The Project Gutenberg eBook ofUit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

The Project Gutenberg eBook ofUit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingenAuthor: Henriette Roland Holst-Van der SchalkRelease date: August 3, 2009 [eBook #29590]Most recently updated: January 5, 2021Language: DutchCredits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT SOWJET-RUSLAND: BEELDEN EN BESCHOUWINGEN ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingenAuthor: Henriette Roland Holst-Van der SchalkRelease date: August 3, 2009 [eBook #29590]Most recently updated: January 5, 2021Language: DutchCredits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net

Title: Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen

Author: Henriette Roland Holst-Van der Schalk

Author: Henriette Roland Holst-Van der Schalk

Release date: August 3, 2009 [eBook #29590]Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT SOWJET-RUSLAND: BEELDEN EN BESCHOUWINGEN ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.Daarnaast zijn veel woorden verschillend gespeld. Er is geen poging gedaan dit te corrigeren of de tekst te moderniseren.Inconsistent gebruik van verbindingsstreepjes is behouden.Overduidelijke, druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.Daarnaast zijn veel woorden verschillend gespeld. Er is geen poging gedaan dit te corrigeren of de tekst te moderniseren.Inconsistent gebruik van verbindingsstreepjes is behouden.

Overduidelijke, druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

UIT SOWJET-RUSLANDBEELDEN EN BESCHOUWINGENDOOR HENRIETTE ROLAND HOLSTINHOUDbladz.1TER INLEIDING3I.DE HEENREIS5II.HET UITZICHT DER DINGEN21III.SCHADUWEN OVER HET LAND33IV.VOORGANGERS EN BELICHAMERS44V.DE VROUWEN IN RUSLAND55VI.KIEMEN VAN NIEUWE VREUGDE EN NIEUWE SCHOONHEID83VII.KIEMEN VAN NIEUWE VREUGDE EN NIEUWE SCHOONHEID (slot)107VIII.DE TERUGREIS116IX.TOT SLOT134UITGEGEVEN DOOR W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ, ROTTERDAM, IN OPDRACHT VAN HET KOMITEE TOT PROPAGANDA ONDER DE INTELLEKTUEELEN VOOR HULPVERSCHAFFING AAN SOWJET-RUSLAND (KOMPINRUS)

BEELDEN EN BESCHOUWINGENDOOR HENRIETTE ROLAND HOLST

UITGEGEVEN DOOR W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ, ROTTERDAM, IN OPDRACHT VAN HET KOMITEE TOT PROPAGANDA ONDER DE INTELLEKTUEELEN VOOR HULPVERSCHAFFING AAN SOWJET-RUSLAND (KOMPINRUS)

Een heldere allervroegste voorjaarsdag. Kraaiende hanen, bloeiende hazelaars. Natuur-ontwaken vóór den tijd.

Een breede diepe sloot vol water; een heel smal plankje voert er over, glibberig en half-vergaan. Achter die sloot gaat mijn pad verder; dáár ligt het land, waar ik heen wil, open. Besluiteloos sta ik en draal, zet één voet dwars over het plankje, trek hem weer terug. Een wonderlijke gedachte duikt op: „Als ik er over kom, ga ik nog in dit voorjaar naar Rusland”. Dwaze gril of ingeving? Ik weet het niet, maar „iets” dringt mij het plankje op... ik ga de sloot over... Nuweetik, dat ik doorzetten zal.

Een grijze dag, einde April. Een naargeestig vertrek: het passenbureau te Rotterdam. Menschen komen, nemen plaats vóór het hekje, wachten, worden geholpen, gaan weg.

„Ein Durchreise-Visum für Berlin? Wo wollen Sie denn hin?”

„Nach Russland”.

Plotselinge stilte. Algemeene on-sympathieke belangstelling in mijn persoon. Het is, of ik gezegd heb: „naar de hel”.

„Bedaure sehr, ich kann Ihnen das Visum nicht geben.”

De stem binnen in zegt: „ik ga toch.”

Een arbeiderswoning, aan den buitenkant van een duitsch grensdorp. Zoo pas aangekomen. Middernacht. Het licht brandt nog hoog in mijn kamer. Uit het andere vertrek roept een stem: „Wollen Sie sogleich das Lichtaustun”. Ja, het was dom van mij, dit niet te bedenken. In het donker ontkleed ik mij. De dag bracht vele indrukken.

Pas tegen den morgen val ik in slaap.

Ik ontwaak door een droomgezicht: een smalle, steenen trap, die steil en diep afdaalt naar een ondergrondsch water. Het geheel heeft de sfeer van deoubliettesvan een of ander middeneeuwsch kasteel. Ik gevoel mij beklemd. „Wat een ellendige droom: geen gelukkig voorteeken”.

Ik slaap weer in: onmiddellijk zie ik weer de trap, steil en diep, afdalen naar dat donkere water, maar... ditmaal stijgt zij aan den overkant daarvan weer omhoog.

Als ik opnieuw ontwaak, is het gevoel van beklemming geweken. Toeval en onzin, of... wijsheid van het onderbewuste? Wie zal het zeggen?

In Berlijn begon de geduldproef: ettelijke honderden afgevaardigden van verschillende landen, communisten, roode vakbonders en roode jeugd, waren daar verzameld. Allen wilden naar Moskou voor de kongressen, maar het gelijktijdig overbrengen van zoovele pelgrims ging niet gemakkelijk. Men moest wachten op passen, visa, reisgelegenheid,—dagen lang, somtijds weken. En het wachten verdroot. De tropische hitte in de ontzaglijke steenwoestenij, die Berlijn is, matte af en enerveerde. Daarbij kwam de innerlijke onrust. Allen voelden haar; het meest zij, die voor de eerste keer gingen. Tusschen hen en het doel hunner wenschen lagen talrijke kwade kansen. Nog minder dan een gewoon mensch, is een communist ooit zeker, werkelijk te komen, waar hij komen wil.

Berlijn was als een oven in die dagen; een paar maal ratelde het onweer door de straten en gudste de regen, maar die buien brachten geen verkoeling en weldra brandde de zon weer als te voren.

Op het weeke asfalt, tusschen de gloeiende steengevaarten, stonden of zaten de oorlogsinvaliden met hun bedelnap, het opzij-gesmeten wrakhout van den grooten oorlog. Velen hadden hun standplaats aan den hoek van een straat of voor den ingang der groote warenhuizen, anderen onder de spoorwegbruggen van de Stadtbahn, waar de treinen onophoudelijk overheen donderen. Het aangrijpendst zijn die met de doode oogen; hun beeld laat u niet los. Eén paar van zulke menschelijke wrakken is mij vooral bijgebleven. De een, een blinde, bespeelt een soort miniatuur-orgeltje; zijn handen glijden over de toetsen, zijn beenen maken onophoudelijke, gejaagde trapbewegingen. Naast hem staatzijn makker, die zien kan en fiedelt. Een allerliefst gezicht heeft de vedelaar, zacht, gevoelig en melancholisch, een gezicht om nooit te vergeten. En allebei zijn ze zóó jong, zóó jong.... Je hart krimpt ineen als je denkt hoelang ze nog kunnen leven, hoe lang nog staan spelen onder de spoorwegbrug, het geluid van hun spel verloren gaande in het geratel der treinen.

Ik zou het aantal dier invaliden met een vaste standplaats niet durven schatten; het zijn er honderden en honderden, en zij vormen slechts een klein deel van het totaal. De meesten trekken rond, in troepjes, van straat tot straat en van huis tot huis; op de binnenplaatsen der groote woonkazernen zingen ze een lied en wachten of barmhartige menschen hun uit een der vele vensters daarboven wat zullen toewerpen. MijnWirtin, de weduwe van een goed strijder in de oude beweging, zegt: „de meeste arbeiders geven iets: een paargroschen, een stukje brood. Meer kàn men niet geven; er komen er te velen, soms den geheelen morgen achtereen. De bourgeoisie geeft dikwijls heelemaal niets. Ach, wat een ellende”. De tranen schieten haar in de keel. MijnWirtinis zelf een gebroken stakkerd. De oorlog heeft haar den man geroofd en den oudsten zoon. De man, die een hartkwaal had, kwijnde weg; de zoon bezweek in een veldhospitaal in Frankrijk aan een hevige longontsteking. Hij was sterk, vroolijk en begaafd, de oogappel zijner moeder. De tweede zoon, een zachte, zwakke jongen met een gezicht als een meisje, een geboren idealist en pacifist—„ik heb op niemand geschoten”, verzekert hij mij en ik voel, dat hij waarheid spreekt—, kreeg óók longontsteking, in Rusland. Op een open slede moest de zwaar zieke worden vervoerd. Hij is er nooit geheel bovenop gekomen. „Toen mijn broer dood was, heb ik aan mijn moeder gezworen, dat ik niet weer terug zou gaan”, vertelt hij; „ik wist, dat ze krankzinnig zou worden van verdriet, zoo ze mij ook nog moest verliezen.” Een heelen winter lang verborg hij zich thuis; bij een klopjacht op deserteurs werd hij gevonden, meegenomen en voor den krijgsraad gebracht. Hij kreeg een jaar vestingstraf en is gedurende dat jaar chronisch verhongerd. „Zoo'n honger, als wij gevangenen geleden hebben”, zegt hij, met een hulpeloozen blik in zijn zachte oogen, „dat is iets verschrikkelijks. Wij voelden niet meer, dat we een buik hadden van den honger”. Vóór heteinde van zijn straftijd werd hij ziek; ondervoeding en pleuris hebben hem voorgoed een knak gegeven; tot werken is hij niet meer in staat....

