(58)Vgl. hetart.Tjoe.
(58)Vgl. hetart.Tjoe.
Tjoeis in Nederlandsch-Indië een ook bij de Europeanen algemeen bekende Chineesche naam voor een soort van sterken drank, dien de heer Lange,„het eiland Banka”, bl. 105,Chineesche araknoemt. Het is het Chineeschetsioe, dat in het Cantonsch dialekt alstsau, maar in andere dialekten ook alstsieu,tsjoeoftjoewordt uitgesproken. Volgens de woordenboeken beteekent het een drank uit rijst gedistilleerd, en is dus het Chineesche aequivalent voor het Japanschesaki; maar het wordt ook op andere sterke dranken en zelfs op wijn toegepast. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, indien wij bij den heer de Sturler, „Handboek v. d. Landbouw in N. O.-I.” op bl. 162lezen, dat de Chineezen op Java ook aan de saguweer den naam vantjoegeven.
Saguweer, om dit hier even in het voorbijgaan op te merken, is een der meest gebruikelijke namen voor den palmwijn of het gegiste sap dat van den arèn- of suikerpalm verkregen wordt. Men schrijft ook welsagoweer. De oorsprong van den naam is onbekend, doch het schijnt dat wij dien hebben overgenomen van de Portugeezen, die zoowel het sap als den boomsagueironoemen. Misschien is die naam afkomstig uit dezelfde Moluksche taal, waaruit ooktifar, onstijferen(zie opdat woord) afkomstig is. Zie Rumphius,„Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 59, en de Sturler, t. a. p. bl. 157, 161 v.
Een volkswoord waarvan de ware vorm en de juiste beteekenis even onzeker zijn als de oorsprong. Ik zou het hier niet vermelden, indien niet van Lennep in zijn „Zeemans Woordenboek” het stellig als een woord van Maleischen oorsprong had opgegeven. „Wanneer”, zegt hij, „men met de sloep over de modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen, 't welk uit hoofde der menigvuldige kaaimannen, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op demodderbank visschen, eene sloep zien vast zitten, roepen zij aan de Equipage toebohaya, 't welk in 't Maleischkaaimanbeteekent, ten einde men hen de sloep doe sleepen en zij er wat aan verdienen. Uit dit herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, een rumoermaker, eenbohamakernoemen.” Deze verklaring schijnt mij niets meer dan een vernuftige inval, waarvan men zeggen kan:se non é vero, é ben trovato.
De gissing van van Lennep is in strijd met de zekerheid die wij bezitten, dat de phrase „de bohay maken” reeds vóór 1573 in het Nederlandsch bekend was. Zij komt namelijk voor in den in genoemd jaar uitgegeven „Schat der Nederduytscher spraken” van Plantin. Zie daarover van Dale's „Nw. Ned. Wdbk.” in voce.
Ik noemde den vorm van het woord onzeker. Plantin schreef, zooals wij zagen,bohay, van Lennep schrijftboheiofboha, Franck, „Etym. Wdbk. der Ned. taal”boehaofboha, waarnevens hij ook de Nederduitsche en nieuw-Hoogduitsche vormenbuhé,buhai,bruhé,bruhaivermeldt. Van Dale zegt, dat men in de volkstaal ookboeha,boehaai, enz. hoort. In gedrukte stukken, de woordenboeken uitgezonderd, heb ik het woord slechts eenmaal aangetroffen, nam. in een schrijven van den Gouv.-Gen. Camphuys, dd. 27 Oct. 1688, bij de Jonge„Opkomst v. h. Ned. gezag in O.-I”, VIII, bl. 53. „Met het bohay van 'tgroot Javaansch leger... is het gansch in rook verdwenen”. Daarentegen hoorde ik het dikwijls uit den mond des volks, vooral in mijn geboorteplaats Dordrecht, maar dan gemeenlijkpoehauitgesproken. Voor het geslacht wordt gewoonlijk mannelijk opgegeven; door Camphuys wordt het woord als onzijdig gebruikt.
De eigenlijke beteekenis van het woord is ook bezwaarlijk vast te stellen. Plantin verklaartde bohay makendoor„faire beau semblant, dissimuler ou feindre”; Waesberge, „GrandDictionnaireFrançais-Flamen” (eveneens door v. Dale aangehaald)den boha makendoor„faindre et faire semblant d'avoir beaucoup a faire”. Volgens van Lennep isbohageschreeuw, geweld, rumoer. In de plaats van Camphuys zou men erophef,blufvoor in de plaats kunnen stellen.
De waarschijnlijkste verklaring van het woord is, dunkt mij, dat het slechts een natuurkreet is, een nabootsing van de natuurgeluiden, die bij een alarm, een getier, een uitkraaien van de beteekenis eener zaak worden vernomen. Daaruit laat zich dan ook het best verklaren, waarom er zooveel verscheidenheid in den vorm wordt waargenomen, en geene stellige beteekenis kan worden opgegeven.
