VIERDE AFDEELING.DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.§ 42.Inleidende Opmerkingen.Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑5Cursiveering van mij.↑6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑HOOFDSTUK XV.Individualisme en Socialisme.§ 43.Inleidende Opmerkingen.In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.§ 44.Stirner.Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.§ 45.Nietzsche.Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).§ 46.Karl Marx.Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑
VIERDE AFDEELING.DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.§ 42.Inleidende Opmerkingen.Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑5Cursiveering van mij.↑6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑HOOFDSTUK XV.Individualisme en Socialisme.§ 43.Inleidende Opmerkingen.In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.§ 44.Stirner.Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.§ 45.Nietzsche.Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).§ 46.Karl Marx.Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑
§ 42.Inleidende Opmerkingen.Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑5Cursiveering van mij.↑6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑
§ 42.Inleidende Opmerkingen.Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”
§ 42.Inleidende Opmerkingen.Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”
§ 42.Inleidende Opmerkingen.
Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.“Sedert is de toestand geheel veranderd.“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”Alleen haar plaats is onvergankelijk.Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”
Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.
Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld1.
“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.
“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwdwordenals een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.
“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.
“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.
“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat mendewijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldigeaanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….
“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.
“Sedert is de toestand geheel veranderd.
“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”
Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?
Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?
Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.
Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.
Er kwam in ’t algemeenbelangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijvenaan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.
Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.
Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:
De duizend die zich zelf niet wezen konden,Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen gebondenEn weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2
De duizend die zich zelf niet wezen konden,
Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.
Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.
Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,
Voelt zich aan zich door zich alleen gebonden
En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.2
Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.
In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.
Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.
In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.
In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.
Ook degeschiedkundigewetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weergeheelengeven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.
Degeneeskundetoonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.
Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen.We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.
Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van hetpersoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van deveronderstellinguitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij eendenkbeeldigenslinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundigealsofalleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.
De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.
De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet,die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.
Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.
Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.
Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen,dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.
Ook hetkerkelijkleven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.
Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.
Hetkatholicismebleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (EncycliekAeterni Patris1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.
“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”
In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam doceeren en de katholiekenontvingen van de hand van Beysens en Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte.3
Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.
Ook deOPVOEDKUNDIGEideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)
Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu denkunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voorzedelijkonderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.
Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.
Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.
Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in dierichting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).
Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.
Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.
“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”
In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.
Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt zich op: hòe te leven. Er is een “kamp om levensinhoud.” In ons land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als mannen bezocht. Het Tijdschriftvoor Wijsbegeerte geeft gelegenheid ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften vriendelijk voor de wijsbegeerte.4
In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.
Weer anderen schijnen het mysticisme vanSwedenborgte gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.
Maar ook opTHEORETISCHgebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.
De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.
Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.
Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschaptot wijsbegeerte aantoonen.ErnstMach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.
Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.
Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.
Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.
Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.
“Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, houden wij de fijne organisatie der materie in het oog.Het is verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar afleiden.5Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoegroot het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.
“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”
Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:
“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.
Eindelijk wijzen wij op deherleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van OttoLiebmann:Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”
In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.
Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis in 1866 verschenen.6Van de Grieken af tot op den modernen tijd, gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, de ontwikkeling van ’t materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse materialisten, dan verwarde “idealistische” koppen te hebben.
Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselenverklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”
Alleen haar plaats is onvergankelijk.
Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”
In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeftwaardeaan de wereld van het zijnde.
Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.
Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.
Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof.Kohnstammuitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding totKantstudie.
Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”
Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.
De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.
De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.
Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.
En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.
Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”
Opmerking.Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.
Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van EduardvonHartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.
Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.
Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”
1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑5Cursiveering van mij.↑6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑
1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑5Cursiveering van mij.↑6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑
1Alois Riehl,Philosophie der Gegenwart.↑
2Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den enkeling. (Paulsen.)↑
3J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).↑
4v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.↑
5Cursiveering van mij.↑
6Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.↑
HOOFDSTUK XV.Individualisme en Socialisme.§ 43.Inleidende Opmerkingen.In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.§ 44.Stirner.Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.§ 45.Nietzsche.Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).§ 46.Karl Marx.Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑
HOOFDSTUK XV.Individualisme en Socialisme.
§ 43.Inleidende Opmerkingen.In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.§ 44.Stirner.Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.§ 45.Nietzsche.Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).§ 46.Karl Marx.Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.
