D)Toen bestonden de Nederlandsche broodkaarten nog niet. Corr.
Het is nu een maand geleden, dat ik met u te samen ging wonen, Jan, Gerrit, Gijs en Jacob, en in dien maand zijn wij soldaten geworden.
Velerlei hebben wij te samen genoten en verfoeid... en ik zoude... Ha! ik zoude veel, veel meer vastgehouden hebben, van hetgeen ons overkwam, indien niet zoo schaarsch geweest waren de vrije uren, waarin ik dit, mijn besmoezeld zakboek, te voorschijn brengen mocht, en er in neerschrijven ons gemeenschappelijk leed.
In dien tijd zijn een viertal onzer vader geworden, en even zoovelen hebben hunne verkeering gewisseld; gisteren was er een broodje te weinig aan het ontbijt, en verleden week is een onzer overleden.
Overigens waren de dagen aan elkaar gelijk. En voor ons is het perspectief der wachtende weken wijd, emotieloos en grauw, als de in zonnebrand vertrillende einder van eene zandwoestenij.
Waarin ik slechts substantieel voel mijne aanteekeningen, hard en onbedekbaar als kantige steenen, waartegen wij vruchteloos schoppen op onzen langen marsch naar het onbekende...
***
Zooeven ben ik mijn bad ontstegen; juist is het geklok van het wegstroomend, modderig water, vergorgeld, en als ik mijn eigen slaapkamer betreed, omvangt mij daar de stilte als de mystieke plechtigheid eener sinds lang verlaten abdij. Om zeven uur, twee uren geleden, verliet ik de chambrée, waar de Zondagmorgen aanbrak in feestelijk getier, vol pijnlijke geeuwen echter van mijne vele kamergenoten, wier Zaterdagavond zich in bier en brandewijn ontwikkeld had.
En nog slechts flauwelijk herinner ik mij, hoe zij, bij het avondappèl ietwat waggelend voor hunne stroozakken stonden, vriendelijklachend tegen den strengen sergeant, met het kennelijk doel daardoor een sympathieken en onschuldigen indruk teweeg te brengen.
Nu ik weer rustig bij mijn eigen haardje zit, overdenk ik deze week, waarin één oogenblik was, waarin de realiteit van onze militaire bestemming doorgeschemerd heeft.
Dat waren vreemde dagen; het was, alsof, naarmate de krijgsgeruchten duidelijker verneembaar werden, al ons doen beteekenis verkreeg.
Het „verspreiden”, dat wij oorspronkelijk als eene moeilijke orde-oefening beschouwd hadden, bleek ons plotseling eene manoeuvre te zijn, om onverwacht invallend vuur te ontkomen; het doodstil liggen op den viezen grond van het exercitie-terrein, met het geweer in de armen, en het hoofd diep weggedoken, eene oefening, die ons tegengestaan had om de noodzakelijk daaraan verbonden bevuiling van handen en tuniek, kreeg opeens de sombere beteekenis van schuilen voor levensbehoud.
En zoo meer.
Het is nu ook een week geleden, dat wij onze stroozakken op den vloer legden, en de kribben naar de nood-logies sjouwden. Men sprak van Duitsche hulptroepen, n.b. Den nacht daarop sliepen wij weinig.
De vloer was hard, en de toekomst ongewis.
Ik herinner mij, hoe een pijnlijke spanning ontstond gedurende den nacht door eene gebeurtenis, die—zonder de alarmeerende berichten der laatste dagen—onopgemerkt gebleven zou zijn.
Op het rangeerterrein voor de kazerne n.l., waar reeds sinds onheugelijke tijden een roode-kruis-trein staat te roesten, was bewegelijkheid. De wagens rammel-bonkten tegen elkander, er klonken hoornsignalen, en stoom siste. Wij lagen allen stil in de donkere chambrée op ons stroo, en luisterden; niemand sprak, doch er was aandacht in de stilte, spanning zelfs, die gebroken werd door gebrom in een hoek: „daar komme wij nog es in terug!”
Niemand antwoordde: ieder hield zich slapende.
En het gerammel en gestoot ging verder...
