HOOFDSTUK XIII.

HOOFDSTUK XIII.Het Positivisme in Nederland.§ 37.Inleidende Opmerkingen.Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.§ 38.Opzoomer.Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”§ 39.Multatuli.Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑4Zie Wereldbibliotheek.↑5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑HOOFDSTUK XIV.Het Positivisme in andere landen.§ 40.De crimineele anthropologie.Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.§ 41.Het Materialisme.De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑

HOOFDSTUK XIII.Het Positivisme in Nederland.§ 37.Inleidende Opmerkingen.Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.§ 38.Opzoomer.Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”§ 39.Multatuli.Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑4Zie Wereldbibliotheek.↑5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑HOOFDSTUK XIV.Het Positivisme in andere landen.§ 40.De crimineele anthropologie.Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.§ 41.Het Materialisme.De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑

HOOFDSTUK XIII.Het Positivisme in Nederland.§ 37.Inleidende Opmerkingen.Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.§ 38.Opzoomer.Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”§ 39.Multatuli.Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑4Zie Wereldbibliotheek.↑5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑

HOOFDSTUK XIII.Het Positivisme in Nederland.

§ 37.Inleidende Opmerkingen.Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.§ 38.Opzoomer.Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”§ 39.Multatuli.Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.

§ 37.Inleidende Opmerkingen.Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.

§ 37.Inleidende Opmerkingen.

Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.

Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig denken in ons land1. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende geleerdheid2. Dirk VolckertszoonCoornhert gevoelde zich tot het Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero’s “Plichten” en Boëtius’ “Vertroosting der Wijsbegeerte” in goed Hollandsch proza.

Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen voor Hooger Onderwijs.

Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner denkbeelden. NaastGeulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in de theologie, onder wie Voetius te noemen is.

Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven3.

De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen kon, verscheen hier. Newton’s leer werd hier ingevoerd door ’s Gravesande,in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe puntjes slepen af. In ’t kort, het geheele beeld dat ons de achttiende eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om te verdedigen.

“Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.

“Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden zeggen makker, vorm hebben aangenomen.

“Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling der onderscheiden personen overwegend waren.

“Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen smaak, dan kan die bewoording dienenom afkeer aan te duiden van paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en schoon is.” (Land).

Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara Burgerhart4een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast hem te noemen.

IJverige belangstelling betoonde Nederland in ’t begin der 19de eeuw ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685—1766) had hier de liefde voor de studie van ’t Grieksch weer opgewekt; zijn zoon François (1722—1790), een groot Haagsch heer, was een bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.

In ’t begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer.5

Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks ’30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.

De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield in 1860 voordrachtenover wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde (hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.

Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.

§ 38.Opzoomer.Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”

§ 38.Opzoomer.

Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?Van Locke tot Fichte loopt de weg.““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”Op dit standpunt nu is er verzoening.“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”

Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt met eene rede: “De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich zelven.” Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium vanonschuldis, waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. “Zoo wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend des levens, door het zachte morgenrood beschenen.”

Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, destrijd van het onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?

Van Locke tot Fichte loopt de weg.

““Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?” was de groote levensvraag geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden.”

Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat worden als “het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,” maar als de “geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, gevoelen en willen den geestverheft boven de werkzaamheid, die hij in het lichaam vertoont.”

Op dit standpunt nu is er verzoening.

“Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft.”

Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij niet in die bange dagen “door een schild van achtbare mannen ware gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op decollegebankenplaats namen om zijne lessen aan te hooren.” (v. d. Wijck).

In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit hij een nieuw vaandel: dat derervaringswijsbegeerte.

Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. “Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet.

“Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.

“Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door Bacon gewezen.”

Als “onmiddellijke voorgangers” noemt hij zelfHerschel, Whewell, Mill en Comte. Na de bespreking van Mill’s logica behoeven wij niet uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan6. Hij bepaalt zich tot het behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.

Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland niet.

“Opzoomer’s aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, die den goeden weg gewezen hebben, toendeze nog niet zoo algemeen gevolgd werd.” In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden over de operatie van bloedader-gezwellen,maar hij had nog nooit een bloedader-gezwel zien opereeren.

