XII.Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn blik. Hij luisterde altijd zeerwelwillend toe en lachte zoo goedig, dat men hem bij eerste kennismaking voor „een wonderlijk mensch” hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op te treden.—Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, „l'énergie est la première qualité d’un homme d'état”. Toch kon elk min of meer geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en deed zijn best, ieder,die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze ’s avonds een soireé bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, ’s morgens een hoofdstuk uit Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, waardoor hij toch eenige verdienste had.Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend bij een verlicht ambtenaarvan zijn slag; bijna vroolijk ontving hij hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden verschijnen, ontstemde hem min of meer.—Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en snauwde hem af:—Wat moet u daar?De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:—Vrijdag, Uw Excellentie!—Hè, wat? Wat is?—Zei je iets? antwoordt hij dan.—Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.—Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?—Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.—Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn liberale denkbeelden.—Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft overmorgen een groot bal.—Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.—Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna medelijdenden toon, je danst toch?—Ja, maar niet goed.—Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme vind ik belachelijk, dat is overwonnen!—Denkt u dan, oom, dat het byronisme...—Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, „het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje.”Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den goeverneur te gaan.—Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren grondeigenaren te leeren kennen.—Vooruit dan.De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte sprong eruit en riep „Jevgeni Wassilitsj!” terwijl hij op Bazarof afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.—Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven staan. Wat voert u hier?—Een toeval, antwoordde hij, keerde zichnaar het rijtuig, wenkte vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!—Mijn vader, ging hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?—Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.—Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan dezen heer.—Sitnikof—Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.—Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,—ik heb al veel over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten te danken.Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, verwards.—U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap,een bevrijding, alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.—Zeg eens, Eugène Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je moet zeker al van haar gehoord hebben.—Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.—Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al koffie gedronken?—Neen.—Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is onafhankelijk.—Is ze mooi? vroeg Bazarof.—Nee, dat kan ik niet zeggen.—Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?—Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.—Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je vader nog altijd in brandewijn?—Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?—Ik weet niet, wat ik zeggen zal...—Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.—En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet zonder u.—We kunnen toch niet zoo met z’n drieën daar in huis komen vallen...—Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!—We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.—Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.—Waarmee?—Met mijn hoofd.—De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit dan maar!
XII.Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn blik. Hij luisterde altijd zeerwelwillend toe en lachte zoo goedig, dat men hem bij eerste kennismaking voor „een wonderlijk mensch” hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op te treden.—Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, „l'énergie est la première qualité d’un homme d'état”. Toch kon elk min of meer geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en deed zijn best, ieder,die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze ’s avonds een soireé bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, ’s morgens een hoofdstuk uit Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, waardoor hij toch eenige verdienste had.Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend bij een verlicht ambtenaarvan zijn slag; bijna vroolijk ontving hij hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden verschijnen, ontstemde hem min of meer.—Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en snauwde hem af:—Wat moet u daar?De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:—Vrijdag, Uw Excellentie!—Hè, wat? Wat is?—Zei je iets? antwoordt hij dan.—Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.—Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?—Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.—Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn liberale denkbeelden.—Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft overmorgen een groot bal.—Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.—Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna medelijdenden toon, je danst toch?—Ja, maar niet goed.—Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme vind ik belachelijk, dat is overwonnen!—Denkt u dan, oom, dat het byronisme...—Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, „het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje.”Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den goeverneur te gaan.—Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren grondeigenaren te leeren kennen.—Vooruit dan.De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte sprong eruit en riep „Jevgeni Wassilitsj!” terwijl hij op Bazarof afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.—Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven staan. Wat voert u hier?—Een toeval, antwoordde hij, keerde zichnaar het rijtuig, wenkte vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!—Mijn vader, ging hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?—Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.—Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan dezen heer.—Sitnikof—Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.—Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,—ik heb al veel over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten te danken.Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, verwards.—U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap,een bevrijding, alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.—Zeg eens, Eugène Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je moet zeker al van haar gehoord hebben.—Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.—Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al koffie gedronken?—Neen.—Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is onafhankelijk.—Is ze mooi? vroeg Bazarof.—Nee, dat kan ik niet zeggen.—Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?—Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.—Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je vader nog altijd in brandewijn?—Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?—Ik weet niet, wat ik zeggen zal...—Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.—En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet zonder u.—We kunnen toch niet zoo met z’n drieën daar in huis komen vallen...—Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!—We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.—Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.—Waarmee?—Met mijn hoofd.—De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit dan maar!
XII.
Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn blik. Hij luisterde altijd zeerwelwillend toe en lachte zoo goedig, dat men hem bij eerste kennismaking voor „een wonderlijk mensch” hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op te treden.—Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, „l'énergie est la première qualité d’un homme d'état”. Toch kon elk min of meer geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en deed zijn best, ieder,die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze ’s avonds een soireé bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, ’s morgens een hoofdstuk uit Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, waardoor hij toch eenige verdienste had.Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend bij een verlicht ambtenaarvan zijn slag; bijna vroolijk ontving hij hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden verschijnen, ontstemde hem min of meer.—Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en snauwde hem af:—Wat moet u daar?De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:—Vrijdag, Uw Excellentie!—Hè, wat? Wat is?—Zei je iets? antwoordt hij dan.—Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.—Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?—Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.—Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn liberale denkbeelden.—Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft overmorgen een groot bal.—Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.—Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna medelijdenden toon, je danst toch?—Ja, maar niet goed.—Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme vind ik belachelijk, dat is overwonnen!—Denkt u dan, oom, dat het byronisme...—Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, „het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje.”Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den goeverneur te gaan.—Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren grondeigenaren te leeren kennen.—Vooruit dan.De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte sprong eruit en riep „Jevgeni Wassilitsj!” terwijl hij op Bazarof afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.—Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven staan. Wat voert u hier?—Een toeval, antwoordde hij, keerde zichnaar het rijtuig, wenkte vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!—Mijn vader, ging hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?—Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.—Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan dezen heer.—Sitnikof—Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.—Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,—ik heb al veel over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten te danken.Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, verwards.—U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap,een bevrijding, alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.—Zeg eens, Eugène Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je moet zeker al van haar gehoord hebben.—Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.—Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al koffie gedronken?—Neen.—Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is onafhankelijk.—Is ze mooi? vroeg Bazarof.—Nee, dat kan ik niet zeggen.—Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?—Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.—Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je vader nog altijd in brandewijn?—Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?—Ik weet niet, wat ik zeggen zal...—Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.—En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet zonder u.—We kunnen toch niet zoo met z’n drieën daar in huis komen vallen...—Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!—We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.—Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.—Waarmee?—Met mijn hoofd.—De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit dan maar!
Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn blik. Hij luisterde altijd zeerwelwillend toe en lachte zoo goedig, dat men hem bij eerste kennismaking voor „een wonderlijk mensch” hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op te treden.
—Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, „l'énergie est la première qualité d’un homme d'état”. Toch kon elk min of meer geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en deed zijn best, ieder,die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze ’s avonds een soireé bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, ’s morgens een hoofdstuk uit Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, waardoor hij toch eenige verdienste had.
Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend bij een verlicht ambtenaarvan zijn slag; bijna vroolijk ontving hij hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden verschijnen, ontstemde hem min of meer.
—Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en snauwde hem af:
—Wat moet u daar?
De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:
—Vrijdag, Uw Excellentie!
—Hè, wat? Wat is?—Zei je iets? antwoordt hij dan.
—Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.
—Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?
—Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.
—Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?
Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn liberale denkbeelden.
—Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft overmorgen een groot bal.
—Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.
—Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna medelijdenden toon, je danst toch?
—Ja, maar niet goed.
—Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme vind ik belachelijk, dat is overwonnen!
—Denkt u dan, oom, dat het byronisme...
—Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.
Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, „het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje.”
Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den goeverneur te gaan.
—Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren grondeigenaren te leeren kennen.—Vooruit dan.
De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.
Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte sprong eruit en riep „Jevgeni Wassilitsj!” terwijl hij op Bazarof afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.
—Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven staan. Wat voert u hier?
—Een toeval, antwoordde hij, keerde zichnaar het rijtuig, wenkte vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!—Mijn vader, ging hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?
—Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.
—Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan dezen heer.
—Sitnikof—Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.
—Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,—ik heb al veel over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten te danken.
Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, verwards.
—U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap,een bevrijding, alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.—Zeg eens, Eugène Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je moet zeker al van haar gehoord hebben.
—Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.
—Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al koffie gedronken?
—Neen.
—Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is onafhankelijk.
—Is ze mooi? vroeg Bazarof.
—Nee, dat kan ik niet zeggen.
—Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?
—Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.
—Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je vader nog altijd in brandewijn?
—Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?
—Ik weet niet, wat ik zeggen zal...
—Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.
—En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet zonder u.
—We kunnen toch niet zoo met z’n drieën daar in huis komen vallen...
—Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!
—We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.
—Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.
—Waarmee?
—Met mijn hoofd.
—De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit dan maar!