's Morgens lag een groot stuk spoorbaan bloot, als een akelig gat tusschen de nog restende wagons.
***
Langzamerhand heeft zich een nieuw element onder ons ontwikkeld: n.l. dat der afgekeurden. Gemeenlijk zijn zij herkenbaar aan burgerkleeding, een hooghartigen glimlach vanbourgeois satisfait, ietwat zwierige en on-militaire gedragingen, en veel verlof. De mil. geneesk. dienst toch, die, voornamelijk op administratief gebied, zoozeer ijvert in het landsbelang, laat perioden van 14 dagen tot circa een jaar verloopen, alvorens zij aan afgekeurden de noodige papieren verstrekt, die hun algeheele terugtrekking uit het legerverband mogelijk maken. Het is geen geheim, dat in het begin van de mobilisatie b.v. iemand na drie dagen dienst werd afgekeurd; daarop keerde hij met verlof en voor rijks-rekening naar zijn betrekking in het buitenland terug. Na een jaar werd hij ontboden om zijne papieren te halen, en kreeg daarbij tot zijne verrassing... een jaar soldij (pl.m. ƒ 150.—). Dergelijke zoete perspectieven openen zich voor eenigen onder mijne kameraden, die afgekeurd zijn, en geen dienst doen.
Zij zijn een soort blinde-darm in het legerverband, bezoeken de appèls in burgerkleeding, als Cook's reizigers een abattoir in Chicago, en wandelen kwatta-etend over het exercitie-terrein, dan wel spelen billard in de cantine, als schatrijke particulieren.
Op ieder bevel antwoorden zij, rekenend op eene civiele behandeling, met het machtwoordafgekeurd.
Een hunner vereerde mij, ter viering van het blijde feit, een sigaar met een bandje; een andere—ietwat angstig aangelegde—accentueert, uit vrees voor her-goedkeuring het inconvenient zijner platvoeten, door zéér wijdbeens en hinkend, met een als van smart verwrongen gelaat rond te loopen, kreunend bij het passeeren van iederen korporaal of sergeant.
***
Stel u voor: een huisje, gelegen aan een ruim, ietwat afhellend, exercitie-terrein. Het huisje is niet nader te omschrijven: het terrein is grootendeels grauw; ik zeg grootendeels, want rondom het huisje is een terrein-strook van verscheidene tientallen meters uitgebreidheid donker getint en drassig. Ik onthoud mij van eene verdere verklaring van dit verschijnsel, doch prevel slechts iets van verstopten afvoer.
Ten slotte zij medegedeeld, dat op het exercitie-terrein dikwijls, en dan langdurig, plat op het aangezicht gelegen wordt... zonder gasmaskers.
***
Dezer dagen hebben wij met z'n tweeduizenden een Kalverstraatje gewandeld. Het was eene z.g. reclame-marsch. Mijne aandoening was veel-ledig.
Het is n.l. niet mijne gewoonte door de Kalverstraat te loopen om drie uur des namiddags, en ik ontmoette dan ook weinig kennissen. Dan begrijp ik, hoe onpleizierig vreemdelingen zich in onze stad moeten gevoelen, daar zij en hun gezelschap met dezelfde starre blik aan- en nagestaard worden als het met ons geschiedde.
Maar een trotsch gevoel is het, te zien, hoe het geheele verkeer stop staat... voor Ons...; zoo iets als de bekende plaat van „His Majesty, the Baby”.
Enkele burgers, die mij herkenden, wisten, dat zij niet groeten mochten, daar het ons verboden is een groet te beantwoorden. Alleen E., een automobiel-luitenant, groette mij vriendelijk. Mijn sergeant fronste de wenkbrauwen.
Sinds dien dag ken ik een nieuwe luxe: vrij en zonder geleide op straat te loopen.
Ik bestraf mijn hond niet meer, als hij een dag er van door gaat...
Mei 1916.
Wij, soldaten, wenschen de lengte en het aantal der ons van hooger hand toegestane verloven gehandhaafd te zien, zooals een huisdier het volume van zijn portie voedsel.
