Van een beroemd schilder.

Van een beroemd schilder.De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen, ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.Op den 13den dag dezer maand toch was te ‘s-Gravenhage een grijsaard onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw gediend.Die man was Johan van Oldenbarnevelt.Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden, doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij schuldig was of niet.En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan gedaan hebben kort na zijn dood!Hierover bekommerden echter de jongens zich niet,die we eenige dagen na het voorgevallene in ‘s-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de Hoogewoerds-poort ontmoeten.Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van Leidens burgerij.Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen iemand te wachten.„Zou hij ons gefopt hebben?” vraagt een gezonde jongen van omstreeks twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van Hendrik Matthijsen, den tapper.„Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?” is het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.„Ik weet het niet!” bromt deze.„Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen, omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!”Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: „Neen, hij weet het niet! Och, arme!”Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een koopman of comen is: „Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons wat gezegd?”„Daar komt hij! Daar komt hij!” roept thans Jan Willemsz. „Jongens, ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen, omdat hij zoo laat komt!”Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere jongens volgen hem.„Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest nog bij Vader in den moutmolen zijn!”„En mogen we?” vraagt Jasper.„Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!” zegt Rembrand en wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.„Hoe ver is het loopen, Rembrand?” vraagt Cornelis Gerrits.„Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?”„Wel, van hier!”„Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel in vijf minuten minder!”„Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?” vraagt Jasper.„Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester Brandius mij strafwerk gegeven heeft?”„Welja, voor je babbelen en spelen,” zegt Cornelis Claesz.„Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog aan heeft?”„Neen, jij wel?” vraagt Claesz.„o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er onder: „Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!” ik rolde het op en smeet het in den tuin!”„Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!” zegt Jan Willemsz. „Je hebt immers nog meer broers en zusters?”„Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die ik zet ….”„Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook zoo slecht?” roept Jasper.„Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat ….”„Omdat je liever poppekens teekent, hé?” spot Matthijs.„Maar stil, wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, de kladschilder?”„Zeg dat nog eens als je durft,” zegt Rembrand en plaatst zich met gebalde vuisten voor Matthijs.„Wat zeggen?” vraagt deze onnoozel.„Dat Swanenburg een kladschilder is!”„Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als Meesters! Wat geef ik er om?”„Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens teekenen!” roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij hem lachend: „Is het zoo niet, Rem?”„Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!” is het antwoord. „Vader wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning, ja, een geleerde!Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden honger!”„Maar wat wil jij dan worden?” vraagt Cornelis Claesz.„Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op den kop staan!”„Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de Kroonprins!” roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.„Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?” mompelt Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: „Ik dacht, dat er in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij eenschilder nog door, maar zooals hij … Neen, neen, er komt geen stuk van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!”Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten, dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:Dau-dau-deeren kwam ik tegenOp Sint Joris bruggetje,Met den pappot op haar ruggetje,Met den potlepel in haar hand;Zoo kwam Dau-dau-deeren in ’t land.Op hemzelf viel het woordje „land”, zoodat hij de zoeker zijn moest.Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes om weg te kruipen.Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de vijf jongens te wachten om gevonden te worden.Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaatszoo begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout, toen hij er uittrad.Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz., een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”„Ja, roep maar,” dacht Jan, „ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den dag kom!”Een oogenblik stilte.„Psst!—psst!”„Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen,” fluisterde hij daar boven op het hout.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was, en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den rand kwam, zei hij: „Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?”„Ik weet het niet,” antwoordde Jasper, „maar ik heb hem zelfs niet gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo gezellig!”„Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van beneden zien kan!”Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde, kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.„Met ons vieren kunnen we er niet op,” riep Jan.„We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden, dan gaan we samen naar huis!” zei Matthijs. De beide jongens daalden af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee „valsche” jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden, hen zien konden.„Waar ga-je heen?” riep eensklaps Cornelis Gerrits.De vier knapen stonden, stil en zagen rond.„Dat is Cornelis, die ons roept!” zei Jasper. „Cornelis, waar zit je dan toch? Kom voor den dag!”„Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja, ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!”„Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!” hernam Jasper,„En waarom ga je dan heen?”„Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi kompeer!” bromde Jan.Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd bezig was met teekenen.Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo leelijk had beet gehad.„Jij bent ook een lieve jongen,” riep Jasper.„Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat veranderen!” antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek hij echter om en zag al die menschen staan.„Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?” vroeg Swanenburg.„De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!”„En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?”„Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!”„Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf heb alles gezien, en ….”„Van wien heb je leeren teekenen, manneke?” vroeg een der andere Heeren.Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en diemet zijn vriend Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.„Van niemand, Sinjeur!” antwoordde Rembrand, die geen der beide Heeren kende.„Zoo van niemand! Hoe is je naam?”„Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!”„Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?”„Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft u een bestelling?”„En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?” vroeg Elsevier.„Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn makkers te spelen!”„Aardig spelen,” bromde Jasper, „Hij laat mij een uur in het kippenhok en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?”De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde met de woorden: „Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper, een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!”Drie jaren waren na dit voorval verloopen.Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog altijd ging Rembrand ter schole.Maar wat hij daar deed?o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel genoegen in zijn leerling had. Zijnlessen kende hij nooit, doch de Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens ernstig over Rembrand te onderhouden.„Nu,” zei Harmen ten laatste, „als de borst dan niet leeren wil en niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!”Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele gekleurd.Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na te teekenen.Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden, die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.—Aan dien anderen oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig, kleurenrijk tafereel was het.Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich aan den arbeid.De zon stak vreeselijk.Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der hooge iepen.De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der boerenwagens op.Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje, dat nog eenige verfrissching bracht.Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.Ze hinderden Rembrand niet, zoolang ….Stil, nu zag hij op!Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde zich verwijderen.„Komt die wolk ongelegen, jongen?” klonk het eensklaps.Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij er iets van bemerkt had.„Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en ….”„Ja, kereltje, het is jammer en ….het begint te regenen ook. Moet je ver loopen?”„Ik moet naar Leiden, Sinjeur!”„Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!”Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.„Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?” vroeg de Heer, die onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.„Neen, Sinjeur!”„Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel eenigszins!”Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: „En waarom spijt u dat, Sinjeur?”„Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!”„Verkoopen!” Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten, dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?„Verkoopen!” Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks had hij dat woord gehoord, of hij zei: „Ik ben nooit in Den Haag geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen komt men te Rome, zegt mijn petemeu!”„Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!”Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken, dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets beters dan een kladschilder te zien.Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel van Rembrand.„Nu,” zei Vader Harmen, „als Moeder je ook al gaat helpen, jongen, dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!”Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er gebeurd was.Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord van Swanenburg was: „Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig waarop dit alles uitloopen zal!”Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam naar Zwolle.En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,—hoe heette die voorname kunstkenner ook weer?—o ja, van der Velden, wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn, en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest, en daarom had zij gezegd: „Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?”„o, Ja, Moeder!”„Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?”„Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!”„Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar eengulden of tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik wel opgemerkt!”„Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!”„Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!”„Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei …..”„Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder, jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen, vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen, zal ik?”Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar „goeden morgen” en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart op weg.Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.Daar naderde hem een werkman.„Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der Velden woont?” vroeg Rembrand.„Ik ken dien Heer niet!” antwoordde de werkman.Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan, leunde een knecht tegen den post.Rembrand naderde, groette beleefd en zei: „Och, Sinjeur, kan u mij ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?”De knecht lachte en sprak: „Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer te loopen! Je bent er net!”Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden en vroeg nu: „Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar Mijnheer van der Velden hier ergens woont?”„Je bent toch rondom een geluksvogel,” sprak de knecht.„Mijnheer van der Velden woont hier!”„En is Mijnheer thuis?”„Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?”„Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge dat eens geven wildet!”„Kom er dan maar in,” zei de knecht, „en ga hier maar in deze kamer, maar ….”De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.„Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!” sprak Rembrand, zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen de kamer in.Of het mooi was in die zaal?Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk, en stelde „Salomo’s eerste recht” voor.Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen, dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.„Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje,” zei de dame op een toon van verrassing.Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.De heer en de dame lachten.„Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?” vroeg deHeer van der Velden.„Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen, Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!” antwoordde Rembrand erg zenuwachtig en met tal van allerlei grappige buigingen.„En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?”„O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!”„Ik ken hem zelfs niet eens bij naam,” sprak thans de dame.„Zijn vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!”„Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!” zei de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand keerende, vroeg hij: „En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?”Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: „Tien gulden, Mijnheer!”„Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?” vroeg de Heer.„Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!”„Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd hebben?”Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging der dame bracht hij er hortend en stootend uit: „Vijfentwintig gulden voor de drie samen, Mijnheer!”„Het is goed,” antwoordde de Heer van der Velden. „Ik zal het geld gaan halen!”Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: „Jonkman, ik moet je wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel; maar tochdoe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam, of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen, en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen; maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet, dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet opnieuw den klopper op de deur vallen.De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de schoenen aantrok en den zoogenaamden „stikkenzak” medenam.In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?—Wacht, dicht bij den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen zien staan, met het opschrift: „Rijd van Leyden naer Den Haghe, viese verse.” Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw en veilig te Leiden komen!Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voermanbezig was de paarden voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand er in en zette zich in een hoekje. De „stikkenzak” was spoedig open en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over de straatkeien naar Leiden.De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel maar rond te kijken zonder een woord te spreken.Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de uitspanning „Het huis Ten Deil” gekomen was, ophield.De passagiers en de voerman gingen een „potjen bier” drinken, doch Rembrand bleef zitten.„Kijk hém daar! Kijk hém daar!” riepen eenige kwâjongens, die er altijd geweest zijn.„Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken jagen!” schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard moest wel volgen, of het wilde of niet.De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.„Help, Help!” gilde Rembrand in duizend angsten.Te vergeefs, niemand hielp!Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den wagen aankwam en waar de wagenaargebleven was, stapte Rembrand er uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar zijn huis.Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel schilder wilde worden.Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was, vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen, zuchtte hij: „Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!”Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig huis binnen.In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben, vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van schilderijen en prenten.Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen, bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend: „Kroonprins van de schildersbent” genoemd, werd, is een Meester geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias de Decker zong van hem:„Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,Van klim-op, altijd groen,Zoo heeft uw puik-penceel geen’ vreemde lofgezangen,Geen pen-getooi van doen.Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;’t Isdoor zich zelf vermaerd,En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,Als ’t vrije Neêrland vaert.”Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange, golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers neer.„Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken, dat we elkander hier zouden ontmoeten!” zegt een deftig burger, die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.„Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding van ’s Lands-advocaat beduiden!” spreekt onze oude kennis Matthijs Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te Leiden houdt.„Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat,” zegt thans de derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd „hanenboekskens” en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.„Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw Saskia zijn ook al dood, en …. maar stil, de Heer heeft mij wel zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!” zegt Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: „Komt, gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer waar mijn discipelen arbeiden!”Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den schouder des schilders leggende, zegt hij: „Hoejammer dat onze twee profeten dood zijn, Rembrand!”„Welke profeten?” vraagt Rembrand lachend.„Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?”„Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?”„Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd een Koning!”„Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen,” antwoordt Rembrand en duwt zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden, dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828, op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld, dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.„Dat is geen bloedig gedenkteeken,” sprak onze Koning Willem III, die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord, gesproken op zijn pas. Want hetiseen gedenkteeken voor een Koning, die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel, dan menigwerkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde door zwaard of kanon.