De bedelende oorlogsinvaliden zijn wel het schokkendste verschijnsel in de Berlijnsche straten, maar daarom nog het droevigste niet. Misschien zijn dat de vele oude vrouwen, die kranten of bloemen of lucifers verkoopen, arme oudjes, sjofel maar toch proper in de kleeren, met oneindig moede, oneindig treurige en oneindig bezorgde gezichten, geen sprankje meer van protest of hoop in blik en houding, pathetisch in hun stomme, half versteende gelatenheid. Of misschien zijn het de jonge kinderen van dertien, veertien jaren, die men 's avonds bij bosjes tegenkomt—meisjes kan men ze niet noemen, maagden zijn het niet meer—geblanket en half naakt, cynisch lachend tegen oude verdorvelingen, die hen tegen zich aandrukken en wier lusten ze moeten voldoen.

Ja, dat is, geloof ik, wel het droefst van alles; al die jonge levens te zien, in den knop aangevreten door afschuwelijk bederf en het zelf niet beseffend.

Zoo was Berlijn; ordelijk en voor den oppervlakkigen blik zelfs levenslustig, met de bloemenslingers, als in de jaren vóór den oorlog, weer kleurig afhangend van de balkons der deftige huizen, de parken welverzorgd als goed gekamde en geschuierde menschen, de uitstalkasten der winkels weer vol verleidingen van lekker eten en mooie kleeren en de bierhuizen met muziek, in den warmen avond vol naar verstrooiing dorstig volk. Maar onder het bedriegelijk masker van levenslust grijnzen ellende, verarming en ontbinding u allerwegen aan.

Eindelijk, na negen dagen is onze wachttijd ten einde; te Stettin schepen wij ons in. De groote meerderheid der passagiers zijn „bolschewiki”. „Was de verhouding in de voornaamste kapitalistische landen zoo, als zij hier op 't schip is”, zegt onze geleider, „dan had de revolutie gewonnen spel”. Een internationaal gezelschap zijn wij: Duitschers, Hollanders, Hongaren, Franschen, Italianen, Spanjaarden, Grieken en Australiërs. Bij de overige eerste-klasse passagiers zijn een paar „Baltische baronnen” met hun familie, die naar Estland terugkeeren. Zij en wij beloeren elkaar met verholen vijandelijkheid.

Als tusschendekpassagiers voert de boot een heel transportduitsche kinderen mee, onder geleide van een paar verpleegsters op weg naar Finland, om daar den zomer door te brengen. Alles kinderen van witte gardisten, die geholpen hebben de finsche revolutie neer te slaan. Een gelijk aantal finsche kinderen zal de zomervakantie in Duitschland doorbrengen. Zoo versterkt de bourgeoisie haar banden van internationale saamhoorigheid.

Welk een bekoring ligt er in zulk een zeevaart, wanneer men, met vele strijdmakkers te zamen, op weg is naar het land waar het eerste schemerende gloren der communistische gemeenschap is opgegaan! Velen van ons hadden elkaar nooit ontmoet, maar men weet van elkaar, men kent elkaars denkbeelden, men weet, waarin men overeenstemt en waarin verschilt. Op het dek worden de linnen stoelen uit elkaar gehaald; gemakkelijk achterover geleund, de oogen gevestigd op de witte kuiven der aanrollende golven of de strakke lijn der langgerekte eilanden, waaraan we voorbij varen, beginnen de gesprekken: een zacht, gedempt praten in groepjes van twee of drie. Men weet nooit, wie aan boord is: de geleider heeft ons op 't hart gedrukt om voorzichtig te zijn. Op de boot en ook nog te Reval behooren wij ons zoo te gedragen, dat men zoo min mogelijk op ons let. Maar zijn raad wordt allesbehalve stipt opgevolgd. Velen van ons groot gezelschap—er zijn tusschen de vijftig en zestig „bolschewiki” aan boord—zijn jong, overmoedig en luidruchtig. Er wordt geschertst en gelachen en luid geboomd en heftig geredetwist. In Reval gebeuren erger dingen, die den geleider woedend maken. „Zoo'n ongedisciplineerde bende heb ik nog nooit naar Moscou gebracht”, zegt hij verontwaardigd. Zijn energiekgezichtmet den nerveuzen mond en de felle oogen vertrekt in toorn.

De russische revolutie heeft noodig verschillende vormen van zelfopoffering en het bestaan der „groote koeriers”is er ééne, zeer eigenaardige, van. Een koerier der Sowjet-republiek moet een mensch zijn met vele bijzondere eigenschappen; hij moet zijn voorzichtig en beleidvol; hij moet beschikken over takt, geduld en menschenkennis, een groot verantwoordelijkheidsgevoel, een energie, die alle bezwaren en belemmeringen enkel ziet als zoovele puzzles om op te lossen, en een vindingrijkheid, die ze op te lossen vermag; een tegenwoordigheidvan geest, die nooit faalt, ook niet in de meest onverwachte omstandigheden, en een onverschrokkenheid, die elk gevaar rustig onder de oogen ziet. Onze geleider bezat al deze eigenschappen in hooge mate. Van kleinen jongen af aan in illegaal werk—het over de grens brengen van revolutionaire literatuur—geschoold, was hij sedert de Oktober-revolutie koerier in dienst der Sowjet-republiek. Hij vervulde zijn taak met groote toewijding en werkelijk meesterschap. Inspannend en zenuwsloopend was die taak ook nu nog, ofschoon niet in alle opzichten te vergelijken met wat zij geweest was in de eerste bestaansjaren der republiek, toen zijn weg hem vaak voerde door verwoeste streken tusschen de linies van den vijand heen, de jaren, toen hij te voet, te paard, per rijtuig, per slede, soms honderden kilometers afleggen moest. Onder de huidige omstandigheden is de fysieke inspanning voor de „groote koeriers” tot een minimum teruggebracht, de zenuwsloopende verantwoordelijkheid echter is erger geworden, nu zij geregeld de „diplomatieke post” van en naar Moscou moeten overbrengen, waartoe niet enkel goederen, maar ook menschen behooren, zooals wij. Wie onze energieke kameraad aan het werk zag bij vertrek en aankomst te Stettin en Reval om alles te regelen en te bestieren voor zijn groot „transport”, wie wist hoe hij 's nachts in den trein, wanneer wij rustig lagen te slapen op onze breede gemakkelijke bedden, om beurt met een paar anderen de wacht hield bij de bagage, die verwonderde zich niet over zijn holle oogen, zijn lichtgeprikkeldheid en zijn nerveuze manieren; die wenschte hem, vol stille bewondering voor zooveel toewijding en wilskracht, spoedig een paar weken verpoozing toe in een rusthuis diep in het woud... Maar misschien had zijn leven hem onontvankelijk gemaakt om de stilte der natuur te voelen als een weldaad of zelfs om haar te verdragen. Misschien is zichzelven daarvoor onontvankelijk te maken, het grootste offer dat zij brengen, die jaar in jaar uit hun werk verrichten in geroezemoes en gewoel.

Den 7den Juni 'smorgens heel vroeg kwamen wij te Reval aan. Verrukkelijk lag de diepe, breede baai in de zuivere morgenklaarte en in het midden der baai rees de stad, een feest voor de oogen, verrassend door haar half-russischen, half-Europeeschen bouwtrant. De slanke, sobere torens der Duitsche gothiek boorden de lucht in, uitrijzend hoog bovende zware goudglinsterende koepels der Byzantijnsche kerken. De vroegere wallen waren in boulevards en groene parken herschapen, maar een groot gedeelte van den ouden stadsmuur stond nog overend, door de massieve, vierkante torens der middeneeuwsche vestingwerken onderbroken. Daar, waar vlak achter het marktplein, het oudste stadsdeel op een steilen kegel omhoog rees, hadden vroegere geslachten den hoogen loodrechten rotswand aan één zijde als muur gebruikt: boven zijn ongenaakbare steilte troonden de oude domkerk, de groote nieuwe Russische kathedraal en de vroegere citadel.

