,—een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij ’t laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: “Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.”—“En ik, mijnheer de baljuw,” sprak Luth, “wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.”—De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: “Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.”
Twaalfde hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professorjuris utriusquein Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’tniet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heetgijWeber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “vanwienhebiku verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep opmijngeweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!”Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! eenverblijdendvoorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleinekinderenklemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hemgaarnezijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan benikhet, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,”riep mijnheer de baljuw hem toe, “watdoet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.Pag. 531.De geheele zaak ging zoo schielijk in ’t werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi’s hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. “Mijnheer de baljuw,” zeide mijn vader, “troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,” riep hij mij toe, “haal jij mijn hoed eens.”—Ik liep naar binnen om zijn’ hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mijop, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: “Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom.”Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.“Goede God!” zeide mijn vader, “raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?” “Voor ’t vaderland, burgemeester!” riep mijn oom Herse;—“ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is ’t wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.”—Zij deelden nu elkander in ’t kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn’ driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij ’s nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn’ mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.Dertiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,—straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;—en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den “paardendood” of ook wel, “halsbrekerseinde” noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: “halt!” want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nunietdaar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een’ drogen draad aan het lijf hield. “Vader Voss,” zegt de bakker Witt, “wat is dat een regen!”—“Mooi weêr voor de late gerst;” zegt de oude Voss, “als iemand ze al gezaaid heeft.” “Ik kan mijn hemd wel uitwringen,” zegt de bakker.—“En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol,” zegt de molenaar.—“Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn’ mantel staan, om te schuilen,” zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;—ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden.”—Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in ’t oog gekregen.Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop FritsSahlmannheen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die ’t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.—De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn’ vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een’ wortel van een’ ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. “Let goed op dat paard!” zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.Was mijn vader te voren al half oplettend op deninspektoren den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die FritsSahlmannin de hand gaf; hij zag, hoe de jongennu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een’ hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn’ vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,—heb ik van mijn leven zoo iets gezien!—holde den berg af.“Feu, Feu!” schreeuwden de Franschen; “knak! knak!” zeiden de hanen; en “misgeschoten!” antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: “Leve onze burgem...,” toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen3naar welken de berg zijn naam heeft.Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. “Voor den burgemeester is ’t goed,” sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; “dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is ’t erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben.”—“Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,” zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.—“Hm!” bracht oom Herse daartegen in.—“Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t’huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als....”—“Als gij en ik, mijnheer Herse,” zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.—“Molenaar Voss,” hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; “ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Watgijdaarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en alsiker mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?” “Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?”—“Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.”—“Neen, die man is mij onbekend.” “Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een’ student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,—want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,—en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.—“Niets,” antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.”—“Dat was brutaal,” zegt de oude molenaar.—“Ja, mijnheer Herse,” zegt de bakker, “ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar....”—“Laat mij toch uitvertellen!” zegt mijn oom Herse; “Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, “dit is een aandenken voor’t nietsdenken.Gijhadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.”—“Ja, maar....” zegt Witt.—“Maar, dat is dan toch....” zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan ’t woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: “Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?”—“Mijnheer Herse,” zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een’ afstand blijft. “Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?”—“Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?”—“Wel,” zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;—“wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in ’t voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.”—“En daarin hebt ge gelijk, oude!” zegt de bakker.—“En daarin heeft hij ongelijk!” roept mijn oom Herse: “als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in ’t heele land moeten in brand gestoken worden.” Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.—“De hemel moge ons bewaren!” zegt de molenaar Voss, “wie zal die schanddaad uitoefenen?”“Ik!” zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: “Wanneer de landstorm uitrukt,dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en ’t beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.”—“Mijnheer de raadsheer,” zegt Voss, “’t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn’ watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.”—“Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, alsik?”—“Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,” zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.—“Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo’n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een’ baktrog,ikkneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indienikgeplaatst was, waar ik t’huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en ’k sprak met dien man. “Majesteit,” zou ’k zeggen, “gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.”—“Hoe kan het anders, raadsheer,” zegt hij—“ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.”—“Is ’t anders niet?”zeg ik. “Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,—licentia poeticaheet dat in ’t latijn, molenaar Voss,—en een regiment grenadiers van de garde.” “Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,” zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan ’t hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. “Zijt gij nu allen hier?” vraag ik aan de joden.