Dit woord, sedert lang in de Maleische taal opgenomen om een priester aan te duiden, is het Portugeeschepadre, vader. Marsden voert het aan in zijn „Maleisch Woordenboek” en verklaart het: „een priester, een Europeesch geestelijke”. Men moet zich daardoor niet laten misleiden om te gelooven, dat padrealleenvan Europeesche geestelijken gebruikt wordt. Het beste bewijs van het tegendeel is het door Marsden zelven uit een Maleisch geschrift aangehaald voorbeeld: „Wij hebben eenen padri, Hadji Kasim genaamd.” Want Hadji Kasim is een Arabische naam.
Aan de hadji's en priesters, die zich in de Menangkabausche landen op Sumatra in 1803 aan het hoofd stelden der beweging, om den godsdienst te zuiveren en te hervormen, is door de Maleiers zelven den naam vanPadriesgegeven (zie de Stuers,„De vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra,” D. I, bl. 33), en deze naam is later, ik denk vooral door ons Europeanen, tot al de aanhangers der hervorming uitgebreid. In de Nederlandsche geschriften over Indië, beteekent dus Padries de ons vijandige partij op Sumatra, waarmede wij van 1821 tot 1838 in oorlog waren, en die, vooral door de heldhaftige verdediging van Bondjol in de geschiedenis van Ned.-Indië beroemd is.
De inlandsche soldaten in dienst der Engelsche regeering in Hindostan, worden door de Engelschen gewoonlijkSeapoyofSepoygenoemd; de Fransche vorm daarvan iscipaye. In navolging van dit laatste en tengevolge, zoo het schijnt, van de zonderlinge neiging bij ons volk om alle woorden, die het niet kent voor Fransch te houden en op Fransche wijze te spellen, schrijven sommige Nederlandsche schrijversCipay, b. v. de Boer, „Krijgs- en geschiedkundig overzicht van den Punjab”, bl. 260, 261. Anderen houden zich meer aan den Engelschen vorm, maar toch dikwijls met eenige afwijking. Zoo nemen b. v. van Dale, „Nw. Ned. Wdbk.” en de „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte den vorm Sipoys (meervoud) op, en de heer Steyn Parvé,„de Bijbel, de Koran en de Veda's”, D. I, bl. 12, 14 schrijft Sepay op. De beste schrijfwijze is sipahi, zooals geschreven wordt door Prof. Pijnappel in de„Bijdragen voor Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde”, D. II, bl. 130, in de vertaling van een Maleisch stuk, welks schrijver in den vormSoepeieene andere verbastering van het woord te aanschouwen gaf. De schrijfwijzesipahiheb ik ook nagevolgd o. a. in mijn„Java”, D. II, bl. 589. Zij houdt zich nauwkeurig aan den oorspronkelijken Perzischen vorm. In die taal issipahieenadjectief gevormd vansipahleger, evenalslasjkarivanlasjkar(zie opLaskar). Uit ditsipahiis bij samentrekking ookspahiontstaan, een naam der Turksche ruiters, waarover men Dozy's „Oosterlingen” inv.raadplege.
Velen schrijvengamĕlang(vgl. het gezegde oporang oetanentang), welke schrijfwijze in de volgende woorden gegispt wordt door Dr. Groneman „In den Kedaton”, bl. 4: „Waarom schrijven velen, die 't beter kunnen weten, nog altijd gamĕlang? 't Is 't werkwoordgamĕl(muziek maken,begeleidenmetmuziek) met het achtervoegselan, en degis dus geheel overtollig”. Men zou ook evenzoo kunnen vragen: „Waarom doen sommige schrijvers, die 't beter kunnen weten, het ten onrechte voorkomen als ware degamĕlaneen enkel instrument, terwijl het inderdaad een Javaansch orkest, een stel van Javaansche muziekinstrumenten vordert.”'t Is waar dat eengamĕlanvoor verschillende gelegenheden verschillend is samengesteld, maar dat is ook met onze orkesten het geval. Alleen is bij de Javaan de samenstelling zoowel wat het aantal spelers, en de keus der instrumenten betreft, voor verschillende gelegenheden aan vaste regelen onderworpen, en voeren de verschillende samenstellingenverschillende namen, waaraan de kenner ze dadelijk herkent. Verkeerd is het dus, wanneer de heer Gevers Deynoot, in zijne „Reis naar Oost-Indië”, bl. 79, van den Javaan zegt „de gamĕlang, die het best met een zeer zacht klokkenspel kan vergeleken worden, is zijn meest geliefdinstrument”.
Tegenwoordig zijn zulke verkeerde voorstellingen niet meer te vreezen: de gamĕlan is te dikwijls beschreven, de instrumenten waaruit zij bestaat zijn te zeer in onze ethnologische verzamelingen vertegenwoordigd, en te vaak op tentoonstellingen vertoond en bespeeld. Men zie b. v. den Catalogus der Nederlandsche koloniale afdeeling van de Tentoonstelling te Amsterdam van 1883, 2e groep, bl. 296. Eene uitvoerige, maar niet geheel van misstellingen vrije beschrijving der gamĕlans en daartoe behoorende instrumenten, gaf ik in mijn„Java”, D. I, bl. 468–480.
