X.Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paulhaatte en verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een „heer†in hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, evenals Paul.Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond's morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.—Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond onbewegelijk.—Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De „uitgediende†bleef nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.—Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.—Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.—Begin met „Kracht en Stof†van Büchner.—Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is gemakkelijk te begrijpen.—Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bijArkadiej en nu zie ik, hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen elkaar niet meer.—In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.—Die nihilist heeft hem dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van natuurkunde.—Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!—En die inbeelding, onuitstaanbaar!—Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem ingericht, waarom ze me „den roode†noemen in het goevernement, ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.—Hoe zoo?—Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met „de Zigeuners†beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.—En wat voor een boek heeft hij je gegeven?—Hier is het.En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk van Büchners veelbesproken boek voor den dag.Paul bladerde er in.—Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?—Ik ben begonnen.—En...?—Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal wel aan mij liggen.—Ken je je Duitsch nog?—Zeker.Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden zwegen.—Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.—Van Mathias Ilitsj?—Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.—Denk je te gaan? vroeg Paul.—Nee, en jij?—Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.—Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.—Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik wil nog eens vechtenmet dien fraaien dokter. Reken daarop.Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog hetoogenblikvan den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid „der oude Kirsanofsâ€, zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over een eigenaar uit den omtrek.—Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij kende hem van Petersburg.—Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde beteekenis hebben.—Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk onverschillig zijn thee.—Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De aristocratie washet, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij is Engelands trouwste steunpilaar.—Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat wilt u daarmee zeggen?—Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf—gevoelens, eigen aan het wezen der aristocratie—elke solide grondslag voor hetbien publiczou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf den mensch.—Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar geslagen armen. Wat heeft hetbien publicdaaraan? Ook zonder die achting voor uzelf, zou u niet anders „handelen.â€Paul Petrowitsj verbleekte.—Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder principes kunnenleven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet zoo, Nikolaas?Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.—Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen hebben.—Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De logica der geschiedenis eischt...—Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.—Wat?—U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?Paul hief zijn handen op.—Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?—Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit erkennen.—Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.—Alles?—Volstrekt alles.—Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...—Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.—Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.—Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.—De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.—Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...—Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.—Maar als ik gelijk heb...—Dan is daarmee nog niets bewezen.—Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en zich daardoor niet laat afschrikken.—Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.—U scheidt u dus af van uw volk!—En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?—Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.—Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.—En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.—Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo door u verdedigd wordt?—Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!—Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?—Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas Petrowitsj en stond op.Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde hem weer op zijn stoel.—Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist doordat ik dat gevoel van eigenwaardebezit, dat deze heer zoo bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:—U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd onbevredigend.—Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.—Voor alles zeg ik, dat wij niet preeken.—Wat doet u dan?—Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede rechtspraak.—Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met jullie kritiek, maar...—Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze „verklikkersâ€, niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, als l’art pour l’art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt en vergif zuipt.—Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.—Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan dezen aristocraat.—En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!—Wij schelden ook.—En dat heet dan nihilisme?—Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden toon.Paul knipte eenigszins met de oogleden.—Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.—Het nihilisme wil dus alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters zijn? praat jullie soms niet?—Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.—Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige daad voor te bereiden?Bazarof zweeg. Paul beefde.—Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.—Maar hoe kan men omverwerpen, zonder te weten waartoe?—Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.Paul zag hem aan en glimlachte.—Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.—Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als je tenminste maar rekenschap wilde geven vanwatje wilt beweren met die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze zullen jullie verpletteren!—Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel talrijker, dan u denkt!—Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?—U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in brand te steken1, antwoordde Bazarof.—Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder dan het bekende „Jonge meisje aan de bronâ€. En ook dat lijkt nog naar niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?—Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de anderen zijn niet veel beter.—Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: ’t is immers toch allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!—U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn voorhoofd fronste.—We hebben ons te ver laten voeren en ikgeloof, dat we beter doen, hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.—Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem bijvoorbeeld de dorpseenheid.Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.—Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het gemeenschapsgevoel der boeren, hun „matigheidsvereenigingen†en dergelijke grappen meer.—En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!—Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...—Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.—Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:—Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!—Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al dien tijd als op heetekolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon meewarig aangekeken.—Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!—Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid daarvan afhing!—Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.—Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en verliet den salon. Paul zei kortbonsoiren zocht zijn kamer op.1Russisch spreekwoord:Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!↑