Het schip legde aan; aan de kade stonden de vuile, smalle, verhavende russische wagentjes met baardige koetsiers in lange jassen. Maar wij hadden ze niet noodig; toen, een paar uur later, de tijd gekomen was om van boord te gaan, marcheerden we in groepjes naar Hotel Petrograd, de zetel der russische missie. De Sowjet-vaan, verrafeld en verschoten,1)woei uit van het dak. Het gebouw doet denken aan een eenvoudig hotel in een of ander afgelegen zwitsersche provincieplaats, men verwacht de diligence met de postpaarden te zien aanrijden.

Het is bijna geheel door de bureaux der missie ingenomen; logeeren kan men er niet, maar wel eten, en wij kregen een goed ontbijt voor de helft van den prijs, dien men ons elders zou hebben afgenomen. Onze geleider liet geld voor ons wisselen en gaf ons aanwijzingen over het koopen van proviand voor de reis naar Moscou; verder waren wij vrij om ons dien dag, zoo goed wij konden, in Reval te vermaken, mits wij zorgden, 's avonds op den bepaalden tijd aan den trein te zijn.

Reval is vol schilderachtigheden. Het oude stadsdeel is zoo goed als ongerept gebleven; het is een genot te lanterfanten op het rustige, wel-omslotene marktplein, of te dwalen langs de nauwe straten en steegjes met de deftige patriciershuizen uit vroeger eeuwen, of, onder een der oude poorten door, langs trappen omhoog te stijgen, zoekend een plaats in de bovenstad, waar het heerlijke uitzicht opengaat naar de benedenwijken, de haven, de lange kustlijn van de baai met haar landhuizen en parken, en, ver weg, achter de spiegelgladdebaai, de groote, donkerblauwe zee. De nieuwe stad is heel anders, banaal en zonder karakter, maar toch behoorlijk op een zomerschen dag, wanneer de rijkbloeiende lindenlanen op de breede boulevards de lucht ringsom geurig maken en de groote pleinen fleurig zijn van bloemen en gazons.

Aan de haven is druk vertier van overzeesche booten en vrachtschepen: de snel toenemende doorvoerhandel naar Sowjet-Rusland brengt er de stad weer bovenop.

Maar ondanks den toover van het verleden en de bekoring van ligging en omgeving, is Reval een allerellendigste stad. De moreele atmosfeer is ondragelijk. Men voelt overal de korruptie, het bederf, dat het Entente-goud verspreidt. Men ruikt den stank ervan, men voelt de rustelooze pogingen eener internationale bende schavuiten, om zich door woeker en bedrog, door het uitbuiten der ellende van Sowjet-Rusland, te verrijken, als een sterken alom tegenwoordigen wil om zich heen. Dronkenschap is op straat, in de café's en restauraties een zoo gewoon verschijnsel, dat niemand er op let; het volk zuipt gemeenen brandewijn, de rijkaard fijnen franschen wijn of champagne. Alles is te krijgen in Reval, als men betalen wil. De winkels liggen propvol met allerlei delicatessen, zuidvruchten, zoetigheden en weelderig gebak. Een bijzonderheid is het fijne, sneeuwblanke tarwebrood, uit amerikaansch patentmeel vervaardigd; het wordt overal aan stalletjes en kraampjes verkocht; een broodje, zoo groot als een nederlandsch kadetje kost 10 Esthische mark, een chinaasappel veertig à vijftig, een middagmaal in een der hotels op zijn minst honderd, een slaapkamer, zoo vies, dat je niet durft rondkijken en vol ongedierte, 175 à 250 mark.2)

Maar met de Revalsche hotels behoefden wij ditmaal geen kennis te maken; tegen middernacht vertrok onze trein, en hoezeer apprecieerden wij, na een dag, die om half vier 's morgens begonnen was, den geriefelijken Russischen „diplomatieken wagen”!

Wij strekten ons behagelijk neer en sliepen.

Zacht wiegend rijden de russische treinen. Zij hebben nietzoo'n haast als de onze en maken minder geraas; ook de fluitjes en toeterseinen klinken gedempter en zachter. Men richt zich in op een reis van eenige dagen, beschouwt den trein als zijn tijdelijk tehuis, men keuvelt, drinkt thee, eet en babbelt. Soms stopt de trein in geen uren en als hij stopt, is het dikwijls aan een klein stationnetje of in 't vrije veld en voor een lang oponthoud; men kan zich vertreden, bloemen gaan plukken in de wei, een wandeling maken in het bosch. Dit alles maakt het reizen in Rusland veel minder vermoeiend dan bij ons; of, om het nog juister te zeggen, een treinreis van een paar dagen in Rusland (altijd in de gunstige omstandigheden, waarin wij reisden) rust uit en ontspant.

Van Narwa, het Esthische grensstation, waar wij den 8sten Juni 's morgens aankwamen, zal ik mijn leven lang onthouden, hoe erg ik mij er heb geschaamd. Onze trein zou een uur stilstaan, niet langer. Wie de stad in wilde, om brieven te verzenden of nog leeftocht te koopen, kon gaan, mits hij zorgde op tijd terug te zijn. Maar een der poolsche afgevaardigden naar het kongres, dien ik op de boot had leeren kennen, lachte om de aanbevelingen van den koerier. „Jawel, ik ken dat; als men zegt, één uur in Rusland, dan bedoelt men er drie. Gaat u gerust met mij mee; ik zal u een prachtig uitzicht laten zien op de rivier en de oude vesting van Peter de Groote.”—„Ja, ik zou graag willen: maar als we nu niet in tijds terug zijn?”

„Och kom, wat bent u toch angstig: ik heb het, toen ik drie maanden geleden naar Moscou ging, ook gedaan; we hebben hier toen minstens een paar uur stilgestaan; u begrijpt toch wel dat alléén het nazien van de bagage langer dan een uur duurt.” Mijn verleider is een van de meest invloedrijke leden der Poolsche partij; een man tusschen de veertig en vijftig, die fransch spreekt als een boulevardier, en er uitziet om door een ringetje te halen, keurig gesoigneerd en met lichte handschoenen. Hij heeft een jaar gezeten in de citadel te Warschau, maar is er, bij gelegenheid van den russischen opmarsch, toen de politieke gevangenen naar elders werden overgebracht, in geslaagd te ontvluchten. „Och, een gevangenis is een eigenaardig ding. Als je er komt, heb je eerst het gevoel van alles afgesneden te zijn, maar na een poosje merk je, dat ook van daar allerlei draden uitgaan tot de buitenwereld.”

Geestig en gevat is mijn Pool, vol zelfbewustzijn en zekerheid;het zou eenvoudig aanstellerig van mij zijn, niet met hem mee te gaan; daarenboven wil ik dolgraag de brug en de vesting zien. Prachtig is het gezicht op de rivier, die in een diepe kloof aan onze voeten schuimt en met een scherpen elleboog ombuigt naar den langen, grijzen muur der oude vesting. Terwijl wij kijken en bewonderen, vertelt mijn geleider mij van de gevechten die in deze buurt geleverd zijn; dan keeren wij op ons gemak door de breede, armoedige hoofdstraat terug. „Zouden we ons niet wat haasten? Ik vind het toch vreemd, dat niemand van onze menschen meer hier schijnt te zijn.”—„Alle tijd, alle tijd, als u soms nog iets wilt koopen... ga gerust uw gang.” Ik koop nog een paar chinaasappelen, dan gaan wij doodkalm verder, naar het spoor, waar onze trein staat. Van ver zien wij de kameraden van uit de raampjes heftige gebaren maken. Zijn die seinen voor ons? Zouden we toch te lang weggebleven zijn? Ja; ze wenken ons toe, om spoed te maken en nu we dichter bij komen, hooren we hen schreeuwen in alle talen „haast je wat”; „schneller”; „allons vite.” We zetten het op een drafje, klauteren hijgend de treeplank op. „Waar blijven jullie in godsnaam? Zijn jullie gek?” „Bijna een half uur te laat. De koerier is woedend, hij wou den trein al laten vertrekken, maarGenosseA, enGenosseB. en C. hebben gezegd, dat dat niet mocht; ze wilden jullie niet achterlaten in Estland, en dan zonder pas3).” Ach, besteGenossenA. B. en C. wat zijn we jullie dankbaar, dat die dierbare trein niet zonder ons verder is gestoomd.... Stilletjes neem ik mijn plaats weer in, maak mij klein in mijn hoekje. Wat schaam ik mij tegenover den koerier. Zeker zal hij weer met een vloek hebben gezegd, nog nooit zoo'n ongedisciplineerde bende vervoerd te hebben. Dat de jongelui wel eens uit den band springen, spreekt vanzelf, maar op mijn jaren.... Die Polen ook met hun gladde tong; nooit zal ik er meer een gelooven, al is hij ook zesmaal uit Warschau ontsnapt.... Zoo vliegen de gedachten door mijn hoofd heen en weer. Ondertusschen staat de trein nog altijd stil. Zachtjes waag ik het te vragen, waarom we nu niet vertrekken. „O, toen jullie er toch niet waart, is het personeel maar gaan theedrinken.” Mijn schaamte begint een beetje te zakken; zijzakt nog meer, als we vlak voor de grens een poos midden in 't veld blijven stil staan, om op de russische lokomotief te wachten. Ik gebruik de gelegenheid, om den koerier mijn verontschuldigingen aan te bieden; hij lacht, schijnt het geval niet heel erg te vinden. Als we om 1 uur te Jamburg aankomen en ik hoor, dat we er tot omstreeks middernacht zullen blijven, word ik weer wat monterder; dat half uur kwam er dan toch niet zoo vreeselijk op aan, dunkt me. Met dat al heeft deze geschiedenis gemaakt, dat het maar half tot mij doorgedrongen is, toen we de grens passeerden. Ik heb het gevoel of iets, waar ik mij lang op verheugde, mij is ontgaan.

