[Inhoud]II.Van m’n school, meester Lindeman, ’n mislukt examen en ’n strandavontuur.Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader had me voor[31]’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze gewild hadden …Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen. Maar meester Lindeman!... de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.… de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers wel[32]’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap ’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis. Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de[33]beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde, begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i ’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept, maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen, en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of, als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis blijven spelen.Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n dagje naar buiten. Dat was ’etverrukkelijkstevan alles. Dan hadden we pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en buitelde meester Lindeman ’et hardste[34]van allemaal. Want geen een van de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op heete melk.... en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.… en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar, en je voeten op de plank. Als je maar oplette en[35]naar ’em luisterde. En dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor ’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel wezen!”Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had, waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb,[36]ondanks al die moeite, zakte ik voor ’et examen.Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend, want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen.Want er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n[37]lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer ’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft, er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat … dan stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken. Maar … over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter, tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es van ’n jongen gehoord,[38]die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche pogingen maar opgegeven had.De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel ’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou, daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.[39]Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”„Nee, dat zal wel niet gaan.”„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt maar: rust, rust!”„Ja, ’et is lastig!”„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch beuken?”„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”„Of boodschappen?”„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”„Dat-i nou ook niet door dat examen gekomen is. Andere jongens komen er wel door.”„Ja, ’et is ’n ezel!”„Maar jij hebt je ook nooit ’es met z’n werk bemoeid.”„Ik ben geen schoolmeester.”„Nou ja, maar je had toch wel ’es naar z’n huiswerk kunnen kijken, of .…”„Waarom heb je dat zelf niet gedaan? Jij bent meer thuis dan ik.”[40]„Ik ben ziek!”„Nu, ik zal wel ’es bij dezen of genen informeeren, wat we ’et beste met den jongen kunnen beginnen.”Hiermee was ’et gesprek uit. Maar den volgenden middag aan tafel al werd ’et voortgezet. ’Et scheen, dat m’n vader dit maal er werkelijk geen gras over wou laten groeien. Nog voordat m’n moeder naar iets gevraagd had, begon-i:„Ik heb van middag op de Beurs met Steenman over Hans gesproken.”„En?” vroeg m’n moeder.„Ja, die heeft zelf ook ’n jongen, die ’n paar jaar geleden gesjeesd is voor de Burgerschool. Hij raadde me aan, om ’em naar zoo’n soort van stoominrichting te sturen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Ik dacht bij dat woord aan ’n inrichting, waar onze kleeren wel heen gestuurd werden, om uitgestoomd of geverfd te worden. Maar wat moest ik daar doen?Gelukkig begreep m’n moeder er evenmin iets van, en vroeg ze verwonderd: „’n Stoominrichting?”„Ja, ’n instituut, waar ze de jongens klaar stoomen voor ’et examen. Steenman zei, dat die menschen op zoo’n instituut natuurlijk veel harder hun best doen, om de jongens door hun examen te krijgen als gewone onderwijzers. Die laat ’et natuurlijk koud, of ze desnoods allemaal zakken; zij krijgen toch hun salaris. Maar hoe meer leerlingen er van zoo’n instituut slagen, hoe ’n beter naam dat krijgt, en hoe meer klandizie.”Ik snapte nu wel zoo eenigszins, wat voor inrichting m’n vader bedoelde, al kon ik me met geen mooglijkheid[41]voorstellen, hoe iemand ter wereld nog harder z’n best zou kunnen doen, om me de dingen in te stampen, als bij voorbeeld de onderwijzer, dien ik ’et laatste jaar op school gehad had.„En weet je nu al zoo’n instituut?” vroeg m’n moeder verder.„Nee, maar daar zal ik dan wel ’es op uitsnuiven.”„Is dat niet geschikt, waar Steenman z’n zoon op geweest is?”„Dat bestaat niet meer! Maar er zijn er hier in de stad genoeg. En zoo’n gloeiende haast is er ook niet bij. ’Et is nu toch overal vacantie.”„Als er dan nog maar plaats is!”„Op die scholen is altijd plaats. Maar ze kosten ook ’n handvol geld.”Meer werd er dien middag niet over gesproken, en ook de drie volgende dagen, die ik nog in de stad doorbracht, hoorde ik er niets meer van. Toen ging ik naar Zandvoort, om daar, zooals gewoonlijk, m’n zomervacantie door te brengen. Ik woonde daar, net als de vorige jaren, bij ’n visscher in huis, dien m’n vader kende, en die in z’n kleine woning nog juist ’n slaapkamertje voor mij kon inrichten. Voor ’et overige at en dronk ik met hem en z’n vrouw en z’n volwassen dochter aan dezelfde tafel. ’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam, en hadden weinig lust en ook al geen tijd, om zich veel met mij te bemoeien. Enfin, ik was natuurlijk ook haast altijd aan ’et strand, en maakte daar van zelf kennis met andere jongens, die met hun ouërs in Zandvoort logeerden. Alleen als ’et lang[42]achter elkaar regende, was ’et nogal vervelend, want in ’et heele huisje van den visscher was geen boek te vinden, en ’et lukte me ook niet altijd, om er een van iemand te leen te krijgen. ’n Paar nam ik er wel van huis mee, maar die waren gauw uit.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.Net als andere jaren waren de bezoeken van m’n ouërs weer niet al te talrijk. Een keer schreef moeder me, dat ze dien en dien dag tegen ’n uur of elf bij me zou komen. Ik kon ’er niet van ’et station gaan halen, want ik wist niet, of ze met den trein of met de tram zou komen, en ook den tijd wist ik niet precies. Ik bleef dus thuis op ’er wachten. Maar ’et werd twaalf uur, een uur, en wie er verscheen, m’n moeder niet. Ik was dolgraag uitgegaan, want ’et was prachtig weer, en in ’et kleine kamertje van den visscher erg benauwd, maar dat dorst ik toch niet te doen. En zoo bleef ik wachten en wachten. En eindelijk, dicht bij vijven, daar kwam[43]m’n moeder, en vertelde, dat ze toevallig in den trein ’n paar kennissen ontmoet had, die ook in Zandvoort logeerden, en dat ze met hen meegegaan was. Ze moest er ook dadelijk weer naar toe, want ze hadden haar ten eten gevraagd, maar ze had toch eerst even willen kijken, hoe ’et met mij ging. Nu, met mij ging ’et goed, en geen kwartier daarna was m’n moeder weer vertrokken, met de belofte, dat ze heel gauw weer ’es ’n dagje zou overkomen. Maar die belofte schijnt ze vergeten te zijn.Op ’n Zondagmorgen, dat ik op ’et strand met andere jongens aan ’et spelen was, zag ik ineens m’n vader, die naar ons stond te kijken. Ik ging natuurlijk dadelijk naar ’em toe, en gaf ’em ’n hand. Ik was blij, dat de andere jongens ’et zagen, want ik had ’et dikwijls naar gevonden, dat er nooit ’n groot mensch was, dat naar mij omkeek, terwijl de andere allemaal vaders en moeders, en ooms en tantes, en kennissen hadden. M’n vader bleef bijna dien heelen dag bij me, haast tot zes uur, en was erg aardig voor me. We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand, wel ’n uur ver, gingen toen wat in ’et zand zitten, om uit te rusten, en liepen toen terug. Gelukkig zag m’n vader geen kennissen, dat wil zeggen, wel ’n paar menschen, voor wie-i z’n hoed afnam, maar toch niemand, dien-i aansprak. Toen gingen we met z’n tweeën in ’n groot, mooi café, waar ’et vreeselijk vol was, voor ’n open raam zitten, en kreeg ik ’n heerlijk broodje met vleesch en ’n kop koffie. Na ’et koffiedrinken gingen we weer naar ’et strand; vader kocht ’n paar kranten en ging in ’n badstoel zitten, en ik bleef in de buurt wat rondloopen en spelen. En toen[44]m’n vader ’n uurtje gelezen had en af en toe ’es ingedommeld was, gingen we weer terug naar ’et zelfde café, en kreeg ik ’n kogelfleschje limonade. En daar bleven we, tot ’et tijd was om naar ’et station te gaan.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.Op onze wandeling langs ’et strand en in ’et koffiehuis praatten we natuurlijk met elkaar, en ik geloof, dat ik dien dag meer met m’n vader gesproken heb, dan anders in ’n heel jaar. Ik vertelde ’em, hoe ik m’n tijd in Zandvoort doorbracht, en van de jongens, die ik er kende, maar ook dingen van m’n school en van meester Lindeman, en van oom Frits. En zelf zei m’n vader wel niet veel, maar-i luisterde toch wel naar me, en tusschenbeide lachte hij zelfs even hartelijk, als ik ’em anders alleen met z’n vrienden hoorde doen.Ik waagde ’et ook, om ’em te vragen, of-i al ’n andere school voor me gevonden had, en toen hoorde ik, dat ik met September naar ’et instituut Belmans op de Veergracht zou gaan. Ik had daar nooit van gehoord, maar m’n vader zei, dat ’et ’n[45]heel goeïe school was, en dat ’et m’n eigen schuld zou zijn, als ik daar nu ook weer niet goed leerde. M’nheer Belmans had zelfs gezegd, dat ’et best mogelijk was, dat ik ’et verloren jaar nog inhaalde, en ’et volgend jaar examen kon doen voor de tweede klas van de Hoogere Burgerschool. Ik zei daar niet veel op, maar in m’n hart leek me dat zoo wat even mogelijk, als om van den hoogsten toren te springen en levend en wel op je voeten neer te komen.Na dat bezoek van m’n vader bleef ik nog ’n week in Zandvoort. Ik had in den loop van die week nog ’n soort van avontuur, dat ver van prettig voor me was, maar dat ik je toch vertellen wil.Als je ’n week of zes in ’n badplaats logeert, dan spreekt ’et van zelf, dat je ook wel ’es graag ’n bad neemt. Je kunt natuurlijk wel altijd je schoenen en kousen uittrekken, en zoo’n beetje in ’et water plassen, en dat deden