§ 43.Inleidende Opmerkingen.In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.
§ 43.Inleidende Opmerkingen.
In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.Dat individualisme is tweeërlei.Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.
In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene vraagstukken.
Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling derzedelijkepersoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland had verkondigd.
Dat individualisme is tweeërlei.
Aanelkindividu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigtStirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voorenkelendie het waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het individualisme van Nietzsche.
Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.
Hoe geheel anders hetSOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, ’t was vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk was voorallen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van ’40 en ’50.
Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook Comte zagen we onder dien invloed (II, pag.161).
Marx deed noch ’t een noch ’t ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand een tijdvakwas, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen geschiedenis vangroote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis vanproductiewijzeen toestanden: de personen maken de geschiedenis niet: de geschiedenis maakt hén.
Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding,straffeleiding zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van wat hun ’t onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat hetanarchisme.
§ 44.Stirner.Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
§ 44.Stirner.
Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
Jong-Hegelianen.Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!
Jong-Hegelianen.
Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!
Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach (II,93v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen van dengodsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande gedacht en daarvoor knielde de mensch. Opstaatkundiggebied nu werd een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel’s methode werd gretig “opgevangen door jonge,aan de wetenschap zich wijdende mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den “eenigen” Hegel.”
Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest vervallen. Vrijheid was noodig!
Stirner’s Leven.Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.
Stirner’s Leven.
Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.
Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in 1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die heetten de “vrijen van Hippel”. Studenten, kunstenaars, journalisten, sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer bij een oom in Bayreuth terecht, liep ’t gymnasium af, studeerde letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot ’n doctoraat kwam hij—waarschijnlijk door geldgebrek—niet. Hij trouwde met een meisje uit ’t huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgendtoeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in den kring der vrijen. In 1845verrastehij al zijn bekenden met het merkwaardige boek: “De Eenige en zijn eigendom.” Het kwam uit onder zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar heette men hem Stirner. ’n Oogenblik lachte ’t geluk hem toe. Hij vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij ontslag. Met ’t geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat Stirner weer door ’t leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche’s leer in knop meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn werk komen herdrukken en vertalingen, ’n levensbeschrijving verschijnt1.
Stirner’s boek.Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
Stirner’s boek.
Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
Het is een merkwaardig boek: dat “de Eenige en zijn eigendom.” Men hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar zonderling van bouw en stijl. “Daar hangt een atmosfeer van bier en tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek.” Maar de grondtoon is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. “Mij gaat niets boven mij zelve.”Waarom zou ik voor een ander, voor God, voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt het woord recht niet te pas. Alleen ’t woord macht. Zoover mijn macht gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van ’t egoïsme.
Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot vandenmensch als soort, maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.
Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. “Dan wordt al ’t andere, ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen.”
Stirner’s leer is deontkenning der zedeleer. Alle band is verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, die al haar krachten inspant en aanwendt, “om van de wereld zoo goed en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren.”
Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van denÜbermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
§ 45.Nietzsche.Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
§ 45.Nietzsche.
Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
Leven.Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
Leven.
Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich 5 jaar was, stierf z’n vader aan hersenverweeking, toegeschreven aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den grooten Duitschen oorlog mocht hij—Zwitsersch burger geworden—niet deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij het professoraat op. ’s Zomers leefde hij in ’t Engadin, ’s winters aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn.Zijn zwak gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.
Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de gekruisigde. De waanzin was ingetreden.
Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
Persoonlijkheid.Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.
Persoonlijkheid.
Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.
Nietzsche’s filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk—maar zinnelijkheid is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: nooit een heerlijke, overweldigende liefde2. Bijzonder ook hechtte hij o. m. aan “krachtige vriendschap.” Hij had echter zijnvriendenniet lief, maar hetideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. ’t Pijnlijkst is dit gebleken uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzschewas dus niet de eenzame, van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde “ja” zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij zelf steeds een onkieschheid gevonden.
Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche’s werken niet de werken van een waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars voor. Misschien mag zoo’n korte tijd van krachtig-scheppendleven meer van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, hoe minderzelfbedwangenmatiginghij dan weer had bij ’t werken en hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.
Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de voortbrengselen van een krankzinnige te zien.
Werken en Ontwikkelingsgang.Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).
Werken en Ontwikkelingsgang.
Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).
Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij is begonnen met dekunstals zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept het schitterende symbool van Zarathustra, die denÜbermenschpredikt, die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden en ’t christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche te behandelen, enkele dier werken na.
Hij maakte zich bekend door zijn werk: “De geboorte der tragedie”; hij voer voort door zijn “Niet-actueelebeschouwingen” (Unzeitgemäsze Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste vragen van wereld en lijden en ’n luchthartig optimisme kweekt. Het is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: “Wagner in Bayreuth.” Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in 1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend “Wagner in Bayreuth.” Wagner had door een daad getoond, muziek en poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.
Zoo lofzong Nietzsche. Maar … hij verliet Wagner en Bayreuth ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in ’t publiek; pas later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaarnieuws heeft getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.
Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: over degeschiedenis, haar voor- en nadeel voor ’t leven, en overSchopenhauerals opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar zij den mensch met eerbied vervult voor ’t groote, dat het verleden opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat heden verfraaien met illusies van ’t verleden; waar zij komt tot hen, die gebogen liggen onder eenlastvan dat verleden, kan zij, door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de aanspraken eenerobjectievewetenschap, die de waarheid in zichzelf heeft. Geschiedenis moet steedspersoonlijkzijn. Alleen door hen, die de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.
De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de theorie van denÜbermenschop. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, dat men niet langer eene geschiedenis dermenschheidzal schetsen, maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. “Zij volgen elkander niet op volgens eenewet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”
Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als eenvrijenman, die moed houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.
Nietzsche’s geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En weldra verzette hij zich tegen het pessimisme.Hij wilde niet neen, hij wildeja, volmondigjazeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen het leven willen zeggen, omdat hetschoonwas: de kunst was waard, gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst derwetenschap.
Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: “Menschliches allzumenschliches.” Hier komt hij dichter bij de Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.
“Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de oude “dierbare illusies” gluren. Te midden der scepsis tegenover de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenoverde wetenschap dichter. Hem trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde in verrukking.” (Riehl).
Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, daar is ’t niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal spotte hij: “dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de waarheid.” Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen in de wetenschap op.
Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.
In “Aldus sprak Zarathustra” wordt dat gegeven in hoog-artistieken vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral de werken van 1888: “De Antichrist” en “De wil tot macht” vertoonen die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn “Genealogie der Moral”. (Afstamming der zedeleer).
Nietzsche’s leer.De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
Nietzsche’s leer.
De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.Behandelen wij elk kortelings.Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
De kernpunten van Nietzsche’s leer zijn: het aantoonen van hetvervalder tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, het komen der nieuwe cultuur door denÜbermensch, de noodzakelijkheid van eenveranderingin derangordederwaarden, het geloof aan deneeuwigen wederkeerder werelden.
Behandelen wij elk kortelings.
Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheidverslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van hetmedelijden. Men moet met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerschtslavenmoraal.
Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft die door Luther’s Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, te aanvaarden. Hijwildewat was, en door dat te willen, werd hij heer.
Komen moet deÜbermensch. De mensch van nu is slechts een brug tusschen dier en eenhoogerenlevensvorm voor den mensch. Waarom zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, dan de tegenwoordige mensch is? O, deÜbermensch, zooals die ons in Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem ’t meest ontroert, overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, dat een tegenstand overwonnen wordt.
DeÜbermenschheeft eenzwaarleven. Hij heeft het verdragen, niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal van denÜbermenschvoor allen geldt. Zij is slechts een leer voor weinigen, niet voor de “veel te velen.” Klagend wordt gevraagd, waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De omzetting aller waarden beteekent vooralgeen loslatenvan alle hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal eenheerenmoraal(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der wildernis “het blonde beest” oefende zijn macht uit, had kracht. Maar evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan.Velen, die ongetwijfeld door hem tot de “veel te velen” zouden gerekend zijn, meenden als “Übermensch” smadelijk te moeten neerzien op de kuddedieren en in Nietzsche’s leer een vrijbrief voor ongebondenheid te vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt hij tegen het loslaten van den teugel der passies.
“Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog reinigen; rein moet nog zijn oog worden.”
Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar zucht om vaste wetten op te stellen, waaraanallesgehoorzaamt, zit die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien de dood voor het ontstaan van groote mannen.
“Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der menschheidkunnenontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden voor het verleden ze opgeleverdhebben. Waarschijnlijk groeit de groote mensch enhet groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis niet.”
Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche’s afkeer van ’t christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in ’t christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, het intoomen der kracht. Nietzsche’s geringe historische zin mag er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van ’t christendom te doen onderschatten. Vooral in “De antichrist” heeft hij geen woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij eenreligieuzenatuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. DeÜbermenschvervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het loochenen van Gods bestaan is. “Het Heiligste en Machtigste, dat de wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, om harer slechts waardig te schijnen.” Sterk moet hij zijn, die ’t Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, een voortdurende overwinning, dan is ’t een groot verlies. Nietzsche’s atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht van een felle zieleworsteling.
Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de oude Grieken, is Nietzsche’s geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe groot het aantal dier samenstellingenook mag zijn, het is bepaald. De tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat is, keert dus weer, net zoo, als ’t geweest is, tot in eeuwigheid toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche’s gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo sterk gemaakt dat hij ja zegt: ikwileen beteekenis geven aan mijn stukje leven. “Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht denÜbermenschzal voortbrengen” (Lichtenberg). Te middernacht, als de oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om ’s levens schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij nu de eeuwige wederkeer:
’t Wee roept: verga.Maar alle lust wil eeuwigheid.Wil diepe, diepe eeuwigheid.
’t Wee roept: verga.
Maar alle lust wil eeuwigheid.
Wil diepe, diepe eeuwigheid.
Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den Duitschenstijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.
Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
Opm.Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche’s filosofie, vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy’s internationale bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
§ 46.Karl Marx.Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.
§ 46.Karl Marx.
Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.
Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.
“Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de richting eenerorganisatie der gemeenschapgedurende de eerste helft der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zichop. Hij verwerkte ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen van geest.
“Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het is het woord “geweldig.” Andere figuren uit de wereld der socialisten hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle woorden zouden willen regeeren.
“Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor ’t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen enkel woord van liefde …. Hoonlachend beschimpt hij de gebreken onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal recht.” (Quack).
Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader echter wasadvocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot de maatschappelijke vraagstukken gebracht.
Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx’ tafel kwamen, wist te behandelen.
Na de opheffing van zijn blad door de regeering—de redactie had hij trouwens reeds eerder neergelegd—ging hij naar Parijs, waar toen reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit Parijs gewezen—waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij steeds den grootsten eerbied koesteren)—ging hij naar Brussel, waar hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens “hoogverraad.” Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch manifest van 1850 besloot: “Proletariërs aller landen vereenigt u.” Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor ’t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken arbeid.Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: “Het kapitaal, 1e deel.” De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist hij te zwijgen, als dat noodig was.
In 1881 overleed zijn vrouw. Marx’ laatste levensjaren waren somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige medewerker Engels.
Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei veranderingen de economische basis op.
Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar eigen maatschappelijke verhoudingen,en in samenhang daarmee haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo’n periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor de middeleeuwen, deze zijnveranderdin den nieuwen tijd, waarin de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn waarde is. De kapitalist nu geniet demeerwaardevan den arbeid zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, de onteigenaars en de onteigenden.
Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd van belangen. Deklassenstrijdbestaat. Marx predikt dien niet. Hij constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke verhoudingen kan men de diensten van denverloskundigebewijzen. De moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën der nieuwe faze. Men moet zichnietverlustigen in utopistische schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de verandering in denbovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, een nieuwe kunst komt.
Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al wat voor die voortbrenging noodig is.
De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor de practijk. Zoo werkte ze practisch.
Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der “burgerlijke ideologen”. Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in ’t eigen kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering van ’t lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat “revisionisme” vond ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde Marxisten vindt.
Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de Christen-socialisten.
Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan van een socialistische gemeenschap.
1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑
1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑
1De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman “Götz Krafft”.↑
2Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk geweest moet zijn. ’n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal zou geen passie gekend hebben!—Intusschen blijkt, dat menschen van zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie v. karakters).↑