—“Ja,” zeggen zij.—“Wilt gij nu vrijwillig,” vraag ik hun, “de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?”—“Dat kunnen wij niet,” zegt de een, “dan zijn we geruweneerd.”—“Wilt gij, of wilt gij niet?” vraag ik. “Geef acht!” kommandeer ik.—“Mijnheer de raadsheer,” zegt een ander, “neem een vierde part.”—“Geen’ groschen minder dan de helft,” zeg ik. “Maakt u gereed!”—“Wij willen immers!” schreeuwden de joden.—“Mooi zoo!” zeg ik. “Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.”—Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. “Wel!” zeg ik, “Uwe Majesteit, hoe is ’t nu?”—“Opperbest, mijn lieve raadsheer!” zegt hij. “Als ’t andere ook maar zóó was!” “Dat zullen wij krijgen!” zeg ik. “Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.” “Die zult gij hebben,” zegt de koning.—“Kostelijk!” zeg ik, en ’k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prinsEckmühloverval ik; hij wordt vóór mij gebracht. “Richt eens eene zeer hooge galg op!” zeg ik.—“Genade!” zegt hij.—“Niets komt er in van genade!” zeg ik. “Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!”—-“Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,” zegt Voss, “praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden.” “Dat zou verduiveld gek wezen!” hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: “gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.—Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar ’t Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien ’k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.—Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: “Wapenstilstand!”—“Daar kan niets van komen,” zeg ik; “voor de aardigheid zijn wij niet hier.”—“Vrede!” laat hij mij zeggen.—“Best!” zeg ik “Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.”—“Dat kan ik niet!” zegt hij,“mijn broeder moet daarvan leven.”—Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. “Dat mag de drommel weten!” zegt hij; “daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!”—”’t Eerste regiment grenadiers, velt ’t geweer!” kommandeer ik, de batterij wordt genomen. “’t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!”—Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. “Hier is mijn degen!” zegt hij. “Kostelijk!” zeg ik. “Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.”—Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: “Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!”—“Mijnheer de raadsheer;” zegt de koning, “verzoek een gunstbewijs voor u.”—“Uwe Majesteit,” zeg ik, “kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor ’t overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.”—“Zooals gij wilt,” zegt de koning. “Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.” Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.”—“Dat ’s braaf van u!” zegt bakker Witt. “Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal ’t achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebthemniet; hij heeftu, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijnwij’t. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.”—“Och, loop!” zeide oom Herse; “dat ’s geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;—neen, mijn raad is, dat wij ’t fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.”De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. “Wat?” riep hij eindelijk uit, “dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fiekenen Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?”En... zoo was het.Veertiende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een’ opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamerinkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in ’t geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: “Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?” De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: “Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!”—Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: “Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!”—Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een’ treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;—maar ’t is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. “Kindlief,” zeide de oude heer, “dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? “Est solamen miseris socios habuisse malorum.” ’k Zal dat later wel eens voor u vertalen.—Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.”Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: “Wel, hoe vindt gij ’t, Netje?”—Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,—maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.“Mijnheer de baljuw,” zeide Fieken, “mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen.”—“Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!” vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.—“Mijnheer, mijn vader is onschuldig,” ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.—“Dat hij dat is, weet ik, mijn kind,” zeide de oude heer en knikte met het hoofd. “En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt,” sprak Fieken.—“Hm? Ja! Dat is te zeggen, ’t zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweldvoor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en ’t is nog erger, als de goede wil ontbreekt.”—“Daarvoor ben ik niet bang,”viel Fieken hier schielijk op in; “vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.”—“Lief kind,” hernam de oude heer en schudde het hoofd; “gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; ’t zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.”—“Mijnheer! ’k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen.”—“Een brief van vrijgeleide?” vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. “Mijn lieve kind,datvolk zal zich niet veel aan zoo’n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?” en hij wendde zich om, naar mijne moeder, “als ik haar eens zoo’n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.—En gij zegt,” zoo sprak hij weder tot Fieken, “dat uw neef Hendrik met u wil gaan?”—“Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang.”—“Roep hemeensbinnen!”Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, vandiesoort, die men bij ons in den oogsttijd van ’s morgens, klokke zes, tot ’s avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof ’t eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon,” vroeg de oude heer, “wilt gij metFiekengaan?” “Ja, mijnheer.” “En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?” “Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.”—“Mijnheer de baljuw!” riep mijne moeder, “help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!”—“’t Is waar, kindlief, ’t is waar! Ja, ik wil een’ brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.—Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder, “wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is ’t lastig, ze te moeten missen.”—“Frits,” zei de vrouw van den baljuw tot mij, “loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.”Nu ging men aan ’t pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: “Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?” “Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en ’k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als ’t naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde.” “Mijn zoon,” zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: “vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!”—Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: “’t Is een prachtig meisje, kindlief!”—“Wat heeft de baljuw je gezegd?” vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. “Och, hij zeî maar zoo wat,” sprak Hendrik. “Maar, je zult koû vatten!” voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. “De burgemeester heeft de plaat gepoetst!” riep hij langs de straat. “De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een’ wenk gegeven, en, roef! was hij weg.”—“Jongen, wat praat je?” zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.