wij jongens dan ook wel vaak genoeg, maar dat is toch je ware niet. Op ’n warmen dag is niets prettiger, dan zoo heelemaal in ’et water te duikelen en te spartelen. Dat kan je nu in Zandvoort doen, als je ’n badkaart hebt, en dan krijg je ’n badkoetsje, om je uit en aan te kleeden, en ’n badcostuum en handdoeken en dan rijën ze je ’n heel eind in zee, en ’n badknecht houdt ’n oogje in ’et zeil, dat je je niet te ver waagt. Dan heb je dus alles, wat je maar verlangen kan. Maar ongelukkig kost zoo’n badkaart geld.Nu kreeg ik als ik naar Zandvoort ging, twee kwartjes mee op reis, en daar mocht ik wel mee doen, wat ik wou, maar ’et was nog niet eens ’n dubbeltje in de week, en dus te weinig, om er voor te[46]baden. Dat zou ik er net één keer voor hebben kunnen doen. En ik wou toch ook wel ’es ’n stuk chocola of ’n andere snoeperij koopen.Als ik daarom ’n bad wou nemen, dan deed ik dat op m’n eigen houtje, op ’n heel stille plaats. Ik wandelde eerst ’n half uur of drie kwartier ’et strand langs, totdat ik zoo goed als geen menschen meer zag. Dan trok ik m’n goed uit, lei m’n kleeren op ’et strand, en ging in zee, natuurlijk niet al te ver, want zwemmen kon ik niet. Meester Lindeman had er altijd erg op aangedrongen, dat alle jongens toch vooral zwemmen zouën leeren, omdat dat zoo gezond en zoo nuttig was. En hij had meer dan eens gezegd, dat iedereen dat kon, omdat wie geen geld had, om ’et abonnement in ’n zweminrichting te betalen, naar ’t kostelooze zwembad kon gaan. Daar had hij zelf ’et ook als jongen geleerd. Ik had er thuis dan ook ’n paar maal ’n balletje van opgegooid, maar geld wou m’n vader er niet voor uitgeven, en ’et kostelooze zwembad vond m’n moeder te onfatsoenlijk. Ik plaste dus alleen maar wat in ’et lekkere koele water, liet de zon me op ’et warme zand drogen, kleedde me weer aan, en wandelde langs ’et strand terug. ’n Enkelen keer gingen er bij deze tochtjes wel andere jongens met me mee, maar meestal was ik toch alleen.’Et jaar, waarvan ik nu spreek, had ik ’n bizonder geschikt plekje voor m’n badpartijen ontdekt, dat ik gemakkelijk terug kon vinden. Er lag daar midden op ’et strand, half in ’et zand begraven, ’n ouë ton zonder deksel, of eigenlijk waren ’et niet veel meer dan wat losse duigen, die meer door ’et[47]zand bij elkaar gehouën werden dan door den anderhalven hoepel, die er nog omheen zat. Je kon daar bij die plaats makkelijk in zee komen, en in dat overschot van ’n ton kon ik m’n kleeren bergen. Dan bleven ze beter bij elkaar, want anders gebeurde ’et op ’n winderigen dag wel ’es, dat ik ’et water uit moest komen, om m’n hoed of m’n boord na te hollen, die door den wind opgejaagd waren.Op ’n keer was ik er nu weer in m’n eentje op uitgetrokken, om op m’n lievelingsplekje te gaan baden. Toen ik ’et drukke gedeelte van ’et strand met z’n badkoetsjes en badstoelen en wriemelende menschenmassa, en z’n hôtels en villa’s boven op de duinen al ’n goed eind achter den rug had, keek ik ’es om, en zag toen, ’n vijftig pas achter me, ’n slordig gekleeden jongen, met ’n grijze pet met ’n groote klep, en veel te wijde afgetrapte schoenen, met ’n rooïe das om den hals, waarvan de uitgerafelde punten in den wind fladderden. ’n Eind verder keek ik nog ’es haastig om, en later nog ’es, en telkens zag ik den jongen weer. Onwillekeurig begon ik wat langzamer te loopen, bleef ’es even staan, om ’n doodgewone schelp op te rapen en te doen of ik die met bizondere belangstelling bekeek, maar wat ik gehoopt had, gebeurde niet: de jongen passeerde mij niet. Ik zag dus alweer om, of-i misschien omgekeerd was, maar neen, daar was de fladderende rooïe das nog precies even ver achter mij. Ik gooide ’et nu over ’n anderen boeg, en begon m’n pas hoe langer hoe meer te versnellen. Maar ook dit middel hielp niet, want toen ik half buiten adem stilstond en omkeek, was de afstand tusschen[48]mij en den jongen niet veel grooter dan eerst.’n slordig gekleede jongen...’n slordig gekleede jongen …Ik moest dus wel tot ’et besluit komen, dat de jongen me opzettelijk volgde. Maar waarom? ’Et gedeelte van ’et strand, waar wij liepen, was wel stil, maar toch niet heelemaal verlaten. Van tijd tot tijd kwam ons ’n wandelaar tegemoet of ’n fietsrijder of ’n ruiter, hier en daar passeerden we ’n eenzaam bader, en aan den voet of op den top van de duinen zagen we ook nu en dan ’n paar menschen zitten. Er was dus geen reden, om me bepaald ongerust te maken. Toch voelde ik me niet op m’n gemak, en ik had ’n lief ding willen geven, om den jongen met z’nrooïedas weg te kunnen kijken.Toen ik dan ook dicht bij ’et doel van m’n wandeling gekomen was, en ik m’n ton al in de verte zag, besloot ik maar, voor dit maal van m’n bad af[49]te zien. ’t Speet me natuurlijk verschrikkelijk, want ik was van ’et harde loopen warm geworden, en ’et frissche water lachte me toe. Maar ’et was nu eenmaal niet anders. Ik bleef dus staan, keek ’es rond, stapte naar den kant van ’et water en maakte m’n handen en armen wat nat, draalde nog ’n beetje, en drentelde toen langzaam terug. Ik had opzettelijk niet naar den jongen gekeken, maar nu zag ik, dat hij ook weer was blijven staan. Ik bleef dus bij m’n besluit, om maar onverrichterzake naar huis te gaan, en liep door. De jongen stond nog op dezelfde plaats, toen ik hem op eenigen afstand passeerde en ik verbeeldde me, dat-i mij eenigszins spottend aankeek, maar zeggen deed-i niets.Natuurlijk was ik nieuwsgierig, om te weten, of-i me weer zou volgen, en ik keek dus al heel gauw weer achter mij. Neen, ditmaal was-i doorgeloopen. Nog ’n paar maal zag ik om, maar de afstand tusschen ons werd telkens grooter. Ik was warm en moe geworden, en toen ik op ’n plaats kwam, waar twee dorpsjongens aan ’et zwemmen waren, ging ik in ’et zand zitten, om naar ze te kijken.Maar ik had nog geen vijf minuten gezeten, of de lust, om toch in ’et water te gaan, werd me te machtig. Ik stond dus weer op, en wandelde voor de tweede maal in de richting van de ton. Heel in de verte zag ik ’n zwarte figuur, die ik voor den jongen hield, die me m’n heelen dag bijna bedorven had, maar na ’n poosje had ik die uit ’et oog verloren. Toen ik op m’n ouë plekje kwam, keek ik ook nog ’es naar alle kanten, maar ik zag niets, dat me ongerust maakte. En ik besloot m’n bad te nemen, dat ik dien dag zeker dubbel verdiend had.[50]In ’n wip was ik uitgekleed, en plonsde ik in ’et heerlijke water. In ’et eerst wierp ik nog nu en dan ’n blik naar ’et strand, maar spoedig dacht ik niet meer aan gevaar, en vergat alles om me heen door ’et prettige opgewekte gevoel, dat ’et zeewater me gaf. Zoo lekker als dien dag had me ’et baden nog nooit geleken.In ’n wip was ik uitgekleed.In ’n wip was ik uitgekleed.Ik was ’n heel eind ver de zee ingegaan en stond tot aan m’n borst in ’et water, toen ik er aan dacht, om zoetjes aan terug te keeren. Maar verbeeld je, hoe ik schrok, toen ik me omdraaide. Ik zag iemand, die uit alle macht van den duinkant kwam aanrennen, en wel regelrecht naar de plaats, waar ik m’n kleeren geborgen had. En geen seconde later herkende ik den jongen aan de flapperende einden van z’n das. Eén oogenblik stond ik verstijfd van schrik, maar toen begon ik te hollen door ’et water, zoo hard als ik maar kon. Ik stoorde me er niet aan, dat ik ’n paar malen m’n voet leelijk bezeerde op ’n scherpen steen, maar liep als ’n razende verder.De jongen echter bleef eveneens aan ’et hollen, en toen ik m’n voeten weer op ’et droge zette, was hij veel dichter bij de ton dan ik. Want ’et was eb, en zelfs bij vloed lag[51]m’n kleerenbergplaats nog ’n heel eind van ’et water af. Ik begreep, dat ik te laat zou komen, maar toch bleef ik doorhollen. Ik zag den jongen bij de ton komen, ’n oogenblik in m’n kleeren grabbelen, er wat uithalen, en wegrennen in de richting van ’et dorp af. Op ’etzelfde oogenblik was ook ik bij de ton, en met één oogopslag had ik gezien, dat wat ik gevreesd had, ook gebeurd was. De jongen met de rooie das had m’n horloge gestolen.Ik gaf ’n gil van woede en vloog den dief na. Maar ’et duurde niet lang, of ik kwam tot bezinning. Zonder kleeren aan ’et lijf kon ik toch onmogelijk den jongen heel lang vervolgen, en hij liep eer harder dan minder hard dan ik. En dus keerde ik weldra, huilend van kwaadheid en spijt, terug, en begon me aan te kleeden zonder te wachten, tot ik eigenlijk goed droog was, en stak telkens ’n arm in ’n verkeerde mouw, en scheurde m’n flanel, en voelde me diep en diep ongelukkig.’Et horloge, dat me ontstolen was, had ik als ’n gedachtenis aan oom Frits gekregen. ’Et was natuurlijk ’n ouërwetsch horloge, van zilver, met ’n bolronde kast, en vader had ’et na de begrafenis voor me mee gebracht. In ’et eerst mocht ik ’et nog niet iederen dag dragen, maar langzamerhand was dat er toch van zelf van gekomen, en in de vacantie kreeg ik ’et altijd mee. Ik hoef je niet te zeggen, dat ik daarom nog bedroefder om ’et verlies er van was.Toen ik weer aangekleed was, stapte ik meteen naar huis. Van den jongen was in geen velden of wegen iets meer te zien. Ik vertelde thuis natuurlijk dadelijk onder tranen, wat er gebeurd was, en de[52]visschersfamilie sloeg de handen in mekaar en beklaagde me en probeerde me te troosten. De man nam me mee naar ’et politiebureau, en daar moest ik aan ’n m’nheer met ’n vreeselijk zwarten baard en ’n gouën bril op alles heel precies vertellen. Ik gaf zoo goed en zoo kwaad als ’et ging ’n beschrijving van den jongen, en wees vooral ’n paar maal op de wapperende rooie das, want ik meende, dat dit herkenningsteeken ’et heel gemakkelijk zou maken om den boosdoener op te sporen. Maar de m’nheer met den baard scheen daaraan niet zoo veel waarde te hechten. Hij zei niet veel anders dan ’n paar maal „hm!”, schreef ’n paar dingen op, ook m’n vaders naam en adres, en gaf me bij ’et heengaan den raad, niet weer alleen op zulke eenzame plaatsen te gaan baden. Nu, zoo wijs zou ik uit me zelf ook al geweest zijn.Toen ik ’n paar dagen later weer bij m’n ouërs thuis was, en m’n treurig avontuur vertelde, werd daar de zaak nog al koeltjes opgenomen. M’n moeder zei, dat ’et jammer was, maar dat er nu eenmaal niets meer aan te doen was. En m’n vader zei, dat-i hoopte, dat de Zandvoortsche politie den jongen niet te pakken zou krijgen, want dan zou dat allerlei geschrijf en last geven van getuige-verhooren en zoo, en dat was de heele ouë knol van oom Frits niet waard. Ik zelf dacht daar anders over, maar die wensch van vader werd verhoord: we hebben van de zaak nooit meer iets gehoord.Ik was dus de laatste gedachtenis van m’ngoeïenoom voor altijd kwijt, maar ik heb daardoor toch niet minder dikwijls aan ’em gedacht.[53]