Zoodra de trein te Jamburg stil houdt, komen een aantal soldaten aanhollen. Zij vormen spalier voor onzen wagon, juichen ons toe en zingen de Internationale. De eerste soldaten van het Roode Leger, jonge frissche gezichten en op de muts de Sowjetster! De spontane hartelijkheid dier kameraden ontroert ons, maar maakt ons ook onrustig, want we voelen in haar—hoe vaak zullen we het nog voelen—het aanroepen van de Europeesche revolutie.

Bij de soldaten bevindt zich een klein tenger ventje, jong nog, in uniform, maar zonder wapen. Dat is de politieke commissaris van de afdeeling; hij zal onze gids zijn op onzen rondgang door het dorp. Hij spreekt een paar woorden duitsch en fransch, en waar zijn woordenschat te kort schiet, vult hij die aan met uitroepen, gebaren, lachen en een uiterst expressieve mimiek. Een wonderlijk kereltje is die minuscule commissaris, met energie en geestdrift voor tien in zijn tengere jongenslijf. De Witte Legers, zegt hij, hebben hem een paar tanden uitgeslagen; hij spert zijn mond wijd open, om ons de gaten te laten zien. Vol afschuw vertelt hij van de groote communistenslachting te Jamburg, toen Joedenitsch het plaatsje binnentrok. Hij laat ons de plek zien waar honderd-acht-en-zestig genooten vermoord werden. Zijn felheid en strijdlust, zijn kinderlijk enthousiasme en kinderlijke naïveteit, het is alles nieuw voor ons en verwonderlijk. In hem voelen wij voor het eerst de frischheid van ziel, waarmee de russische arbeiders het communisme omhelzen, en voelen ook de onstuimigheid van hun strijdlust, hun liefde en hun haat.

Jamburg is een oninteressant, armoedig plaatsje, zooals er zeker duizenden en duizenden in het Sowjetrijk zijn. Maar wij zullen ons bezoek van dien middag nooit vergeten, want daarin Jamburg zagen wij voor het eerst de fundamenten der nieuwe maatschappij, de instellingen, die de russische boeren en arbeiders in broederlijken arbeid scheppen, verzorgen en in stand houden. Van al wat ik er zag maakten deze twee dingen het meeste indruk op mij: de school voor ongeletterde soldaten en de vergadering van de Roode Jeugd in haar eigen clubgebouw. Wij hadden de kazerne gezien; de kamers waren zindelijk en luchtig, maar dit was het bijzondere niet, het bijzondere was, dat men voelde: zoo'n kazerne bestaat niet als iets afzonderlijks, buiten aanraking met het maatschappelijk leven, maar zij staat er midden in. Overal hingen kleurige affiches, spotprenten en agitatorische voorstellingen, de meeste zonder artistieke waarde, maar zeker geschikt voor hun doel: den soldaten bepaalde eenvoudige waarheden omtrent de klasse-tegenstellingen, de rol van het Entente-kapitaal, de noodzakelijkheid den strijd vol te houden, enz. in te prenten. Nadat wij een aantal kamers doorgeloopen waren, opende onze geleider een deur en zeide: „In dit lokaal krijgen onze ongeletterde kameraden les.” Op schoolbanken, over hun lessenaars gebogen, zaten een paar dozijn jonge mannen, ijverig aan 't werk; op de lessenaars lagen de a.b.c. boekjes, waaruit ze lezen leerden en de schriften, waarin hun stijve sterke vingers geduldig de lettervormen nabootsten. Ze hadden nog slechts enkele weken les gehad, maar ze lazen al kleine lesjes en schreven al woordjes en ze toonden ons hun schriften met zekeren trots. Het a.b.c. boekje was speciaal voor volwassenen samengesteld; de lessen waren geen flauwe kinderpraat, maar handelden over menschen en dingen, waarnaar hun belangstelling uitging.

Tusschen hen in stond de meester, een zachte, vriendelijke man, niet ouder dan zij zelf, met bloote voeten, in een russische kiel. Hij had een glimlach om nooit te vergeten, zuiver als bronwater en zacht als de morgenlucht. Ik kan mij geen schooner en passender binnenkomen in Sowjet-Rusland voorstellen, dan ons bezoek aan die soldatenschool; wat wij zagen was zoo kinderlijk, hoopvol en ontroerend naïef, en tevens maakte het zoovele gedachten wakker over den onmetelijken arbeid, die nog moet worden verricht...

In de Jeugdclub was dien avond vergadering te onzer eere; wij hadden eenige afgevaardigden van jeugdorganisaties bij ons en die moesten worden begroet. Het lage, armelijke lokaalliep vol met jongens en meisjes tusschen 14 en 18 jaar; in dit kleine plaatsje telde de jeugdorganisatie een paar honderd leden. Aan de wanden hingen portretten van leiders en martelaars der wereldrevolutie; Lenin, Trotzky, Zinowiew,Liebknecht en Luxemburg vindt men in Rusland overal, waar arbeiders bijeenkomen. Er werd gezongen en gespeecht in allerlei talen, maar wat mij het meest interesseerde, was de bekwaamheid en het zelfvertrouwen, waarmee de voorzitter der jeugdafdeeling, een heel jonge jongen nog, bijna een kind, de bijeenkomst leidde; hij sprak met het gemak en de zekerheid van een ervaren propagandist en toch met al de onstuimigheid der jeugd. Er moest natuurlijk vertaald worden en een der vertalers, een Pool of een Hongaar, hield zelf ook nog een toespraak; hij vertelde, hoe de regeering van zijn land zijn vrouw en hun kindje, om wraak te nemen over zijn vlucht, in een concentratiekamp hadden opgesloten en hoe hij sedert maanden geen enkel bericht van hen ontvangen had.... De tranen liepen hem over de wangen, zijn stem stokte; een groot meegevoel met de smart van dezen eenzame hing door de zaal.

Toen we terugkeerden naar het station, vonden we aan den berm van den weg op het stoffige gras een heel troepje kinderen gelegerd. Twee vrouwen, een jonge en een oudere, waakten over hen. Het waren de oudste klassen van een school daar in de buurt; ze gingen een uitstapje maken naar Petrograd en hadden dien dag vier of vijf uur geloopen om aan het station te komen; een paar wonderlijk primitieve boerenkarren—ze stonden er nog, toen we aankwamen—hadden hun bagage vervoerd. Voor logies was gezorgd en proviand moesten ze meenemen naar de stad. Ze hadden bij zich groote zakken met hompen zwart brood; dit was op reis zoowat hun eenige voedsel. Ze hadden gehoopt met den nachttrein naar Petrograd te kunnen reizen, maar nu maakte de chef bezwaar. „Wat ze dan zouden doen?” Ja, dat wisten ze niet; hier wachten, waarschijnlijk tot den volgenden trein. De kinderen kauwden hun brood en keken ons aan met hun ronde, onnoozele oogen en de beide vrouwen, de jonge en de oudere, spraken met ons, lief en rustig en blijmoedig, als hadden ze dien dag geen 20 K.M. geloopen en waren ze niet gelegerd aan den stoffigen weg met een troep kinderen.

's Nachts tegen 12 uur, eer de trein vertrok, woonden weaan het station nog een meeting bij voor gedemobiliseerde soldaten. Een laatste maning kregen ze mee naar hun dorpen, ver weg in de steppe, om trouw te blijven aan de groote beginselen van Sowjet-Rusland en op te treden als pioniers daarvan onder hun makkers thuis. De schemer viel, toen de meeting gesloten werd; het was al over middernacht, maar we waren nu in het land, waar men, om licht te sparen, de klokken drie uur vooruit had gezet. Pas tegen éénen stoomde onze trein weg, onder gezang de duisternis in; voor onzen wagon stond de dappere kleine commissaris, na een dag van zestien uren, te trappelen en te zingen met onverminderde energie.