—“Ja, buurvrouw,” zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; “de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dattusschende schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn’ geweerkolf gekitteld heeft.”Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: “de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!” en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. “Mevrouw Reuter!” riep hij. “Schrik niet!—Mijnheer de baljuw! ’t Is wat goeds!—’t Is wat goeds, mevrouw Weber!—Mamsel Westphalen, hoe is ’t mogelijk!—Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!”—Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: “Luth,” riep hij, “man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen.”—De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!”—“Mijnheer de baljuw,” riep Luth en liet zich schudden, “geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.”“FritsSahlmann? Mijn Frits Sahlmann?” vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.—“Mijnheer de baljuw,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard: “zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan.” “Waar is de jongen?” vroeg de baljuw.—“Hij staat hier buiten, op de gang,” antwoordde Luth.Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: “Frits! FritsSahlmann, kom hier eens binnen!”—Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een’ onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en ’t scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in ’t oog vallen moest.—“Frits Sahlmann,” vroeg de oude heer, “wat is dat alles?”—Frits Sahlmann, die in ’t geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. “O, ’t is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei.”—“De hemel beware ons!” riep de vrouw van den baljuw, “wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?”—“Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een’ stompen bezem over heen,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard.—“Jongen,” sprak de baljuw; “zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zeide Frits en keek weder op, “hij is hun ontsnapt!”—“Leugens!” riep mamsel Westphalen er tegen in. “Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?”—“Vertel het, Frits!” zeide de oude man, en Frits vertelt.’t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ookdieverloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij ’t zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: “Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?” Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: “Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien.” Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: “En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om deekklipagerond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.”—“En de Franschen?” vroeg de oude heer.—“O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.” “Kindlief,” riep de oude baljuw, “die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!”—Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn’ vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in ’t geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?’t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;—ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,—een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij ’t laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: “Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.”—“En ik, mijnheer de baljuw,” sprak Luth, “wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.”—De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: “Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.”
Twaalfde hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professorjuris utriusquein Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’tniet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heetgijWeber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “vanwienhebiku verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep opmijngeweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!”Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! eenverblijdendvoorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleinekinderenklemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hemgaarnezijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan benikhet, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,”riep mijnheer de baljuw hem toe, “watdoet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.Pag. 531.De geheele zaak ging zoo schielijk in ’t werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi’s hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. “Mijnheer de baljuw,” zeide mijn vader, “troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,” riep hij mij toe, “haal jij mijn hoed eens.”—Ik liep naar binnen om zijn’ hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mijop, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: “Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom.”Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.“Goede God!” zeide mijn vader, “raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?” “Voor ’t vaderland, burgemeester!” riep mijn oom Herse;—“ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is ’t wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.”—Zij deelden nu elkander in ’t kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn’ driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij ’s nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn’ mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.
Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.
Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.
Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.
Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.
De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professorjuris utriusquein Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’tniet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.
Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heetgijWeber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “vanwienhebiku verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep opmijngeweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”
Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!”Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! eenverblijdendvoorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.
Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.
Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”
Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.
Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”
Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.
Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.
Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleinekinderenklemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.
De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hemgaarnezijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan benikhet, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,”riep mijnheer de baljuw hem toe, “watdoet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.
En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.Pag. 531.
En toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind.
Pag. 531.
De geheele zaak ging zoo schielijk in ’t werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi’s hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. “Mijnheer de baljuw,” zeide mijn vader, “troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,” riep hij mij toe, “haal jij mijn hoed eens.”—Ik liep naar binnen om zijn’ hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mijop, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: “Zeg aan moeder, dat ik gauw weêr hier kom.”
Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het wegloopen van de boeren.
“Goede God!” zeide mijn vader, “raadsheer Herse, wat beteekent dat met u?” “Voor ’t vaderland, burgemeester!” riep mijn oom Herse;—“ik heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is ’t wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.”—Zij deelden nu elkander in ’t kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn’ driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij ’s nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn’ mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.
