XXVII.

XXVII.Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen van zijn sneeuwbuien.De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende paarden draven met verdubbelde snelheid.Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een afscheidsmaal.Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken,nadat ze den jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten zaten naast hun vrouwen.Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:—Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen met haar. Hij stond op, het was tegenhet einde van den maaltijd, een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:—Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, neem jij het woord voor mij.—Neen, papa, ik ben in ’t geheel niet voorbereid.—Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk weer bij ons terug.Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:— Weest gelukkig vrienden,farewell!Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer ontroerd.—Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en drukte haar alleen de hand.En hiermede is dit verhaal ten einde.Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende personen op het oogenblik gaat.Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, eenmariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek der volgende jaren te spelen.Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed brengt aanzienlijke rente op.Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de verlichte heeren edellieden, die over de „(é)mancipation” zwaarwichtig of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze „mancipation” hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.Dezen zoowel als genen vinden hem te „slap”.Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, dat loopen en praten kan.Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalvevan echtgenoot en kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano speelt, wijkt ze niet van haar zijde.Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar zelfs lakschoenen bezat!Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingender slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russischebeau mondezeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren „lapot”1als aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen een soort vereering voor hem te koesteren.Niemand kan zoo gemakkelijk als „Baron van Kirsanof” een introductie krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een kruis slaat.Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, maararchitectuuren heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld doen staan over hun juist oordeel,maar weldra door hun verregaande luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd het „werk” van Bazarof voort in compagnieschap met „den grooten” Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te zullen zijn.Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn vrouw noemt hem een domkop en een „letterkundige”.In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt.Het is omgeven door een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun kind denken te zijn.Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?O... neen... neen....Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...Einde.1Boerenschoeisel van berkenbast.↑

XXVII.Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen van zijn sneeuwbuien.De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende paarden draven met verdubbelde snelheid.Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een afscheidsmaal.Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken,nadat ze den jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten zaten naast hun vrouwen.Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:—Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen met haar. Hij stond op, het was tegenhet einde van den maaltijd, een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:—Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, neem jij het woord voor mij.—Neen, papa, ik ben in ’t geheel niet voorbereid.—Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk weer bij ons terug.Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:— Weest gelukkig vrienden,farewell!Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer ontroerd.—Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en drukte haar alleen de hand.En hiermede is dit verhaal ten einde.Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende personen op het oogenblik gaat.Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, eenmariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek der volgende jaren te spelen.Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed brengt aanzienlijke rente op.Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de verlichte heeren edellieden, die over de „(é)mancipation” zwaarwichtig of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze „mancipation” hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.Dezen zoowel als genen vinden hem te „slap”.Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, dat loopen en praten kan.Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalvevan echtgenoot en kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano speelt, wijkt ze niet van haar zijde.Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar zelfs lakschoenen bezat!Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingender slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russischebeau mondezeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren „lapot”1als aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen een soort vereering voor hem te koesteren.Niemand kan zoo gemakkelijk als „Baron van Kirsanof” een introductie krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een kruis slaat.Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, maararchitectuuren heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld doen staan over hun juist oordeel,maar weldra door hun verregaande luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd het „werk” van Bazarof voort in compagnieschap met „den grooten” Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te zullen zijn.Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn vrouw noemt hem een domkop en een „letterkundige”.In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt.Het is omgeven door een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun kind denken te zijn.Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?O... neen... neen....Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...Einde.1Boerenschoeisel van berkenbast.↑

XXVII.

Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen van zijn sneeuwbuien.De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende paarden draven met verdubbelde snelheid.Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een afscheidsmaal.Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken,nadat ze den jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten zaten naast hun vrouwen.Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:—Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen met haar. Hij stond op, het was tegenhet einde van den maaltijd, een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:—Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, neem jij het woord voor mij.—Neen, papa, ik ben in ’t geheel niet voorbereid.—Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk weer bij ons terug.Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:— Weest gelukkig vrienden,farewell!Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer ontroerd.—Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en drukte haar alleen de hand.En hiermede is dit verhaal ten einde.Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende personen op het oogenblik gaat.Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, eenmariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek der volgende jaren te spelen.Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed brengt aanzienlijke rente op.Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de verlichte heeren edellieden, die over de „(é)mancipation” zwaarwichtig of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze „mancipation” hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.Dezen zoowel als genen vinden hem te „slap”.Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, dat loopen en praten kan.Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalvevan echtgenoot en kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano speelt, wijkt ze niet van haar zijde.Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar zelfs lakschoenen bezat!Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingender slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russischebeau mondezeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren „lapot”1als aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen een soort vereering voor hem te koesteren.Niemand kan zoo gemakkelijk als „Baron van Kirsanof” een introductie krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een kruis slaat.Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, maararchitectuuren heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld doen staan over hun juist oordeel,maar weldra door hun verregaande luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd het „werk” van Bazarof voort in compagnieschap met „den grooten” Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te zullen zijn.Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn vrouw noemt hem een domkop en een „letterkundige”.In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt.Het is omgeven door een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun kind denken te zijn.Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?O... neen... neen....Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...Einde.

Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen van zijn sneeuwbuien.

De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende paarden draven met verdubbelde snelheid.

Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.

Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.

Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een afscheidsmaal.

Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken,nadat ze den jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.

Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.

Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten zaten naast hun vrouwen.

Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.

Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.

In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:

—Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...

Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen met haar. Hij stond op, het was tegenhet einde van den maaltijd, een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:

—Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, neem jij het woord voor mij.

—Neen, papa, ik ben in ’t geheel niet voorbereid.

—Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk weer bij ons terug.

Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:

— Weest gelukkig vrienden,farewell!

Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer ontroerd.

—Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en drukte haar alleen de hand.

En hiermede is dit verhaal ten einde.

Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende personen op het oogenblik gaat.

Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.

Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, eenmariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek der volgende jaren te spelen.

Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.

Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.

Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed brengt aanzienlijke rente op.

Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de verlichte heeren edellieden, die over de „(é)mancipation” zwaarwichtig of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze „mancipation” hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.

Dezen zoowel als genen vinden hem te „slap”.

Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, dat loopen en praten kan.

Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalvevan echtgenoot en kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano speelt, wijkt ze niet van haar zijde.

Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar zelfs lakschoenen bezat!

Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingender slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russischebeau mondezeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren „lapot”1als aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen een soort vereering voor hem te koesteren.

Niemand kan zoo gemakkelijk als „Baron van Kirsanof” een introductie krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een kruis slaat.

Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, maararchitectuuren heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld doen staan over hun juist oordeel,maar weldra door hun verregaande luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.

Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd het „werk” van Bazarof voort in compagnieschap met „den grooten” Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te zullen zijn.

Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn vrouw noemt hem een domkop en een „letterkundige”.

In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt.Het is omgeven door een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.

Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.

Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun kind denken te zijn.

Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?

Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?

O... neen... neen....

Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...

Einde.

1Boerenschoeisel van berkenbast.↑

1Boerenschoeisel van berkenbast.↑

1Boerenschoeisel van berkenbast.↑


Back to IndexNext