“In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: “Wat zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt de scherpzinnige B?”

“Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, dat Opzoomer in zijn lessen over logica … het aan duizenden heeft ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek begonnen is.” (v. d. Wijck).

Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt opgetrokken (1). Maar de mensch is ook eenwaardeerendwezen. Hij staat niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken eenaangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2—4).

Behandelt Opzoomer in zijn: “De weg der wetenschap” vooral de eerste kenbron, in zijn: “De waarheid en haar kenbronnen”7wordt gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk gevoel. De vijfde kenbron, hetgodsdienstig gevoel, heeft Opzoomer niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: “De Godsdienst” (1864) en “Onze Godsdienst” (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed uit op ’t kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor ’t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. “Eindelijk gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer.”

“Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolangde handen niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.

“In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.

“Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken der menschelijke natuur behoort.” (v. d. Wijck.)

Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in ’t Duitsch een zeer goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.

Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”

Opm.Tot Opzoomer’s leerlingen behooren Allard Pierson en Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen in ’t Hollandsch geschreven. “Een Levensbeschouwing” en “Wijsgeerig onderzoek” zijn uit wijsgeerig oogpunt ’t voornaamste. Zijn biografie geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in “Mannen van Beteekenis.”

Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van Beteekenis, XXXV, 2—3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte artikelen meest in “Onze Eeuw.”

§ 39.Multatuli.Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.

§ 39.Multatuli.

Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.

Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest van “aufklärungsidealen.” Hij heeft die in omloop gebracht door zijn schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst mogelijke scherpte.

Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren in dezen vorm.

De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der Israëlieten naast Zeus.

Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel’s Roskam kunnen leeren, als het ’t niet had willen hooren en lezen uit den bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.

Dat er in alle bizondere religies ’t algemeen menschelijke te waardeeren was, hadden de 18de-eeuwschedeïsten, ook hier geen onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.

Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus’ dagen gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.

Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens verlaten: Multatuli zette ’t in het helderste licht.

De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep in omstreeks ’50 en ’60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, om physica, maar om ’s hemelswil geenbovennatuurkunde, geen metafysica.8Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de plaats geven. Hij begeerde te varen “zonder lek.”

Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet en gerechtigheid.

Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden toen Multatuli het uitsprak, datzedelijkheid niet zede is. En het jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de zedelijkheid “boven den navel” woont.

Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan ’t paradoxale grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou ’t dit zijn:

Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, op te houden met kleingeestige discussies over ’t al of niet ware van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele hoofden en harten.

1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑4Zie Wereldbibliotheek.↑5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑

1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑4Zie Wereldbibliotheek.↑5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑

1Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit onderwerp.↑

2Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt van het beroemde: Lof der Zotheid.↑

3Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.↑

4Zie Wereldbibliotheek.↑

5Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.↑

6Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer’s: “De weg der wetenschap” hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).↑

7Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt werk.↑

8Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.↑

HOOFDSTUK XIV.Het Positivisme in andere landen.§ 40.De crimineele anthropologie.Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.§ 41.Het Materialisme.De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑

HOOFDSTUK XIV.Het Positivisme in andere landen.

§ 40.De crimineele anthropologie.Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.§ 41.Het Materialisme.De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.

§ 40.De crimineele anthropologie.Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.

§ 40.De crimineele anthropologie.

Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.

Inleidende opmerkingen.Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.

Inleidende opmerkingen.

Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.

Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno waren Italianen.

Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella staat Macchiavelli.

Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt totonderzoek, gaat voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland is ’t beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van ’t katholicisme afwendt, is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor ’t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand is, dan voltooiend en bouwend. In ’t bizonder richtte zich de aandacht op den misdadiger1en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van dit feit te bepalen.2Hij kreeg daar verschillende leerlingen en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In 1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen zijn te noemen de psychiatersJelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de verwaarloosde3jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.

Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger,” gebouwd op een streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de misdaad (Crimineele Aetiologie) in ’t licht zond.4

Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.

Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De groote vraag was, of ’t geschieden moestomdatgezondigd was, of als voorbehoedmiddel voor de toekomst:opdatniet gezondigd zou worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.

Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den misdadiger, de oorzaken van de misdaad?

Lombroso dan vat den misdadiger op als eenatavistisch verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.

Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij de natuurvolken. De misdadigeris dus achter bij de ontwikkeling der gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig standpunt en de nu bestaande maatschappij.

Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.

Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, degeborenmisdadiger.

Tegen Lombroso’s leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: zoo’n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso’s misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.

Heftig botste de Italiaansche school op ’t congres te Rome met Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, in de maatschappij, inhet sociaal milieu. “De maatschappij heeft de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust niet lijdelijkin de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, maar stel het sociale initiatief er tegenover.”

Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben toegekend.

Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:

“’t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling der individuen dit doen.”

Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.

“Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend duister kleurt ’t licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderenwij de verwerkelijking van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor anderen het leven dragelijk te maken.”

Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans zijn artikel: “Sommige uitwassen der crimineele anthropologie” deed schrijven.

§ 41.Het Materialisme.De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.

§ 41.Het Materialisme.

De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.Theologie bestaat evenmin.God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.Over elk dus een kort woord.Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.

De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigersdezer levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis in ruimer kring.

Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als Büchner, Vogt enMoleschottaan, wanneer men hen houdt voor wat men in het dagelijksch leven “materialisten” pleegt te noemen.

Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef—dit zij wel te verstaan—achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied en dan de grenzen trekken.De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.

Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.

Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot den engen kring van geleerden, ja, vond bij de “vakwijsgeeren” niet allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling was, kocht gretig Büchner’s “Kracht en Stof”, waarvan een groot aantal drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, werkten daartoe mee.

Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.

Het materialisme vond ook in ons land—weer wat later dan het midden der eeuw—zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging “de Dageraad,” die de vrije gedachte bevorderen wil,welke veel in deze richting gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste verjaring van Büchner een Volksuitgave van “Kracht en Stof,” wijdde een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.

In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans zeer weinig aanhangers.

Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch materialisme.

Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren een beweging van atomen. Dit geldt—en ziehier het kernpunt—ook voor het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.

Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.

Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.

Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist ons organisme werkt, zooals het werkt.

Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men kan een hond“stuk voor stuk de ziel wegsnijden”, door zijn hersens weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.

De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, kleeding, woning.

Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren is taak der physiologie.

De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.

Theologie bestaat evenmin.

God kennen wij niet. Onze“lieve Heer” is een inbeeldingsproduct uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het“Onkenbare,”de “Idee,” het “Absolute,” weer binnen te halen. Allemaal nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die vrees, als de zon der wetenschap opgaat.

Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.

We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie namen: Vogt, Büchner, Moleschott.

Over elk dus een kort woord.

Moleschott werd in ’s Hertogenbosch geboren. Hij genoot een eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag geen kans zich inNederland aan zuivere studie te kunnen wijden en vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in een eenvoudig werkje: “Voor mijn vrienden. Levensherinneringen.” Het Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven ook in ons land.

Moleschotts bekendste werk is “De Kringloop van het leven”, dat in 1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den grootsten denker voedt.

Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.

Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme wil hij materialist heeten.

In 1852 verscheen Moleschott’s werk. De echte materialisme-strijd begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de wetenschapte verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand de piano.

Tegen dezen “fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche zielensubstantie” trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) op: “Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof,” terwijl hij later een meer wetenschappelijk werk schreef.

Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar 1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van 1852–1895 hoogleeraar te Genève.

Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen “Kracht en Stof.” (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk werd en nog wel wordt gelezen.

Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in zijn systeem verweten, zoodat hij niet—“als hij al tot de filosofie behoort”—mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.

1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑

1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑

1Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: De menigte als misdadiger.↑

2Lombroso’s-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.↑

3Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en zakelijke inlichtingen in Klootsema’s “Misdeelde Kinderen.”↑

4Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.↑


Back to IndexNext