Van een beroemd schilder.De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen, ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.Op den 13den dag dezer maand toch was te ‘s-Gravenhage een grijsaard onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw gediend.Die man was Johan van Oldenbarnevelt.Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden, doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij schuldig was of niet.En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan gedaan hebben kort na zijn dood!Hierover bekommerden echter de jongens zich niet,die we eenige dagen na het voorgevallene in ‘s-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de Hoogewoerds-poort ontmoeten.Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van Leidens burgerij.Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen iemand te wachten.„Zou hij ons gefopt hebben?” vraagt een gezonde jongen van omstreeks twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van Hendrik Matthijsen, den tapper.„Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?” is het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.„Ik weet het niet!” bromt deze.„Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen, omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!”Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: „Neen, hij weet het niet! Och, arme!”Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een koopman of comen is: „Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons wat gezegd?”„Daar komt hij! Daar komt hij!” roept thans Jan Willemsz. „Jongens, ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen, omdat hij zoo laat komt!”Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere jongens volgen hem.„Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest nog bij Vader in den moutmolen zijn!”„En mogen we?” vraagt Jasper.„Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!” zegt Rembrand en wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.„Hoe ver is het loopen, Rembrand?” vraagt Cornelis Gerrits.„Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?”„Wel, van hier!”„Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel in vijf minuten minder!”„Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?” vraagt Jasper.„Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester Brandius mij strafwerk gegeven heeft?”„Welja, voor je babbelen en spelen,” zegt Cornelis Claesz.„Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog aan heeft?”„Neen, jij wel?” vraagt Claesz.„o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er onder: „Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!” ik rolde het op en smeet het in den tuin!”„Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!” zegt Jan Willemsz. „Je hebt immers nog meer broers en zusters?”„Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die ik zet ….”„Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook zoo slecht?” roept Jasper.„Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat ….”„Omdat je liever poppekens teekent, hé?” spot Matthijs.„Maar stil, wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, de kladschilder?”„Zeg dat nog eens als je durft,” zegt Rembrand en plaatst zich met gebalde vuisten voor Matthijs.„Wat zeggen?” vraagt deze onnoozel.„Dat Swanenburg een kladschilder is!”„Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als Meesters! Wat geef ik er om?”„Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens teekenen!” roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij hem lachend: „Is het zoo niet, Rem?”„Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!” is het antwoord. „Vader wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning, ja, een geleerde!Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden honger!”„Maar wat wil jij dan worden?” vraagt Cornelis Claesz.„Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op den kop staan!”„Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de Kroonprins!” roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.„Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?” mompelt Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: „Ik dacht, dat er in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij eenschilder nog door, maar zooals hij … Neen, neen, er komt geen stuk van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!”Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten, dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:Dau-dau-deeren kwam ik tegenOp Sint Joris bruggetje,Met den pappot op haar ruggetje,Met den potlepel in haar hand;Zoo kwam Dau-dau-deeren in ’t land.Op hemzelf viel het woordje „land”, zoodat hij de zoeker zijn moest.Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes om weg te kruipen.Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de vijf jongens te wachten om gevonden te worden.Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaatszoo begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout, toen hij er uittrad.Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz., een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”„Ja, roep maar,” dacht Jan, „ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den dag kom!”Een oogenblik stilte.„Psst!—psst!”„Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen,” fluisterde hij daar boven op het hout.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was, en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den rand kwam, zei hij: „Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?”„Ik weet het niet,” antwoordde Jasper, „maar ik heb hem zelfs niet gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo gezellig!”„Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van beneden zien kan!”Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde, kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.„Met ons vieren kunnen we er niet op,” riep Jan.„We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden, dan gaan we samen naar huis!” zei Matthijs. De beide jongens daalden af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee „valsche” jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden, hen zien konden.„Waar ga-je heen?” riep eensklaps Cornelis Gerrits.De vier knapen stonden, stil en zagen rond.„Dat is Cornelis, die ons roept!” zei Jasper. „Cornelis, waar zit je dan toch? Kom voor den dag!”„Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja, ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!”„Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!” hernam Jasper,„En waarom ga je dan heen?”„Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi kompeer!” bromde Jan.Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd bezig was met teekenen.Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo leelijk had beet gehad.„Jij bent ook een lieve jongen,” riep Jasper.„Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat veranderen!” antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek hij echter om en zag al die menschen staan.„Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?” vroeg Swanenburg.„De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!”„En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?”„Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!”„Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf heb alles gezien, en ….”„Van wien heb je leeren teekenen, manneke?” vroeg een der andere Heeren.Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en diemet zijn vriend Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.„Van niemand, Sinjeur!” antwoordde Rembrand, die geen der beide Heeren kende.„Zoo van niemand! Hoe is je naam?”„Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!”„Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?”„Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft u een bestelling?”„En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?” vroeg Elsevier.„Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn makkers te spelen!”„Aardig spelen,” bromde Jasper, „Hij laat mij een uur in het kippenhok en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?”De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde met de woorden: „Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper, een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!”Drie jaren waren na dit voorval verloopen.Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog altijd ging Rembrand ter schole.Maar wat hij daar deed?o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel genoegen in zijn leerling had. Zijnlessen kende hij nooit, doch de Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens ernstig over Rembrand te onderhouden.„Nu,” zei Harmen ten laatste, „als de borst dan niet leeren wil en niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!”Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele gekleurd.Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na te teekenen.Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden, die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.—Aan dien anderen oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig, kleurenrijk tafereel was het.Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich aan den arbeid.De zon stak vreeselijk.Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der hooge iepen.De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der boerenwagens op.Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje, dat nog eenige verfrissching bracht.Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.Ze hinderden Rembrand niet, zoolang ….Stil, nu zag hij op!Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde zich verwijderen.„Komt die wolk ongelegen, jongen?” klonk het eensklaps.Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij er iets van bemerkt had.„Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en ….”„Ja, kereltje, het is jammer en ….het begint te regenen ook. Moet je ver loopen?”„Ik moet naar Leiden, Sinjeur!”„Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!”Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.„Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?” vroeg de Heer, die onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.„Neen, Sinjeur!”„Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel eenigszins!”Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: „En waarom spijt u dat, Sinjeur?”„Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!”„Verkoopen!” Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten, dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?„Verkoopen!” Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks had hij dat woord gehoord, of hij zei: „Ik ben nooit in Den Haag geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen komt men te Rome, zegt mijn petemeu!”„Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!”Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken, dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets beters dan een kladschilder te zien.Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel van Rembrand.„Nu,” zei Vader Harmen, „als Moeder je ook al gaat helpen, jongen, dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!”Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er gebeurd was.Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord van Swanenburg was: „Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig waarop dit alles uitloopen zal!”Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam naar Zwolle.En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,—hoe heette die voorname kunstkenner ook weer?—o ja, van der Velden, wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn, en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest, en daarom had zij gezegd: „Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?”„o, Ja, Moeder!”„Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?”„Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!”„Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar eengulden of tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik wel opgemerkt!”„Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!”„Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!”„Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei …..”„Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder, jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen, vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen, zal ik?”Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar „goeden morgen” en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart op weg.Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.Daar naderde hem een werkman.„Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der Velden woont?” vroeg Rembrand.„Ik ken dien Heer niet!” antwoordde de werkman.Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan, leunde een knecht tegen den post.Rembrand naderde, groette beleefd en zei: „Och, Sinjeur, kan u mij ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?”De knecht lachte en sprak: „Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer te loopen! Je bent er net!”Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden en vroeg nu: „Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar Mijnheer van der Velden hier ergens woont?”„Je bent toch rondom een geluksvogel,” sprak de knecht.„Mijnheer van der Velden woont hier!”„En is Mijnheer thuis?”„Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?”„Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge dat eens geven wildet!”„Kom er dan maar in,” zei de knecht, „en ga hier maar in deze kamer, maar ….”De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.„Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!” sprak Rembrand, zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen de kamer in.Of het mooi was in die zaal?Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk, en stelde „Salomo’s eerste recht” voor.Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen, dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.„Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje,” zei de dame op een toon van verrassing.Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.De heer en de dame lachten.„Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?” vroeg deHeer van der Velden.„Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen, Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!” antwoordde Rembrand erg zenuwachtig en met tal van allerlei grappige buigingen.„En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?”„O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!”„Ik ken hem zelfs niet eens bij naam,” sprak thans de dame.„Zijn vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!”„Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!” zei de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand keerende, vroeg hij: „En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?”Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: „Tien gulden, Mijnheer!”„Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?” vroeg de Heer.„Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!”„Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd hebben?”Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging der dame bracht hij er hortend en stootend uit: „Vijfentwintig gulden voor de drie samen, Mijnheer!”„Het is goed,” antwoordde de Heer van der Velden. „Ik zal het geld gaan halen!”Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: „Jonkman, ik moet je wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel; maar tochdoe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam, of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen, en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen; maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet, dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet opnieuw den klopper op de deur vallen.De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de schoenen aantrok en den zoogenaamden „stikkenzak” medenam.In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?—Wacht, dicht bij den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen zien staan, met het opschrift: „Rijd van Leyden naer Den Haghe, viese verse.” Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw en veilig te Leiden komen!Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voermanbezig was de paarden voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand er in en zette zich in een hoekje. De „stikkenzak” was spoedig open en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over de straatkeien naar Leiden.De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel maar rond te kijken zonder een woord te spreken.Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de uitspanning „Het huis Ten Deil” gekomen was, ophield.De passagiers en de voerman gingen een „potjen bier” drinken, doch Rembrand bleef zitten.„Kijk hém daar! Kijk hém daar!” riepen eenige kwâjongens, die er altijd geweest zijn.„Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken jagen!” schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard moest wel volgen, of het wilde of niet.De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.„Help, Help!” gilde Rembrand in duizend angsten.Te vergeefs, niemand hielp!Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den wagen aankwam en waar de wagenaargebleven was, stapte Rembrand er uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar zijn huis.Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel schilder wilde worden.Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was, vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen, zuchtte hij: „Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!”Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig huis binnen.In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben, vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van schilderijen en prenten.Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen, bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend: „Kroonprins van de schildersbent” genoemd, werd, is een Meester geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias de Decker zong van hem:„Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,Van klim-op, altijd groen,Zoo heeft uw puik-penceel geen’ vreemde lofgezangen,Geen pen-getooi van doen.Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;’t Isdoor zich zelf vermaerd,En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,Als ’t vrije Neêrland vaert.”Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange, golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers neer.„Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken, dat we elkander hier zouden ontmoeten!” zegt een deftig burger, die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.„Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding van ’s Lands-advocaat beduiden!” spreekt onze oude kennis Matthijs Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te Leiden houdt.„Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat,” zegt thans de derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd „hanenboekskens” en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.„Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw Saskia zijn ook al dood, en …. maar stil, de Heer heeft mij wel zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!” zegt Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: „Komt, gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer waar mijn discipelen arbeiden!”Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den schouder des schilders leggende, zegt hij: „Hoejammer dat onze twee profeten dood zijn, Rembrand!”„Welke profeten?” vraagt Rembrand lachend.„Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?”„Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?”„Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd een Koning!”„Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen,” antwoordt Rembrand en duwt zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden, dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828, op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld, dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.„Dat is geen bloedig gedenkteeken,” sprak onze Koning Willem III, die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord, gesproken op zijn pas. Want hetiseen gedenkteeken voor een Koning, die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel, dan menigwerkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde door zwaard of kanon.