[Inhoud]II.Van m’n school, meester Lindeman, ’n mislukt examen en ’n strandavontuur.Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader had me voor[31]’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze gewild hadden …Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen. Maar meester Lindeman!... de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.… de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers wel[32]’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap ’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis. Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de[33]beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde, begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i ’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept, maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen, en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of, als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis blijven spelen.Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n dagje naar buiten. Dat was ’etverrukkelijkstevan alles. Dan hadden we pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en buitelde meester Lindeman ’et hardste[34]van allemaal. Want geen een van de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op heete melk.... en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.… en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar, en je voeten op de plank. Als je maar oplette en[35]naar ’em luisterde. En dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor ’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel wezen!”Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had, waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb,[36]ondanks al die moeite, zakte ik voor ’et examen.Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend, want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen.Want er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n[37]lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer ’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft, er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat … dan stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken. Maar … over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter, tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es van ’n jongen gehoord,[38]die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche pogingen maar opgegeven had.De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel ’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou, daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.[39]Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”„Nee, dat zal wel niet gaan.”„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt maar: rust, rust!”„Ja, ’et is lastig!”„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch beuken?”„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”„Of boodschappen?”„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”„Dat-i nou ook niet door dat examen gekomen is. Andere jongens komen er wel door.”„Ja, ’et is ’n ezel!”„Maar jij hebt je ook nooit ’es met z’n werk bemoeid.”„Ik ben geen schoolmeester.”„Nou ja, maar je had toch wel ’es naar z’n huiswerk kunnen kijken, of .…”„Waarom heb je dat zelf niet gedaan? Jij bent meer thuis dan ik.”[40]„Ik ben ziek!”„Nu, ik zal wel ’es bij dezen of genen informeeren, wat we ’et beste met den jongen kunnen beginnen.”Hiermee was ’et gesprek uit. Maar den volgenden middag aan tafel al werd ’et voortgezet. ’Et scheen, dat m’n vader dit maal er werkelijk geen gras over wou laten groeien. Nog voordat m’n moeder naar iets gevraagd had, begon-i:„Ik heb van middag op de Beurs met Steenman over Hans gesproken.”„En?” vroeg m’n moeder.„Ja, die heeft zelf ook ’n jongen, die ’n paar jaar geleden gesjeesd is voor de Burgerschool. Hij raadde me aan, om ’em naar zoo’n soort van stoominrichting te sturen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Ik dacht bij dat woord aan ’n inrichting, waar onze kleeren wel heen gestuurd werden, om uitgestoomd of geverfd te worden. Maar wat moest ik daar doen?Gelukkig begreep m’n moeder er evenmin iets van, en vroeg ze verwonderd: „’n Stoominrichting?”„Ja, ’n instituut, waar ze de jongens klaar stoomen voor ’et examen. Steenman zei, dat die menschen op zoo’n instituut natuurlijk veel harder hun best doen, om de jongens door hun examen te krijgen als gewone onderwijzers. Die laat ’et natuurlijk koud, of ze desnoods allemaal zakken; zij krijgen toch hun salaris. Maar hoe meer leerlingen er van zoo’n instituut slagen, hoe ’n beter naam dat krijgt, en hoe meer klandizie.”Ik snapte nu wel zoo eenigszins, wat voor inrichting m’n vader bedoelde, al kon ik me met geen mooglijkheid[41]voorstellen, hoe iemand ter wereld nog harder z’n best zou kunnen doen, om me de dingen in te stampen, als bij voorbeeld de onderwijzer, dien ik ’et laatste jaar op school gehad had.„En weet je nu al zoo’n instituut?” vroeg m’n moeder verder.„Nee, maar daar zal ik dan wel ’es op uitsnuiven.”„Is dat niet geschikt, waar Steenman z’n zoon op geweest is?”„Dat bestaat niet meer! Maar er zijn er hier in de stad genoeg. En zoo’n gloeiende haast is er ook niet bij. ’Et is nu toch overal vacantie.”„Als er dan nog maar plaats is!”„Op die scholen is altijd plaats. Maar ze kosten ook ’n handvol geld.”Meer werd er dien middag niet over gesproken, en ook de drie volgende dagen, die ik nog in de stad doorbracht, hoorde ik er niets meer van. Toen ging ik naar Zandvoort, om daar, zooals gewoonlijk, m’n zomervacantie door te brengen. Ik woonde daar, net als de vorige jaren, bij ’n visscher in huis, dien m’n vader kende, en die in z’n kleine woning nog juist ’n slaapkamertje voor mij kon inrichten. Voor ’et overige at en dronk ik met hem en z’n vrouw en z’n volwassen dochter aan dezelfde tafel. ’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam, en hadden weinig lust en ook al geen tijd, om zich veel met mij te bemoeien. Enfin, ik was natuurlijk ook haast altijd aan ’et strand, en maakte daar van zelf kennis met andere jongens, die met hun ouërs in Zandvoort logeerden. Alleen als ’et lang[42]achter elkaar regende, was ’et nogal vervelend, want in ’et heele huisje van den visscher was geen boek te vinden, en ’et lukte me ook niet altijd, om er een van iemand te leen te krijgen. ’n Paar nam ik er wel van huis mee, maar die waren gauw uit.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.Net als andere jaren waren de bezoeken van m’n ouërs weer niet al te talrijk. Een keer schreef moeder me, dat ze dien en dien dag tegen ’n uur of elf bij me zou komen. Ik kon ’er niet van ’et station gaan halen, want ik wist niet, of ze met den trein of met de tram zou komen, en ook den tijd wist ik niet precies. Ik bleef dus thuis op ’er wachten. Maar ’et werd twaalf uur, een uur, en wie er verscheen, m’n moeder niet. Ik was dolgraag uitgegaan, want ’et was prachtig weer, en in ’et kleine kamertje van den visscher erg benauwd, maar dat dorst ik toch niet te doen. En zoo bleef ik wachten en wachten. En eindelijk, dicht bij vijven, daar kwam[43]m’n moeder, en vertelde, dat ze toevallig in den trein ’n paar kennissen ontmoet had, die ook in Zandvoort logeerden, en dat ze met hen meegegaan was. Ze moest er ook dadelijk weer naar toe, want ze hadden haar ten eten gevraagd, maar ze had toch eerst even willen kijken, hoe ’et met mij ging. Nu, met mij ging ’et goed, en geen kwartier daarna was m’n moeder weer vertrokken, met de belofte, dat ze heel gauw weer ’es ’n dagje zou overkomen. Maar die belofte schijnt ze vergeten te zijn.Op ’n Zondagmorgen, dat ik op ’et strand met andere jongens aan ’et spelen was, zag ik ineens m’n vader, die naar ons stond te kijken. Ik ging natuurlijk dadelijk naar ’em toe, en gaf ’em ’n hand. Ik was blij, dat de andere jongens ’et zagen, want ik had ’et dikwijls naar gevonden, dat er nooit ’n groot mensch was, dat naar mij omkeek, terwijl de andere allemaal vaders en moeders, en ooms en tantes, en kennissen hadden. M’n vader bleef bijna dien heelen dag bij me, haast tot zes uur, en was erg aardig voor me. We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand, wel ’n uur ver, gingen toen wat in ’et zand zitten, om uit te rusten, en liepen toen terug. Gelukkig zag m’n vader geen kennissen, dat wil zeggen, wel ’n paar menschen, voor wie-i z’n hoed afnam, maar toch niemand, dien-i aansprak. Toen gingen we met z’n tweeën in ’n groot, mooi café, waar ’et vreeselijk vol was, voor ’n open raam zitten, en kreeg ik ’n heerlijk broodje met vleesch en ’n kop koffie. Na ’et koffiedrinken gingen we weer naar ’et strand; vader kocht ’n paar kranten en ging in ’n badstoel zitten, en ik bleef in de buurt wat rondloopen en spelen. En toen[44]m’n vader ’n uurtje gelezen had en af en toe ’es ingedommeld was, gingen we weer terug naar ’et zelfde café, en kreeg ik ’n kogelfleschje limonade. En daar bleven we, tot ’et tijd was om naar ’et station te gaan.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.Op onze wandeling langs ’et strand en in ’et koffiehuis praatten we natuurlijk met elkaar, en ik geloof, dat ik dien dag meer met m’n vader gesproken heb, dan anders in ’n heel jaar. Ik vertelde ’em, hoe ik m’n tijd in Zandvoort doorbracht, en van de jongens, die ik er kende, maar ook dingen van m’n school en van meester Lindeman, en van oom Frits. En zelf zei m’n vader wel niet veel, maar-i luisterde toch wel naar me, en tusschenbeide lachte hij zelfs even hartelijk, als ik ’em anders alleen met z’n vrienden hoorde doen.Ik waagde ’et ook, om ’em te vragen, of-i al ’n andere school voor me gevonden had, en toen hoorde ik, dat ik met September naar ’et instituut Belmans op de Veergracht zou gaan. Ik had daar nooit van gehoord, maar m’n vader zei, dat ’et ’n[45]heel goeïe school was, en dat ’et m’n eigen schuld zou zijn, als ik daar nu ook weer niet goed leerde. M’nheer Belmans had zelfs gezegd, dat ’et best mogelijk was, dat ik ’et verloren jaar nog inhaalde, en ’et volgend jaar examen kon doen voor de tweede klas van de Hoogere Burgerschool. Ik zei daar niet veel op, maar in m’n hart leek me dat zoo wat even mogelijk, als om van den hoogsten toren te springen en levend en wel op je voeten neer te komen.Na dat bezoek van m’n vader bleef ik nog ’n week in Zandvoort. Ik had in den loop van die week nog ’n soort van avontuur, dat ver van prettig voor me was, maar dat ik je toch vertellen wil.Als je ’n week of zes in ’n badplaats logeert, dan spreekt ’et van zelf, dat je ook wel ’es graag ’n bad neemt. Je kunt natuurlijk wel altijd je schoenen en kousen uittrekken, en zoo’n beetje in ’et water plassen, en dat deden wij jongens dan ook wel vaak genoeg, maar