Vierde hoofdstuk.

Vierde hoofdstuk.Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’nchasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mijdaartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die achtgroschenheb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’tnietis, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open!Dienmensch zendt ons onze lieve Heer;diebrengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept:“Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! metdiezaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.Vijfde hoofdstuk.Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss,vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleinelieu,” en de Franschen reden verder.“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge nietbinnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.Zesde hoofdstuk.Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haarniet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar hadmoeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelveverdiendhebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzenmijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij:“Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij tochheeren kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel alseen roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komtdatu onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.Zevende hoofdstuk.Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestantde zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar!Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor.Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot hetdeugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede,“de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?”vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of anderding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw:“York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Hersevóórde gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”

Vierde hoofdstuk.Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’nchasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mijdaartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die achtgroschenheb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’tnietis, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open!Dienmensch zendt ons onze lieve Heer;diebrengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept:“Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! metdiezaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.Vijfde hoofdstuk.Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss,vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleinelieu,” en de Franschen reden verder.“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge nietbinnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.Zesde hoofdstuk.Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haarniet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar hadmoeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelveverdiendhebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzenmijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij:“Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij tochheeren kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel alseen roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komtdatu onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.Zevende hoofdstuk.Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestantde zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar!Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor.Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot hetdeugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede,“de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?”vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of anderding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw:“York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Hersevóórde gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”

Vierde hoofdstuk.Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’nchasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mijdaartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die achtgroschenheb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’tnietis, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open!Dienmensch zendt ons onze lieve Heer;diebrengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept:“Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! metdiezaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.Vijfde hoofdstuk.Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss,vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleinelieu,” en de Franschen reden verder.“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge nietbinnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.Zesde hoofdstuk.Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haarniet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar hadmoeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelveverdiendhebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzenmijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij:“Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij tochheeren kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel alseen roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komtdatu onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.Zevende hoofdstuk.Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestantde zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar!Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor.Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot hetdeugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede,“de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?”vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of anderding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw:“York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Hersevóórde gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”

Vierde hoofdstuk.Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’nchasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mijdaartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die achtgroschenheb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’tnietis, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open!Dienmensch zendt ons onze lieve Heer;diebrengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept:“Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! metdiezaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.

Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.

Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.

Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.

De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”

De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.

Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’nchasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mijdaartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die achtgroschenheb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.

De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.

De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’tnietis, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.

Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”

Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open!Dienmensch zendt ons onze lieve Heer;diebrengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.

Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept:“Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! metdiezaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.

Vijfde hoofdstuk.Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss,vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleinelieu,” en de Franschen reden verder.“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge nietbinnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.

Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.

Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.

“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss,vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.

Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.

Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleinelieu,” en de Franschen reden verder.

“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”

Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”

De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”

Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge nietbinnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”

Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”

“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”

De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.

Zesde hoofdstuk.Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haarniet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar hadmoeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelveverdiendhebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzenmijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij:“Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij tochheeren kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel alseen roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komtdatu onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.

Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.

Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.

Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.

Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haarniet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar hadmoeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelveverdiendhebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.

In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.

De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzenmijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij:“Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij tochheeren kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.

Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”

De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel alseen roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komtdatu onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”

De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”

De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”

Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.

Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.

De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.

Zevende hoofdstuk.Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestantde zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar!Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor.Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot hetdeugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede,“de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?”vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of anderding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw:“York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Hersevóórde gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”

Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.

Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.

Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestantde zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar!Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor.Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.

“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.

Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot hetdeugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.

“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede,“de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”

“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?”vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of anderding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw:“York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.

Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Hersevóórde gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.

Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”


Back to IndexNext