SAMENVATTING.De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar 1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in maatschappij en staat.Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een vakorganisatie bestaat nog niet.De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de Natuurwetenschappen snelle vorderingen.In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een overgangsstadium. Gemoedsbehoeftentracht hij te bevredigen door een bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der persoonlijkheid op het utilisme is.John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, schept hier zijn logica.In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen dringen overal door.Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50–60.In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.In Italië doet het positivisme zijn intocht.Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding vindt in de FranscheSchool, die meer den nadruk legt op het sociaal milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening in verschillende wetten.Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, blijkt uit de volgende jaartallen.Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.DE TIJD VAN HET POSITIVISME.—VERLOOP VAN HET POSITIVISME.TOELICHTENDE JAARTALLEN.1766–1824.Maine de Biran.1792–1864.Victor Cousin.1798–1857.Auguste Comte.1748–1832.Jeremias Bentham.1775–1836.James Mill.1795–1881.Carlyle.1794–1866.Whewell.1806–1873.John Stuart Mill.1809–1882.Charles Darwin.1820–1904.Herbert Spencer.1825–1895.Huxley.1822–1893.Moleschott.1817–1895.Vogt.1824–1899.Ludwig Büchner.1830–1842.Comte’s cursus van positieve filosofie.1852.Positivistische catechismus.1829.Mill’s Ontleding van de verschijnselen van den menschelijken geest.1834.Bentham’s Deontology.1833.Carlyle’s Sartor Resartus.1843.Carlyle’s Verleden en Heden.1843.Mill’s Logica.1859.Darwin’s Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.1863.Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de samenleving.1868.Häckel’sNatuurlijke scheppingsgeschiedenis.1852.Moleschott’s Kringloop van het leven.1855.Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.1854.Büchner’s Kracht en Stof.1821–1892.C. W. Opzoomer.1831–1906.Allard Pierson.1836–Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.1846.De wijsbegeerte den mensch verzoenende.1851.De weg der wetenschap.1859.De Waarheid en hare kenbronnen.Pierson: Een levensbeschouwing.1906.V. d. Wijck: Afscheidscollege.1894.Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.1895.Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.1820–1887.Multatuli (Eduard Douwes Dekker).1861.Max Havelaar. Ideeën.1871.Lombroso: De misdadige mensch.1885.Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.1899.Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de crimineele anthropologie.1903–1904.Aletrino’s Leerboek der crimineele anthropologie.1908.Roos: Crimineele aetiologie.
SAMENVATTING.De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar 1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in maatschappij en staat.Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een vakorganisatie bestaat nog niet.De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de Natuurwetenschappen snelle vorderingen.In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een overgangsstadium. Gemoedsbehoeftentracht hij te bevredigen door een bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der persoonlijkheid op het utilisme is.John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, schept hier zijn logica.In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen dringen overal door.Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50–60.In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.In Italië doet het positivisme zijn intocht.Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding vindt in de FranscheSchool, die meer den nadruk legt op het sociaal milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening in verschillende wetten.Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, blijkt uit de volgende jaartallen.Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.DE TIJD VAN HET POSITIVISME.—VERLOOP VAN HET POSITIVISME.TOELICHTENDE JAARTALLEN.1766–1824.Maine de Biran.1792–1864.Victor Cousin.1798–1857.Auguste Comte.1748–1832.Jeremias Bentham.1775–1836.James Mill.1795–1881.Carlyle.1794–1866.Whewell.1806–1873.John Stuart Mill.1809–1882.Charles Darwin.1820–1904.Herbert Spencer.1825–1895.Huxley.1822–1893.Moleschott.1817–1895.Vogt.1824–1899.Ludwig Büchner.1830–1842.Comte’s cursus van positieve filosofie.1852.Positivistische catechismus.1829.Mill’s Ontleding van de verschijnselen van den menschelijken geest.1834.Bentham’s Deontology.1833.Carlyle’s Sartor Resartus.1843.Carlyle’s Verleden en Heden.1843.Mill’s Logica.1859.Darwin’s Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.1863.Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de samenleving.1868.Häckel’sNatuurlijke scheppingsgeschiedenis.1852.Moleschott’s Kringloop van het leven.1855.Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.1854.Büchner’s Kracht en Stof.1821–1892.C. W. Opzoomer.1831–1906.Allard Pierson.1836–Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.1846.De wijsbegeerte den mensch verzoenende.1851.De weg der wetenschap.1859.De Waarheid en hare kenbronnen.Pierson: Een levensbeschouwing.1906.V. d. Wijck: Afscheidscollege.1894.Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.1895.Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.1820–1887.Multatuli (Eduard Douwes Dekker).1861.Max Havelaar. Ideeën.1871.Lombroso: De misdadige mensch.1885.Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.1899.Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de crimineele anthropologie.1903–1904.Aletrino’s Leerboek der crimineele anthropologie.1908.Roos: Crimineele aetiologie.