Zeer gebruikelijke vernederlandschte vorm (zie opRotting, bl. 239) van het Mal.-Javaanschepasar, markt of bazaar. Dit laatste woord, dat eigenlijk Perzisch is, maar ook door de Arabieren wordt gebruikt (zie Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes” in v.), heeft metpasareene overeenkomstdie waarschijnlijk bloot toevallig is. Marsden in zijn „Mal. Woordenbk.” en Roorda in zijn „Jav. Handwoordenboek” schijnenpasarenbazárvoor identisch te honden; doch hier is veel tegen te zeggen. Vooreerst schijnt de beteekenis niet geheel dezelfde te zijn, daarbazaareigenlijk hetoverdekte marktgebouw(zie Dozy, „Oosterlingen” in v.),pasar, evenals ons markt, in het algemeentijd en plaats voor de samenkomst ten handelschijnt te beduiden.Ten andere doet het gebruik vanpasarin het Javaansch, in verband met de overoude instelling derpasarweek(zie mijn„Java”, D. I, bl. 502), een ouderdom van dit woord vooronderstellen, die veel hooger opklimt dan de Perzisch-Arabische invloed. Ten derde is de overgang van den vorm geheel onaannemelijk.Bazaarzou in het Jav. en Mal. eenvoudigbadjarzijn geworden (zie van der Tuuk,„Bataksch leesboek” D. IV, bl. 211); want voor de verwisseling vanbmetpbestond hier geen reden, en dezāvan het Arab.-Perz. alfabet gaat in het Maleisch en Javaansch steeds indjover, zooals intradjoe(het Perz.trazoe),djakat(het Arab.zakáh),djimat(het Arab.ʾazîmah) enz.
Er bestaat in het Maleisch voormarktnog een tweede woordpekan, dat in het Javaanschpĕkĕnwordt uitgesproken en in de hooge taalpasarvervangt.
Paggeris gevormd van het Maleischepagar(Jav.pager), zooalspasservanpasar,dammervandamarenz. Het woord beteekent heining, heg, haag, wand, schutting, scheidsmuur, omtuining. Hoezeer het woord in Indië is vernederlandscht, blijkt uit het samengesteldepaggerkoffiezooals, in tegenstelling met de tuin- en boschkoffie, die koffie genoemd wordt, die, meestal onder de schaduw van pisangboomen, binnen de omheining der inlandsche kampongs groeit. Een in Indië zeer gebruikelijk en zuiver Nederlandsch maar toch nauwlijks in het moederland bekend woord,omwanding, omgeving door eenwand(59),heeft waarschijnlijk het voorbeeld gegeven voorompaggering, omgeving door eenpagger, dat evenzeer in algemeen gebruik is.
(59)Omwandingis in Indië, waar men van inlandsche gebouwen spreekt, een zeer gepast woord, daar eerst het geraamte van het huis wordt nedergezet, en dit, eerst nadat het dak daarop geplaatst is, met een wand van planken, bamboes of boomschors wordt omgeven. Zie van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 159. De Vries en Verwijs hebben in de tweede reeks van het „Nederlandsch Woordenboek” (beginnende met de letter O), kol. 737, het woordomwandingopgenomen, en vermelden kol. 754 het deelwoordomwand; maar beschouwen het werkwoordomwandenals ongebruikelijk. Al kan ik er niet dadelijk voorbeelden van geven, meen ik het toch ook wel eens gelezen te hebben.
(59)Omwandingis in Indië, waar men van inlandsche gebouwen spreekt, een zeer gepast woord, daar eerst het geraamte van het huis wordt nedergezet, en dit, eerst nadat het dak daarop geplaatst is, met een wand van planken, bamboes of boomschors wordt omgeven. Zie van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 159. De Vries en Verwijs hebben in de tweede reeks van het „Nederlandsch Woordenboek” (beginnende met de letter O), kol. 737, het woordomwandingopgenomen, en vermelden kol. 754 het deelwoordomwand; maar beschouwen het werkwoordomwandenals ongebruikelijk. Al kan ik er niet dadelijk voorbeelden van geven, meen ik het toch ook wel eens gelezen te hebben.
De langdurige en tot heden over het oostelijk deel des eilands gehandhaafde heerschappij van Portugal op Timor heeft natuurlijk aanleiding gegeven, dat op dat eiland onderscheidene Portugeesche woorden in zwang en zelfs in de taal der inlanders overgegaan zijn, die elders niet worden gebruikt. Zoo wordt het opperhoofd der zoogenaamde zwarte PortugeezenTenente-(verkorting vanLocotenenteofLugartenente)general, d. i.Luitenant-generaal, genaamd, en de leden der ongeregelde troepen-korpsen, die te Delli, Batoe gedeh en Manatoetoe dienst doen,Moradores, dat letterlijkinwoners,ingezetenenbeduidt. Ook voeren vele hoofden en regenten in het Portugeesch gedeelte van Timor, zelfs in officieele stukken, den titelDom(= het SpaanscheDon, en ook in het Port. in het meervoudDons), waarvan het vrouwelijkDonamisschien de grondvorm is, waaruit door verbastering de Maleischewoordennonaofnonna(zie opLiplap) ennonjaontstaan zijn.(60)De vorsten op Timor hebben veelal als districtshoofden rijksgrooten onder zich, die in het TimoreeschSikoheeten, maar meer algemeen onder denPortugeeschennaam vanfettorbekend zijn. Ook in Nederlandsche stukken over Timor komt dit woord telkens voor. Maar het heeft ook een meer algemeen gebruik; want op sommige eilanden worden ook deEuropeescheambtenaren bij het gewestelijk bestuur aldus genoemd. Dit laatste is een overblijfsel uit den tijd der Compagnie, toenfettor(in plaats van het in Europa gebruikelijkefactoor) dikwijls gebezigd werd van eenopziener van den handel, hethoofd eener factorie. Het woord is toen ook in het Maleisch overgegaan in den vormpétor, daar de Maleier defniet kan uitspreken.