dat is toch je ware niet. Op ’n warmen dag is niets prettiger, dan zoo heelemaal in ’et water te duikelen en te spartelen. Dat kan je nu in Zandvoort doen, als je ’n badkaart hebt, en dan krijg je ’n badkoetsje, om je uit en aan te kleeden, en ’n badcostuum en handdoeken en dan rijën ze je ’n heel eind in zee, en ’n badknecht houdt ’n oogje in ’et zeil, dat je je niet te ver waagt. Dan heb je dus alles, wat je maar verlangen kan. Maar ongelukkig kost zoo’n badkaart geld.Nu kreeg ik als ik naar Zandvoort ging, twee kwartjes mee op reis, en daar mocht ik wel mee doen, wat ik wou, maar ’et was nog niet eens ’n dubbeltje in de week, en dus te weinig, om er voor te[46]baden. Dat zou ik er net één keer voor hebben kunnen doen. En ik wou toch ook wel ’es ’n stuk chocola of ’n andere snoeperij koopen.Als ik daarom ’n bad wou nemen, dan deed ik dat op m’n eigen houtje, op ’n heel stille plaats. Ik wandelde eerst ’n half uur of drie kwartier ’et strand langs, totdat ik zoo goed als geen menschen meer zag. Dan trok ik m’n goed uit, lei m’n kleeren op ’et strand, en ging in zee, natuurlijk niet al te ver, want zwemmen kon ik niet. Meester Lindeman had er altijd erg op aangedrongen, dat alle jongens toch vooral zwemmen zouën leeren, omdat dat zoo gezond en zoo nuttig was. En hij had meer dan eens gezegd, dat iedereen dat kon, omdat wie geen geld had, om ’et abonnement in ’n zweminrichting te betalen, naar ’t kostelooze zwembad kon gaan. Daar had hij zelf ’et ook als jongen geleerd. Ik had er thuis dan ook ’n paar maal ’n balletje van opgegooid, maar geld wou m’n vader er niet voor uitgeven, en ’et kostelooze zwembad vond m’n moeder te onfatsoenlijk. Ik plaste dus alleen maar wat in ’et lekkere koele water, liet de zon me op ’et warme zand drogen, kleedde me weer aan, en wandelde langs ’et strand terug. ’n Enkelen keer gingen er bij deze tochtjes wel andere jongens met me mee, maar meestal was ik toch alleen.’Et jaar, waarvan ik nu spreek, had ik ’n bizonder geschikt plekje voor m’n badpartijen ontdekt, dat ik gemakkelijk terug kon vinden. Er lag daar midden op ’et strand, half in ’et zand begraven, ’n ouë ton zonder deksel, of eigenlijk waren ’et niet veel meer dan wat losse duigen, die meer door ’et[47]zand bij elkaar gehouën werden dan door den anderhalven hoepel, die er nog omheen zat. Je kon daar bij die plaats makkelijk in zee komen, en in dat overschot van ’n ton kon ik m’n kleeren bergen. Dan bleven ze beter bij elkaar, want anders gebeurde ’et op ’n winderigen dag wel ’es, dat ik ’et water uit moest komen, om m’n hoed of m’n boord na te hollen, die door den wind opgejaagd waren.Op ’n keer was ik er nu weer in m’n eentje op uitgetrokken, om op m’n lievelingsplekje te gaan baden. Toen ik ’et drukke gedeelte van ’et strand met z’n badkoetsjes en badstoelen en wriemelende menschenmassa, en z’n hôtels en villa’s boven op de duinen al ’n goed eind achter den rug had, keek ik ’es om, en zag toen, ’n vijftig pas achter me, ’n slordig gekleeden jongen, met ’n grijze pet met ’n groote klep, en veel te wijde afgetrapte schoenen, met ’n rooïe das om den hals, waarvan de uitgerafelde punten in den wind fladderden. ’n Eind verder keek ik nog ’es haastig om, en later nog ’es, en telkens zag ik den jongen weer. Onwillekeurig begon ik wat langzamer te loopen, bleef ’es even staan, om ’n doodgewone schelp op te rapen en te doen of ik die met bizondere belangstelling bekeek, maar wat ik gehoopt had, gebeurde niet: de jongen passeerde mij niet. Ik zag dus alweer om, of-i misschien omgekeerd was, maar neen, daar was de fladderende rooïe das nog precies even ver achter mij. Ik gooide ’et nu over ’n anderen boeg, en begon m’n pas hoe langer hoe meer te versnellen. Maar ook dit middel hielp niet, want toen ik half buiten adem stilstond en omkeek, was de afstand tusschen[48]mij en den jongen niet veel grooter dan eerst.’n slordig gekleede jongen...’n slordig gekleede jongen …Ik moest dus wel tot ’et besluit komen, dat de jongen me opzettelijk volgde. Maar waarom? ’Et gedeelte van ’et strand, waar wij liepen, was wel stil, maar toch niet heelemaal verlaten. Van tijd tot tijd kwam ons ’n wandelaar tegemoet of ’n fietsrijder of ’n ruiter, hier en daar passeerden we ’n eenzaam bader, en aan den voet of op den top van de duinen zagen we ook nu en dan ’n paar menschen zitten. Er was dus geen reden, om me bepaald ongerust te maken. Toch voelde ik me niet op m’n gemak, en ik had ’n lief ding willen geven, om den jongen met z’nrooïedas weg te kunnen kijken.Toen ik dan ook dicht bij ’et doel van m’n wandeling gekomen was, en ik m’n ton al in de verte zag, besloot ik maar, voor dit maal van m’n bad af[49]te zien. ’t Speet me natuurlijk verschrikkelijk, want ik was van ’et harde loopen warm geworden, en ’et frissche water lachte me toe. Maar ’et was nu eenmaal niet anders. Ik bleef dus staan, keek ’es rond, stapte naar den kant van ’et water en maakte m’n handen en armen wat nat, draalde nog ’n beetje, en drentelde toen langzaam terug. Ik had opzettelijk niet naar den jongen gekeken, maar nu zag ik, dat hij ook weer was blijven staan. Ik bleef dus bij m’n besluit, om maar onverrichterzake naar huis te gaan, en liep door. De jongen stond nog op dezelfde plaats, toen ik hem op eenigen afstand passeerde en ik verbeeldde me, dat-i mij eenigszins spottend aankeek, maar zeggen deed-i niets.Natuurlijk was ik nieuwsgierig, om te weten, of-i me weer zou volgen, en ik keek dus al heel gauw weer achter mij. Neen, ditmaal was-i doorgeloopen. Nog ’n paar maal zag ik om, maar de afstand tusschen ons werd telkens grooter. Ik was warm en moe geworden, en toen ik op ’n plaats kwam, waar twee dorpsjongens aan ’et zwemmen waren, ging ik in ’et zand zitten, om naar ze te kijken.Maar ik had nog geen vijf minuten gezeten, of de lust, om toch in ’et water te gaan, werd me te machtig. Ik stond dus weer op, en wandelde voor de tweede maal in de richting van de ton. Heel in de verte zag ik ’n zwarte figuur, die ik voor den jongen hield, die me m’n heelen dag bijna bedorven had, maar na ’n poosje had ik die uit ’et oog verloren. Toen ik op m’n ouë plekje kwam, keek ik ook nog ’es naar alle kanten, maar ik zag niets, dat me ongerust maakte. En ik besloot m’n bad te nemen, dat ik dien dag zeker dubbel verdiend had.[50]In ’n wip was ik uitgekleed, en plonsde ik in ’et heerlijke water. In ’et eerst wierp ik nog nu en dan ’n blik naar ’et strand, maar spoedig dacht ik niet meer aan gevaar, en vergat alles om me heen door ’et prettige opgewekte gevoel, dat ’et zeewater me gaf. Zoo lekker als dien dag had me ’et baden nog nooit geleken.In ’n wip was ik uitgekleed.In ’n wip was ik uitgekleed.Ik was ’n heel eind ver de zee ingegaan en stond tot aan m’n borst in ’et water, toen ik er aan dacht, om zoetjes aan terug te keeren. Maar verbeeld je, hoe ik schrok, toen ik me omdraaide. Ik zag iemand, die uit alle macht van den duinkant kwam aanrennen, en wel regelrecht naar de plaats, waar ik m’n kleeren geborgen had. En geen seconde later herkende ik den jongen aan de flapperende einden van z’n das. Eén oogenblik stond ik verstijfd van schrik, maar toen begon ik te hollen door ’et water, zoo hard als ik maar kon. Ik stoorde me er niet aan, dat ik ’n paar malen m’n voet leelijk bezeerde op ’n scherpen steen, maar liep als ’n razende verder.De jongen echter bleef eveneens aan ’et hollen, en toen ik m’n voeten weer op ’et droge zette, was hij veel dichter bij de ton dan ik. Want ’et was eb, en zelfs bij vloed lag[51]m’n kleerenbergplaats nog ’n heel eind van ’et water af. Ik begreep, dat ik te laat zou komen, maar toch bleef ik doorhollen. Ik zag den jongen bij de ton komen, ’n oogenblik in m’n kleeren grabbelen, er wat uithalen, en wegrennen in de richting van ’et dorp af. Op ’etzelfde oogenblik was ook ik bij de ton, en met één oogopslag had ik gezien, dat wat ik gevreesd had, ook gebeurd was. De jongen met de rooie das had m’n horloge gestolen.Ik gaf ’n gil van woede en vloog den dief na. Maar ’et duurde niet lang, of ik kwam tot bezinning. Zonder kleeren aan ’et lijf kon ik toch onmogelijk den jongen heel lang vervolgen, en hij liep eer harder dan minder hard dan ik. En dus keerde ik weldra, huilend van kwaadheid en spijt, terug, en begon me aan te kleeden zonder te wachten, tot ik eigenlijk goed droog was, en stak telkens ’n arm in ’n verkeerde mouw, en scheurde m’n flanel, en voelde me diep en diep ongelukkig.’Et horloge, dat me ontstolen was, had ik als ’n gedachtenis aan oom Frits gekregen. ’Et was natuurlijk ’n ouërwetsch horloge, van zilver, met ’n bolronde kast, en vader had ’et na de begrafenis voor me mee gebracht. In ’et eerst mocht ik ’et nog niet iederen dag dragen, maar langzamerhand was dat er toch van zelf van gekomen, en in de vacantie kreeg ik ’et altijd mee. Ik hoef je niet te zeggen, dat ik daarom nog bedroefder om ’et verlies er van was.Toen ik weer aangekleed was, stapte ik meteen naar huis. Van den jongen was in geen velden of wegen iets meer te zien. Ik vertelde thuis natuurlijk dadelijk onder tranen, wat er gebeurd was, en de[52]visschersfamilie sloeg de handen in mekaar en beklaagde me en probeerde me te troosten. De man nam me mee naar ’et politiebureau, en daar moest ik aan ’n m’nheer met ’n vreeselijk zwarten baard en ’n gouën bril op alles heel precies vertellen. Ik gaf zoo goed en zoo kwaad als ’et ging ’n beschrijving van den jongen, en wees vooral ’n paar maal op de wapperende rooie das, want ik meende, dat dit herkenningsteeken ’et heel gemakkelijk zou maken om den boosdoener op te sporen. Maar de m’nheer met den baard scheen daaraan niet zoo veel waarde te hechten. Hij zei niet veel anders dan ’n paar maal „hm!”, schreef ’n paar dingen op, ook m’n vaders naam en adres, en gaf me bij ’et heengaan den raad, niet weer alleen op zulke eenzame plaatsen te gaan baden. Nu, zoo wijs zou ik uit me zelf ook al geweest zijn.Toen ik ’n paar dagen later weer bij m’n ouërs thuis was, en m’n treurig avontuur vertelde, werd daar de zaak nog al koeltjes opgenomen. M’n moeder zei, dat ’et jammer was, maar dat er nu eenmaal niets meer aan te doen was. En m’n vader zei, dat-i hoopte, dat de Zandvoortsche politie den jongen niet te pakken zou krijgen, want dan zou dat allerlei geschrijf en last geven van getuige-verhooren en zoo, en dat was de heele ouë knol van oom Frits niet waard. Ik zelf dacht daar anders over, maar die wensch van vader werd verhoord: we hebben van de zaak nooit meer iets gehoord.Ik was dus de laatste gedachtenis van m’ngoeïenoom voor altijd kwijt, maar ik heb daardoor toch niet minder dikwijls aan ’em gedacht.[53]
II.Van m’n school, meester Lindeman, ’n mislukt examen en ’n strandavontuur.
Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader had me voor[31]’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze gewild hadden …Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen. Maar meester Lindeman!... de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.… de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers wel[32]’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap ’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis. Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de[33]beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde, begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i ’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept, maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen, en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of, als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis blijven spelen.Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n dagje naar buiten. Dat was ’etverrukkelijkstevan alles. Dan hadden we pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en buitelde meester Lindeman ’et hardste[34]van allemaal. Want geen een van de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op heete melk.... en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.… en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar, en je voeten op de plank. Als je maar oplette en[35]naar ’em luisterde. En dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor ’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel wezen!”Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had, waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb,[36]ondanks al die moeite, zakte ik voor ’et examen.Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend, want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen.Want er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n[37]lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer ’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft, er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat … dan stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken. Maar … over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter, tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es van ’n jongen gehoord,[38]die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche pogingen maar opgegeven had.De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel ’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou, daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.[39]Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”„Nee, dat zal wel niet gaan.”„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt maar: rust, rust!”„Ja, ’et is lastig!”„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch beuken?”„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”„Of boodschappen?”„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”„Dat-i nou ook niet door dat examen gekomen is. Andere jongens komen er wel door.”„Ja, ’et is ’n ezel!”„Maar jij hebt je ook nooit ’es met z’n werk bemoeid.”„Ik ben geen schoolmeester.”„Nou ja, maar je had toch wel ’es naar z’n huiswerk kunnen kijken, of .…”„Waarom heb je dat zelf niet gedaan? Jij bent meer thuis dan ik.”[40]„Ik ben ziek!”„Nu, ik zal wel ’es bij dezen of genen informeeren, wat we ’et beste met den jongen kunnen beginnen.”Hiermee was ’et gesprek uit. Maar den volgenden middag aan tafel al werd ’et voortgezet. ’Et scheen, dat m’n vader dit maal er werkelijk geen gras over wou laten groeien. Nog voordat m’n moeder naar iets gevraagd had, begon-i:„Ik heb van middag op de Beurs met Steenman over Hans gesproken.”„En?” vroeg m’n moeder.„Ja, die heeft zelf ook ’n jongen, die ’n paar jaar geleden gesjeesd is voor de Burgerschool. Hij raadde me aan, om ’em naar zoo’n soort van stoominrichting te sturen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Ik dacht bij dat woord aan ’n inrichting, waar onze kleeren wel heen gestuurd werden, om uitgestoomd of geverfd te worden. Maar wat moest ik daar doen?Gelukkig begreep m’n moeder er evenmin iets van, en vroeg ze verwonderd: „’n Stoominrichting?”„Ja, ’n instituut, waar ze de jongens klaar stoomen voor ’et examen. Steenman zei, dat die menschen op zoo’n instituut natuurlijk veel harder hun best doen, om de jongens door hun examen te krijgen als gewone onderwijzers. Die laat ’et natuurlijk koud, of ze desnoods allemaal zakken; zij krijgen toch hun salaris. Maar hoe meer leerlingen er van zoo’n instituut slagen, hoe ’n beter naam dat krijgt, en hoe meer klandizie.”Ik snapte nu wel zoo eenigszins, wat voor inrichting m’n vader bedoelde, al kon ik me met geen mooglijkheid[41]voorstellen, hoe iemand ter wereld nog harder z’n best zou kunnen doen, om me de dingen in te stampen, als bij voorbeeld de onderwijzer, dien ik ’et laatste jaar op school gehad had.„En weet je nu al zoo’n instituut?” vroeg m’n moeder verder.„Nee, maar daar zal ik dan wel ’es op uitsnuiven.”„Is dat niet geschikt, waar Steenman z’n zoon op geweest is?”„Dat bestaat niet meer! Maar er zijn er hier in de stad genoeg. En zoo’n gloeiende haast is er ook niet bij. ’Et is nu toch overal vacantie.”„Als er dan nog maar plaats is!”„Op die scholen is altijd plaats. Maar ze kosten ook ’n handvol geld.”Meer werd er dien middag niet over gesproken, en ook de drie volgende dagen, die ik nog in de stad doorbracht, hoorde ik er niets meer van. Toen ging ik naar Zandvoort, om daar, zooals gewoonlijk, m’n zomervacantie door te brengen. Ik woonde daar, net als de vorige jaren, bij ’n visscher in huis, dien m’n vader kende, en die in z’n kleine woning nog juist ’n slaapkamertje voor mij kon inrichten. Voor ’et overige at en dronk ik met hem en z’n vrouw en z’n volwassen dochter aan dezelfde tafel. ’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam, en hadden weinig lust en ook al geen tijd, om zich veel met mij te bemoeien. Enfin, ik was natuurlijk ook haast altijd aan ’et strand, en maakte daar van zelf kennis met andere jongens, die met hun ouërs in Zandvoort logeerden. Alleen als ’et lang[42]achter elkaar regende, was ’et nogal vervelend, want in ’et heele huisje van den visscher was geen boek te vinden, en ’et lukte me ook niet altijd, om er een van iemand te leen te krijgen. ’n Paar nam ik er wel van huis mee, maar die waren gauw uit.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.Net als andere jaren waren de bezoeken van m’n ouërs weer niet al te talrijk. Een keer schreef moeder me, dat ze dien en dien dag tegen ’n uur of elf bij me zou komen. Ik kon ’er niet van ’et station gaan halen, want ik wist niet, of ze met den trein of met de tram zou komen, en ook den tijd wist ik niet precies. Ik bleef dus thuis op ’er wachten. Maar ’et werd twaalf uur, een uur, en wie er verscheen, m’n moeder niet. Ik was dolgraag uitgegaan, want ’et was prachtig weer, en in ’et kleine kamertje van den visscher erg benauwd, maar dat dorst ik toch niet te doen. En zoo bleef ik wachten en wachten. En eindelijk, dicht bij vijven, daar kwam[43]m’n moeder, en vertelde, dat ze toevallig in den trein ’n paar kennissen ontmoet had, die ook in Zandvoort logeerden, en dat ze met hen meegegaan was. Ze moest er ook dadelijk weer naar toe, want ze hadden haar ten eten gevraagd, maar ze had toch eerst even willen kijken, hoe ’et met mij ging. Nu, met mij ging ’et goed, en geen kwartier daarna was m’n moeder weer vertrokken, met de belofte, dat ze heel gauw weer ’es ’n dagje zou overkomen. Maar die belofte schijnt ze vergeten te zijn.Op ’n Zondagmorgen, dat ik op ’et strand met andere jongens aan ’et spelen was, zag ik ineens m’n vader, die naar ons stond te kijken. Ik ging natuurlijk dadelijk naar ’em toe, en gaf ’em ’n hand. Ik was blij, dat de andere jongens ’et zagen, want ik had ’et dikwijls naar gevonden, dat er nooit ’n groot mensch was, dat naar mij omkeek, terwijl de andere allemaal vaders en moeders, en ooms en tantes, en kennissen hadden. M’n vader bleef bijna dien heelen dag bij me, haast tot zes uur, en was erg aardig voor me. We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand, wel ’n uur ver, gingen toen wat in ’et zand zitten, om uit te rusten, en liepen toen terug. Gelukkig zag m’n vader geen kennissen, dat wil zeggen, wel ’n paar menschen, voor wie-i z’n hoed afnam, maar toch niemand, dien-i aansprak. Toen gingen we met z’n tweeën in ’n groot, mooi café, waar ’et vreeselijk vol was, voor ’n open raam zitten, en kreeg ik ’n heerlijk broodje met vleesch en ’n kop koffie. Na ’et koffiedrinken gingen we weer naar ’et strand; vader kocht ’n paar kranten en ging in ’n badstoel zitten, en ik bleef in de buurt wat rondloopen en spelen. En toen[44]m’n vader ’n uurtje gelezen had en af en toe ’es ingedommeld was, gingen we weer terug naar ’et zelfde café, en kreeg ik ’n kogelfleschje limonade. En daar bleven we, tot ’et tijd was om naar ’et station te gaan.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.Op onze wandeling langs ’et strand en in ’et koffiehuis praatten we natuurlijk met elkaar, en ik geloof, dat ik dien dag meer met m’n vader gesproken heb, dan anders in ’n heel jaar. Ik vertelde ’em, hoe ik m’n tijd in Zandvoort doorbracht, en van de jongens, die ik er kende, maar ook dingen van m’n school en van meester Lindeman, en van oom Frits. En zelf zei m’n vader wel niet veel, maar-i luisterde toch wel naar me, en tusschenbeide lachte hij zelfs even hartelijk, als ik ’em anders alleen met z’n vrienden hoorde doen.Ik waagde ’et ook, om ’em te vragen, of-i al ’n andere school voor me gevonden had, en toen hoorde ik, dat ik met September naar ’et instituut Belmans op de Veergracht zou gaan. Ik had daar nooit van gehoord, maar m’n vader zei, dat ’et ’n[45]heel goeïe school was, en dat ’et m’n eigen schuld zou zijn, als ik daar nu ook weer niet goed leerde. M’nheer Belmans had zelfs gezegd, dat ’et best mogelijk was, dat ik ’et verloren jaar nog inhaalde, en ’et volgend jaar examen kon doen voor de tweede klas van de Hoogere Burgerschool. Ik zei daar niet veel op, maar in m’n hart leek me dat zoo wat even mogelijk, als om van den hoogsten toren te springen en levend en wel op je voeten neer te komen.Na dat bezoek van m’n vader bleef ik nog ’n week in Zandvoort. Ik had in den loop van die week nog ’n soort van avontuur, dat ver van prettig voor me was, maar dat ik je toch vertellen wil.Als je ’n week of zes in ’n badplaats logeert, dan spreekt ’et van zelf, dat je ook wel ’es graag ’n bad neemt. Je kunt natuurlijk wel altijd je schoenen en kousen uittrekken, en zoo’n beetje in ’et water plassen, en dat deden wij jongens dan ook wel vaak genoeg, maar dat is toch je ware niet. Op ’n warmen dag is niets prettiger, dan zoo heelemaal in ’et water te duikelen en te spartelen. Dat kan je nu in Zandvoort doen, als je ’n badkaart hebt, en dan krijg je ’n badkoetsje, om je uit en aan te kleeden, en ’n badcostuum en handdoeken en dan rijën ze je ’n heel eind in zee, en ’n badknecht houdt ’n oogje in ’et zeil, dat je je niet te ver waagt. Dan heb je dus alles, wat je maar verlangen kan. Maar ongelukkig kost zoo’n badkaart geld.Nu kreeg ik als ik naar Zandvoort ging, twee kwartjes mee op