Van een beroemd schilder.

De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen, ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.Op den 13den dag dezer maand toch was te ‘s-Gravenhage een grijsaard onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw gediend.Die man was Johan van Oldenbarnevelt.Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden, doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij schuldig was of niet.En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan gedaan hebben kort na zijn dood!Hierover bekommerden echter de jongens zich niet,die we eenige dagen na het voorgevallene in ‘s-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de Hoogewoerds-poort ontmoeten.Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van Leidens burgerij.Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen iemand te wachten.„Zou hij ons gefopt hebben?” vraagt een gezonde jongen van omstreeks twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van Hendrik Matthijsen, den tapper.„Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?” is het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.„Ik weet het niet!” bromt deze.„Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen, omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!”Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: „Neen, hij weet het niet! Och, arme!”Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een koopman of comen is: „Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons wat gezegd?”„Daar komt hij! Daar komt hij!” roept thans Jan Willemsz. „Jongens, ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen, omdat hij zoo laat komt!”Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere jongens volgen hem.„Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest nog bij Vader in den moutmolen zijn!”„En mogen we?” vraagt Jasper.„Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!” zegt Rembrand en wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.„Hoe ver is het loopen, Rembrand?” vraagt Cornelis Gerrits.„Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?”„Wel, van hier!”„Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel in vijf minuten minder!”„Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?” vraagt Jasper.„Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester Brandius mij strafwerk gegeven heeft?”„Welja, voor je babbelen en spelen,” zegt Cornelis Claesz.„Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog aan heeft?”„Neen, jij wel?” vraagt Claesz.„o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er onder: „Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!” ik rolde het op en smeet het in den tuin!”„Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!” zegt Jan Willemsz. „Je hebt immers nog meer broers en zusters?”„Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die ik zet ….”„Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook zoo slecht?” roept Jasper.„Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat ….”„Omdat je liever poppekens teekent, hé?” spot Matthijs.„Maar stil, wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, de kladschilder?”„Zeg dat nog eens als je durft,” zegt Rembrand en plaatst zich met gebalde vuisten voor Matthijs.„Wat zeggen?” vraagt deze onnoozel.„Dat Swanenburg een kladschilder is!”„Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als Meesters! Wat geef ik er om?”„Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens teekenen!” roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij hem lachend: „Is het zoo niet, Rem?”„Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!” is het antwoord. „Vader wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning, ja, een geleerde!Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden honger!”„Maar wat wil jij dan worden?” vraagt Cornelis Claesz.„Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op den kop staan!”„Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de Kroonprins!” roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.„Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?” mompelt Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: „Ik dacht, dat er in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij eenschilder nog door, maar zooals hij … Neen, neen, er komt geen stuk van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!”Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten, dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:Dau-dau-deeren kwam ik tegenOp Sint Joris bruggetje,Met den pappot op haar ruggetje,Met den potlepel in haar hand;Zoo kwam Dau-dau-deeren in ’t land.Op hemzelf viel het woordje „land”, zoodat hij de zoeker zijn moest.Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes om weg te kruipen.Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de vijf jongens te wachten om gevonden te worden.Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaatszoo begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout, toen hij er uittrad.Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz., een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”„Ja, roep maar,” dacht Jan, „ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den dag kom!”Een oogenblik stilte.„Psst!—psst!”„Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen,” fluisterde hij daar boven op het hout.„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was, en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den rand kwam, zei hij: „Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?”„Ik weet het niet,” antwoordde Jasper, „maar ik heb hem zelfs niet gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo gezellig!”„Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van beneden zien kan!”Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde, kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.„Met ons vieren kunnen we er niet op,” riep Jan.„We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden, dan gaan we samen naar huis!” zei Matthijs. De beide jongens daalden af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee „valsche” jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden, hen zien konden.„Waar ga-je heen?” riep eensklaps Cornelis Gerrits.De vier knapen stonden, stil en zagen rond.„Dat is Cornelis, die ons roept!” zei Jasper. „Cornelis, waar zit je dan toch? Kom voor den dag!”„Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja, ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!”„Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!” hernam Jasper,„En waarom ga je dan heen?”„Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi kompeer!” bromde Jan.Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd bezig was met teekenen.Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo leelijk had beet gehad.„Jij bent ook een lieve jongen,” riep Jasper.„Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat veranderen!” antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek hij echter om en zag al die menschen staan.„Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?” vroeg Swanenburg.„De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!”„En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?”„Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!”„Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf heb alles gezien, en ….”„Van wien heb je leeren teekenen, manneke?” vroeg een der andere Heeren.Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en diemet zijn vriend Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.„Van niemand, Sinjeur!” antwoordde Rembrand, die geen der beide Heeren kende.„Zoo van niemand! Hoe is je naam?”„Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!”„Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?”„Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft u een bestelling?”„En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?” vroeg Elsevier.„Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn makkers te spelen!”„Aardig spelen,” bromde Jasper, „Hij laat mij een uur in het kippenhok en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?”De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde met de woorden: „Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper, een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!”Drie jaren waren na dit voorval verloopen.Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog altijd ging Rembrand ter schole.Maar wat hij daar deed?o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel genoegen in zijn leerling had. Zijnlessen kende hij nooit, doch de Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens ernstig over Rembrand te onderhouden.„Nu,” zei Harmen ten laatste, „als de borst dan niet leeren wil en niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!”Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele gekleurd.Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na te teekenen.Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden, die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.—Aan dien anderen oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig, kleurenrijk tafereel was het.Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich aan den arbeid.De zon stak vreeselijk.Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der hooge iepen.De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der boerenwagens op.Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje, dat nog eenige verfrissching bracht.Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.Ze hinderden Rembrand niet, zoolang ….Stil, nu zag hij op!Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde zich verwijderen.„Komt die wolk ongelegen, jongen?” klonk het eensklaps.Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij er iets van bemerkt had.„Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en ….”„Ja, kereltje, het is jammer en ….het begint te regenen ook. Moet je ver loopen?”„Ik moet naar Leiden, Sinjeur!”„Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!”Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.„Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?” vroeg de Heer, die onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.„Neen, Sinjeur!”„Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel eenigszins!”Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: „En waarom spijt u dat, Sinjeur?”„Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!”„Verkoopen!” Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten, dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?„Verkoopen!” Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks had hij dat woord gehoord, of hij zei: „Ik ben nooit in Den Haag geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen komt men te Rome, zegt mijn petemeu!”„Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!”Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken, dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets beters dan een kladschilder te zien.Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel van Rembrand.„Nu,” zei Vader Harmen, „als Moeder je ook al gaat helpen, jongen, dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!”Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er gebeurd was.Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord van Swanenburg was: „Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig waarop dit alles uitloopen zal!”Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam naar Zwolle.En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,—hoe heette die voorname kunstkenner ook weer?—o ja, van der Velden, wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn, en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest, en daarom had zij gezegd: „Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?”„o, Ja, Moeder!”„Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?”„Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!”„Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar eengulden of tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik wel opgemerkt!”„Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!”„Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!”„Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei …..”„Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder, jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen, vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen, zal ik?”Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar „goeden morgen” en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart op weg.Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.Daar naderde hem een werkman.„Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der Velden woont?” vroeg Rembrand.„Ik ken dien Heer niet!” antwoordde de werkman.Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan, leunde een knecht tegen den post.Rembrand naderde, groette beleefd en zei: „Och, Sinjeur, kan u mij ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?”De knecht lachte en sprak: „Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer te loopen! Je bent er net!”Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden en vroeg nu: „Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar Mijnheer van der Velden hier ergens woont?”„Je bent toch rondom een geluksvogel,” sprak de knecht.„Mijnheer van der Velden woont hier!”„En is Mijnheer thuis?”„Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?”„Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge dat eens geven wildet!”„Kom er dan maar in,” zei de knecht, „en ga hier maar in deze kamer, maar ….”De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.„Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!” sprak Rembrand, zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen de kamer in.Of het mooi was in die zaal?Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk, en stelde „Salomo’s eerste recht” voor.Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen, dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.„Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje,” zei de dame op een toon van verrassing.Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.De heer en de dame lachten.„Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?” vroeg deHeer van der Velden.„Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen, Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!” antwoordde Rembrand erg zenuwachtig en met tal van allerlei grappige buigingen.„En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?”„O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!”„Ik ken hem zelfs niet eens bij naam,” sprak thans de dame.„Zijn vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!”„Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!” zei de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand keerende, vroeg hij: „En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?”Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: „Tien gulden, Mijnheer!”„Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?” vroeg de Heer.„Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!”„Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd hebben?”Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging der dame bracht hij er hortend en stootend uit: „Vijfentwintig gulden voor de drie samen, Mijnheer!”„Het is goed,” antwoordde de Heer van der Velden. „Ik zal het geld gaan halen!”Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: „Jonkman, ik moet je wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel; maar tochdoe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam, of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen, en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen; maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet, dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet opnieuw den klopper op de deur vallen.De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de schoenen aantrok en den zoogenaamden „stikkenzak” medenam.In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?—Wacht, dicht bij den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen zien staan, met het opschrift: „Rijd van Leyden naer Den Haghe, viese verse.” Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw en veilig te Leiden komen!Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voermanbezig was de paarden voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand er in en zette zich in een hoekje. De „stikkenzak” was spoedig open en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over de straatkeien naar Leiden.De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel maar rond te kijken zonder een woord te spreken.Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de uitspanning „Het huis Ten Deil” gekomen was, ophield.De passagiers en de voerman gingen een „potjen bier” drinken, doch Rembrand bleef zitten.„Kijk hém daar! Kijk hém daar!” riepen eenige kwâjongens, die er altijd geweest zijn.„Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken jagen!” schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard moest wel volgen, of het wilde of niet.De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.„Help, Help!” gilde Rembrand in duizend angsten.Te vergeefs, niemand hielp!Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den wagen aankwam en waar de wagenaargebleven was, stapte Rembrand er uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar zijn huis.Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel schilder wilde worden.Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was, vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen, zuchtte hij: „Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!”Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig huis binnen.In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben, vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van schilderijen en prenten.Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen, bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend: „Kroonprins van de schildersbent” genoemd, werd, is een Meester geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias de Decker zong van hem:„Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,Van klim-op, altijd groen,Zoo heeft uw puik-penceel geen’ vreemde lofgezangen,Geen pen-getooi van doen.Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;’t Isdoor zich zelf vermaerd,En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,Als ’t vrije Neêrland vaert.”Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange, golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers neer.„Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken, dat we elkander hier zouden ontmoeten!” zegt een deftig burger, die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.„Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding van ’s Lands-advocaat beduiden!” spreekt onze oude kennis Matthijs Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te Leiden houdt.„Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat,” zegt thans de derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd „hanenboekskens” en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.„Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw Saskia zijn ook al dood, en …. maar stil, de Heer heeft mij wel zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!” zegt Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: „Komt, gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer waar mijn discipelen arbeiden!”Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den schouder des schilders leggende, zegt hij: „Hoejammer dat onze twee profeten dood zijn, Rembrand!”„Welke profeten?” vraagt Rembrand lachend.„Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?”„Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?”„Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd een Koning!”„Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen,” antwoordt Rembrand en duwt zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden, dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828, op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld, dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.„Dat is geen bloedig gedenkteeken,” sprak onze Koning Willem III, die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord, gesproken op zijn pas. Want hetiseen gedenkteeken voor een Koning, die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel, dan menigwerkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde door zwaard of kanon.