In het Portugeesch luidt dit woord eigenlijkfeitor, eene verweeking van het Lat.factor, waarvan ook onsfactoor. Het beteekent in hetalgemeendader,bedrijver, maar heeft de bijzonderebeteekenis erlangd vanzaakwaarnemerofadministrateurvan een handelszaak, een fabriek of een landgoed (oadministradore negociadorde fazendaalheya).
(60)Nonawordt gebruikt voor een jong meisje ennonjavan een getrouwde vrouw. De inlanders gebruiken deze woorden niet enkel van mestiesche vrouwen, maar ook wel van dames van zuiver Europeesche afkomst. Zoo hoort men ze b. v. wel eens spreken van denonja residen.Signo(sienjo) is verbastering van het Port.senhor.
(60)Nonawordt gebruikt voor een jong meisje ennonjavan een getrouwde vrouw. De inlanders gebruiken deze woorden niet enkel van mestiesche vrouwen, maar ook wel van dames van zuiver Europeesche afkomst. Zoo hoort men ze b. v. wel eens spreken van denonja residen.Signo(sienjo) is verbastering van het Port.senhor.
Dammeris in de omgangstaal der Europeanen in Indië en in de werken over de Indische eilanden, de gewone, op de wijze vanpasser,paggeren vele andere dergelijke (zie opRotting) vernederlandschte vorm van het Maleische en Javaanschedamar, waardoor de tot fakkels gebruikte en ook voor het batikken (zie datart.) onmisbare hars van de damar-den (Dammara alba) en andere boomen wordt aangeduid. Men schrijft ook weldammar, b. v. Perelaer, „Ethnologische beschrijving der Dajaks”, bl. 189, waar de inzameling van de dammer (njatingbij de Dajaks) op Borneo wordt beschreven.
Dit woord behoort tot het Hollandsch dialect van Zuid-Afrika, of de zoogenaamde Afrikaander taal, en is waarschijnlijk daarin overgenomen uit het Maleisch, waaraan ook de woordenamper,baar,bakkleivoorbakkeleien,banjak, veelal afgekorttotbanjeofbaing(61),oorlam,sambalen andere ontleend zijn. Ik heb die woorden niet behandeld, tenzij ze ook in Nederland in gebruik zijn, maar wensch een paar opmerkingen te maken overtjambok, omdat het, ofschoon in het moederland niet gebruikelijk, dikwijls, zij het ook in zeer verschillende vormen in Nederlandsche geschriften over Zuid-Afrika voorkomt. Ziehier eerst enkele voorbeelden.Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 128: „Wij voorzagen ons van den noodigen voorraad zweepen entjambokken”. Ald. bl. 129: „Bij het uittrekken van zware vrachten uit rivieren of tegen hoogten, bezigt men, buiten de zweep, ook stokken met ijzeren punten of tanden voorzien, om door prikken of steken de ossen tot meerdere krachtsinspanning aan te sporen. Ook gebruikt men tot dit doel lange of korte karwatsen—tjambokken—van rhinoceros-huid vervaardigd, welke bijna onverslijtbaar is”. H. P. N. Mulder „Herinneringen uit Afrika”, bl. 69 v.: „De koetsier pakt zijne zweep, die verscheidene meters lang is,.... en weet danbehendig de voorste dieren te treffen, terwijl de tweede reiziger met een kort karwatsje van nijlpaardenvel vervaardigd, een zoogenaamdesjambok, de achterste ezels aandrijft”. Daniël Veth's „Reizen in Angola”, bl. 306: „De huid van den hippopotamus verschaft hun de grondstof voor een soort van zweepen, die zijachterossimboknoemen, en die bij het drijven der ossenwagens worden gebezigd”. Nog andere vormen van het woord leeren wij kennen uit Mansvelt's „Kaapsch Hollandsch Idioticon”, die het behandelt opsambok, bij verkortingsmok, en omschrijft als „een soort van karwats, bestaande uit een lange, dunne reep van de huid van een zeekoe (rivierpaard)(62), ookaapstert(63)genoemd. Om de achterossen van een span aan te sporen, bezigt men denachteros-ofhandsambok”. Dat op al deze plaatsen hetzelfde werktuig bedoeld wordt, al is nu eens de huid van een rhinoceros, dan eens die van een hippopotamus genoemd als de stof waaruit het vervaardigd is, kan, dunkt mij, aan geen twijfel onderhevig zijn. Het materiaal wordtwaarschijnlijk nu eens van den een, dan eens van den ander dezer pachydermen verkregen.