En het moge u drie, viermaal gelukken, de etensbak van uwen hond weg te nemen, terwijl hij slechts dreigend gromt... er komt een keer, dat hij grimmig bijten zal. Intusschen zult ge in het daarop volgend conflict de sterkste en machtigste blijken, doch onloochenbaar zal het incident eene verkoeling teweeg brengen in de verhouding tusschen u en hem. De vergelijking gaatechterop één punt mank: het zal u n.l.niet mogelijk zijn, den hond aan het verstand te brengen,waaromhij zijn gewone portie derven moet, terwijl het ons, soldaten, zeer zeker aan het redelijk verstand te brengen zoude zijn, welke de reden is van deze onaangename onthouding.
En het meerendeel onzer zou deze explicatie, zoo niet getroost, dan toch berustend aanvaarden. En in dit opzicht is dus onze wensch dezelfde als die van de burger-maatschappij: eenig commentaar van de zijde der regeering.
Nu is het grommen luider dan aangenaam is, en het gerucht van incidenten en onlusten bereikte ons van het veldleger.
„Maar wat wil je?” zegt mijn „slaapie”—„als d'r één man staakt, pakken er twee hem op, en douwen hem de pot in... als er een sectie staakt, staat er een compie klaar... en tegenover een compie een bataljon, en daartegenover weer een regiment, en dan een brigade en dan een divisie, en dan vier divisies... en dan?”
Ja, meer is er niet heeft de sergeant ons op de „tieërie” geleerd... en opeens flakkeren de oogen van Simon, den stiekemen anti-militarist, en hij brult de gemeenplaatsen, die ik vandaag op de parapluie's eener demonstreerende menigte geschilderd zag:
„Algemeene demobilisatie... geen man en geen cent voor het militarisme;”
Verder gaan mijne vrienden niet; voor deze stoute geestes-schepping staan zij vol ontzag en ontzetting... zooals een groot kunstenaar voor zijn meesterwerk!
***
Bij Kon. besluit van 11 dezer is aan Jan Jacob Pisters, milicien der lichting 1855 voor de gemeente Nuth, vrijstelling voorgoed van den dienst bij de militie verleend.
(St. Ct.)
Bovenstaand bericht, geput uit de „N. R. Ct.” van Zondagmorgen, deed mij in gepeinzen verzinken. Een tachtigjarige is dus voorgoed vrijgesteld van den dienst bij de militie! Welk een veteraan! Neen zóó oud zijn er bij ons niet. Wèl dommelt gemeenlijk bij een der kachels in de cantine een soldaat, dien ik een dikke vijftig geef, doch deze is nog zeer weerbaar.
***
Voor het eerst in mijn militairen loopbaan ben ik heviglijk geschrokken; niet door het feit, dat dezer dagen mijne schoenen gestolen zijn... Wij zijn er reeds lang aan gewend, dat telkens zaken spoorloos uit de chambrées verdwijnen, en wij vatten dit op als roof- en plunder oefeningen van een mede-krijgsman. De schrik beving mij achteraf, toen men mij voorstelde als schadeloosstelling te aanvaarden: ...een paar gedragen schoenen! Nu vraag ik u... men zoude mij evengoed in overweging kunnen geven, mijns buurmans tandenborstel of oorlepel te benutten. Vol afschuw haastte ik mij, deze vraag metde wedervraag te beantwoorden: of ernieuweschoenen verkrijgbaar waren. Helaas zag ik mij genoodzaakt den fourier te épateeren met het aanvaarden der laatste mogelijkheid: vijf weken soldij in ruil voor een nieuw paar schoenen!
Dief! Indien deze regelen u onder de oogen mochten komen, bedenk dan, dat ik vijf weken exerceeren zal, zonder daarvoorhonorariumte genieten... Het ergste is, dat men mij van diefstal schijnt te verdenken; telkenmaal toch, dat ik met mijn citybag de kazerne verlaat, gelast de deurbewaker mij met verwachtingsvolle en bevelende gebaren de tasch te open!
***
Een regendag in de kazerne is, wat een vleeschlooze dag in een wildenbeestenspel zijn moet: het eenige noodige ontbreekt, en flauwe surrogaten vermogen niet, het te vervangen.
