XIII.Het kleine huis inRussischenstijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg of Avdotja Nikitisjna thuis was.—O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.—Kom binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.—Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.—Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek,dat ze binnentraden, leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met iets smachtends in haar stem:—Dag Victor, en drukte hem de hand.—Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen nabootsend.—Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, alsof haar plan was, iets anders te doen.— Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der vrouwen van het land,noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, bij hun familienaam.) Rookt u?—Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.—Maar u moet ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan maar meteen een flesch champagne aanrukken.—Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?—Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom ben ik niet minder liberaal!—Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner te zorgen en champagne te brengen.—Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het met mij eens bent!—Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.—Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort lijm uitgevonden.—Lijm? U?—Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten ook verwende kinderen met hun gouvernante.—Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.Eudoxia lachte.—Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos op je ben.—Waarom?—Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.—Waarom? U maakt me nieuwsgierig.—U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?—Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.—De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. ’t Is afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van plan, op reis te gaan.—Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.—Naar Parijs en Heidelberg.—Waarom Heidelberg?—Omdat Bunsen daar woont.Bazarof wist geen antwoord.—Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?—Ik heb niet de eer.—Hoe is ’t mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia Chostatova.—Die ken ik ook niet.—Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, trok die over haar tong, en begon te rooken.Het kamermeisje kwam met het theeblad.—Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch eens open. Dat behoor jij te kunnen.—Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.—Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.—Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk.Mon amieOdintsova is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje ’n slechte naam... dat is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn slecht opgevoed.—U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen „het geslacht”, zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, nietéén, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met haar bezighouden.—Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, zei Bazarof.—Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.—De mooie vrouwen.—U bent het dus eens met Proudhon?Bazarof richtte zich met verachtende geste op.—Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.—Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, eens flink te kunnen optreden.—Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...—Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het op voor die zotte vrouwmenschen!—Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen,maar voor de rechten der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.—Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in de rede: ik heb niets tegen ze!—Ik zie, dat u slavofiel bent!—Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...—Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, (een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de zweep te lijf gaat!—Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,—maar we zijn aan den laatsten droppel.—Waarvan? vroeg Eudoxia.—Van de champagne, niet van uw bloed.—Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: De l’Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het werd plotseling stil in de kamer.—Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?—Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!—Victor, je bent een grappenmaker!De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada droomt in haren sluimer.Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd gebonden. Toen zij de woorden galmde:In mijner kussen heeten gloedVereenen zich, lief, onze lippen,kon Arkadiej zich niet langer goed houden:—Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.—En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen van hoogere zedelijke orde!—Hoort deze inrichting van je vader ook totdie hoogere orde? vroeg Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.
XIII.Het kleine huis inRussischenstijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg of Avdotja Nikitisjna thuis was.—O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.—Kom binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.—Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.—Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek,dat ze binnentraden, leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met iets smachtends in haar stem:—Dag Victor, en drukte hem de hand.—Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen nabootsend.—Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, alsof haar plan was, iets anders te doen.— Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der vrouwen van het land,noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, bij hun familienaam.) Rookt u?—Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.—Maar u moet ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan maar meteen een flesch champagne aanrukken.—Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?—Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom ben ik niet minder liberaal!—Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner te zorgen en champagne te brengen.—Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het met mij eens bent!—Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.—Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort lijm uitgevonden.—Lijm? U?—Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten ook verwende kinderen met hun gouvernante.—Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.Eudoxia lachte.—Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos op je ben.—Waarom?—Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.—Waarom? U maakt me nieuwsgierig.—U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?—Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.—De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. ’t Is afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van plan, op reis te gaan.—Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.—Naar Parijs en Heidelberg.—Waarom Heidelberg?—Omdat Bunsen daar woont.Bazarof wist geen antwoord.—Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?—Ik heb niet de eer.—Hoe is ’t mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia Chostatova.—Die ken ik ook niet.—Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, trok die over haar tong, en begon te rooken.Het kamermeisje kwam met het theeblad.—Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch eens open. Dat behoor jij te kunnen.—Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.—Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.—Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk.Mon amieOdintsova is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje ’n slechte naam... dat is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn slecht opgevoed.—U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen „het geslacht”, zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, nietéén, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met haar bezighouden.—Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, zei Bazarof.—Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.—De mooie vrouwen.—U bent het dus eens met Proudhon?Bazarof richtte zich met verachtende geste op.—Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.—Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, eens flink te kunnen optreden.—Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...—Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het op voor die zotte vrouwmenschen!—Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen,maar voor de rechten der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.—Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in de rede: ik heb niets tegen ze!—Ik zie, dat u slavofiel bent!—Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...—Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, (een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de zweep te lijf gaat!—Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,—maar we zijn aan den laatsten droppel.—Waarvan? vroeg Eudoxia.—Van de champagne, niet van uw bloed.—Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: De l’Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het werd plotseling stil in de kamer.—Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?—Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!—Victor, je bent een grappenmaker!De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada droomt in haren sluimer.Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd gebonden. Toen zij de woorden galmde:In mijner kussen heeten gloedVereenen zich, lief, onze lippen,kon Arkadiej zich niet langer goed houden:—Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.—En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen van hoogere zedelijke orde!—Hoort deze inrichting van je vader ook totdie hoogere orde? vroeg Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.
XIII.