SAMENVATTING.De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar 1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in maatschappij en staat.Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een vakorganisatie bestaat nog niet.De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de Natuurwetenschappen snelle vorderingen.In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een overgangsstadium. Gemoedsbehoeftentracht hij te bevredigen door een bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der persoonlijkheid op het utilisme is.John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, schept hier zijn logica.In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen dringen overal door.Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50–60.In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.In Italië doet het positivisme zijn intocht.Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding vindt in de FranscheSchool, die meer den nadruk legt op het sociaal milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening in verschillende wetten.Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, blijkt uit de volgende jaartallen.Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.
SAMENVATTING.
De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar 1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in maatschappij en staat.Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een vakorganisatie bestaat nog niet.De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de Natuurwetenschappen snelle vorderingen.In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een overgangsstadium. Gemoedsbehoeftentracht hij te bevredigen door een bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der persoonlijkheid op het utilisme is.John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, schept hier zijn logica.In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen dringen overal door.Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50–60.In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.In Italië doet het positivisme zijn intocht.Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding vindt in de FranscheSchool, die meer den nadruk legt op het sociaal milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening in verschillende wetten.Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, blijkt uit de volgende jaartallen.Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.
De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar 1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in maatschappij en staat.
Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een vakorganisatie bestaat nog niet.
De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de Natuurwetenschappen snelle vorderingen.
In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een overgangsstadium. Gemoedsbehoeftentracht hij te bevredigen door een bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.
Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.
In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der persoonlijkheid op het utilisme is.
John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, schept hier zijn logica.
In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen dringen overal door.
Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50–60.
In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.
In Italië doet het positivisme zijn intocht.
Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding vindt in de FranscheSchool, die meer den nadruk legt op het sociaal milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening in verschillende wetten.
Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, blijkt uit de volgende jaartallen.
Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.
DE TIJD VAN HET POSITIVISME.—VERLOOP VAN HET POSITIVISME.TOELICHTENDE JAARTALLEN.1766–1824.Maine de Biran.1792–1864.Victor Cousin.1798–1857.Auguste Comte.1748–1832.Jeremias Bentham.1775–1836.James Mill.1795–1881.Carlyle.1794–1866.Whewell.1806–1873.John Stuart Mill.1809–1882.Charles Darwin.1820–1904.Herbert Spencer.1825–1895.Huxley.1822–1893.Moleschott.1817–1895.Vogt.1824–1899.Ludwig Büchner.1830–1842.Comte’s cursus van positieve filosofie.1852.Positivistische catechismus.1829.Mill’s Ontleding van de verschijnselen van den menschelijken geest.1834.Bentham’s Deontology.1833.Carlyle’s Sartor Resartus.1843.Carlyle’s Verleden en Heden.1843.Mill’s Logica.1859.Darwin’s Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.1863.Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de samenleving.1868.Häckel’sNatuurlijke scheppingsgeschiedenis.1852.Moleschott’s Kringloop van het leven.1855.Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.1854.Büchner’s Kracht en Stof.1821–1892.C. W. Opzoomer.1831–1906.Allard Pierson.1836–Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.1846.De wijsbegeerte den mensch verzoenende.1851.De weg der wetenschap.1859.De Waarheid en hare kenbronnen.Pierson: Een levensbeschouwing.1906.V. d. Wijck: Afscheidscollege.1894.Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.1895.Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.1820–1887.Multatuli (Eduard Douwes Dekker).1861.Max Havelaar. Ideeën.1871.Lombroso: De misdadige mensch.1885.Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.1899.Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de crimineele anthropologie.1903–1904.Aletrino’s Leerboek der crimineele anthropologie.1908.Roos: Crimineele aetiologie.