Toen wij den volgenden morgen tegen 9 uur Petrograd naderden, waren de zijgangen van onzen wagon nog leeg. Allen waren bezig met aankleeden en inpakken, want de bagage moest klaar staan om overgebracht te worden naar een anderen trein. Er was geen gelegenheid om acht te slaan op de verwoestingen, door de Witte Benden te Gatschina en op andere plaatsen aangericht, waar de prikkeldraadversperringen nog aan weerskanten van de spoorlijn zichtbaar zijn, noch om zich voor den geest te roepen de dagen van angst en ontzetting en exaltatie in November '19, toen het leger van Joedenitsch op de hoofdstad aantrok, en het aan de opperste inspanning eener heldhaftige schare gelukte, de indringers terug te werpen. Zoo somtijds de stoffelijke werkelijkheid ons beter in staat stelt, groote historische gebeurtenissen te realiseeren, vaak ook verhinderenjuistkleine, bijkomstige omstandigheden, als verstrooiing, materieele zorgen, vermoeidheid, ons, om dit op de plaats zelf te doen en doorleven wij de meest intense verwerkelijking van dergelijke gebeurtenissen thuis, in alleenheid.

Aan het Baltische station, waar wij aankwamen, was een groot geloop en samengehok van honderden menschen; mannen, vrouwen, kinderen, allen beladen met zakken en pakketten. Men zeide ons, dat zij—zooals sedert eenigen tijd geoorloofd was—levensmiddelen hadden opgehaald bij de boeren. Het leek mij onbegrijpelijk, want men ziet zeer weinig landbouwbedrijf in de buurt van Petrograd, uitgezonderd de breede gordel aardappel- en groentetuinen, door de arbeiders aangelegd rondom de stad en die uiterst zorgvuldig bewerkt schenen. Maar toen wij naar Moskoureisden, waren de veldvruchten in het noorden nog lang niet rijp.

In Petrograd bleven wij slechts enkele uren; net lang genoeg om een maaltijd te gebruiken in Hotel International en een wandeling te maken langs het Admiraliteitskwartier, het Winterpaleis, de Hermitage en over den Newsky-Boulevard terug. Het brood smaakte ons bitter, immers, wij wisten dat het volk honger leed. De breede straten lagen leeg en stil in den fellen zonneschijn, tusschen de steenen schoot het gras hoog op. Ik zag enkel het kil-pompeuze Petrograd der militaire despotie, niets van de arbeiderswijken, niet de tehuizen voor geleerden en kunstenaars, niets van de rusthuizen op de eilanden der Newa. Ik was voornemens dit alles te bezichtigen op den terugkeer maar er kwam niet van. Verschillende omstandigheden verhinderden mij mijn voornemen uit te voeren maar misschien lag de diepste grond der verhindering in mijzelve, in een laffen angst om mij te verdiepen in het tragische lot der kwijnende stad. Immers, dit is de vreeselijke waarheid: Petrograd, de wieg der proletarische wereldrevolutie, zooals Parijs de wieg der burgerlijke revolutie is geweest, de stad van den grootsten proletarischen heldenmoed en den sterksten revolutionairen wil, gaat voortdurend achteruit in aantal inwoners, beteekenis en invloed voor de revolutie, omdat zij geen rol meer speelt als centrum van productie. De stad als industrie-centrum was een kunstmatige schepping van de militaire monarchie, van het politiek-overmatige centraliseerende despotisme. Het Sowjet-bewind kàn en màg Petrograd niet kunstmatig groot houden. Niet alleen, dat de onmogelijkheid, om de bevolking van voldoende levensmiddelen te voorzien, de autoriteiten noodzaakt, het terugvloeien dier bevolking naar het platteland in de hand te werken... maar het druischt tegen alle regels eener rationeele ekonomie in, om te pogen de stad alsgrootindustriëelcentrum te behouden. Hoe meer de productie geleid zal worden naar de nieuwe inzichten, die verlangen dat elk groot bedrijf verrijst zooveel mogelijk in de buurt der grondstoffen, die het bewerkt, of althans zoo gelegen dat die grondstoffen gemakkelijk kunnen worden aangevoerd, des te zekerder is Petrograd veroordeeld om weg te kwijnen. De opheffing der groote steden, die vreeselijke erfenis van het burgerlijke tijdperk, door decentralisatie en rationeele verlegging van de standplaatsender grootindustrie, kan onmogelijk bereikt worden—welke vooruitgang kan het wel?—zonder pijnlijke breuken met diepgewortelde gehechtheden en schoone tradities. Maar in het geval van Petrograd wordt de breuk voor ons bewustzijn haast ondragelijk verscherpt door het onmiddellijk op elkaar volgen van revolutionaire glorie en reddeloos verval.

Van Petrograd naar Moscou duurt de reis 16 à 18 uur. Om drie uur vertrekken wij; dien geheelen middag en avond, tot eindelijk, lang na middernacht de schemering valt, sporen wij door een dun bewoond land van wouden en woeste gronden, soms vlak als Holland, soms in flauwe golvingen hellend en dalend, soms doorsneden van beken en kleine, traagvlietende rivieren. Hier schijnt nog ruimte voor vele millioenen menschen, de arbeid van geslachten schijnt noodig om dit nog vage, vormelooze land naar der menschen wil en voor hun behoeften te herscheppen, om die moerassen droog te leggen, die eindeloos ons vergezellende bosschen te stempelen met het merk eener rationeele kultuur. Bij enkele stadjes en dorpen stoppen wij; rondom hen onderbreekt een kleine ring van akkerland en weide de eentonige wijdheid van het ongecultiveerde land.

Tweemaal op dien rit genieten wij een feest van kleuren. Het eerste is de zonsondergang. Wij hangen uit de raampjes en strekken de halzen uit, om rechts achter ons in het noordwesten, de heerlijkheid der karmozijnen en violette eilanden in de gouden luchtzee te zien opfonkelen voor onze gretige oogen, zoolang tot hun gloed, als van robijnen en amethysten, allengs versombert en verdooft. Het tweede is de verschijning, op het perron van een stationnetje in de wildernis, van een groep vrouwen in de felle kleurharmonie hunner feestelijke kleeren, als zomerbloemen, schitterend schoon. Hetwiten rood, wit en goudgeel, wit en heldergroen der pronkgewaden verschijnt en verdwijnt, een sprookje op het grauwe perron. „Boerinnen in Zondagsche dracht... vandaag is een hooge heiligendag,” zegt glimlachend Krebelskaya, de beminnelijke vrouw van den bekenden vakvereenigingsman Belinsky, met wie wij van Stettin af reizen. „Men ziet de oude volksdracht anders niet veel meer; ze past niet bij het nieuwe leven, waartoe de boeren ontwaken”, voegt zij er aan toe.

Om 10 uur 'smorgens, precies op tijd, komen wij aan te Moskou.Wij halen onze koffers en tasschen uit den wagon, zetten ze op een hoop bij elkaar, gaan er op zitten en wachten af. Er is een oponthoud of een misverstand met de auto's die ons zouden komen halen, in elk geval ze zijn er niet. Onze koerier windt zich op en vloekt, dan gaat hij naar den chef en telefoneert aan Trotzky. „Ik ben aan het station met een groot transport kongresafgevaardigden en een belangrijke post en kan niet verder.” De auto's zullen dadelijk hier zijn.... Wij, ongeduldige Europeanen, hebben al een weinig geduld geleerd en wachten rustig, tot zij komen. Maar als wij ons herinneren de verhalen van onze makkers, die verleden jaar hier waren, over de opgetogenheid der bevolking, haar uitbundige ontvangst van de buitenlandsche afgevaardigden naar het kongres der Derde Internationale, dan voelen wij toch een lichte pijn vanteleurstelling. Scherp dringt het onherroepelijke dóór tot ons bewustzijn: de wittebroodsweken der revolutie zijn lang voorbij.

1)Toen ik half Juli terug kwam, wapperde uit Hotel Petrograd een mooie, nieuwe helroode Sowjetvlag.

1)Toen ik half Juli terug kwam, wapperde uit Hotel Petrograd een mooie, nieuwe helroode Sowjetvlag.

2)De Esthische mark heette oorspronkelijk gelijk te staan met den ouden Tzarenroebel, dus f 1.25 waard te zijn; de koers is nu ongeveer 0.8 cent.

2)De Esthische mark heette oorspronkelijk gelijk te staan met den ouden Tzarenroebel, dus f 1.25 waard te zijn; de koers is nu ongeveer 0.8 cent.

3)Onze passen hadden wij te Stettin aan den koerier moeten afgeven.

3)Onze passen hadden wij te Stettin aan den koerier moeten afgeven.

Zoo de lezers van dit boekje de onzinnige verwachting mochten koesteren, hierin „de waarheid over Sowjet-Rusland” te vinden, dan waarschuw ik hen nu meteen, dat zij teleurgesteld zullen worden. En zoo ik zelf met iets van een dergelijke dwaze verwachting naar Rusland ging, dan ben ik daarvan in Moskou grondig genezen.