Dertiende hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,—straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;—en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den “paardendood” of ook wel, “halsbrekerseinde” noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: “halt!” want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nunietdaar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een’ drogen draad aan het lijf hield. “Vader Voss,” zegt de bakker Witt, “wat is dat een regen!”—“Mooi weêr voor de late gerst;” zegt de oude Voss, “als iemand ze al gezaaid heeft.” “Ik kan mijn hemd wel uitwringen,” zegt de bakker.—“En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol,” zegt de molenaar.—“Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn’ mantel staan, om te schuilen,” zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;—ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden.”—Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in ’t oog gekregen.Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop FritsSahlmannheen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die ’t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.—De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn’ vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een’ wortel van een’ ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. “Let goed op dat paard!” zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.Was mijn vader te voren al half oplettend op deninspektoren den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die FritsSahlmannin de hand gaf; hij zag, hoe de jongennu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een’ hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn’ vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,—heb ik van mijn leven zoo iets gezien!—holde den berg af.“Feu, Feu!” schreeuwden de Franschen; “knak! knak!” zeiden de hanen; en “misgeschoten!” antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: “Leve onze burgem...,” toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen3naar welken de berg zijn naam heeft.Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. “Voor den burgemeester is ’t goed,” sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; “dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is ’t erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben.”—“Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,” zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.—“Hm!” bracht oom Herse daartegen in.—“Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t’huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als....”—“Als gij en ik, mijnheer Herse,” zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.—“Molenaar Voss,” hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; “ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Watgijdaarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en alsiker mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?” “Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?”—“Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.”—“Neen, die man is mij onbekend.” “Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een’ student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,—want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,—en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.—“Niets,” antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.”—“Dat was brutaal,” zegt de oude molenaar.—“Ja, mijnheer Herse,” zegt de bakker, “ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar....”—“Laat mij toch uitvertellen!” zegt mijn oom Herse; “Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, “dit is een aandenken voor’t nietsdenken.Gijhadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.”—“Ja, maar....” zegt Witt.—“Maar, dat is dan toch....” zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan ’t woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: “Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?”—“Mijnheer Herse,” zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een’ afstand blijft. “Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?”—“Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?”—“Wel,” zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;—“wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in ’t voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.”—“En daarin hebt ge gelijk, oude!” zegt de bakker.—“En daarin heeft hij ongelijk!” roept mijn oom Herse: “als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in ’t heele land moeten in brand gestoken worden.” Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.—“De hemel moge ons bewaren!” zegt de molenaar Voss, “wie zal die schanddaad uitoefenen?”“Ik!” zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: “Wanneer de landstorm uitrukt,dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en ’t beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.”—“Mijnheer de raadsheer,” zegt Voss, “’t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn’ watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.”—“Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, alsik?”—“Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,” zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.—“Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo’n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een’ baktrog,ikkneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indienikgeplaatst was, waar ik t’huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en ’k sprak met dien man. “Majesteit,” zou ’k zeggen, “gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.”—“Hoe kan het anders, raadsheer,” zegt hij—“ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.”—“Is ’t anders niet?”zeg ik. “Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,—licentia poeticaheet dat in ’t latijn, molenaar Voss,—en een regiment grenadiers van de garde.” “Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,” zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan ’t hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. “Zijt gij nu allen hier?” vraag ik aan de joden.—“Ja,” zeggen zij.—“Wilt gij nu vrijwillig,” vraag ik hun, “de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?”—“Dat kunnen wij niet,” zegt de een, “dan zijn we geruweneerd.”—“Wilt gij, of wilt gij niet?” vraag ik. “Geef acht!” kommandeer ik.—“Mijnheer de raadsheer,” zegt een ander, “neem een vierde part.”—“Geen’ groschen minder dan de helft,” zeg ik. “Maakt u gereed!”—“Wij willen immers!” schreeuwden de joden.—“Mooi zoo!” zeg ik. “Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.”—Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. “Wel!” zeg ik, “Uwe Majesteit, hoe is ’t nu?”—“Opperbest, mijn lieve raadsheer!” zegt hij. “Als ’t andere ook maar zóó was!” “Dat zullen wij krijgen!” zeg ik. “Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.” “Die zult gij hebben,” zegt de koning.—“Kostelijk!” zeg ik, en ’k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prinsEckmühloverval ik; hij wordt vóór mij gebracht. “Richt eens eene zeer hooge galg op!” zeg ik.—“Genade!” zegt hij.—“Niets komt er in van genade!” zeg ik. “Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!”—-“Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,” zegt Voss, “praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden.” “Dat zou verduiveld gek wezen!” hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: “gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.—Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar ’t Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien ’k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.—Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: “Wapenstilstand!”—“Daar kan niets van komen,” zeg ik; “voor de aardigheid zijn wij niet hier.”—“Vrede!” laat hij mij zeggen.—“Best!” zeg ik “Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.”—“Dat kan ik niet!” zegt hij,“mijn broeder moet daarvan leven.”—Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. “Dat mag de drommel weten!” zegt hij; “daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!”—”’t Eerste regiment grenadiers, velt ’t geweer!” kommandeer ik, de batterij wordt genomen. “’t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!”—Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. “Hier is mijn degen!” zegt hij. “Kostelijk!” zeg ik. “Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.”—Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: “Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!”—“Mijnheer de raadsheer;” zegt de koning, “verzoek een gunstbewijs voor u.”—“Uwe Majesteit,” zeg ik, “kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor ’t overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.”—“Zooals gij wilt,” zegt de koning. “Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.” Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.”—“Dat ’s braaf van u!” zegt bakker Witt. “Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal ’t achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebthemniet; hij heeftu, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijnwij’t. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.”—“Och, loop!” zeide oom Herse; “dat ’s geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;—neen, mijn raad is, dat wij ’t fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.”De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. “Wat?” riep hij eindelijk uit, “dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fiekenen Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?”En... zoo was het.
Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.
Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al de molens in ’t geheele land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.
Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op,—straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet;—en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den “paardendood” of ook wel, “halsbrekerseinde” noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: “halt!” want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nunietdaar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een’ drogen draad aan het lijf hield. “Vader Voss,” zegt de bakker Witt, “wat is dat een regen!”—“Mooi weêr voor de late gerst;” zegt de oude Voss, “als iemand ze al gezaaid heeft.” “Ik kan mijn hemd wel uitwringen,” zegt de bakker.—“En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol,” zegt de molenaar.—“Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn’ mantel staan, om te schuilen,” zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was;—ik verheug mij maar, dat deze tirannenknechten ook door en door nat worden.”—Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in ’t oog gekregen.
Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop FritsSahlmannheen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die ’t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen.—De oude inspektor Bräsig was een zeer goed vriend van mijn’ vader en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een’ wortel van een’ ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof ’t volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. “Let goed op dat paard!” zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.
Was mijn vader te voren al half oplettend op deninspektoren den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die FritsSahlmannin de hand gaf; hij zag, hoe de jongennu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een’ hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn’ vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.
Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en,—heb ik van mijn leven zoo iets gezien!—holde den berg af.
“Feu, Feu!” schreeuwden de Franschen; “knak! knak!” zeiden de hanen; en “misgeschoten!” antwoordde het oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.
Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: “Leve onze burgem...,” toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen3naar welken de berg zijn naam heeft.
Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. “Voor den burgemeester is ’t goed,” sprak de oude Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; “dat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is ’t erg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben.”—“Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,” zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, die zich ook onder den molen had geplaatst.—“Hm!” bracht oom Herse daartegen in.—“Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t’huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als.... als....”—“Als gij en ik, mijnheer Herse,” zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken.—“Molenaar Voss,” hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; “ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Watgijdaarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en alsiker mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?” “Meent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?”—“Och, loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.”—“Neen, die man is mij onbekend.” “Nu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een’ student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort,—want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,—en hij wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt.—“Niets,” antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.”—“Dat was brutaal,” zegt de oude molenaar.—“Ja, mijnheer Herse,” zegt de bakker, “ik heb ook eene verduivelde losse hand, maar....”—“Laat mij toch uitvertellen!” zegt mijn oom Herse; “Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd stond, “dit is een aandenken voor’t nietsdenken.Gijhadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.”—“Ja, maar....” zegt Witt.—“Maar, dat is dan toch....” zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan ’t woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: “Nu vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt gij daarbij?”—“Mijnheer Herse,” zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een’ afstand blijft. “Mijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trakteeren?”—“Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?”—“Wel,” zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan;—“wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in ’t voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.”—“En daarin hebt ge gelijk, oude!” zegt de bakker.—“En daarin heeft hij ongelijk!” roept mijn oom Herse: “als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, al de molens in ’t heele land moeten in brand gestoken worden.” Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond.—“De hemel moge ons bewaren!” zegt de molenaar Voss, “wie zal die schanddaad uitoefenen?”