DE TIJD VAN HET POSITIVISME.—VERLOOP VAN HET POSITIVISME.
TOELICHTENDE JAARTALLEN.1766–1824.Maine de Biran.1792–1864.Victor Cousin.1798–1857.Auguste Comte.1748–1832.Jeremias Bentham.1775–1836.James Mill.1795–1881.Carlyle.1794–1866.Whewell.1806–1873.John Stuart Mill.1809–1882.Charles Darwin.1820–1904.Herbert Spencer.1825–1895.Huxley.1822–1893.Moleschott.1817–1895.Vogt.1824–1899.Ludwig Büchner.1830–1842.Comte’s cursus van positieve filosofie.1852.Positivistische catechismus.1829.Mill’s Ontleding van de verschijnselen van den menschelijken geest.1834.Bentham’s Deontology.1833.Carlyle’s Sartor Resartus.1843.Carlyle’s Verleden en Heden.1843.Mill’s Logica.1859.Darwin’s Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.1863.Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de samenleving.1868.Häckel’sNatuurlijke scheppingsgeschiedenis.1852.Moleschott’s Kringloop van het leven.1855.Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.1854.Büchner’s Kracht en Stof.1821–1892.C. W. Opzoomer.1831–1906.Allard Pierson.1836–Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.1846.De wijsbegeerte den mensch verzoenende.1851.De weg der wetenschap.1859.De Waarheid en hare kenbronnen.Pierson: Een levensbeschouwing.1906.V. d. Wijck: Afscheidscollege.1894.Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.1895.Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.1820–1887.Multatuli (Eduard Douwes Dekker).1861.Max Havelaar. Ideeën.1871.Lombroso: De misdadige mensch.1885.Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.1899.Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de crimineele anthropologie.1903–1904.Aletrino’s Leerboek der crimineele anthropologie.1908.Roos: Crimineele aetiologie.
TOELICHTENDE JAARTALLEN.
1766–1824.Maine de Biran.1792–1864.Victor Cousin.1798–1857.Auguste Comte.1748–1832.Jeremias Bentham.1775–1836.James Mill.1795–1881.Carlyle.1794–1866.Whewell.1806–1873.John Stuart Mill.1809–1882.Charles Darwin.1820–1904.Herbert Spencer.1825–1895.Huxley.1822–1893.Moleschott.1817–1895.Vogt.1824–1899.Ludwig Büchner.1830–1842.Comte’s cursus van positieve filosofie.1852.Positivistische catechismus.1829.Mill’s Ontleding van de verschijnselen van den menschelijken geest.1834.Bentham’s Deontology.1833.Carlyle’s Sartor Resartus.1843.Carlyle’s Verleden en Heden.1843.Mill’s Logica.1859.Darwin’s Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.1863.Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de samenleving.1868.Häckel’sNatuurlijke scheppingsgeschiedenis.1852.Moleschott’s Kringloop van het leven.1855.Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.1854.Büchner’s Kracht en Stof.1821–1892.C. W. Opzoomer.1831–1906.Allard Pierson.1836–Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.1846.De wijsbegeerte den mensch verzoenende.1851.De weg der wetenschap.1859.De Waarheid en hare kenbronnen.Pierson: Een levensbeschouwing.1906.V. d. Wijck: Afscheidscollege.1894.Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.1895.Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.1820–1887.Multatuli (Eduard Douwes Dekker).1861.Max Havelaar. Ideeën.1871.Lombroso: De misdadige mensch.1885.Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.1899.Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de crimineele anthropologie.1903–1904.Aletrino’s Leerboek der crimineele anthropologie.1908.Roos: Crimineele aetiologie.