In de Maleische woordenboeken vinden wij het woord in de volgende vormen en met de daarachter gevoegde beteekenissen vermeld: bij Marsden (vert. van Elout)tjaboek, een zweep; bij Roorda v. Eysingatjabokh, zweep, geesel; bijCrawfurd:chabuk, a whip; bij Pijnappeltjaboek,tjamboek, zweep, entjĕmoek, geeselroede (met een vraagteeken). Het „JavaanschWdbk.” van Prof. Roorda, vermeldt de vormentjaboek,tjamboekensamboek, met de beteekeniszweep, en het „SoendaaschWdbk.” van den heer Oostingtjamboekentjamoek, met de beteekeniskarwats, soms ookrijtuigzweep.
Pijnappel, Roorda, Oosting,Crawfurden ook v. d. Tuuk, en Homan's „Handleiding voor 't Batav. Maleisch”, bl. 88, zijn allen van meening, dat het woord uit het Perzisch stamt, maar verschillen ook ten opzichte van den Perzischen vorm, dien de drie eerstgenoemdentjamboek, de beide laatstentjaboek(chabuk) schreven. Mansvelt vergelijkt ook een paar vermeende Perzische vormen, t. w.tsjoembahoftsjambah. In hetLexicon Persicumvan Vullers vind ik alleen den vormtjaboek(scutica,flagellum) en wel als een zeldzaam, slechts bij enkele schrijvers voorkomend en waarschijnlijk uit Hindostan stammend woord voor het gewonetâzijânahoftâzânah. Het schijnt mij derhalve nog lang zoo zeker niet dat de talenvan Maleischen stam werkelijk dit woord uit Perzië hebben ontvangen.
De verschillende vormen, wanneer wij het waarschijnlijk foutieve of enkel lokalesjimbokter zijde stellen, laten zich gemakkelijk verklaren en worden dadelijk erkend als door gewone letterverwisselingen benevens de insertie der liquidam(zie de artt.Amfioen,PampoesjesenBanaan), wanneer men ze in de volgende orde plaatst:tjabok,tjambok,sjambok,sambok,tjámok,tjĕmok,smok. Het verschil tusschentjabokentjaboekenz. is onwezenlijk.
De beteekenis is kennelijk noch bepaaldelijk eenzweep, noch bepaaldelijk eenkarwats, maar in het algemeen een werktuig om trekdieren aan te drijven en omvat dus beide. De Afrikaansche boeren hebben een lange zweep met een verbazend langen riem, waarmede zij zeer behendig elken os, van het uit veertien tot twintig bestaande span, die eene vermaning behoeft, weten te treffen, en bovendien een kort karwatsje dat alleen voor het aanzetten der achterste ossen bestemd is. Dit laatste noemen zijachterssambokofachterossambok, soms ookhandsambok, en daar voor de lange zweep het woordsambokeenigszins in onbruik schijnt geraakt te zijn, ook dikwijls enkelsambok.
(61)Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 174, 180. Mansvelt in zijn „Idioticon” schijnt alleen de verminkte vormenbanjeenbaingofbajangte kennen, maar dat ook banjak gebruikt wordt, blijkt uitSchüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 8 en 79.
(61)Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 174, 180. Mansvelt in zijn „Idioticon” schijnt alleen de verminkte vormenbanjeenbaingofbajangte kennen, maar dat ook banjak gebruikt wordt, blijkt uitSchüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 8 en 79.
(62)Van der Kellen in„T. v. h. A. G.”, 2e serie, D. IV, „Verslagen en Meded.”, bl. 490: „Van de Merwe wilde zich hier eenigen tijd ophouden om „zeekoeien te jachten”, wat, in gewoon Hollandsch overgebracht, zooveel zegt als: „rivierpaarden te jagen”.”
(62)Van der Kellen in„T. v. h. A. G.”, 2e serie, D. IV, „Verslagen en Meded.”, bl. 490: „Van de Merwe wilde zich hier eenigen tijd ophouden om „zeekoeien te jachten”, wat, in gewoon Hollandsch overgebracht, zooveel zegt als: „rivierpaarden te jagen”.”
(63)D. i. apestaart.
(63)D. i. apestaart.
Het Maleischesambal, in het Jav.sambĕluitgesproken, heeft sedert lang een soort van burgerrecht in onze taal gekregen, en is toch door van Dale niet opgenomen. Ik hoorde het als kind in de ouderlijke woning gebruiken van een toespijs bij vleesch, hoofdzakelijk bestaande uit komkommers die door middel van een daartoe ingericht mesje in zeer fijne reepjes worden gesneden of geschaafd. Volgens een oud recept werden zij daarna 24 uren in de pekel gelegd en vervolgens met bijvoeging van peperwortel en laurierbladen in een flesch gedaan, die verder met besten azijn werd gevuld.