X.Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paulhaatte en verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een „heer†in hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, evenals Paul.Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond's morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.—Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond onbewegelijk.—Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De „uitgediende†bleef nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.—Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.—Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.—Begin met „Kracht en Stof†van Büchner.—Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is gemakkelijk te begrijpen.—Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bijArkadiej en nu zie ik, hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen elkaar niet meer.—In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.—Die nihilist heeft hem dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van natuurkunde.—Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!—En die inbeelding, onuitstaanbaar!—Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem ingericht, waarom ze me „den roode†noemen in het goevernement, ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.—Hoe zoo?—Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met „de Zigeuners†beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.—En wat voor een boek heeft hij je gegeven?—Hier is het.En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk van Büchners veelbesproken boek voor den dag.Paul bladerde er in.—Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?—Ik ben begonnen.—En...?—Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal wel aan mij liggen.—Ken je je Duitsch nog?—Zeker.Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden zwegen.—Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.—Van Mathias Ilitsj?—Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.—Denk je te gaan? vroeg Paul.—Nee, en jij?—Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.—Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.—Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik wil nog eens vechtenmet dien fraaien dokter. Reken daarop.Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog hetoogenblikvan den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid „der oude Kirsanofsâ€, zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over een eigenaar uit den omtrek.—Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij kende hem van Petersburg.—Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde beteekenis hebben.—Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk onverschillig zijn thee.—Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De aristocratie washet, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij is Engelands trouwste steunpilaar.—Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat wilt u daarmee zeggen?—Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf—gevoelens, eigen aan het wezen der aristocratie—elke solide grondslag voor hetbien publiczou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf den mensch.—Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar geslagen armen. Wat heeft hetbien publicdaaraan? Ook zonder die achting voor uzelf, zou u niet anders „handelen.â€Paul Petrowitsj verbleekte.—Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder principes kunnenleven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet zoo, Nikolaas?Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.—Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen hebben.—Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De logica der geschiedenis eischt...—Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.—Wat?—U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?Paul hief zijn handen op.—Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?—Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit erkennen.—Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.—Alles?—Volstrekt alles.—Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...—Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.—Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.—Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.—De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.—Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...—Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.—Maar als ik gelijk heb...—Dan is daarmee nog niets bewezen.—Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en zich daardoor niet laat afschrikken.—Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.—U scheidt u dus af van uw volk!—En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?—Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.—Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.—En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.—Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo door u verdedigd wordt?—Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!—Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?—Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas Petrowitsj en stond op.Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde hem weer op zijn stoel.—Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist doordat ik dat gevoel van eigenwaardebezit, dat deze heer zoo bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:—U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd onbevredigend.—Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.—Voor alles zeg ik, dat wij niet preeken.—Wat doet u dan?—Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede rechtspraak.—Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met jullie kritiek, maar...—Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze „verklikkersâ€, niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, als l’art pour l’art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt en vergif zuipt.—Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.—Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan dezen aristocraat.—En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!—Wij schelden ook.—En dat heet dan nihilisme?—Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden toon.Paul knipte eenigszins met de oogleden.—Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.—Het nihilisme wil dus alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters zijn? praat jullie soms niet?—Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.—Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige daad voor te bereiden?Bazarof zweeg. Paul beefde.—Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.—Maar hoe kan men omverwerpen, zonder te weten waartoe?—Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.Paul zag hem aan en glimlachte.—Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.—Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als je tenminste maar rekenschap wilde geven vanwatje wilt beweren met die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze zullen jullie verpletteren!—Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel talrijker, dan u denkt!—Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?—U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in brand te steken1, antwoordde Bazarof.—Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder dan het bekende „Jonge meisje aan de bronâ€. En ook dat lijkt nog naar niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?—Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de anderen zijn niet veel beter.—Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: ’t is immers toch allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!—U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn voorhoofd fronste.—We hebben ons te ver laten voeren en ikgeloof, dat we beter doen, hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.—Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem bijvoorbeeld de dorpseenheid.Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.—Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het gemeenschapsgevoel der boeren, hun „matigheidsvereenigingen†en dergelijke grappen meer.—En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!—Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...—Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.—Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:—Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!—Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al dien tijd als op heetekolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon meewarig aangekeken.—Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!—Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid daarvan afhing!—Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.—Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en verliet den salon. Paul zei kortbonsoiren zocht zijn kamer op.1Russisch spreekwoord:Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!↑
X.
Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paulhaatte en verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een „heer†in hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, evenals Paul.Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond's morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.—Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond onbewegelijk.—Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De „uitgediende†bleef nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.—Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.—Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.—Begin met „Kracht en Stof†van Büchner.—Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is gemakkelijk te begrijpen.—Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bijArkadiej en nu zie ik, hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen elkaar niet meer.—In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.—Die nihilist heeft hem dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van natuurkunde.—Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!—En die inbeelding, onuitstaanbaar!—Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem ingericht, waarom ze me „den roode†noemen in het goevernement, ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.—Hoe zoo?—Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met „de Zigeuners†beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.—En wat voor een boek heeft hij je gegeven?—Hier is het.En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk van Büchners veelbesproken boek voor den dag.Paul bladerde er in.—Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?—Ik ben begonnen.—En...?—Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal wel aan mij liggen.—Ken je je Duitsch nog?—Zeker.Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden zwegen.—Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.—Van Mathias Ilitsj?—Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.—Denk je te gaan? vroeg Paul.—Nee, en jij?—Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.—Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.—Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik wil nog eens vechtenmet dien fraaien dokter. Reken daarop.Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog hetoogenblikvan den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid „der oude Kirsanofsâ€, zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over een eigenaar uit den omtrek.—Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij kende hem van Petersburg.—Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde beteekenis hebben.—Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk onverschillig zijn thee.—Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De aristocratie washet, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij is Engelands trouwste steunpilaar.—Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat wilt u daarmee zeggen?—Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf—gevoelens, eigen aan het wezen der aristocratie—elke solide grondslag voor hetbien publiczou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf den mensch.—Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar geslagen armen. Wat heeft hetbien publicdaaraan? Ook zonder die achting voor uzelf, zou u niet anders „handelen.â€Paul Petrowitsj verbleekte.—Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder principes kunnenleven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet zoo, Nikolaas?Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.—Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen hebben.—Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De logica der geschiedenis eischt...—Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.—Wat?—U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?Paul hief zijn handen op.—Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?—Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit erkennen.—Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.—Alles?—Volstrekt alles.—Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...—Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.—Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.—Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.—De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.—Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...—Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.—Maar als ik gelijk heb...—Dan is daarmee nog niets bewezen.—Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en zich daardoor niet laat afschrikken.—Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.—U scheidt u dus af van uw volk!—En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?—Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.—Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.—En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.—Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo door u verdedigd wordt?—Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!—Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?—Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas Petrowitsj en stond op.Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde hem weer op zijn stoel.—Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist doordat ik dat gevoel van eigenwaardebezit, dat deze heer zoo bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:—U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd onbevredigend.—Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.—Voor alles zeg ik, dat wij niet preeken.—Wat doet u dan?—Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede rechtspraak.—Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met jullie kritiek, maar...—Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze „verklikkersâ€, niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, als l’art pour l’art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt en vergif zuipt.—Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.—Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan dezen aristocraat.—En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!—Wij schelden ook.—En dat heet dan nihilisme?—Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden toon.Paul knipte eenigszins met de oogleden.—Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.—Het nihilisme wil dus alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters zijn? praat jullie soms niet?—Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.—Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige daad voor te bereiden?Bazarof zweeg. Paul beefde.—Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.—Maar hoe kan men omverwerpen, zonder te weten waartoe?—Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.Paul zag hem aan en glimlachte.—Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.—Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als je tenminste maar rekenschap wilde geven vanwatje wilt beweren met die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze zullen jullie verpletteren!—Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel talrijker, dan u denkt!—Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?—U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in brand te steken1, antwoordde Bazarof.—Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder dan het bekende „Jonge meisje aan de bronâ€. En ook dat lijkt nog naar niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?—Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de anderen zijn niet veel beter.—Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: ’t is immers toch allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!—U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn voorhoofd fronste.—We hebben ons te ver laten voeren en ikgeloof, dat we beter doen, hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.—Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem bijvoorbeeld de dorpseenheid.Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.—Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het gemeenschapsgevoel der boeren, hun „matigheidsvereenigingen†en dergelijke grappen meer.—En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!—Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...—Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.—Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:—Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!—Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al dien tijd als op heetekolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon meewarig aangekeken.—Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!—Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid daarvan afhing!—Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.—Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en verliet den salon. Paul zei kortbonsoiren zocht zijn kamer op.
Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paulhaatte en verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een „heer†in hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, evenals Paul.
Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond's morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.
—Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond onbewegelijk.
—Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.
Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De „uitgediende†bleef nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.
—Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.
—Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.
—Begin met „Kracht en Stof†van Büchner.
—Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is gemakkelijk te begrijpen.
—Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bijArkadiej en nu zie ik, hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen elkaar niet meer.
—In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.—Die nihilist heeft hem dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van natuurkunde.
—Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!
—En die inbeelding, onuitstaanbaar!
—Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem ingericht, waarom ze me „den roode†noemen in het goevernement, ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.
—Hoe zoo?
—Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met „de Zigeuners†beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.
—En wat voor een boek heeft hij je gegeven?
—Hier is het.
En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk van Büchners veelbesproken boek voor den dag.
Paul bladerde er in.
—Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?
—Ik ben begonnen.
—En...?
—Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal wel aan mij liggen.
—Ken je je Duitsch nog?
—Zeker.
Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden zwegen.
—Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.
—Van Mathias Ilitsj?
—Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.
—Denk je te gaan? vroeg Paul.
—Nee, en jij?
—Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.
—Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.
—Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik wil nog eens vechtenmet dien fraaien dokter. Reken daarop.
Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog hetoogenblikvan den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid „der oude Kirsanofsâ€, zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over een eigenaar uit den omtrek.
—Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij kende hem van Petersburg.
—Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde beteekenis hebben.
—Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk onverschillig zijn thee.
—Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De aristocratie washet, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij is Engelands trouwste steunpilaar.
—Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat wilt u daarmee zeggen?
—Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf—gevoelens, eigen aan het wezen der aristocratie—elke solide grondslag voor hetbien publiczou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf den mensch.
—Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar geslagen armen. Wat heeft hetbien publicdaaraan? Ook zonder die achting voor uzelf, zou u niet anders „handelen.â€
Paul Petrowitsj verbleekte.
—Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder principes kunnenleven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet zoo, Nikolaas?
Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.
—Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen hebben.
—Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De logica der geschiedenis eischt...
—Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.
—Wat?
—U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?
Paul hief zijn handen op.
—Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?
—Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit erkennen.
—Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.
—Alles?
—Volstrekt alles.
—Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...
—Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.
Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.
—Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.
—Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.
—De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.
Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.
—Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...
—Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.
—Maar als ik gelijk heb...
—Dan is daarmee nog niets bewezen.
—Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en zich daardoor niet laat afschrikken.
—Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.—U scheidt u dus af van uw volk!
—En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?
—Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.
—Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.
—En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.
—Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo door u verdedigd wordt?
—Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!
—Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?
—Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas Petrowitsj en stond op.
Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde hem weer op zijn stoel.
—Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist doordat ik dat gevoel van eigenwaardebezit, dat deze heer zoo bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:
—U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd onbevredigend.
—Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.—Voor alles zeg ik, dat wij niet preeken.
—Wat doet u dan?
—Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede rechtspraak.
—Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met jullie kritiek, maar...
—Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze „verklikkersâ€, niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, als l’art pour l’art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt en vergif zuipt.
—Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.
—Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan dezen aristocraat.
—En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!
—Wij schelden ook.
—En dat heet dan nihilisme?
—Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden toon.
Paul knipte eenigszins met de oogleden.
—Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.—Het nihilisme wil dus alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters zijn? praat jullie soms niet?
—Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.
—Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige daad voor te bereiden?
Bazarof zweeg. Paul beefde.
—Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.—Maar hoe kan men omverwerpen, zonder te weten waartoe?
—Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.
Paul zag hem aan en glimlachte.
—Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.
—Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als je tenminste maar rekenschap wilde geven vanwatje wilt beweren met die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze zullen jullie verpletteren!
—Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel talrijker, dan u denkt!
—Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?
—U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in brand te steken1, antwoordde Bazarof.
—Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder dan het bekende „Jonge meisje aan de bronâ€. En ook dat lijkt nog naar niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?
—Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de anderen zijn niet veel beter.
—Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: ’t is immers toch allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!
—U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn voorhoofd fronste.
—We hebben ons te ver laten voeren en ikgeloof, dat we beter doen, hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.
—Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem bijvoorbeeld de dorpseenheid.
Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.
—Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het gemeenschapsgevoel der boeren, hun „matigheidsvereenigingen†en dergelijke grappen meer.
—En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!
—Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...
—Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.
—Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!
De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:
—Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!
—Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al dien tijd als op heetekolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon meewarig aangekeken.
—Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!
—Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid daarvan afhing!
—Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.
—Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en verliet den salon. Paul zei kortbonsoiren zocht zijn kamer op.
1Russisch spreekwoord:Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!↑
1Russisch spreekwoord:Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!↑
1Russisch spreekwoord:Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!↑