Reeds stemt de simpele kleeding van mijn anders zoo sierlijk geuniformden luitenant mij treurig, en met minder genoegen dan gewoonlijk, schiet ik zelve de tuchthuisboevenkleedij aan, die hier onder den naam van „werkgoed” verstrekt wordt. In dit goed nu wordt de dag gedood. Het begint met urenlange aanslag-oefeningen op de chambrée, waarbij gemikt wordt op de meubelen, en lang-uit gelegen op de vloer, waarvan de geringe oppervlakte den schutter noodzaakt zijn beenen onder de krib te schuiven, en den loop van zijn geweer onder het tegenoverstaande bed. Deze omstandigheden suggereeren allerminst slagveld-emoties, en de oefening verloopt met de animo, waarmede een krasse oude heer op zijn slaapkamer met halters werkt.
's Middags klaart het weer wat op, en trekken wij, tot de tanden gewapend, de modderzee van het exercitieterrein in, om een paar uur later aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aan onze doorweekte kleeding het slaapvertrek weer binnen te dragen.
Een regendag is te hatelijker, door het gevoelen van een force-majeure, die niet die des superieurs is. Er is weifeling in de lucht: wijfeling omtrent de indeeling van den dienst,... want op regen is de kazerne niet berekend.
....Zooals er ook geen rekening gehouden kan worden met schoenendieven en andere krachten, die in on-militaire geheimzinnigheid en onberekenbaarheid optreden.
***
Neen, neen, en nogmaals neen! Voor den dokter wensch ik mij niet aan te melden. Niet, omdat de localiteit, waarin de medicus heerscht, mij al te zeer aan een ongemeubelde stationswachtkamer derde klasse herinnert, doch om het bloote feit, dat ik niet onder verdenking wil geraken van simuleeren. Want evenzeer als het meerendeel der drankjes, die een huisarts ons verstrekt, naar peperment riekt, is er aan de geneeswijzen des militairen dokters eenonmiskenbaar geurtje vanstraf. Het moge zeer nuttig zijn, iemand, die gedurende den looppas uitvalt, twee dagen achtereen na den dienst het bed te doen opzoeken, of een ander, die zijn pols bezeerd heeft, hetzelfde recept te geven, ik persoonlijk prefereer een meer „civiele” geneeswijze. Het is zonderling, maar ik, onmuzikaal aangelegde, verwar altijd de hoornsignalen, die de zieken naar den dokter en de gestraften naar de wacht roepen.
***
Op gevaar af, van mijne superieuren te mishagen, wil ik ook ditmaal eindigen met een klein viezigheidje. D.w.z., voor u is het er een... voor mij mindere, is het er sinds lang geen meer.
Exercitie met het geweer op de chambrée. Men staat in een lange rij, met het geweer in den aanslag.
De sergeant:vuurrrrr!
Boven het rikketikketik der geweren klinkt, duidelijk waarneembaar het viezigheidje, waarmede Japanners hunnen gastheer het teeken van over-verzadigd te zijn geven. In dit geval echter, is het minder hoffelijk bedoeld, en de sergeant heeft gelijk, met op strengen toon te vragen naar den dader. „Wie heeft dat gedaan?” roept hij, vergetende dat er feitelijk—integendeel—iets gelaten is.
Doodsche, pijnlijke stilte.
„Wie?”
Iedereen kijkt zijn buurman aan met den ernst, die ons alleen op belachelijke momenten beheerscht...
Het geval geeft aanleiding tot een ultimatum.
„Indien de dader zich niet direct aanmeldt...!”
Dan treedt Kees naar voren.
„Ik ben onschuldig”,zegt hij ridderlijk, „maar ik moet vanavond tòch thuisblijven...”
„Neen, neen”, roepen wij, die niet minder edel willen zijn—„de dáder!”
Het debat duurt voort...tant de bruit, pour un tout petit bruit...
De „dader” is nog steeds niet gevonden.
Eindelijk wordt ook de luitenant van het geval in kennis gesteld; hij is een practisch man.
„Als niemand het gedaan heeft”, zegt hij—„dan moet het de sergeant geweest...”