In het Kaapsch-Hollandsch beteekentsambal, volgens Mansvelt's „Idioticon”: „een bij vleesch gebruikte toespijs, uit fijn gesneden uien, kweeperen, komkommers enz. bestaande en met azijn toebereid.” In het Maleisch en Javaansch heeft echtersambalgeene zoo tot eene enkele toespijs beperkte beteekenis. Het is een algemeene naam voor allerlei als toespijs bij de rijst gebruikte bereidselen, die onder een groote verscheidenheid van namen voorkomen. Gemalen Spaansche peper is meestal een hoofdbestanddeel. De sambals, die gebakken of gefruit worden, heetensambal goring. Bij de familiën uit Indië in Europa weergekeerd wordt vaak nog de rijsttafel aangerecht ende benoodigdheden voor de toespijzen, die echter niet altijd in gelijke volledigheid worden aangeboden, zijn in de voornaamste magazijnen van comestibles in onze groote koopsteden geregeld voorhanden. Wanneer men in deze familiën het woordsambalzonder specificatie hoort gebruiken, denkt men daarbij aan de Maleische beteekenis, die al de eindelooze verscheidenheden der toespijs bij de rijst omvat.
Padi(somspaddigeschreven) is de Maleische naam voor rijst in de aard, zooals zij halm voor halm met de padi-sikkel (ani-ani) gesneden, opgeschaard en ter markt gebracht wordt. De Javaansche vorm ispari. De samengestelde woordenpadi-sikkel,padi-oogst,padi-schuur,zaai-padien vele andere bewijzen, hoezeer dit woord in de taal der Nederlanders in Indië het burgerrecht heeft erlangd. De rijst komt echter ook gepeld en gereinigd in den handel en wordt dan in het Maleischbrasgenoemd. Dit woord is echter minder in gebruik bij de Europeanen, en vandaar het voor een met Indische eigenaardigheden minder vertrouwden Europeaan eenigszins vreemd verschijnsel, dat in handels-staten dikwijls naast eene zekere hoeveelheidpadi, ook eene zekere hoeveelheidrijstgenoemd wordt. De rijst heeftin de inlandsche talen, naar gelang der omstandigheden, verschillende namen. Zij heetpadizooals ze gesneden wordt,gabah, als ze van het stroo ontdaan, maar nog in den bolster is, gelijk zij gezaaid wordt,bras, wanneer ze ontbolsterd is, zooals zij gekookt wordt, ennasi(nassi), als zij gekookt is, zooals zij gegeten wordt.
Men onderscheidt van de rijst vier hoofdsoorten en tallooze verscheidenheden. Van de hoofdsoorten wordenoryza sativaenoryza praecoxgekweekt op velden die een groot deel van het jaar onder water worden gehouden, de algemeen bekendesawah's. Dit woord is Maleisch, Javaansch en Soendaasch en ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik. De namen voor de droge en hooggelegen gronden, waarop de derde soort,oryza montanaof bergrijst gekweekt wordt, Jav.tĕgal, Soend.tipar, Mal.ladang, worden niet zoo dikwijls van Europeanen gehoord. De vierde soort,oryza glutinosaof kleefrijst, Jav.kĕtan, heeft vele verscheidenheden, deels voor natte, deels voor droge kultuur geschikt, en wordt voornamelijk gebruikt tot bereiding vankwee-kwee(van het Soend.koewèh), zooals de Europeanen doorgaans het inlandschegebaknoemen.
Ritsje, veelal, in het meervoud,ritsjes, was eertijds in Ned.-Indië onder de Nederlanders de gewone naam der Spaansche peper ofcapsicum, die in het Jav. en Soend.lombokentjabé, in het Mal. ooktjiliheet(64). Over den oorsprong van ritsje zegt Rumphius,„Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 249: „De Portugeesche naam is in IndiënRecche, of gelijk wij lezenRetsje, waarvan komtrechearenrechead, d. i. allerhande vruchten in azijn en peekel ingeleid, 't welk nooit geschied zonder deze houwen. In 't Duits noemen wij zeRitsje, en de Ternatanen en AmboinezenRitsja”. Volgens de Clercq, „het Maleisch der Molukken”, zouRitjàin gebruik zijn in Menado en Banda, en zou men op TernateKoeroes, op Ambontjiligebruiken. Ten onrechte zeker beschouwt hij op het art.Ritjàdit woord als een soortnaam voorCapsicum pyramidale, terwijl hij toch het art.Koeroes, als een synoniem aanmerkt van dit laatste, ofschoon hij daaraan de beteekenis vancapsicumin het algemeen geeft.