“Ik!” zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: “Wanneer de landstorm uitrukt,dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en ’t beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.”—“Mijnheer de raadsheer,” zegt Voss, “’t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn’ watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.”—“Windmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te handelen, alsik?”—“Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,” zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen.—“Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo’n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een’ baktrog,ikkneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indienikgeplaatst was, waar ik t’huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en ’k sprak met dien man. “Majesteit,” zou ’k zeggen, “gij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.”—“Hoe kan het anders, raadsheer,” zegt hij—“ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.”—“Is ’t anders niet?”zeg ik. “Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,—licentia poeticaheet dat in ’t latijn, molenaar Voss,—en een regiment grenadiers van de garde.” “Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,” zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan ’t hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein op marcheer. “Zijt gij nu allen hier?” vraag ik aan de joden.—“Ja,” zeggen zij.—“Wilt gij nu vrijwillig,” vraag ik hun, “de helft van uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?”—“Dat kunnen wij niet,” zegt de een, “dan zijn we geruweneerd.”—“Wilt gij, of wilt gij niet?” vraag ik. “Geef acht!” kommandeer ik.—“Mijnheer de raadsheer,” zegt een ander, “neem een vierde part.”—“Geen’ groschen minder dan de helft,” zeg ik. “Maakt u gereed!”—“Wij willen immers!” schreeuwden de joden.—“Mooi zoo!” zeg ik. “Gaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.”—Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. “Wel!” zeg ik, “Uwe Majesteit, hoe is ’t nu?”—“Opperbest, mijn lieve raadsheer!” zegt hij. “Als ’t andere ook maar zóó was!” “Dat zullen wij krijgen!” zeg ik. “Geef mij maar een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.” “Die zult gij hebben,” zegt de koning.—“Kostelijk!” zeg ik, en ’k marcheer met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en prinsEckmühloverval ik; hij wordt vóór mij gebracht. “Richt eens eene zeer hooge galg op!” zeg ik.—“Genade!” zegt hij.—“Niets komt er in van genade!” zeg ik. “Dat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!”—-“Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,” zegt Voss, “praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan konden.” “Dat zou verduiveld gek wezen!” hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij: “gij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.—Alzoo: ik hang hem op, en ruk links op, naar ’t Hannoversche en val hem zelf, den Korsikaan... nu! jelui weet het, wien ’k meen,... in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.—Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: “Wapenstilstand!”—“Daar kan niets van komen,” zeg ik; “voor de aardigheid zijn wij niet hier.”—“Vrede!” laat hij mij zeggen.—“Best!” zeg ik “Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.”—“Dat kan ik niet!” zegt hij,“mijn broeder moet daarvan leven.”—Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. “Dat mag de drommel weten!” zegt hij; “daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!”—”’t Eerste regiment grenadiers, velt ’t geweer!” kommandeer ik, de batterij wordt genomen. “’t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!”—Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. “Hier is mijn degen!” zegt hij. “Kostelijk!” zeg ik. “Ga gij nu maar meê. En gij, kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.”—Nu breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: “Uwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!”—“Mijnheer de raadsheer;” zegt de koning, “verzoek een gunstbewijs voor u.”—“Uwe Majesteit,” zeg ik, “kinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor ’t overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.”—“Zooals gij wilt,” zegt de koning. “Maar onthoudt dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.” Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.”—“Dat ’s braaf van u!” zegt bakker Witt. “Maar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal ’t achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebthemniet; hij heeftu, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijnwij’t. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.”—“Och, loop!” zeide oom Herse; “dat ’s geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;—neen, mijn raad is, dat wij ’t fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.”
De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. “Wat?” riep hij eindelijk uit, “dat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fiekenen Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?”
En... zoo was het.