De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen, ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.

Op den 13den dag dezer maand toch was te ‘s-Gravenhage een grijsaard onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw gediend.

Die man was Johan van Oldenbarnevelt.

Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden, doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.

Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij schuldig was of niet.

En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan gedaan hebben kort na zijn dood!

Hierover bekommerden echter de jongens zich niet,die we eenige dagen na het voorgevallene in ‘s-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de Hoogewoerds-poort ontmoeten.

Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van Leidens burgerij.

Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen iemand te wachten.

„Zou hij ons gefopt hebben?” vraagt een gezonde jongen van omstreeks twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van Hendrik Matthijsen, den tapper.

„Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?” is het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.

Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.

„Ik weet het niet!” bromt deze.

„Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen, omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!”

Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: „Neen, hij weet het niet! Och, arme!”

Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een koopman of comen is: „Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons wat gezegd?”

„Daar komt hij! Daar komt hij!” roept thans Jan Willemsz. „Jongens, ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen, omdat hij zoo laat komt!”

Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere jongens volgen hem.

„Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest nog bij Vader in den moutmolen zijn!”

„En mogen we?” vraagt Jasper.

„Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!” zegt Rembrand en wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.

„Hoe ver is het loopen, Rembrand?” vraagt Cornelis Gerrits.

„Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?”

„Wel, van hier!”

„Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel in vijf minuten minder!”

„Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?” vraagt Jasper.

„Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester Brandius mij strafwerk gegeven heeft?”

„Welja, voor je babbelen en spelen,” zegt Cornelis Claesz.

„Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog aan heeft?”

„Neen, jij wel?” vraagt Claesz.

„o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er onder: „Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!” ik rolde het op en smeet het in den tuin!”

„Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!” zegt Jan Willemsz. „Je hebt immers nog meer broers en zusters?”

„Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die ik zet ….”

„Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook zoo slecht?” roept Jasper.

„Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat ….”

„Omdat je liever poppekens teekent, hé?” spot Matthijs.„Maar stil, wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, de kladschilder?”

„Zeg dat nog eens als je durft,” zegt Rembrand en plaatst zich met gebalde vuisten voor Matthijs.

„Wat zeggen?” vraagt deze onnoozel.

„Dat Swanenburg een kladschilder is!”

„Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als Meesters! Wat geef ik er om?”

„Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens teekenen!” roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij hem lachend: „Is het zoo niet, Rem?”

„Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!” is het antwoord. „Vader wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning, ja, een geleerde!Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden honger!”

„Maar wat wil jij dan worden?” vraagt Cornelis Claesz.

„Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op den kop staan!”

„Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de Kroonprins!” roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.

„Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?” mompelt Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: „Ik dacht, dat er in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij eenschilder nog door, maar zooals hij … Neen, neen, er komt geen stuk van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!”

Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten, dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.

Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:

Dau-dau-deeren kwam ik tegenOp Sint Joris bruggetje,Met den pappot op haar ruggetje,Met den potlepel in haar hand;Zoo kwam Dau-dau-deeren in ’t land.

Dau-dau-deeren kwam ik tegen

Op Sint Joris bruggetje,

Met den pappot op haar ruggetje,

Met den potlepel in haar hand;

Zoo kwam Dau-dau-deeren in ’t land.

Op hemzelf viel het woordje „land”, zoodat hij de zoeker zijn moest.

Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes om weg te kruipen.

Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?

De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de vijf jongens te wachten om gevonden te worden.

Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!

Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaatszoo begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.

En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout, toen hij er uittrad.

Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz., een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.

„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”

„Ja, roep maar,” dacht Jan, „ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den dag kom!”

Een oogenblik stilte.

„Psst!—psst!”

„Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen,” fluisterde hij daar boven op het hout.

„Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!”

Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was, en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den rand kwam, zei hij: „Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?”

„Ik weet het niet,” antwoordde Jasper, „maar ik heb hem zelfs niet gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo gezellig!”

„Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van beneden zien kan!”

Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde, kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.

„Met ons vieren kunnen we er niet op,” riep Jan.

„We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden, dan gaan we samen naar huis!” zei Matthijs. De beide jongens daalden af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee „valsche” jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden, hen zien konden.

„Waar ga-je heen?” riep eensklaps Cornelis Gerrits.

De vier knapen stonden, stil en zagen rond.

„Dat is Cornelis, die ons roept!” zei Jasper. „Cornelis, waar zit je dan toch? Kom voor den dag!”

„Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja, ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!”

„Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!” hernam Jasper,

„En waarom ga je dan heen?”

„Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi kompeer!” bromde Jan.

Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd bezig was met teekenen.

Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo leelijk had beet gehad.

„Jij bent ook een lieve jongen,” riep Jasper.

„Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat veranderen!” antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek hij echter om en zag al die menschen staan.

„Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?” vroeg Swanenburg.

„De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!”

„En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?”

„Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!”

„Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf heb alles gezien, en ….”

„Van wien heb je leeren teekenen, manneke?” vroeg een der andere Heeren.

Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en diemet zijn vriend Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.

„Van niemand, Sinjeur!” antwoordde Rembrand, die geen der beide Heeren kende.

„Zoo van niemand! Hoe is je naam?”

„Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!”

„Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?”

„Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft u een bestelling?”

„En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?” vroeg Elsevier.

„Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn makkers te spelen!”

„Aardig spelen,” bromde Jasper, „Hij laat mij een uur in het kippenhok en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?”

De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.

Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde met de woorden: „Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper, een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!”

Drie jaren waren na dit voorval verloopen.

Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog altijd ging Rembrand ter schole.

Maar wat hij daar deed?

o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel genoegen in zijn leerling had. Zijnlessen kende hij nooit, doch de Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens ernstig over Rembrand te onderhouden.

„Nu,” zei Harmen ten laatste, „als de borst dan niet leeren wil en niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!”

Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.

Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele gekleurd.

Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.

Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na te teekenen.

Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden, die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.—Aan dien anderen oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig, kleurenrijk tafereel was het.

Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich aan den arbeid.

De zon stak vreeselijk.

Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der hooge iepen.

De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der boerenwagens op.

Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje, dat nog eenige verfrissching bracht.

Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.

Ze hinderden Rembrand niet, zoolang ….

Stil, nu zag hij op!

Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde zich verwijderen.

„Komt die wolk ongelegen, jongen?” klonk het eensklaps.

Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij er iets van bemerkt had.

„Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en ….”

„Ja, kereltje, het is jammer en ….het begint te regenen ook. Moet je ver loopen?”

„Ik moet naar Leiden, Sinjeur!”

„Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!”

Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.

Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.

„Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?” vroeg de Heer, die onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.

„Neen, Sinjeur!”

„Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel eenigszins!”

Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: „En waarom spijt u dat, Sinjeur?”

„Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!”

„Verkoopen!” Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten, dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?