Wat is dan toch wel „de waarheid” over Sowjet-Rusland, die ik had moeten mee naar huis brengen? Een wel-onderlegd, omvangrijk weten, omtrent wat? Omtrent alles? Alle toestanden, verhoudingen en verschijnselen in een oneindig groot rijk, waarvan de grensgebieden in uiterst gebrekkige verbinding staan met het centrum? Of is het enkel de waarheid omtrent Moskou, die mijn lezers verwachten? Maar Moskou is Rusland niet, noch de spiegel daarvan! Integendeel, in vele opzichten moet, dunkt mij, Moskou een averechtsch beeld van Rusland geven.

Of is het misschien enkel „de waarheid” over eenig bepaald punt, die minder veel-eischende lezers hopen te vernemen? Over de armoede? Over den honger, den gezondheidstoestand, de prostitutie? Over de arbeidsprestatie en de stemming der arbeiders? Over de tcheka en de terreur? Over opvoeding en onderwijs?

Over geen enkel van deze of andere punten zou ik durven beweren „de waarheid” in pacht te hebben. Over geen enkel van deze punten kan ik met zekerheid zeggen: „Zoo en zoo is de toestand in Rusland of zelfs in Moskou”. Wie, na een verblijf van eenige weken in een reusachtig land, waarvan bijna geen enkele vreemdeling, die er voor het eerst komt, de taal voldoende verstaat, om een gesprek tusschen Russen te kunnen volgen, en waar de geheele samenleving zichbevindt in een toestand van uiterst labiel evenwicht, van desorganisatie, verval en ontbinding aan den eenen kant, reorganisatie, groei en binding aan den anderen—durft beweren, „de” waarheid omtrent eenig bepaald verschijnsel te kennen, die bedriegt zichzelf of anderen. Hij zal het, bij een eerste bezoek, op zijn hoogst zoover brengen dat hij iets van de waarheid benadert, een paar tonen opvangt en begrijpt van haar ingewikkeld symphonisch weefsel, een paar glinsterende korrels opraapt van haar opgehoopte goudbergen.

Laat ik, om geen indruk te wekken van valsche bescheidenheid, hier dadelijk aan toevoegen, dat ik mijzelf reken onder hen, wien het gelukt is een paar tonen waarheid op te vangen, een paar korreltjes waarheid op te rapen. En dit op grond hiervan, dat ik marxistisch denk, revolutionnair voel, en eenige kennis bezit van de geschiedenis van het russische volk.

Wie burgerlijk denkt en kontrarevolutionnair voelt, die zal in Rusland geen korrel waarheid oprapen, al doorkruist hij het groote rijk in alle richtingen, jaren lang. Zijn kontrarevolutionnaire gezindheid sluit hem hermetisch van de waarheid af. Hij ziet enkel de hardheid, de armoede, de armzaligheid van het leven onder de proletarische dictatuur; de verschijnselen, die zijn als een stijve korst om het nieuwe worden, om het warme, zachte, lenige begin. Hij ziet enkel het hinderlijke tekort, niet de bizondere waarde van het weinige wat bereikt werd, omdat dit bereikt werd ondanks zeer ongunstige omstandigheden en met behulp van het initiatief, de scheppende energie der massaas.

Wie naar Rusland komt, zonder de geschiedenis van het russische volk onder het tzarisme en de geschiedenis der laatste jaren te kennen, wie niet in zich draagt dat weten als algemeene synthese, het weten van het regiem van den knoet, van de onkunde en het bijgeloof, van het revolutionnair ontwaken en den revolutionnairen strijd, de ontzaglijke verwachtingen, de herhaalde ontgoochelingen, de smart en de bloedoffers en de tranen en al de inzinkingen en oplevingen en al de spanning en overspanning; wie niet elke kleine ervaring, elk nietig voorval, elke inlichting hem verstrekt, kan zetten in het licht van een algemeen begrijpen, die behoeft niet te probeeren, ook maar één korreltje van dewaarheid over Sowjet-Rusland op te rapen... het zal hem niet lukken. Enkel aan wie het bizondere ziet in het licht van het algemeene, in het oogenblikkelijke den maatgang voelt van een algemeen worden, enkel aan hen, die het naderen met inzicht en sympathie, geeft Sowjet-Rusland iets van zijn schatten. Want dat iets, die korreltjes waarheid, zij zijn schatten van groote waarde. Zij maken ons zeer rijk aan smartelijk geluk, zij openbaren ons, in vlammende scherpte, weer die wonderbaarlijke worsteling der menschheid om naar omhoog te leven, die worsteling waar niemand van weet, noch in welke diepten zij begon, noch tot welke onzichtbare toppen zij heenvoert.

In den beginne viel Moskou mij erg tegen; ik had zooveel gehoord en gelezen van de schoonheid der stad en ik vond haar rommelig, oninteressant en onharmonisch, behalve dan natuurlijk het betooverende Kreml in zijn eigendommelijke, met niets ter wereld te vergelijken, byzantijnsch-italiaansche pracht. De straat waar wij logeerden, Twertskaja Oelitza, had niet de minste bekoring, zij was rauw en banaal tegelijkertijd en een enkel mooi oud kerkje deed vreemd en bijna misplaatst aan tusschen de groote leelijke steengevaarten.

Maar, nadat ik een tijdje in Moskou geweest was, voelde ik de stad mij aan het hart groeien, en toen ik wegging, scheidde ik haast even noode van haar als van de vrienden, die ik er weergevonden of gekregen had. De schoonheid van Moskou dringt zich niet onmiddellijk op; zij overweldigt u niet plotseling. Zij ligt niet voor u gereed in een omsloten beeld, zooals bijvoorbeeld de schoonheid van Reval. Men moet haar zoeken en opspeuren tusschen de disharmonieën van den oneindigen baaierd van straten, tusschen de brutaal-moderne dor-zakelijke skyscrapers en de nog veel verfoeilijker, monsterlijke paleizen „in oud-russischen stijl” der ploertige kooplui. In de stille zijstraten is zij te vinden, waar de kleine, blanke huizen van een of twee verdiepingen schuil gaan in hun krans van groene tuinen; de oude liefelijke kapellen en kerken omhangt zij, die in stille, afgelegen hoekjes, sommige klein als kinderspeelgoed, staan. Zij glanst u tegen in het licht dat in de onvolprezen Junimaand, die wij te Moskou doorbrachten, vol afwisseling van zwervende wolkschaduwen en stralenden zonneschijn was.

Naar den maatstaf van een West-Europeesche stad, maakt Moskou zeker een vervallen indruk. Bijna alle huizen zijn wit of lichtkleurig gekalkt; de kalk die men daarvoor gebruikt is, naar men ons meedeelde, van slechte kwaliteit en brokkelt al na een paar jaar af. Men moet dus aldoor repareeren, maar sedert het begin van den oorlog was dat niet gebeurd; men begrijpt met welk resultaat. Triest doen ook de vele half-gesloopte houten huizen aan, slachtoffers van het gebrek aan brandstof; ook tamelijk veel steenen huizen zijn afgebroken of ineengestort; hier en daar werd het puin opgeruimd,eldersbleef het liggen. Weken, maanden of jaren? Ik weet het niet. Muren, door vele kogels geschonden; vensters, die niet anders zijn dan gapende zwarte gaten, vindt men op vele plaatsen in Moscou; sommige straathoeken en kruispunten vertoonen nog geheel het tragische beeld van den morgen, volgend op den dag van een volksopstand. In de Bolschaja Nikitskaja staan twee hooge moderne huizen met balkons van gegoten ijzer, van wier gevels niets over is als een naakt geraamte van ijzer en steen.

Een droevigen indruk maakt ook de verlatenheid van groote bouwwerken, huizenblokken of fabrieken, voor den oorlog of althans voor de revolutie begonnen. Wegens gebrek aan materiaal heeft men den bouw moeten staken: skeletten die nooit geleefd hebben, bouwvallen, die de tijd met zijn gaven niet verrijkt, verzacht noch getooid heeft, staan de doellooze rompen in triestige verlatenheid. Zij wekken wrange gedachten, want er is woningnood in de stad; er zijn nog veel slechte, ongeschikte woningen, die men niet onbewoonbaar kàn verklaren omdat men geen andere heeft.

Men kan geen wandeling maken door Moskou zonder te merken, dat het regelmatig proces van aanbouw en onderhoud der stad sedert jaren zoo goed als onderbroken is. En men went er aan, dit op te vatten als een onderdeel van de algemeene stremming in de productie, die op haar beurt een onvermijdelijk verschijnsel in de sociale revolutie is. Op welke wijze, door welke middelen, de groote achterstand op het gebied van aanbouw en onderhoud van woningen, een achterstand die waarschijnlijk in alle russische steden bestaat, ingehaald zal kunnen worden, ook dat is een onderdeel vanhet algemeene vraagstuk, hoe Sowjet-Rusland zijn diepe uitputting te boven zal komen.