Dan pas lachen wij.
Ook de sergeant... die intusschen even onschuldig is, als uw u dw.
MELIS STOKE.
RIJM-KRONYCK.
Krijgsmanszangen III.
Aan mijne nieuwe vrienden.De kazerne is een woning,waar de jeugd geen vreugde is,en waar 't schuren, lange uren,van portalen, gangen, muren,de hoogste aller deugden is.De kazerne is een zeestrand,waar 'k gebracht ben door den vloed,waar de eb mij heeft gelaten,tusschen allerlei soldaten,wier bestaan 'k nooit had vermoed.Barend, Joopie, Kees en Gerrit,strekken hun vermoeide lijfnaast het mijne in de kribben,en des morgens port mijn ribben,een sergeant, dien 'k niet beschrijf.Gerrit, Joopie, Kees en Barend,'k had nog nooit van u gehoord,doch reeds kennen we elkaars vreugden,zorgen, droefenis en deugden,sokken, ondergoed en boord.Kees heeft vaste-loop-verkeering,Joop en Barend, zijn getrouwd,Gerrit wacht zijn tweede „kleine”...en 'k heb op mijn beurt ook mijnehoop' en plannen hun ontvouwd.. . . . . . . . . . . . . . .De kazerne is een woning,die men zuchtend binnen-gaat,en die ieder vòl verlangennaar zijn dierb'ren, na een langendag van rechts-om-keert's, verlaat...
Aan mijne nieuwe vrienden.
De kazerne is een woning,waar de jeugd geen vreugde is,en waar 't schuren, lange uren,van portalen, gangen, muren,de hoogste aller deugden is.
De kazerne is een zeestrand,waar 'k gebracht ben door den vloed,waar de eb mij heeft gelaten,tusschen allerlei soldaten,wier bestaan 'k nooit had vermoed.
Barend, Joopie, Kees en Gerrit,strekken hun vermoeide lijfnaast het mijne in de kribben,en des morgens port mijn ribben,een sergeant, dien 'k niet beschrijf.
Gerrit, Joopie, Kees en Barend,'k had nog nooit van u gehoord,doch reeds kennen we elkaars vreugden,zorgen, droefenis en deugden,sokken, ondergoed en boord.
Kees heeft vaste-loop-verkeering,Joop en Barend, zijn getrouwd,Gerrit wacht zijn tweede „kleine”...en 'k heb op mijn beurt ook mijnehoop' en plannen hun ontvouwd.
. . . . . . . . . . . . . . .De kazerne is een woning,die men zuchtend binnen-gaat,en die ieder vòl verlangennaar zijn dierb'ren, na een langendag van rechts-om-keert's, verlaat...
„En,” zoo vraagde mij mijn goede oom J., „hoe hebt ge u geamuseerd vandaag?”
Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord „minimaal” overbodig maakten en zoo zweeg ik, vragend...
„Voor veertienhonderd gulden”—zoo ging oom verder,—zoudt ge toch met uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...
Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche soldaten, een prettigen dag te bezorgen.
Een officier had gesproken van kregelige stemming, „door het inhouden van verloven”, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen, om onheilen te voorkomen.
„Dank u wel oom,” zeide ik hartelijk, „bij voorbaat!”
***
De „prettige dag” is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot onheil.
Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes, waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...
...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.
Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre, als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte, die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de gaanderijen, en er stegen geuren uit op, eneene murmeling, die den grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr. J. A. L.) verstorven was.
Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden, dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche. Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden onderling, tusschen balcon en parterre.
Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie, waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het verscherven van een ruit als een lawine...
Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar eenschildwacht u het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden „ontsnappen” door den tuin, en, over de muur klimmend, een „goed heenkomen” zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze te scheuren in het formaat van „bier-en-thee-bons”, en als zoodanig aan de buffetten ingewisseld?
Neen immers?
Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.
Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.
De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een luitenant mij de zaal weer binnenduwde.
Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de parterre, hoevele „gasten” over het tuinhek ontvlucht waren.
De cellist speelde de „Träumerei”... mijne kameraden dommelden, met zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.
Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het concertgebouw...