Ik vind het woordreccheniet in de Portugeesche Woordenboeken, die ik op dit oogenblik kan raadplegen(65). Misschien is het een woord van Amerikaansche afkomst, door de Portugeezen naar deMolukken overgebracht.Miquel,„Flora van Ned.-Indië”, D. II, bl. 661, zegt, dat waarschijnlijk alle capsicum-soorten van Amerikaanschen oorsprong zijn. Maar, zoo laat hij volgen: „in Oost-Indië en den Sunda-Archipel zijn deze gewassen reeds sedert aloude tijden ingevoerd, zoodat Rumphius tot de meening overhelt, dat zij aldaar inlandsch zijn.” Als men de plaats bij Rumphius inziet, bemerkt men, dat hij niet slechts tot die meening overhelt, maar ze geheel omhelst. „Ik houd het,” zegt hij, „voor een inlands gewas, al van oude tijden door geheel Oost-Indiën bekend, en daar is niet een huisje of erfje zoo klein en niet een huisvader zoo arm, die maar een klein hoekje land bij zijn hutje heeft, ofhij gund denTchili-boom een plaats, omdat het een zoo algemeene specerij is, en in de dagelijkse kost noodig.” Dit neemt echter niet weg, dat Rumphius eenCapsicum occidentalekent, dat bij de Portugeezenpimentaofpimentâoheet en de eigenlijkeSpaanschepeper van ons Nederlanders is, „omdat het uit de nieuwe Spaansche landen is aangebracht.” Al nemen wij nu aan, dat slechts deze ééne soort door de Portugeezen naar de Molukken is overgebracht, dan zou daarmede toch de verbreiding van haren Amerikaanschen naam verbonden kunnen geweest zijn.
Datrecchein eenig verband zou staan met de Portugeesche woordenrechearenrecheado, zooals Rumphius' meening was, komt mij in ieder geval zeer onwaarschijnlijk voor.Rechearbeteekent nietinleggen, maar opvallen,volstoppen, het franschefarcir, of zooals hetPort. woordenboekvanDa Costa e Sáhet verklaart:„Encher de carne picado, de peine picada”. Voorrechead, dat geen woord is, moet men bij Rumphius waarschijnlijkrecheâolezen, dat vermoedelijk de beteekenisvulselhad. Echter heeft de tegenwoordige taal daarvoorrechêoofrecheio, doorDa Costa e Sáverklaard:„Carne,peixeou outro monjar picado com hervas, ovos e especes, com quese enchem aves, alcachofras etc.”,d. i. vleesch, visch of andere spijs bereid met kruiden, eieren en specerijen, waarmede vogels, artisjokken, enz. gevuld worden.
Ritsjesis thans niet alleen in Nederland onbekend, en ook inNed.-Indië, zoo het schijnt, in onbruik geraakt, maar het heeft zijn weg gevonden naar de Kaapkolonie, waar nog, volgens Mansvelt's „Idioticon”Rissies, verbasterd uitritjes, voor Spaansche peper in gebruik is.
(64)Ik geloof, dat de hier opgegeven namen algemeene voor alle capsicum-soorten zijn. In de soortnamen heerscht nog groote verwarring. Het ware wenschelijk, dat de geheele nomenclatuur der Ned.-Ind. plantennamen zorgvuldig herzien werd naar het beginsel der strenge onderscheiding van geslachts- en soortnamen. Ik veroorloof mij daaromtrent te verwijzen naar mijneInleiding op de „Bijdragen tot de kennis der Flora van Midden-Sumatra”(in het groote werk„Midden-Sumatra”, D. IV, 2e ged.), bl. 9.
(64)Ik geloof, dat de hier opgegeven namen algemeene voor alle capsicum-soorten zijn. In de soortnamen heerscht nog groote verwarring. Het ware wenschelijk, dat de geheele nomenclatuur der Ned.-Ind. plantennamen zorgvuldig herzien werd naar het beginsel der strenge onderscheiding van geslachts- en soortnamen. Ik veroorloof mij daaromtrent te verwijzen naar mijneInleiding op de „Bijdragen tot de kennis der Flora van Midden-Sumatra”(in het groote werk„Midden-Sumatra”, D. IV, 2e ged.), bl. 9.
(65)En waartoe niet behoort dat vanMoraes Silva, dat ik langen tijd in gebruik had van de bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en toen bijzonder leerde waardeeren.
(65)En waartoe niet behoort dat vanMoraes Silva, dat ik langen tijd in gebruik had van de bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en toen bijzonder leerde waardeeren.
Massakomt bij van Linschoten voor als naam van de foelie, die in het Fransch, Spaansch, Duitsch en nieuw-Latijnmacis, in het Engelschmace, in het Italiaansch gewoonlijkmace, doch ind'Ulloa's vertaling vande Barros,Decel. II, lib. 6, c. 7,mazza, en in het Portugeeschmaça. Van dit laatste ismassabij van Linschoten ongetwijfeld afkomstig. De plaats, „Itinerario”, bl. 90, luidt als volgt: „De notemuscaet heeft omheen een harde schulp gelijc hout, so dat die noot daer los in leyt, ende deze houte schille ofte schulpe is bedect ende becleet met muscaten bloemen, die menmassaheet.... Somtijds soo berst die foelie ofte massa; welcke is de oorsake dat altemet die noten sonder massa komen, ende wanneer men die note muscaten drooght, so gaeter die massa af, ende die coleur van root verandert in orangien coleur, gelijc men mach sien aan de massa die herwaerts overgebracht wort.” Dat ook de andere genoemde natiën ditwoord aan de Portugeezen verschuldigd zijn, acht ik zeer waarschijnlijk, ofschoon de overgang tot den vormmacismoeilijk te verklaren is.