reis, en daar mocht ik wel mee doen, wat ik wou, maar ’et was nog niet eens ’n dubbeltje in de week, en dus te weinig, om er voor te[46]baden. Dat zou ik er net één keer voor hebben kunnen doen. En ik wou toch ook wel ’es ’n stuk chocola of ’n andere snoeperij koopen.Als ik daarom ’n bad wou nemen, dan deed ik dat op m’n eigen houtje, op ’n heel stille plaats. Ik wandelde eerst ’n half uur of drie kwartier ’et strand langs, totdat ik zoo goed als geen menschen meer zag. Dan trok ik m’n goed uit, lei m’n kleeren op ’et strand, en ging in zee, natuurlijk niet al te ver, want zwemmen kon ik niet. Meester Lindeman had er altijd erg op aangedrongen, dat alle jongens toch vooral zwemmen zouën leeren, omdat dat zoo gezond en zoo nuttig was. En hij had meer dan eens gezegd, dat iedereen dat kon, omdat wie geen geld had, om ’et abonnement in ’n zweminrichting te betalen, naar ’t kostelooze zwembad kon gaan. Daar had hij zelf ’et ook als jongen geleerd. Ik had er thuis dan ook ’n paar maal ’n balletje van opgegooid, maar geld wou m’n vader er niet voor uitgeven, en ’et kostelooze zwembad vond m’n moeder te onfatsoenlijk. Ik plaste dus alleen maar wat in ’et lekkere koele water, liet de zon me op ’et warme zand drogen, kleedde me weer aan, en wandelde langs ’et strand terug. ’n Enkelen keer gingen er bij deze tochtjes wel andere jongens met me mee, maar meestal was ik toch alleen.’Et jaar, waarvan ik nu spreek, had ik ’n bizonder geschikt plekje voor m’n badpartijen ontdekt, dat ik gemakkelijk terug kon vinden. Er lag daar midden op ’et strand, half in ’et zand begraven, ’n ouë ton zonder deksel, of eigenlijk waren ’et niet veel meer dan wat losse duigen, die meer door ’et[47]zand bij elkaar gehouën werden dan door den anderhalven hoepel, die er nog omheen zat. Je kon daar bij die plaats makkelijk in zee komen, en in dat overschot van ’n ton kon ik m’n kleeren bergen. Dan bleven ze beter bij elkaar, want anders gebeurde ’et op ’n winderigen dag wel ’es, dat ik ’et water uit moest komen, om m’n hoed of m’n boord na te hollen, die door den wind opgejaagd waren.Op ’n keer was ik er nu weer in m’n eentje op uitgetrokken, om op m’n lievelingsplekje te gaan baden. Toen ik ’et drukke gedeelte van ’et strand met z’n badkoetsjes en badstoelen en wriemelende menschenmassa, en z’n hôtels en villa’s boven op de duinen al ’n goed eind achter den rug had, keek ik ’es om, en zag toen, ’n vijftig pas achter me, ’n slordig gekleeden jongen, met ’n grijze pet met ’n groote klep, en veel te wijde afgetrapte schoenen, met ’n rooïe das om den hals, waarvan de uitgerafelde punten in den wind fladderden. ’n Eind verder keek ik nog ’es haastig om, en later nog ’es, en telkens zag ik den jongen weer. Onwillekeurig begon ik wat langzamer te loopen, bleef ’es even staan, om ’n doodgewone schelp op te rapen en te doen of ik die met bizondere belangstelling bekeek, maar wat ik gehoopt had, gebeurde niet: de jongen passeerde mij niet. Ik zag dus alweer om, of-i misschien omgekeerd was, maar neen, daar was de fladderende rooïe das nog precies even ver achter mij. Ik gooide ’et nu over ’n anderen boeg, en begon m’n pas hoe langer hoe meer te versnellen. Maar ook dit middel hielp niet, want toen ik half buiten adem stilstond en omkeek, was de afstand tusschen[48]mij en den jongen niet veel grooter dan eerst.’n slordig gekleede jongen...’n slordig gekleede jongen …Ik moest dus wel tot ’et besluit komen, dat de jongen me opzettelijk volgde. Maar waarom? ’Et gedeelte van ’et strand, waar wij liepen, was wel stil, maar toch niet heelemaal verlaten. Van tijd tot tijd kwam ons ’n wandelaar tegemoet of ’n fietsrijder of ’n ruiter, hier en daar passeerden we ’n eenzaam bader, en aan den voet of op den top van de duinen zagen we ook nu en dan ’n paar menschen zitten. Er was dus geen reden, om me bepaald ongerust te maken. Toch voelde ik me niet op m’n gemak, en ik had ’n lief ding willen geven, om den jongen met z’nrooïedas weg te kunnen kijken.Toen ik dan ook dicht bij ’et doel van m’n wandeling gekomen was, en ik m’n ton al in de verte zag, besloot ik maar, voor dit maal van m’n bad af[49]te zien. ’t Speet me natuurlijk verschrikkelijk, want ik was van ’et harde loopen warm geworden, en ’et frissche water lachte me toe. Maar ’et was nu eenmaal niet anders. Ik bleef dus staan, keek ’es rond, stapte naar den kant van ’et water en maakte m’n handen en armen wat nat, draalde nog ’n beetje, en drentelde toen langzaam terug. Ik had opzettelijk niet naar den jongen gekeken, maar nu zag ik, dat hij ook weer was blijven staan. Ik bleef dus bij m’n besluit, om maar onverrichterzake naar huis te gaan, en liep door. De jongen stond nog op dezelfde plaats, toen ik hem op eenigen afstand passeerde en ik verbeeldde me, dat-i mij eenigszins spottend aankeek, maar zeggen deed-i niets.Natuurlijk was ik nieuwsgierig, om te weten, of-i me weer zou volgen, en ik keek dus al heel gauw weer achter mij. Neen, ditmaal was-i doorgeloopen. Nog ’n paar maal zag ik om, maar de afstand tusschen ons werd telkens grooter. Ik was warm en moe geworden, en toen ik op ’n plaats kwam, waar twee dorpsjongens aan ’et zwemmen waren, ging ik in ’et zand zitten, om naar ze te kijken.Maar ik had nog geen vijf minuten gezeten, of de lust, om toch in ’et water te gaan, werd me te machtig. Ik stond dus weer op, en wandelde voor de tweede maal in de richting van de ton. Heel in de verte zag ik ’n zwarte figuur, die ik voor den jongen hield, die me m’n heelen dag bijna bedorven had, maar na ’n poosje had ik die uit ’et oog verloren. Toen ik op m’n ouë plekje kwam, keek ik ook nog ’es naar alle kanten, maar ik zag niets, dat me ongerust maakte. En ik besloot m’n bad te nemen, dat ik dien dag zeker dubbel verdiend had.[50]In ’n wip was ik uitgekleed, en plonsde ik in ’et heerlijke water. In ’et eerst wierp ik nog nu en dan ’n blik naar ’et strand, maar spoedig dacht ik niet meer aan gevaar, en vergat alles om me heen door ’et prettige opgewekte gevoel, dat ’et zeewater me gaf. Zoo lekker als dien dag had me ’et baden nog nooit geleken.In ’n wip was ik uitgekleed.In ’n wip was ik uitgekleed.Ik was ’n heel eind ver de zee ingegaan en stond tot aan m’n borst in ’et water, toen ik er aan dacht, om zoetjes aan terug te keeren. Maar verbeeld je, hoe ik schrok, toen ik me omdraaide. Ik zag iemand, die uit alle macht van den duinkant kwam aanrennen, en wel regelrecht naar de plaats, waar ik m’n kleeren geborgen had. En geen seconde later herkende ik den jongen aan de flapperende einden van z’n das. Eén oogenblik stond ik verstijfd van schrik, maar toen begon ik te hollen door ’et water, zoo hard als ik maar kon. Ik stoorde me er niet aan, dat ik ’n paar malen m’n voet leelijk bezeerde op ’n scherpen steen, maar liep als ’n razende verder.De jongen echter bleef eveneens aan ’et hollen, en toen ik m’n voeten weer op ’et droge zette, was hij veel dichter bij de ton dan ik. Want ’et was eb, en zelfs bij vloed lag[51]m’n kleerenbergplaats nog ’n heel eind van ’et water af. Ik begreep, dat ik te laat zou komen, maar toch bleef ik doorhollen. Ik zag den jongen bij de ton komen, ’n oogenblik in m’n kleeren grabbelen, er wat uithalen, en wegrennen in de richting van ’et dorp af. Op ’etzelfde oogenblik was ook ik bij de ton, en met één oogopslag had ik gezien, dat wat ik gevreesd had, ook gebeurd was. De jongen met de rooie das had m’n horloge gestolen.Ik gaf ’n gil van woede en vloog den dief na. Maar ’et duurde niet lang, of ik kwam tot bezinning. Zonder kleeren aan ’et lijf kon ik toch onmogelijk den jongen heel lang vervolgen, en hij liep eer harder dan minder hard dan ik. En dus keerde ik weldra, huilend van kwaadheid en spijt, terug, en begon me aan te kleeden zonder te wachten, tot ik eigenlijk goed droog was, en stak telkens ’n arm in ’n verkeerde mouw, en scheurde m’n flanel, en voelde me diep en diep ongelukkig.’Et horloge, dat me ontstolen was, had ik als ’n gedachtenis aan oom Frits gekregen. ’Et was natuurlijk ’n ouërwetsch horloge, van zilver, met ’n bolronde kast, en vader had ’et na de begrafenis voor me mee gebracht. In ’et eerst mocht ik ’et nog niet iederen dag dragen, maar langzamerhand was dat er toch van zelf van gekomen, en in de vacantie kreeg ik ’et altijd mee. Ik hoef je niet te zeggen, dat ik daarom nog bedroefder om ’et verlies er van was.Toen ik weer aangekleed was, stapte ik meteen naar huis. Van den jongen was in geen velden of wegen iets meer te zien. Ik vertelde thuis natuurlijk dadelijk onder tranen, wat er gebeurd was, en de[52]visschersfamilie sloeg de handen in mekaar en beklaagde me en probeerde me te troosten. De man nam me mee naar ’et politiebureau, en daar moest ik aan ’n m’nheer met ’n vreeselijk zwarten baard en ’n gouën bril op alles heel precies vertellen. Ik gaf zoo goed en zoo kwaad als ’et ging ’n beschrijving van den jongen, en wees vooral ’n paar maal op de wapperende rooie das, want ik meende, dat dit herkenningsteeken ’et heel gemakkelijk zou maken om den boosdoener op te sporen. Maar de m’nheer met den baard scheen daaraan niet zoo veel waarde te hechten. Hij zei niet veel anders dan ’n paar maal „hm!”, schreef ’n paar dingen op, ook m’n vaders naam en adres, en gaf me bij ’et heengaan den raad, niet weer alleen op zulke eenzame plaatsen te gaan baden. Nu, zoo wijs zou ik uit me zelf ook al geweest zijn.Toen ik ’n paar dagen later weer bij m’n ouërs thuis was, en m’n treurig avontuur vertelde, werd daar de zaak nog al koeltjes opgenomen. M’n moeder zei, dat ’et jammer was, maar dat er nu eenmaal niets meer aan te doen was. En m’n vader zei, dat-i hoopte, dat de Zandvoortsche politie den jongen niet te pakken zou krijgen, want dan zou dat allerlei geschrijf en last geven van getuige-verhooren en zoo, en dat was de heele ouë knol van oom Frits niet waard. Ik zelf dacht daar anders over, maar die wensch van vader werd verhoord: we hebben van de zaak nooit meer iets gehoord.Ik was dus de laatste gedachtenis van m’ngoeïenoom voor altijd kwijt, maar ik heb daardoor toch niet minder dikwijls aan ’em gedacht.[53]
Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader had me voor[31]’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.
Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze gewild hadden …
Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen. Maar meester Lindeman!
... de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.… de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.
… de luide lach van Mr. Lindeman klonk boven alles uit.
Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers wel[32]’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap ’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis. Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de[33]beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde, begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i ’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.
Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept, maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen, en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of, als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis blijven spelen.
Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n dagje naar buiten. Dat was ’etverrukkelijkstevan alles. Dan hadden we pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en buitelde meester Lindeman ’et hardste[34]van allemaal. Want geen een van de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op heete melk.
... en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.… en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.
… en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien.
En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar, en je voeten op de plank. Als je maar oplette en[35]naar ’em luisterde. En dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.
Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor ’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel wezen!”
Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had, waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb,[36]ondanks al die moeite, zakte ik voor ’et examen.
Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend, want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.
Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen.Want er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n[37]lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer ’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft, er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat … dan stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.
Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken. Maar … over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter, tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es van ’n jongen gehoord,[38]die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche pogingen maar opgegeven had.
De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel ’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.
Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou, daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.[39]
Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.
„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.
„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.
„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”
„Nee, dat zal wel niet gaan.”
„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt maar: rust, rust!”
„Ja, ’et is lastig!”
„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”
„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch beuken?”
„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”
„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”
„Of boodschappen?”
„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”
„Dat-i nou ook niet door dat examen gekomen is. Andere jongens komen er wel door.”
„Ja, ’et is ’n ezel!”
„Maar jij hebt je ook nooit ’es met z’n werk bemoeid.”
„Ik ben geen schoolmeester.”
„Nou ja, maar je had toch wel ’es naar z’n huiswerk kunnen kijken, of .…”
„Waarom heb je dat zelf niet gedaan? Jij bent meer thuis dan ik.”[40]
„Ik ben ziek!”
„Nu, ik zal wel ’es bij dezen of genen informeeren, wat we ’et beste met den jongen kunnen beginnen.”
Hiermee was ’et gesprek uit. Maar den volgenden middag aan tafel al werd ’et voortgezet. ’Et scheen, dat m’n vader dit maal er werkelijk geen gras over wou laten groeien. Nog voordat m’n moeder naar iets gevraagd had, begon-i:
„Ik heb van middag op de Beurs met Steenman over Hans gesproken.”
„En?” vroeg m’n moeder.
„Ja, die heeft zelf ook ’n jongen, die ’n paar jaar geleden gesjeesd is voor de Burgerschool. Hij raadde me aan, om ’em naar zoo’n soort van stoominrichting te sturen.”
Ik wist niet, wat ik hoorde. Ik dacht bij dat woord aan ’n inrichting, waar onze kleeren wel heen gestuurd werden, om uitgestoomd of geverfd te worden. Maar wat moest ik daar doen?
Gelukkig begreep m’n moeder er evenmin iets van, en vroeg ze verwonderd: „’n Stoominrichting?”
„Ja, ’n instituut, waar ze de jongens klaar stoomen voor ’et examen. Steenman zei, dat die menschen op zoo’n instituut natuurlijk veel harder hun best doen, om de jongens door hun examen te krijgen als gewone onderwijzers. Die laat ’et natuurlijk koud, of ze desnoods allemaal zakken; zij krijgen toch hun salaris. Maar hoe meer leerlingen er van zoo’n instituut slagen, hoe ’n beter naam dat krijgt, en hoe meer klandizie.”
Ik snapte nu wel zoo eenigszins, wat voor inrichting m’n vader bedoelde, al kon ik me met geen mooglijkheid[41]voorstellen, hoe iemand ter wereld nog harder z’n best zou kunnen doen, om me de dingen in te stampen, als bij voorbeeld de onderwijzer, dien ik ’et laatste jaar op school gehad had.
„En weet je nu al zoo’n instituut?” vroeg m’n moeder verder.
„Nee, maar daar zal ik dan wel ’es op uitsnuiven.”
„Is dat niet geschikt, waar Steenman z’n zoon op geweest is?”
„Dat bestaat niet meer! Maar er zijn er hier in de stad genoeg. En zoo’n gloeiende haast is er ook niet bij. ’Et is nu toch overal vacantie.”
„Als er dan nog maar plaats is!”
„Op die scholen is altijd plaats. Maar ze kosten ook ’n handvol geld.”
Meer werd er dien middag niet over gesproken, en ook de drie volgende dagen, die ik nog in de stad doorbracht, hoorde ik er niets meer van. Toen ging ik naar Zandvoort, om daar, zooals gewoonlijk, m’n zomervacantie door te brengen. Ik woonde daar, net als de vorige jaren, bij ’n visscher in huis, dien m’n vader kende, en die in z’n kleine woning nog juist ’n slaapkamertje voor mij kon inrichten. Voor ’et overige at en dronk ik met hem en z’n vrouw en z’n volwassen dochter aan dezelfde tafel. ’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam, en hadden weinig lust en ook al geen tijd, om zich veel met mij te bemoeien. Enfin, ik was natuurlijk ook haast altijd aan ’et strand, en maakte daar van zelf kennis met andere jongens, die met hun ouërs in Zandvoort logeerden. Alleen als ’et lang[42]achter elkaar regende, was ’et nogal vervelend, want in ’et heele huisje van den visscher was geen boek te vinden, en ’et lukte me ook niet altijd, om er een van iemand te leen te krijgen. ’n Paar nam ik er wel van huis mee, maar die waren gauw uit.
’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.
’Et waren geen kwaaie menschen, maar ze waren niet erg spraakzaam.
Net als andere jaren waren de bezoeken van m’n ouërs weer niet al te talrijk. Een keer schreef moeder me, dat ze dien en dien dag tegen ’n uur of elf bij me zou komen. Ik kon ’er niet van ’et station gaan halen, want ik wist niet, of ze met den trein of met de tram zou komen, en ook den tijd wist ik niet precies. Ik bleef dus thuis op ’er wachten. Maar ’et werd twaalf uur, een uur, en wie er verscheen, m’n moeder niet. Ik was dolgraag uitgegaan, want ’et was prachtig weer, en in ’et kleine kamertje van den visscher erg benauwd, maar dat dorst ik toch niet te doen. En zoo bleef ik wachten en wachten. En eindelijk, dicht bij vijven, daar kwam[43]m’n moeder, en vertelde, dat ze toevallig in den trein ’n paar kennissen ontmoet had, die ook in Zandvoort logeerden, en dat ze met hen meegegaan was. Ze moest er ook dadelijk weer naar toe, want ze hadden haar ten eten gevraagd, maar ze had toch eerst even willen kijken, hoe ’et met mij ging. Nu, met mij ging ’et goed, en geen kwartier daarna was m’n moeder weer vertrokken, met de belofte, dat ze heel gauw weer ’es ’n dagje zou overkomen. Maar die belofte schijnt ze vergeten te zijn.
Op ’n Zondagmorgen, dat ik op ’et strand met andere jongens aan ’et spelen was, zag ik ineens m’n vader, die naar ons stond te kijken. Ik ging natuurlijk dadelijk naar ’em toe, en gaf ’em ’n hand. Ik was blij, dat de andere jongens ’et zagen, want ik had ’et dikwijls naar gevonden, dat er nooit ’n groot mensch was, dat naar mij omkeek, terwijl de andere allemaal vaders en moeders, en ooms en tantes, en kennissen hadden. M’n vader bleef bijna dien heelen dag bij me, haast tot zes uur, en was erg aardig voor me. We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand, wel ’n uur ver, gingen toen wat in ’et zand zitten, om uit te rusten, en liepen toen terug. Gelukkig zag m’n vader geen kennissen, dat wil zeggen, wel ’n paar menschen, voor wie-i z’n hoed afnam, maar toch niemand, dien-i aansprak. Toen gingen we met z’n tweeën in ’n groot, mooi café, waar ’et vreeselijk vol was, voor ’n open raam zitten, en kreeg ik ’n heerlijk broodje met vleesch en ’n kop koffie. Na ’et koffiedrinken gingen we weer naar ’et strand; vader kocht ’n paar kranten en ging in ’n badstoel zitten, en ik bleef in de buurt wat rondloopen en spelen. En toen[44]m’n vader ’n uurtje gelezen had en af en toe ’es ingedommeld was, gingen we weer terug naar ’et zelfde café, en kreeg ik ’n kogelfleschje limonade. En daar bleven we, tot ’et tijd was om naar ’et station te gaan.
We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.
We wandelden eerst ’n heel eind langs ’et strand.
Op onze wandeling langs ’et strand en in ’et koffiehuis praatten we natuurlijk met elkaar, en ik geloof, dat ik dien dag meer met m’n vader gesproken heb, dan anders in ’n heel jaar. Ik vertelde ’em, hoe ik m’n tijd in Zandvoort doorbracht, en van de jongens, die ik er kende, maar ook dingen van m’n school en van meester Lindeman, en van oom Frits. En zelf zei m’n vader wel niet veel, maar-i luisterde toch wel naar me, en tusschenbeide lachte hij zelfs even hartelijk, als ik ’em anders alleen met z’n vrienden hoorde doen.Ik waagde ’et ook, om ’em te vragen, of-i al ’n andere school voor me gevonden had, en toen hoorde ik, dat ik met September naar ’et instituut Belmans op de Veergracht zou gaan. Ik had daar nooit van gehoord, maar m’n vader zei, dat ’et ’n[45]heel goeïe school was, en dat ’et m’n eigen schuld zou zijn, als ik daar nu ook weer niet goed leerde. M’nheer Belmans had zelfs gezegd, dat ’et best mogelijk was, dat ik ’et verloren jaar nog inhaalde, en ’et volgend jaar examen kon doen voor de tweede klas van de Hoogere Burgerschool. Ik zei daar niet veel op, maar in m’n hart leek me dat zoo wat even mogelijk, als om van den hoogsten toren te springen en levend en wel op je voeten neer te komen.
Na dat bezoek van m’n vader bleef ik nog ’n week in Zandvoort. Ik had in den loop van die week nog ’n soort van avontuur, dat ver van prettig voor me was, maar dat ik je toch vertellen wil.
Als je ’n week of zes in ’n badplaats logeert, dan spreekt ’et van zelf, dat je ook wel ’es graag ’n bad neemt. Je kunt natuurlijk wel altijd je schoenen en kousen uittrekken, en zoo’n beetje in ’et water plassen, en dat deden wij jongens dan ook wel vaak genoeg, maar dat is toch je ware niet. Op ’n warmen dag is niets prettiger, dan zoo heelemaal in ’et water te duikelen en te spartelen. Dat kan je nu in Zandvoort doen, als je ’n badkaart hebt, en dan krijg je ’n badkoetsje, om je uit en aan te kleeden, en ’n badcostuum en handdoeken en dan rijën ze je ’n heel eind in zee, en ’n badknecht houdt ’n oogje in ’et zeil, dat je je niet te ver waagt. Dan heb je dus alles, wat je maar verlangen kan. Maar ongelukkig kost zoo’n badkaart geld.
Nu kreeg ik als ik naar Zandvoort ging, twee kwartjes mee op reis, en daar mocht ik wel mee doen, wat ik wou, maar ’et was nog niet eens ’n dubbeltje in de week, en dus te weinig, om er voor te[46]baden. Dat zou ik er net één keer voor hebben kunnen doen. En ik wou toch ook wel ’es ’n stuk chocola of ’n andere snoeperij koopen.