Het kleine huis inRussischenstijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg of Avdotja Nikitisjna thuis was.—O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.—Kom binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.—Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.—Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek,dat ze binnentraden, leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met iets smachtends in haar stem:—Dag Victor, en drukte hem de hand.—Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen nabootsend.—Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, alsof haar plan was, iets anders te doen.— Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der vrouwen van het land,noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, bij hun familienaam.) Rookt u?—Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.—Maar u moet ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan maar meteen een flesch champagne aanrukken.—Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?—Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom ben ik niet minder liberaal!—Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner te zorgen en champagne te brengen.—Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het met mij eens bent!—Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.—Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort lijm uitgevonden.—Lijm? U?—Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten ook verwende kinderen met hun gouvernante.—Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.Eudoxia lachte.—Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos op je ben.—Waarom?—Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.—Waarom? U maakt me nieuwsgierig.—U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?—Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.—De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. ’t Is afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van plan, op reis te gaan.—Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.—Naar Parijs en Heidelberg.—Waarom Heidelberg?—Omdat Bunsen daar woont.Bazarof wist geen antwoord.—Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?—Ik heb niet de eer.—Hoe is ’t mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia Chostatova.—Die ken ik ook niet.—Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, trok die over haar tong, en begon te rooken.Het kamermeisje kwam met het theeblad.—Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch eens open. Dat behoor jij te kunnen.—Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.—Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.—Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk.Mon amieOdintsova is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje ’n slechte naam... dat is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn slecht opgevoed.—U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen „het geslacht”, zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, nietéén, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met haar bezighouden.—Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, zei Bazarof.—Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.—De mooie vrouwen.—U bent het dus eens met Proudhon?Bazarof richtte zich met verachtende geste op.—Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.—Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, eens flink te kunnen optreden.—Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...—Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het op voor die zotte vrouwmenschen!—Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen,maar voor de rechten der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.—Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in de rede: ik heb niets tegen ze!—Ik zie, dat u slavofiel bent!—Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...—Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, (een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de zweep te lijf gaat!—Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,—maar we zijn aan den laatsten droppel.—Waarvan? vroeg Eudoxia.—Van de champagne, niet van uw bloed.—Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: De l’Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het werd plotseling stil in de kamer.—Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?—Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!—Victor, je bent een grappenmaker!De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada droomt in haren sluimer.Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd gebonden. Toen zij de woorden galmde:In mijner kussen heeten gloedVereenen zich, lief, onze lippen,kon Arkadiej zich niet langer goed houden:—Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.—En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen van hoogere zedelijke orde!—Hoort deze inrichting van je vader ook totdie hoogere orde? vroeg Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.
Het kleine huis inRussischenstijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg of Avdotja Nikitisjna thuis was.
—O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.—Kom binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.
—Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.
—Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!
De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek,dat ze binnentraden, leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met iets smachtends in haar stem:
—Dag Victor, en drukte hem de hand.
—Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen nabootsend.
—Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, alsof haar plan was, iets anders te doen.
— Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der vrouwen van het land,noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, bij hun familienaam.) Rookt u?
—Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.—Maar u moet ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan maar meteen een flesch champagne aanrukken.
—Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?
—Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom ben ik niet minder liberaal!
—Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner te zorgen en champagne te brengen.
—Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het met mij eens bent!
—Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.
—Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort lijm uitgevonden.
—Lijm? U?
—Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?
Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten ook verwende kinderen met hun gouvernante.
—Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.
Eudoxia lachte.
—Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos op je ben.
—Waarom?
—Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.
—Waarom? U maakt me nieuwsgierig.
—U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?
—Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.
—De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. ’t Is afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van plan, op reis te gaan.
—Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.
—Naar Parijs en Heidelberg.
—Waarom Heidelberg?
—Omdat Bunsen daar woont.
Bazarof wist geen antwoord.
—Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?
—Ik heb niet de eer.
—Hoe is ’t mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia Chostatova.
—Die ken ik ook niet.
—Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, trok die over haar tong, en begon te rooken.
Het kamermeisje kwam met het theeblad.
—Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch eens open. Dat behoor jij te kunnen.
—Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.
—Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.
—Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk.Mon amieOdintsova is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje ’n slechte naam... dat is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn slecht opgevoed.
—U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen „het geslacht”, zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, nietéén, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met haar bezighouden.
—Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, zei Bazarof.
—Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.
—De mooie vrouwen.
—U bent het dus eens met Proudhon?
Bazarof richtte zich met verachtende geste op.
—Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.
—Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, eens flink te kunnen optreden.
—Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...
—Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het op voor die zotte vrouwmenschen!
—Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen,maar voor de rechten der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.
—Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in de rede: ik heb niets tegen ze!
—Ik zie, dat u slavofiel bent!
—Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...
—Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, (een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de zweep te lijf gaat!
—Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,—maar we zijn aan den laatsten droppel.
—Waarvan? vroeg Eudoxia.
—Van de champagne, niet van uw bloed.
—Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: De l’Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het werd plotseling stil in de kamer.
—Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?
—Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!
—Victor, je bent een grappenmaker!
De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada droomt in haren sluimer.
Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd gebonden. Toen zij de woorden galmde:
In mijner kussen heeten gloedVereenen zich, lief, onze lippen,
In mijner kussen heeten gloed
Vereenen zich, lief, onze lippen,
kon Arkadiej zich niet langer goed houden:
—Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.
Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.
—En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen van hoogere zedelijke orde!
—Hoort deze inrichting van je vader ook totdie hoogere orde? vroeg Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.
Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.