„Verkoopen!” Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks had hij dat woord gehoord, of hij zei: „Ik ben nooit in Den Haag geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen komt men te Rome, zegt mijn petemeu!”

„Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!”

Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken, dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets beters dan een kladschilder te zien.

Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel van Rembrand.

„Nu,” zei Vader Harmen, „als Moeder je ook al gaat helpen, jongen, dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!”

Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er gebeurd was.

Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord van Swanenburg was: „Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig waarop dit alles uitloopen zal!”

Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.

Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!

Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!

Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam naar Zwolle.

En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!

En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,—hoe heette die voorname kunstkenner ook weer?—o ja, van der Velden, wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn, en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest, en daarom had zij gezegd: „Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?”

„o, Ja, Moeder!”

„Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?”

„Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!”

„Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar eengulden of tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik wel opgemerkt!”

„Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!”

„Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!”

„Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei …..”

„Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder, jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen, vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen, zal ik?”

Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar „goeden morgen” en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart op weg.

Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.

Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.

Daar naderde hem een werkman.

„Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der Velden woont?” vroeg Rembrand.

„Ik ken dien Heer niet!” antwoordde de werkman.

Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.

Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan, leunde een knecht tegen den post.

Rembrand naderde, groette beleefd en zei: „Och, Sinjeur, kan u mij ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?”

De knecht lachte en sprak: „Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer te loopen! Je bent er net!”

Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden en vroeg nu: „Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar Mijnheer van der Velden hier ergens woont?”

„Je bent toch rondom een geluksvogel,” sprak de knecht.„Mijnheer van der Velden woont hier!”

„En is Mijnheer thuis?”

„Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?”

„Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge dat eens geven wildet!”

„Kom er dan maar in,” zei de knecht, „en ga hier maar in deze kamer, maar ….”

De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.

„Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!” sprak Rembrand, zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen de kamer in.

Of het mooi was in die zaal?

Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk, en stelde „Salomo’s eerste recht” voor.

Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen, dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.

Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.

„Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje,” zei de dame op een toon van verrassing.

Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.

De heer en de dame lachten.

„Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?” vroeg deHeer van der Velden.

„Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen, Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!” antwoordde Rembrand erg zenuwachtig en met tal van allerlei grappige buigingen.

„En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?”

„O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!”

„Ik ken hem zelfs niet eens bij naam,” sprak thans de dame.„Zijn vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!”

„Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!” zei de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand keerende, vroeg hij: „En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?”

Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: „Tien gulden, Mijnheer!”

„Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?” vroeg de Heer.

„Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!”

„Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd hebben?”

Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging der dame bracht hij er hortend en stootend uit: „Vijfentwintig gulden voor de drie samen, Mijnheer!”

„Het is goed,” antwoordde de Heer van der Velden. „Ik zal het geld gaan halen!”

Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: „Jonkman, ik moet je wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel; maar tochdoe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam, of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen, en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen; maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet, dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.

De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet opnieuw den klopper op de deur vallen.

De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de schoenen aantrok en den zoogenaamden „stikkenzak” medenam.

In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?—Wacht, dicht bij den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen zien staan, met het opschrift: „Rijd van Leyden naer Den Haghe, viese verse.” Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw en veilig te Leiden komen!

Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voermanbezig was de paarden voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand er in en zette zich in een hoekje. De „stikkenzak” was spoedig open en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over de straatkeien naar Leiden.

De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel maar rond te kijken zonder een woord te spreken.

Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de uitspanning „Het huis Ten Deil” gekomen was, ophield.

De passagiers en de voerman gingen een „potjen bier” drinken, doch Rembrand bleef zitten.

„Kijk hém daar! Kijk hém daar!” riepen eenige kwâjongens, die er altijd geweest zijn.

„Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken jagen!” schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard moest wel volgen, of het wilde of niet.

De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.

„Help, Help!” gilde Rembrand in duizend angsten.

Te vergeefs, niemand hielp!

Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den wagen aankwam en waar de wagenaargebleven was, stapte Rembrand er uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar zijn huis.

Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel schilder wilde worden.

Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was, vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen, zuchtte hij: „Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!”

Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.

We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig huis binnen.

In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben, vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van schilderijen en prenten.

Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen, bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend: „Kroonprins van de schildersbent” genoemd, werd, is een Meester geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias de Decker zong van hem:

„Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,Van klim-op, altijd groen,Zoo heeft uw puik-penceel geen’ vreemde lofgezangen,Geen pen-getooi van doen.Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;’t Isdoor zich zelf vermaerd,En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,Als ’t vrije Neêrland vaert.”

„Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,

Van klim-op, altijd groen,

Zoo heeft uw puik-penceel geen’ vreemde lofgezangen,

Geen pen-getooi van doen.

Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;

’t Isdoor zich zelf vermaerd,

En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,

Als ’t vrije Neêrland vaert.”

Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange, golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers neer.

„Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken, dat we elkander hier zouden ontmoeten!” zegt een deftig burger, die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.

„Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding van ’s Lands-advocaat beduiden!” spreekt onze oude kennis Matthijs Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te Leiden houdt.

„Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat,” zegt thans de derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd „hanenboekskens” en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.

„Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw Saskia zijn ook al dood, en …. maar stil, de Heer heeft mij wel zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!” zegt Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: „Komt, gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer waar mijn discipelen arbeiden!”

Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den schouder des schilders leggende, zegt hij: „Hoejammer dat onze twee profeten dood zijn, Rembrand!”

„Welke profeten?” vraagt Rembrand lachend.

„Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?”

„Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?”

„Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd een Koning!”

„Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen,” antwoordt Rembrand en duwt zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.

Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden, dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.

Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828, op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.

Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld, dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.

„Dat is geen bloedig gedenkteeken,” sprak onze Koning Willem III, die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord, gesproken op zijn pas. Want hetiseen gedenkteeken voor een Koning, die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel, dan menigwerkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde door zwaard of kanon.


Back to IndexNext