Als ik daarom ’n bad wou nemen, dan deed ik dat op m’n eigen houtje, op ’n heel stille plaats. Ik wandelde eerst ’n half uur of drie kwartier ’et strand langs, totdat ik zoo goed als geen menschen meer zag. Dan trok ik m’n goed uit, lei m’n kleeren op ’et strand, en ging in zee, natuurlijk niet al te ver, want zwemmen kon ik niet. Meester Lindeman had er altijd erg op aangedrongen, dat alle jongens toch vooral zwemmen zouën leeren, omdat dat zoo gezond en zoo nuttig was. En hij had meer dan eens gezegd, dat iedereen dat kon, omdat wie geen geld had, om ’et abonnement in ’n zweminrichting te betalen, naar ’t kostelooze zwembad kon gaan. Daar had hij zelf ’et ook als jongen geleerd. Ik had er thuis dan ook ’n paar maal ’n balletje van opgegooid, maar geld wou m’n vader er niet voor uitgeven, en ’et kostelooze zwembad vond m’n moeder te onfatsoenlijk. Ik plaste dus alleen maar wat in ’et lekkere koele water, liet de zon me op ’et warme zand drogen, kleedde me weer aan, en wandelde langs ’et strand terug. ’n Enkelen keer gingen er bij deze tochtjes wel andere jongens met me mee, maar meestal was ik toch alleen.
’Et jaar, waarvan ik nu spreek, had ik ’n bizonder geschikt plekje voor m’n badpartijen ontdekt, dat ik gemakkelijk terug kon vinden. Er lag daar midden op ’et strand, half in ’et zand begraven, ’n ouë ton zonder deksel, of eigenlijk waren ’et niet veel meer dan wat losse duigen, die meer door ’et[47]zand bij elkaar gehouën werden dan door den anderhalven hoepel, die er nog omheen zat. Je kon daar bij die plaats makkelijk in zee komen, en in dat overschot van ’n ton kon ik m’n kleeren bergen. Dan bleven ze beter bij elkaar, want anders gebeurde ’et op ’n winderigen dag wel ’es, dat ik ’et water uit moest komen, om m’n hoed of m’n boord na te hollen, die door den wind opgejaagd waren.
Op ’n keer was ik er nu weer in m’n eentje op uitgetrokken, om op m’n lievelingsplekje te gaan baden. Toen ik ’et drukke gedeelte van ’et strand met z’n badkoetsjes en badstoelen en wriemelende menschenmassa, en z’n hôtels en villa’s boven op de duinen al ’n goed eind achter den rug had, keek ik ’es om, en zag toen, ’n vijftig pas achter me, ’n slordig gekleeden jongen, met ’n grijze pet met ’n groote klep, en veel te wijde afgetrapte schoenen, met ’n rooïe das om den hals, waarvan de uitgerafelde punten in den wind fladderden. ’n Eind verder keek ik nog ’es haastig om, en later nog ’es, en telkens zag ik den jongen weer. Onwillekeurig begon ik wat langzamer te loopen, bleef ’es even staan, om ’n doodgewone schelp op te rapen en te doen of ik die met bizondere belangstelling bekeek, maar wat ik gehoopt had, gebeurde niet: de jongen passeerde mij niet. Ik zag dus alweer om, of-i misschien omgekeerd was, maar neen, daar was de fladderende rooïe das nog precies even ver achter mij. Ik gooide ’et nu over ’n anderen boeg, en begon m’n pas hoe langer hoe meer te versnellen. Maar ook dit middel hielp niet, want toen ik half buiten adem stilstond en omkeek, was de afstand tusschen[48]mij en den jongen niet veel grooter dan eerst.
’n slordig gekleede jongen...’n slordig gekleede jongen …
’n slordig gekleede jongen …
Ik moest dus wel tot ’et besluit komen, dat de jongen me opzettelijk volgde. Maar waarom? ’Et gedeelte van ’et strand, waar wij liepen, was wel stil, maar toch niet heelemaal verlaten. Van tijd tot tijd kwam ons ’n wandelaar tegemoet of ’n fietsrijder of ’n ruiter, hier en daar passeerden we ’n eenzaam bader, en aan den voet of op den top van de duinen zagen we ook nu en dan ’n paar menschen zitten. Er was dus geen reden, om me bepaald ongerust te maken. Toch voelde ik me niet op m’n gemak, en ik had ’n lief ding willen geven, om den jongen met z’nrooïedas weg te kunnen kijken.
Toen ik dan ook dicht bij ’et doel van m’n wandeling gekomen was, en ik m’n ton al in de verte zag, besloot ik maar, voor dit maal van m’n bad af[49]te zien. ’t Speet me natuurlijk verschrikkelijk, want ik was van ’et harde loopen warm geworden, en ’et frissche water lachte me toe. Maar ’et was nu eenmaal niet anders. Ik bleef dus staan, keek ’es rond, stapte naar den kant van ’et water en maakte m’n handen en armen wat nat, draalde nog ’n beetje, en drentelde toen langzaam terug. Ik had opzettelijk niet naar den jongen gekeken, maar nu zag ik, dat hij ook weer was blijven staan. Ik bleef dus bij m’n besluit, om maar onverrichterzake naar huis te gaan, en liep door. De jongen stond nog op dezelfde plaats, toen ik hem op eenigen afstand passeerde en ik verbeeldde me, dat-i mij eenigszins spottend aankeek, maar zeggen deed-i niets.
Natuurlijk was ik nieuwsgierig, om te weten, of-i me weer zou volgen, en ik keek dus al heel gauw weer achter mij. Neen, ditmaal was-i doorgeloopen. Nog ’n paar maal zag ik om, maar de afstand tusschen ons werd telkens grooter. Ik was warm en moe geworden, en toen ik op ’n plaats kwam, waar twee dorpsjongens aan ’et zwemmen waren, ging ik in ’et zand zitten, om naar ze te kijken.
Maar ik had nog geen vijf minuten gezeten, of de lust, om toch in ’et water te gaan, werd me te machtig. Ik stond dus weer op, en wandelde voor de tweede maal in de richting van de ton. Heel in de verte zag ik ’n zwarte figuur, die ik voor den jongen hield, die me m’n heelen dag bijna bedorven had, maar na ’n poosje had ik die uit ’et oog verloren. Toen ik op m’n ouë plekje kwam, keek ik ook nog ’es naar alle kanten, maar ik zag niets, dat me ongerust maakte. En ik besloot m’n bad te nemen, dat ik dien dag zeker dubbel verdiend had.[50]
In ’n wip was ik uitgekleed, en plonsde ik in ’et heerlijke water. In ’et eerst wierp ik nog nu en dan ’n blik naar ’et strand, maar spoedig dacht ik niet meer aan gevaar, en vergat alles om me heen door ’et prettige opgewekte gevoel, dat ’et zeewater me gaf. Zoo lekker als dien dag had me ’et baden nog nooit geleken.
In ’n wip was ik uitgekleed.In ’n wip was ik uitgekleed.
In ’n wip was ik uitgekleed.
Ik was ’n heel eind ver de zee ingegaan en stond tot aan m’n borst in ’et water, toen ik er aan dacht, om zoetjes aan terug te keeren. Maar verbeeld je, hoe ik schrok, toen ik me omdraaide. Ik zag iemand, die uit alle macht van den duinkant kwam aanrennen, en wel regelrecht naar de plaats, waar ik m’n kleeren geborgen had. En geen seconde later herkende ik den jongen aan de flapperende einden van z’n das. Eén oogenblik stond ik verstijfd van schrik, maar toen begon ik te hollen door ’et water, zoo hard als ik maar kon. Ik stoorde me er niet aan, dat ik ’n paar malen m’n voet leelijk bezeerde op ’n scherpen steen, maar liep als ’n razende verder.
De jongen echter bleef eveneens aan ’et hollen, en toen ik m’n voeten weer op ’et droge zette, was hij veel dichter bij de ton dan ik. Want ’et was eb, en zelfs bij vloed lag[51]m’n kleerenbergplaats nog ’n heel eind van ’et water af. Ik begreep, dat ik te laat zou komen, maar toch bleef ik doorhollen. Ik zag den jongen bij de ton komen, ’n oogenblik in m’n kleeren grabbelen, er wat uithalen, en wegrennen in de richting van ’et dorp af. Op ’etzelfde oogenblik was ook ik bij de ton, en met één oogopslag had ik gezien, dat wat ik gevreesd had, ook gebeurd was. De jongen met de rooie das had m’n horloge gestolen.
Ik gaf ’n gil van woede en vloog den dief na. Maar ’et duurde niet lang, of ik kwam tot bezinning. Zonder kleeren aan ’et lijf kon ik toch onmogelijk den jongen heel lang vervolgen, en hij liep eer harder dan minder hard dan ik. En dus keerde ik weldra, huilend van kwaadheid en spijt, terug, en begon me aan te kleeden zonder te wachten, tot ik eigenlijk goed droog was, en stak telkens ’n arm in ’n verkeerde mouw, en scheurde m’n flanel, en voelde me diep en diep ongelukkig.
’Et horloge, dat me ontstolen was, had ik als ’n gedachtenis aan oom Frits gekregen. ’Et was natuurlijk ’n ouërwetsch horloge, van zilver, met ’n bolronde kast, en vader had ’et na de begrafenis voor me mee gebracht. In ’et eerst mocht ik ’et nog niet iederen dag dragen, maar langzamerhand was dat er toch van zelf van gekomen, en in de vacantie kreeg ik ’et altijd mee. Ik hoef je niet te zeggen, dat ik daarom nog bedroefder om ’et verlies er van was.
Toen ik weer aangekleed was, stapte ik meteen naar huis. Van den jongen was in geen velden of wegen iets meer te zien. Ik vertelde thuis natuurlijk dadelijk onder tranen, wat er gebeurd was, en de[52]visschersfamilie sloeg de handen in mekaar en beklaagde me en probeerde me te troosten. De man nam me mee naar ’et politiebureau, en daar moest ik aan ’n m’nheer met ’n vreeselijk zwarten baard en ’n gouën bril op alles heel precies vertellen. Ik gaf zoo goed en zoo kwaad als ’et ging ’n beschrijving van den jongen, en wees vooral ’n paar maal op de wapperende rooie das, want ik meende, dat dit herkenningsteeken ’et heel gemakkelijk zou maken om den boosdoener op te sporen. Maar de m’nheer met den baard scheen daaraan niet zoo veel waarde te hechten. Hij zei niet veel anders dan ’n paar maal „hm!”, schreef ’n paar dingen op, ook m’n vaders naam en adres, en gaf me bij ’et heengaan den raad, niet weer alleen op zulke eenzame plaatsen te gaan baden. Nu, zoo wijs zou ik uit me zelf ook al geweest zijn.
Toen ik ’n paar dagen later weer bij m’n ouërs thuis was, en m’n treurig avontuur vertelde, werd daar de zaak nog al koeltjes opgenomen. M’n moeder zei, dat ’et jammer was, maar dat er nu eenmaal niets meer aan te doen was. En m’n vader zei, dat-i hoopte, dat de Zandvoortsche politie den jongen niet te pakken zou krijgen, want dan zou dat allerlei geschrijf en last geven van getuige-verhooren en zoo, en dat was de heele ouë knol van oom Frits niet waard. Ik zelf dacht daar anders over, maar die wensch van vader werd verhoord: we hebben van de zaak nooit meer iets gehoord.
Ik was dus de laatste gedachtenis van m’ngoeïenoom voor altijd kwijt, maar ik heb daardoor toch niet minder dikwijls aan ’em gedacht.[53]