Veertiende hoofdstuk.Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een’ opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamerinkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in ’t geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: “Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?” De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: “Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!”—Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: “Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!”—Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een’ treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;—maar ’t is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. “Kindlief,” zeide de oude heer, “dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? “Est solamen miseris socios habuisse malorum.” ’k Zal dat later wel eens voor u vertalen.—Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.”Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: “Wel, hoe vindt gij ’t, Netje?”—Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,—maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.“Mijnheer de baljuw,” zeide Fieken, “mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen.”—“Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!” vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.—“Mijnheer, mijn vader is onschuldig,” ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.—“Dat hij dat is, weet ik, mijn kind,” zeide de oude heer en knikte met het hoofd. “En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt,” sprak Fieken.—“Hm? Ja! Dat is te zeggen, ’t zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweldvoor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en ’t is nog erger, als de goede wil ontbreekt.”—“Daarvoor ben ik niet bang,”viel Fieken hier schielijk op in; “vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.”—“Lief kind,” hernam de oude heer en schudde het hoofd; “gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; ’t zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.”—“Mijnheer! ’k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen.”—“Een brief van vrijgeleide?” vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. “Mijn lieve kind,datvolk zal zich niet veel aan zoo’n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?” en hij wendde zich om, naar mijne moeder, “als ik haar eens zoo’n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.—En gij zegt,” zoo sprak hij weder tot Fieken, “dat uw neef Hendrik met u wil gaan?”—“Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang.”—“Roep hemeensbinnen!”Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, vandiesoort, die men bij ons in den oogsttijd van ’s morgens, klokke zes, tot ’s avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof ’t eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon,” vroeg de oude heer, “wilt gij metFiekengaan?” “Ja, mijnheer.” “En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?” “Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.”—“Mijnheer de baljuw!” riep mijne moeder, “help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!”—“’t Is waar, kindlief, ’t is waar! Ja, ik wil een’ brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.—Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder, “wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is ’t lastig, ze te moeten missen.”—“Frits,” zei de vrouw van den baljuw tot mij, “loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.”Nu ging men aan ’t pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: “Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?” “Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en ’k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als ’t naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde.” “Mijn zoon,” zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: “vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!”—Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: “’t Is een prachtig meisje, kindlief!”—“Wat heeft de baljuw je gezegd?” vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. “Och, hij zeî maar zoo wat,” sprak Hendrik. “Maar, je zult koû vatten!” voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. “De burgemeester heeft de plaat gepoetst!” riep hij langs de straat. “De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een’ wenk gegeven, en, roef! was hij weg.”—“Jongen, wat praat je?” zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.—“Ja, buurvrouw,” zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; “de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dattusschende schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn’ geweerkolf gekitteld heeft.”Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: “de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!” en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. “Mevrouw Reuter!” riep hij. “Schrik niet!—Mijnheer de baljuw! ’t Is wat goeds!—’t Is wat goeds, mevrouw Weber!—Mamsel Westphalen, hoe is ’t mogelijk!—Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!”—Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: “Luth,” riep hij, “man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen.”—De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!”—“Mijnheer de baljuw,” riep Luth en liet zich schudden, “geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.”“FritsSahlmann? Mijn Frits Sahlmann?” vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.—“Mijnheer de baljuw,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard: “zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan.” “Waar is de jongen?” vroeg de baljuw.—“Hij staat hier buiten, op de gang,” antwoordde Luth.Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: “Frits! FritsSahlmann, kom hier eens binnen!”—Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een’ onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en ’t scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in ’t oog vallen moest.—“Frits Sahlmann,” vroeg de oude heer, “wat is dat alles?”—Frits Sahlmann, die in ’t geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. “O, ’t is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei.”—“De hemel beware ons!” riep de vrouw van den baljuw, “wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?”—“Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een’ stompen bezem over heen,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard.—“Jongen,” sprak de baljuw; “zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zeide Frits en keek weder op, “hij is hun ontsnapt!”—“Leugens!” riep mamsel Westphalen er tegen in. “Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?”—“Vertel het, Frits!” zeide de oude man, en Frits vertelt.’t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ookdieverloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij ’t zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: “Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?” Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: “Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien.” Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: “En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om deekklipagerond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.”—“En de Franschen?” vroeg de oude heer.—“O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.” “Kindlief,” riep de oude baljuw, “die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!”—Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn’ vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in ’t geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?’t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;—ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,—een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij ’t laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: “Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.”—“En ik, mijnheer de baljuw,” sprak Luth, “wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.”—De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: “Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.”
Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!
Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een’ opgewekten geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamerinkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.
De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in ’t geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: “Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?” De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: “Dit is toch eene zeer zonderlinge zaak!”—Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: “Moeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen!”—Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.
Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een’ treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven;—maar ’t is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.
Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.
Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. “Kindlief,” zeide de oude heer, “dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? “Est solamen miseris socios habuisse malorum.” ’k Zal dat later wel eens voor u vertalen.—Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.”
Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: “Wel, hoe vindt gij ’t, Netje?”—Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,—maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.
