Uit den Franschen tijd.

Uit den Franschen tijd.Eerste hoofdstuk.Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen:”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:“Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nogjijenjougenoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer,“dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar datging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud,datmoeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, alsikbankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben,diewil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’tiswaar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aandienkerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,”antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om denanderenzoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor tesakkerbleuenen met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijncalefactorwas en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,”zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss,komtgij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uitdoor den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.Tweede hoofdstuk.Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijdDroiin plaats van Droz, daar zij meent, datDroizuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheerDroi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheerDroi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat”en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“FritsSahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijnecommoditeitenhier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waarikblijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook hetbeste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Pag. 504.“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt!alt, Frederik!—Gij hebtvergisterendat kameraad zijncheval; dat staan in delogisvoor de kleinepoules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, ommeête rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaaralleenzóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goedloopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan detafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde,“want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”Derde hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig,mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemangewas nu zijnepatrie, en hij wastout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer,“ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleinegarçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij ernietsaan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.“Welnu,” zeide mamsel Westphalen,“laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”FritsSahlmanngaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hemlui-même,”zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hijbon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichtezig-zagmet rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi,“dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op demarché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamergebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en watdan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van denchasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeftzijte kijken? Wat hebtgijte kijken? En wat ishierte kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?”“Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak:“domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.

Uit den Franschen tijd.Eerste hoofdstuk.Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen:”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:“Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nogjijenjougenoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer,“dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar datging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud,datmoeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, alsikbankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben,diewil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’tiswaar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aandienkerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,”antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om denanderenzoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor tesakkerbleuenen met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijncalefactorwas en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,”zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss,komtgij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uitdoor den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.Tweede hoofdstuk.Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijdDroiin plaats van Droz, daar zij meent, datDroizuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheerDroi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheerDroi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat”en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“FritsSahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijnecommoditeitenhier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waarikblijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook hetbeste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Pag. 504.“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt!alt, Frederik!—Gij hebtvergisterendat kameraad zijncheval; dat staan in delogisvoor de kleinepoules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, ommeête rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaaralleenzóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goedloopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan detafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde,“want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”Derde hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig,mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemangewas nu zijnepatrie, en hij wastout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer,“ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleinegarçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij ernietsaan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.“Welnu,” zeide mamsel Westphalen,“laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”FritsSahlmanngaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hemlui-même,”zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hijbon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichtezig-zagmet rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi,“dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op demarché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamergebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en watdan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van denchasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeftzijte kijken? Wat hebtgijte kijken? En wat ishierte kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?”“Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak:“domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.

Uit den Franschen tijd.Eerste hoofdstuk.Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen:”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:“Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nogjijenjougenoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer,“dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar datging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud,datmoeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, alsikbankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben,diewil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’tiswaar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aandienkerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,”antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om denanderenzoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor tesakkerbleuenen met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijncalefactorwas en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,”zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss,komtgij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uitdoor den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.Tweede hoofdstuk.Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijdDroiin plaats van Droz, daar zij meent, datDroizuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheerDroi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheerDroi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat”en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“FritsSahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijnecommoditeitenhier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waarikblijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook hetbeste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Pag. 504.“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt!alt, Frederik!—Gij hebtvergisterendat kameraad zijncheval; dat staan in delogisvoor de kleinepoules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, ommeête rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaaralleenzóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goedloopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan detafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde,“want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”Derde hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig,mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemangewas nu zijnepatrie, en hij wastout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer,“ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleinegarçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij ernietsaan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.“Welnu,” zeide mamsel Westphalen,“laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”FritsSahlmanngaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hemlui-même,”zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hijbon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichtezig-zagmet rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi,“dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op demarché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamergebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en watdan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van denchasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeftzijte kijken? Wat hebtgijte kijken? En wat ishierte kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?”“Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak:“domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.

Eerste hoofdstuk.Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen:”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:“Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nogjijenjougenoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer,“dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar datging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud,datmoeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, alsikbankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben,diewil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’tiswaar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aandienkerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,”antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om denanderenzoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor tesakkerbleuenen met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijncalefactorwas en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,”zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss,komtgij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uitdoor den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.

Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.

Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.

Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen:”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.

’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.

Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”

Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:“Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”

Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.

Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nogjijenjougenoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer,“dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar datging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud,datmoeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, alsikbankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben,diewil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’tiswaar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aandienkerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,”antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.

De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om denanderenzoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”

Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor tesakkerbleuenen met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijncalefactorwas en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”

Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—

“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.

Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.

De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,”zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss,komtgij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.

Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uitdoor den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”

Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.

Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.

Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.

Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.

De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.

Tweede hoofdstuk.Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijdDroiin plaats van Droz, daar zij meent, datDroizuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheerDroi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheerDroi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat”en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“FritsSahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijnecommoditeitenhier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waarikblijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook hetbeste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Pag. 504.“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt!alt, Frederik!—Gij hebtvergisterendat kameraad zijncheval; dat staan in delogisvoor de kleinepoules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, ommeête rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaaralleenzóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goedloopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan detafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde,“want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”

Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.

Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.

Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijdDroiin plaats van Droz, daar zij meent, datDroizuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheerDroi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheerDroi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat”en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“FritsSahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”

Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.

Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.

Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijnecommoditeitenhier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—

“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.

“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.

Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”

“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”

Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waarikblijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook hetbeste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.

Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!Pag. 504.

Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!

Pag. 504.

“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”

Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt!alt, Frederik!—Gij hebtvergisterendat kameraad zijncheval; dat staan in delogisvoor de kleinepoules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”

Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, ommeête rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”

Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.

Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaaralleenzóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goedloopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.

Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan detafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”

Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”

Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.

Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.

De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”

“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde,“want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”

Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”

Derde hoofdstuk.Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig,mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemangewas nu zijnepatrie, en hij wastout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer,“ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleinegarçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij ernietsaan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.“Welnu,” zeide mamsel Westphalen,“laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”FritsSahlmanngaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hemlui-même,”zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hijbon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichtezig-zagmet rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi,“dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op demarché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamergebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en watdan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van denchasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeftzijte kijken? Wat hebtgijte kijken? En wat ishierte kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?”“Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak:“domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.

Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.

Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.

Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig,mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemangewas nu zijnepatrie, en hij wastout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer,“ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleinegarçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij ernietsaan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.

“Welnu,” zeide mamsel Westphalen,“laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”

FritsSahlmanngaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hemlui-même,”zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hijbon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichtezig-zagmet rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi,“dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op demarché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”

En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamergebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.

De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en watdan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.

Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.

Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.

Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.

Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.

Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van denchasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.

In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeftzijte kijken? Wat hebtgijte kijken? En wat ishierte kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?”“Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak:“domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.


Back to IndexNext