Vuil was Moskou niet. De straten werden goed schoongehouden, de „hoopen vuilnis” waarover burgerlijke bladen in Europa af en toe sensatieverhalen opdisschen, zag ik nergens, ook niet op de binnenplaatsen der huizen, waar ik toevallig kwam. Een bulgaarsche doktores, die een speciaal onderzoek naar de hygiënische dingen instelde, vertelde mij, dat de rioleering goed in orde was. Dat de waterleiding niet te vertrouwen was, wist iedereen. Waarschuwingen, om geen ongekookt water te drinken, hingen op tal van plaatsen door de geheele stad. In de kongreszalen en op de arbeidersvergaderingen die ik bezocht, werd overal gekookt water beschikbaar gesteld. De voortdurende zorg van het volkscommissariaat voor gezondheidswezen voor de sociaal-hygiënische opvoeding der massaas bevond ik nog intenser en omvattender te zijn dan ik mij, na alle berichten dienomtrent, had voorgesteld. Sprekende gegevens, treffende diagrammen en teekeningen van den bouw van het menschelijk lichaam, van de vijanden die het bedreigen, van de verwoestingen der tuberculose en andere ziekten, afbeeldingen van alle mogelijke bacillen en mikroben waren in de uitstalkasten der sowjetwinkels tentoongesteld, alles voorzien van duidelijke verklarende bijschriften. Op weg van het Hotel naar het Kreml kwamen wij dagelijks zoo'n winkel voorbij; er stonden altijd menschen van elken leeftijd en elken stand: jonge arbeiders, soldaten, sowjet-mamsels, boeren, vol aandachtige belangstelling te kijken en te lezen, soms een geheele rist. Al die platen en diagrammen werden telkens vernieuwd; zij getuigden van den vasten, verlichten wil, om bijgeloof, domheid en vuilheid te bestrijden en het volk begrip van hygiënische levensvoorwaarden bij te brengen. Het kan dunkt mij niet anders, of dit voortdurende inhameren en inprenten van meer kennis omtrent de levensverschijnselen en de wijze waarop epidemieën en ziekten door den eenling en de gemeenschap bestreden kunnen worden, zal op den duur grooten invloed uitoefenen. Het spreekt vanzelf, dat deze hygiënische opvoeding door beeld en woord niet enkel geschiedt op straat, maar overal waar het pas geeft; in alle klinieken, konsultatiebureaux, sanatoriums, enz. Zoo zag ik twee aardige, eenvoudige en uiterst begrijpelijkeprenten, om jonge moeders te leeren, hoe ze behooren na te gaan of de flesch voor hun kindje de goede temperatuur heeft, in een model-instelling voor zuigelingen, die ik bezocht.

In de zoogkamer hingen naast elkaar een voorstelling van een moeder, die de zuigflesch aan de lippen brengt en een andere, die ze tegen de wang aandrukt. Onder de eene stond: „Zoo moet ge niet doen”; onder de andere: „Zoo is het goed”. Natuurlijk wordt aan de vrouwen die daar komen, door den dokter en de zusters ook verklaard, waarom het eene fout en het andere goed is. Het gesproken woord en de voorstelling vullen elkaar aan en maken te zamen een indruk, diebeklijft.

Het spreekt vanzelf, dat Sowjet-Rusland in vele opzichten op hygiënisch gebied zeer ten achter is bij West-Europa. De taak om het volk hygiënisch op te voeden, de verpleging van zieken en kraamvrouwen te organiseeren, is reusachtig. Zij gaat de krachten der Sowjet-organen heden nog ver en ver te boven. Het ontbreekt evenzeer aan geschikte personen, als aan stoffelijke hulpmiddelen. Maar de wil, het streven om alles wat de wetenschap bereikt heeft in het bestrijden van ziekten, en vooral ook in het kweeken van gezonde menschen met gezonde kinderen, aan te wenden tot heil der gemeenschap, die wil en dat streven, zijn in de raden-republiek aanwezig in een mate, zooals zij het in geen burgerlijken staat kunnen zijn.

Ik had Moskou nooit eerder bezocht en weet dus niet, welk een indruk de straten vóór den oorlog en de revolutie maakten; het publiek is natuurlijk veranderd en er zullen meer equipages, auto's en trams gereden hebben, maar drukker, levendiger, woeliger, kan de stad moeilijk geweest zijn. Op alle uren van den dag en zelfs van den nacht, waren de voornaamste straten vol menschen, de meesten behoorlijk, sommigen zelfs keurig en met zekere elegantie gekleed. Dit feit op zichzelf weerlegt al de dwaze, telkens weer opduikende geruchten over de terreur, die te Moskou zou heerschen; ware dat het geval, dan zou het natuurlijk onmogelijk zijn, dat een talrijk publiek van mannen, vrouwen en kinderen zich geheel vrij beweegt. Politie ziet men niet; er schijnt een soort stedelijk politiekorps te bestaan, maar ik heb maar ééns een politieagent gezien, die onder veel belangstelling der toeschouwers een straatdief arresteerde, dikke pakkenpuilden den man zijn zakken uit. De regeeringsgebouwen en de ingang naar het Kreml worden bewaakt door de jonge blonde russische soldaatjes. Een soldaat controleerde ook onze propoesks bij den ingang van het hotel, een paar soldaten bewaakten de tentoonstellingen; bij de toegangen van schouwburgen, vergaderingen, enz. staan er insgelijks een paar op post. Kortom, de soldaten verrichten in Rusland politiediensten en, voor zoover ik gelegenheid had te zien, doen zij het rustig, gemoedelijk en goed. De manier, b.v. waarop zij de opdringende massa terughielden, bij de groote parade op het Roode Plein, was uiterst taktvol, kameraadschappelijk en toch flink. Eéns heb ik een soldaat een jongen, die het opdringen niet wilde laten, wat ruw terug zien duwen; dat is de eenige en ergste ruwheid die ik in Rusland zag. En ééns heb ik een troepje arrestanten, mannen en vrouwen, door een afdeeling soldaten zien opbrengen; dat was de eenige dwang-maatregel, dien ik in die maand zag. Ik was eens toevallig op de markt, op het uur dat die moest worden gesloten; een fluitje klonk, een soldaat te paard reed langzaam door de menigte, die mannetje aan mannetje stond, wenkte met de hand, dat het uit moest zijn met koopen en verkoopen en in een oogwenk waren de stalletjes en kraampjes afgebroken, de menschen stroomden uit elkaar. Alles ging bijzonder snel, rustig en geregeld. Wanneer het russische volk in vele opzichten nog ordelijkheid, stiptheid en organisatie moet leeren, dan lijkt het mij toch wel zeker, dat het dit leeren zal.—Ja, die markten in Moskou. Zij waren nog niet zoo lang heropend, toen wij aankwamen en waren veel interessanter en, men merkte het onmiddellijk, voor het leven van het volk oneindig belangrijker dan de winkels. De winkels werden ook heropend, elken dag kwamen er eenige bij. Maar—met uitzondering van de koöperaties en de sowjet-winkels—hadden de meeste iets schimmigs, iets onreëels. Om de behoeften van welke maatschappelijke groep te bevredigen werden zij eigenlijk geopend? Wat beteekende in Moskou een heel magazijn vol monsterlijk-leelijke bloemenvaasjes? Die modieuze hoedjes, en fijne trippelschoentjes, en dat verdacht-elegante ondergoed,—wie begeerde dat alles in Moskou? Neen, die winkels waren geen prettig gezicht: men zag schimmen van het verleden, die men overwonnen had gewaand,herrijzen; men zag het bestaan van prostituées en weelde-dames en rijke leegloopers weer gewettigd worden, met de geheele sfeer die ze omgeeft; sfeer van uitbuiting en roof, van-leegheid-van-hoofd en ruwheid-van-gemoed, van verveling en corruptie. Men besefte, dat de opening der winkels een stap achteruit was, een schrede terug naar de verburgerlijking, en dat veel inspanning, veel strijd, veel energie noodig zouden zijn, om opnieuw vooruit te komen.

Maar de markten, dat was een andere zaak. Daar leefde en schuifelde, en schreeuwde en blèrde, daar kocht en verkocht, daar at en daar dronk het Russische Volk, boeren en kleinburgers en arbeiders. Alles kon men er krijgen: wittebrood en zonnepitten, suiker en koekjes, galanterieën, kleeren, naaigerei, antikiteiten zelfs wanneer men maar veel geld had en dikwijls terugkeerde, zooals sommige kongresafgevaardigden deden, die door de mogelijkheid van zùlke koopjes (1000 roebel = 14 cent) als betooverd waren. Het was er warm en druk en vroolijk en gezellig. Alles voor wie niet nadacht. Wie het wél deed, meed liever de markten, want hij voelde er den angstigen twijfel, erger dan elders, woelen in zijn hart. Den twijfel, of het Sowjet-bewind er in slagen zou, dit ééne te volvoeren, wat geen dwangmaatregel—hetzij dan de automatisch-werkende dwang van den honger—te volvoeren vermag: de massaas der stedelijke bevolking weer aan het werk te brengen. De markten waren zoo vol en gezellig, omdat de fabrieken en werkplaatsen ten deele ontvolkt waren.