“Mijnheer de baljuw,” zeide Fieken, “mijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te komen.”—“Wat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!” vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende.—“Mijnheer, mijn vader is onschuldig,” ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.—“Dat hij dat is, weet ik, mijn kind,” zeide de oude heer en knikte met het hoofd. “En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt,” sprak Fieken.—“Hm? Ja! Dat is te zeggen, ’t zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweldvoor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en ’t is nog erger, als de goede wil ontbreekt.”—“Daarvoor ben ik niet bang,”viel Fieken hier schielijk op in; “vrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.”—“Lief kind,” hernam de oude heer en schudde het hoofd; “gij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten; ’t zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.”—“Mijnheer! ’k wou ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan kon ons niets kwaads overkomen.”—“Een brief van vrijgeleide?” vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. “Mijn lieve kind,datvolk zal zich niet veel aan zoo’n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?” en hij wendde zich om, naar mijne moeder, “als ik haar eens zoo’n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.—En gij zegt,” zoo sprak hij weder tot Fieken, “dat uw neef Hendrik met u wil gaan?”—“Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang.”—“Roep hemeensbinnen!”
Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, vandiesoort, die men bij ons in den oogsttijd van ’s morgens, klokke zes, tot ’s avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof ’t eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon,” vroeg de oude heer, “wilt gij metFiekengaan?” “Ja, mijnheer.” “En wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven?” “Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.”—“Mijnheer de baljuw!” riep mijne moeder, “help hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!”—“’t Is waar, kindlief, ’t is waar! Ja, ik wil een’ brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.—Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder, “wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is ’t lastig, ze te moeten missen.”—“Frits,” zei de vrouw van den baljuw tot mij, “loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.”
Nu ging men aan ’t pakken; het was spoedig in orde, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: “Gij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?” “Ja, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en ’k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als ’t naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde.” “Mijn zoon,” zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne: “vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!”—Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: “’t Is een prachtig meisje, kindlief!”—
“Wat heeft de baljuw je gezegd?” vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. “Och, hij zeî maar zoo wat,” sprak Hendrik. “Maar, je zult koû vatten!” voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.
Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. “De burgemeester heeft de plaat gepoetst!” riep hij langs de straat. “De burgemeester is op den bruine van den ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een’ wenk gegeven, en, roef! was hij weg.”—“Jongen, wat praat je?” zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.—“Ja, buurvrouw,” zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; “de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dattusschende schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn’ geweerkolf gekitteld heeft.”
Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: “de burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!” en de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. “Mevrouw Reuter!” riep hij. “Schrik niet!—Mijnheer de baljuw! ’t Is wat goeds!—’t Is wat goeds, mevrouw Weber!—Mamsel Westphalen, hoe is ’t mogelijk!—Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!”—Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: “Luth,” riep hij, “man, bedenk u toch! Wij zijn hier niet gestemd voor grappen.”—De vrouw van den baljuw ging vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat stijf en strak en zeide: “Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!”—“Mijnheer de baljuw,” riep Luth en liet zich schudden, “geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.”
“FritsSahlmann? Mijn Frits Sahlmann?” vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende.—“Mijnheer de baljuw,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard: “zooals de een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als zijn neus en de maan.” “Waar is de jongen?” vroeg de baljuw.—“Hij staat hier buiten, op de gang,” antwoordde Luth.
Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: “Frits! FritsSahlmann, kom hier eens binnen!”—Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een’ onweêrsbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de andere hield hem terug, en ’t scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in ’t oog vallen moest.—“Frits Sahlmann,” vroeg de oude heer, “wat is dat alles?”—Frits Sahlmann, die in ’t geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. “O, ’t is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje droge klei.”—“De hemel beware ons!” riep de vrouw van den baljuw, “wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?”—“Daar moeten Fiek en Carolien, ieder met een’ stompen bezem over heen,” zeide mamsel Westphalen heel bedaard.—“Jongen,” sprak de baljuw; “zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zeide Frits en keek weder op, “hij is hun ontsnapt!”—“Leugens!” riep mamsel Westphalen er tegen in. “Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?”—“Vertel het, Frits!” zeide de oude man, en Frits vertelt.
’t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ookdieverloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij ’t zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: “Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?” Baas Tröpner, gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: “Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles heb aangezien.” Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden: “En aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om deekklipagerond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.”—“En de Franschen?” vroeg de oude heer.—“O, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.” “Kindlief,” riep de oude baljuw, “die kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!”—Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.
Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn’ vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt er in ’t geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?
’t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;—ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger,—een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij ’t laatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: “Frits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.”—“En ik, mijnheer de baljuw,” sprak Luth, “wil naar Gulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.”—De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: “Gij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.”