XI.Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de tradities der heeren.Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het hoofd.—Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen der zon drongen door hetloof en tintten de boomen met warmen toon, zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.—Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan „Kracht en Stof” en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit alles geworden? Zijwerd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...—Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka’s stem naast hem, waar ben je toch?Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.—Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het donker en stil en Fenitsjka’s gezichtje was zoo bleek en teer geweest, die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en weer in den tuin,keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.—Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je je ziek? Je moest naar bed gaan.Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische ziel...—Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen had vanjullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het kost ons hoogstens een dag of zes.—En kom je dan weer mee terug?—Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.—Blijf je lang?—Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.—Kom je op de terugreis dan nog langs?—Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?—Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten nihilist.Den dag daarop reisden zij naar de stad.Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar „de ouden” zooals Bazarof hen noemde, herademden.
XI.Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de tradities der heeren.Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het hoofd.—Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen der zon drongen door hetloof en tintten de boomen met warmen toon, zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.—Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan „Kracht en Stof” en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit alles geworden? Zijwerd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...—Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka’s stem naast hem, waar ben je toch?Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.—Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het donker en stil en Fenitsjka’s gezichtje was zoo bleek en teer geweest, die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en weer in den tuin,keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.—Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je je ziek? Je moest naar bed gaan.Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische ziel...—Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen had vanjullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het kost ons hoogstens een dag of zes.—En kom je dan weer mee terug?—Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.—Blijf je lang?—Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.—Kom je op de terugreis dan nog langs?—Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?—Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten nihilist.Den dag daarop reisden zij naar de stad.Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar „de ouden” zooals Bazarof hen noemde, herademden.
XI.
Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de tradities der heeren.Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het hoofd.—Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen der zon drongen door hetloof en tintten de boomen met warmen toon, zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.—Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan „Kracht en Stof” en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit alles geworden? Zijwerd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...—Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka’s stem naast hem, waar ben je toch?Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.—Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het donker en stil en Fenitsjka’s gezichtje was zoo bleek en teer geweest, die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en weer in den tuin,keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.—Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je je ziek? Je moest naar bed gaan.Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische ziel...—Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen had vanjullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het kost ons hoogstens een dag of zes.—En kom je dan weer mee terug?—Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.—Blijf je lang?—Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.—Kom je op de terugreis dan nog langs?—Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?—Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten nihilist.Den dag daarop reisden zij naar de stad.Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar „de ouden” zooals Bazarof hen noemde, herademden.
Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de tradities der heeren.
Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het hoofd.—Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen der zon drongen door hetloof en tintten de boomen met warmen toon, zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.
—Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan „Kracht en Stof” en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit alles geworden? Zijwerd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...
Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...
—Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka’s stem naast hem, waar ben je toch?
Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.
—Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...
Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.
Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het donker en stil en Fenitsjka’s gezichtje was zoo bleek en teer geweest, die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en weer in den tuin,keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...
Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.
—Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je je ziek? Je moest naar bed gaan.
Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische ziel...
—Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen had vanjullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het kost ons hoogstens een dag of zes.
—En kom je dan weer mee terug?
—Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.
—Blijf je lang?
—Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.
—Kom je op de terugreis dan nog langs?
—Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?
—Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.
Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten nihilist.
Den dag daarop reisden zij naar de stad.
Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar „de ouden” zooals Bazarof hen noemde, herademden.