Ook buiten de markten werd op straat veel verkocht, meest levensmiddelen, als brood, sigaretten, zure en zoete melk, ook wel veldbloemen en op een paar plaatsen stonden boekenstalletjes. Het waren meest oude vrouwen en kinderen, die verkochten, terwijl de niet zeer talrijke bedelaars meest mannen waren, verminkten uit den oorlog. Opvallend weinig kinderen zag men op straat; toen wij onze verwondering daarover uitdrukten, zeide men ons, dat bijna alle stadskinderen op het land waren, in de kolonies. Dat was sterk overdreven, het waren er 40 %. Maar van elke 100 kinderen 40 weg, dat maakt natuurlijk al een groot verschil, en dan is, ondanks alle zorg en inspanning, de kindersterfte hoog geweest in deze jaren van ellende en het geboortecijfer achteruitgegaan.

Dat er nog talrijke kinderen in Moskou waren, daarvan kon ik mij overtuigen op een Zondagmorgen toen Kalinina, de inspektrice van alle instellingen voor kinderen in het goevernement mij inviteerde haar te vergezellen op een rondrit door de stad. In verschillende wijken waren dien morgen kinderfeesten georganiseerd; wij hadden moeite genoeg de plaatsen van samenkomst in publieke tuinen, schoolgebouwen, enz. te vinden; het groote Moskou is een ware doolhof van straten en stegen en de tawaritsch-bestuurder van onze auto was pas voor kort uit Petrograd aangekomen. De aardigste plaats van samenkomst was in den zoölogischen tuin; de kinderen, in groepen verdeeld en met hun geleidsters, dribbelden vergenoegd rond en keken naar de watervogels in de vijvers, in afwachting dat ze allen samen naar het feestlokaal zouden trekken. Eén meisje, dat haar makkertjes verloren had, zat op een bank erbarmelijk te huilen—het eenige huilende kind, dat ik in die vier weken in Moskou heb gezien. Russen schijnen zacht tegen kinderen en teeder. Veel teederder dan Hollanders of Duitschers. De groote liefde en ontroerende zorg der sowjet-organen voor de kinderen, is niet iets, dat van boven af gemaakt of bevolen wordt; het is een uitdrukking en uitvoering van den algemeenen volkswil. Hoe dikwijls erger ik mij in Holland aan het ongeduldige, ruwe optreden van moeders-met-veel-kinderen, op reis in een derde klas. Humeurig, onophoudelijk verbieden, en als dat niet helpt, heen en weer schudden, een duw en een stomp—alles erg begrijpelijk bij oververmoeide, overprikkelde arbeiders- of burgervrouwen. Maar daarom toch erg weinig beminnelijk. Iets dergelijks zag ik in Moskou niet1).

„De kinderen zijn de bloemen des levens”, deze bekoorlijke spreuk staat niet enkel aan den ingang van vele kindertehuizen en kolonies geschreven, zij leeft in het hart van het volk. Misschien meer dan ooit in deze jaren, nu het leven zoo ontzettend hard, zwaar en tragisch is geworden. Misschienis het de behoefte, zich zelf te troosten over de ontberingen, de bitterheid der ontgoochelingen en de altijd weer nieuw aanstormende smarten, die maken, dat het russische volk zich met zooveel hartstocht werpt op alles, wat kinderen gelukkig kan maken en op kinderen betrekking heeft. Waar ter wereld, behalve in Rusland, bestaat een museum van kinderspeelgoed? Wie zou het voor mogelijk houden, dat een mensch er onder de stormen der revolutie zijn levenstaak van maakt, al dat oude of moderne, karakteristieke of banale gerei, uit het heele rijk bij elkaar te sleepen?

„Misschien voelt men gedurende een aardbeving juist het eerst de behoefte om de vlinders te redden”, zei glimlachend tegen mij de man, die dit onwaarschijnlijke volbracht had. Vol animo en liefde liet hij ons de bijeengebrachte schatten zien, vertellend en verklarend, en toen om twaalf uur de eerste kleine bezoekers kwamen, gleed een glans over zijn gezicht.

„'s Zondags is het hier vol kinderen; ze komen alleen, zonder geleide, en zeggen: „dit is ons museum”. Wij hebben ook een werkplaats, waar het oude boerenspeelgoed gerepareerd en modellen vervaardigd worden”.

Het „museum voor kinderspeelgoed”, ver weg op een afgelegen boulevard ingericht, is een plek vol teedere troost voor het hart in het rumoerige, ontredderde Moskou. Maar er is een andere plek, waar troost van uitgaat en vrede van hoogere orde, vol plechtige wijding en toch rustig en mild. Er is een plek, waar men voorbijkomend, altijd weer gestemd wordt op den toon van eerbied voor de besten der menschen, van liefde voor hun gouden hart. Die plek is het groene gazon, dat aan den rechterkant van het uitgestrekte Roode Plein loopt, langs den muur van het Kremlin, waar de gemeenschappelijke graven zijn der martelaars van de revolutie en waar ookJohn Reeden Swerdloff begraven liggen.

Bloemen zijn schaarsch te Moscou—behalve de veldbouquetten, die meisjes van buiten te koop aanbieden. De bloemenwinkels zijn haast leeg, de perken in de openbare tuinen armzalig. Enkel op het square voor het groote Theater was er wat meer werk van gemaakt. Maar de mooiste bloemen, die ik te Moskou zag, zijn die staan op de gravender gevallen strijders; veelkleurige violen, reseda, leeuwenbekjes, alles fleurig en frisch. De bloemranden en perken werden daar geregeld begoten, de gazons zorgvuldig onderhouden als nergens anders in de heele stad. Evenwijdig met het gazon vlak onder den hoogen Kremlin-muur vol kogelgaten, loopt een beschaduwd weggetje. Daar is altijd koelte en lommer, zacht geritsel van bladeren en vogelgekweel. Op de banken zitten jongens, verdiept in hun boek,—men ziet veel lezende menschen in Moskou—, koetsiers, die op een vrachtje wachten, soldaten en jonge arbeiders-moeders, kijkend naar hun spelende kinderen. Waarlijk aan het hart van het volk zijn deze dooden gebed; waarlijk leven zij in zijn hart; waarlijk staan zij op door zijn gedachte; waarlijk groeien zij mee met den groei van het leven in de worstelende stad.

Haast elken dag liep ik dat weggetje onder den Rooden Kremlin-muur, de vier weken lang, die ik te Moskou doorbracht. Alleen of met kameraden. In den zonnigen morgen naar de vrouwenconferentie of het kongres, terug in den zilverblanken avond. Van Twerskaja recht op het kapelletje toe dat met zijn altijd brandend lichtje staat voor de Iberische poort, en waarin voortdurend oude vrouwen en baardige boeren staan te bidden, onbewust van de waarschuwing, links boven hen op den muur geschreven: „de godsdienst is opium voor het volk”. Dan de poort door en meteen rechtsaf, aan het monument vanJohn Reedvoorbij, langs den kogeldoorschotenKremlin-muur. Over het Roode Plein aan mijn linkerhand razen de auto's en zware vrachtwagens; zij brengen de vele afgevaardigden naar de kongreszaal, die het loopen schijnen te haten of te vreezen. Waarom? Ik begrijp het niet. Hier is het stil en koel, elken dag gaan nieuwe bloemkelken open, zonnestralen flitsen door het flappend, wuivend eschdoornblad. Als wij terug komen van het kongres, is de zon onder en de bloemen slapen. Hoe heerlijk is die wandeling dan! Eerst langs het wijde terras van het vroegere keizerlijk paleis, waar het uitzicht opengaat op de rivier, het westelijk deel van de stad en de Musschenbergen. Dan langs de twee mooie Byzantijnsche kerken met haar oude frescoschilderingen van Madonna's en Heiligen, onder de eerste poort door, waar de wacht staat, die de propoesk's controleert, als men het Kremlin binnenkomt, enonder de tweede, waar de kontrole is voor de uit het Kremlin komenden. En dan weer het pad langs de graven, waar op de banken, stilletjes opdeinend uit de schemering, nu geen moeders zitten, maar verliefde paartjes. Schoonheid was daar altijd, de gedachte aan het bittere verleden, aan het tragische heden en de ongewisse toekomst, maakten het hart niet onrustig en stoorden zijn vrede niet.

En nu ik dit schrijf, in den grijzen najaarsdag op mijn stille kamer, voel ik tusschen het verlangen dat herinnering altijd opwekt, weer in mij den grooten, sterken vrede, dien ik zooveel malen voelde, gaande het pad langs de groene graven der helden, dat loopt evenwijdig met den Kremlin-muur.


Back to IndexNext