Maar nog moeilijker is het van den oorsprong vanmaçazelf rekenschap te geven. Eertijds hield men het voor identisch met het Griekschemaker, bij Plinius,H. N.XII: 16macir(„Et macir ex India advehitur, cortex rubens radicis magnae, nomine arboris suae; qualis sit ea, incompertum habeo”). Uit die plaats volgt echter datmaciriets geheel anders moet zijn dan de foelie, zooals ook door Piso in „Mantissa aromatica” en Rumphius,„Amb. Kruydboek”, II, bl. 16, zeer wordt op den voorgrond gesteld. Echter moet men erkennen, dat eene verwarring van beide, in voorkomen, zoo het schijnt, wel eenigszins overeenkomende zaken niet zoo geheel ondenkbaar is.
Het is echter ook niet ondenkbaar, dat het woordmassaafstamt uit de taal der Bandaneezen, op wier eilanden de muskaatnoten het meest voorkomen. Van deze taal is ons zeer weinig bekend en de bevolking werd reeds door Koen verdreven en verstrooid. In de „Curieuse Aenmerckingen” van S. de Vries, I, bl. 125, leest men, dat de muskaatnooten op Banda door de inwonerspala di massagenoemd werden, en de bloemen, d. i. de foelie,buna pala. Volgens Rumphius t. a. p. heet de muskaatnoot op Banda en bij alle Maleierspela. „Het roode netjen”,dus gaat hij voort, „dat op de houten schaalen ligt, werd in 't nieuw-Latijn genaamdmacis” [over welks verschil vanmacerhij dan verder uitweidt], „maar 't woordmacisschijnt afkomstig te wezen van 't Javaanse woordmassa,gelijk zenoch op het Portugeesch heet. Hedendaags noemt men ze in 't MaleytsBonga-pala... op 't Nederduitsfoelyen muschaaten-bloemen... De regte Maleiers verstaan doorBonga-palade kleine bloempjes, ofte eigentlyke bloeizel van de Noteboom, dewelke zij gedroogt tot eenige medicyne bewaaren, en men kan ze genoegzaam bekoomen aan de zoorte, die men Pola-Boy noemt en voor 't manneken van de tamme nooteboom gehouden wert; daarentegen de foely noemen zesaronyofboncus-pala, d. i. scheede of zak van de Noot, en zeker dat met beter reden, want wat gelykenis heeft de foely met een bloem?”
In de aangehaalde plaatsen, zoo van de Vries als van Rumphius, zijn de namen uit de inlandsche talen aangehaald eenigszins misspeld of verbasterd(66), maar zij zijn gemakkelijk te verbeteren.
De muskaatnoot heet in het Maleisch nietpela, maarpala; in plaats vanbuna palaenbonga pala, moet menboenga palalezen, vanboenga, bloem enpala, muskaatnoot; in plaats vansarony, het bekendesarongofsaroeng, d. i. scheede of koker; in plaats vanboncusschrijve menboengkoes, omhulsel. Datboenga-palaen het nog in het Duitsch gebruikelijkeMuskatblüthegeheel verwerpelijke namen voor defoeliezijn en niets anders dan den bloesem der muskaatboomen kan aanduiden is ook, zooals wij zagen, reeds door Rumphius aangeduid. De foelie heeft niets met den bloesem te maken, maar is wat men thans gewoonlijk eenzaadmantelofzaaddek(arillus) noemt.
Wat nu de meening van Rumphius betreft, dat de naammassaJavaansch zou zijn, deze wordt geenszins door onze woordenboeken bevestigd. Deze zijn intusschen nog verre van volledig. Maar daar de muskaatboom op Java niet groeit, kunnen zijne producten ook niet wel oorspronkelijke Javaansche namen hebben; maar zullen ze wel door de Javanen genoemd zijn met de namen, die er in het land van herkomst aan gegeven worden. Behoort het woordmassawerkelijk in de inheemsche talen van den Archipel te huis, dan zullen wij het wel in de eerste plaats op Banda moeten zoeken. Ik acht het daarom zeer opmerkelijk dat bij de Vriespala di massaals de Bandaneesche naam vanden muskaatboom wordt opgegeven. Sommige lexicografen (b. v.Crawfurd) geven aanpalain de eerste plaats de algemeene beteekenis van vrucht. Mocht dus massa de naam van de foelie zijn, dan zou men misschienpala di massa, door devruchtofnoot in de foeliekunnen vertalen.
Ik wensch hier nog een woord bij te voegen over het Nederlandschefoelie, waarvan de oorsprong ook niet zoo dadelijk klaar is. Hetzelfde woord komt ook voor in de beteekenis van een dun blaadje of laagje metaal achter edelgesteenten en spiegels. (Hoogd.Folie). Ook de foelie van de muskaatnoot is een blaadje, zij het ook in geheel anderen vorm. Het woord stamt ongetwijfeld af van het LatijnscheFolium, niet rechtstreeks echter, maar door tusschenkomst van het midden-Latijnschefolia, Ital.foglia, en vooral van het Franschefeuille, waarmede foelie in vorm overeenkomt. Volgens Franck, „Etym. woordenboek”, moeten eenmaalfoglia di noci moscateenfeuille de macisin het Italiaansch en Fransch gebruikelijke uitdrukkingen zijn geweest.