***
„Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!” voegde Kees mij toe, „daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!”
Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste „lolletje”, eene uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was menen pays de connaissance. Daar riep men „psssst” tegen heldinnen van bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf. Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord (of begrip) „Dames” geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.
Trouwens men kènde de „artisten”, en in Flora waren vergissingen uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma, mompelend: „Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat zie-je zoo!”
***
Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk zijn ze àlle.
Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde, dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.
Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:
Onze káter het jòngkies gekrége...
Onze káter het jòngkies gekrége...
en waarvan het refrein luidt:
poes, poes, sméeerige poes...
poes, poes, sméeerige poes...
enz.
Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend herhaalt, dat „bij ons alles zóó óóóóó gaat” afgewisseld met „hallo, hallo”.Wàtenwáárenhoèer iets „gáát” is echter niemand recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert waarom „een mensch niet van stroo” is of in hoeverre men „naar Amsterdam terug” gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel maken.
***
Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden doormeningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching „krijg de nekkramp”.
Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand respectievelijk de „pest”, „cholera” of anderszins toeschuiven en in den laatsten tijd zelfs „de pokken”. De volksmond richt zich blijkbaar naar de momenteel vigeerende ziekte!...
„Vandaag”, zeide de sergeant, „staat er in mijne orders, dat ik theorie moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles! Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!”
„Weet iemand anders nog iets?”
Toen zeide Karel, dat het een „baktil” was, en betoogde Gerrit, dat „hij” binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten, en den raad gaf, véél te rooken.
Kortom:
De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte.Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in onvoldoende mate verstrekt zijn.Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft.
De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte.
Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in onvoldoende mate verstrekt zijn.
Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft.
Noot:Zooeven heeft een tweede „lolletje” plaats gehad in Carré. Men amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank, ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den exploitant der buffetten.
RIJM-KRONYCK.
Krijgsmanszangen IV.
Mijn Schietgeweer.Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer,U geldt vandaag mijn zang;Ik hef u op, en zet u neer,wanneer ik 's morgens exerceer,of leg u aan den wang.Ik poets u 's middags blank en schoon,van kruitdamp en van roet,opdat, wanneer ik u vertoonof presenteer, geen woord van hoonuw meester blozen doet.Soms kijk ik naar uw kleinen mond,die nu nog vredig lacht,en denk: „aan welken vreemden hondhebt gij—stel dat er krijg ontstond—uw gaven toegedacht?”Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft,wien 't onbetrouwbaar lot,dat niet om jeugd of blijheid geefteen vroegen dood beschoren heeftdoor uw, en door mijn schot...?Of leeft er ergens een soldaat,(de Wereld is zoo klein),die zijn geweer nu gadeslaat,onwetend, dat het, vroeg of laat,op mij gericht zal zijn?Mijn schietgeweer is als een Sphynx...de mond blijft star en stom— — — — — — — — — —Wat bliksem!—'t is een stuk metaal...Zoo zijn geweren allemaal...:Zoo dóódelijk, suf en dom...
Mijn Schietgeweer.
Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer,U geldt vandaag mijn zang;Ik hef u op, en zet u neer,wanneer ik 's morgens exerceer,of leg u aan den wang.
Ik poets u 's middags blank en schoon,van kruitdamp en van roet,opdat, wanneer ik u vertoonof presenteer, geen woord van hoonuw meester blozen doet.
Soms kijk ik naar uw kleinen mond,die nu nog vredig lacht,en denk: „aan welken vreemden hondhebt gij—stel dat er krijg ontstond—uw gaven toegedacht?”
Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft,wien 't onbetrouwbaar lot,dat niet om jeugd of blijheid geefteen vroegen dood beschoren heeftdoor uw, en door mijn schot...?
Of leeft er ergens een soldaat,(de Wereld is zoo klein),die zijn geweer nu gadeslaat,onwetend, dat het, vroeg of laat,op mij gericht zal zijn?
Mijn schietgeweer is als een Sphynx...de mond blijft star en stom— — — — — — — — — —Wat bliksem!—'t is een stuk metaal...Zoo zijn geweren allemaal...:Zoo dóódelijk, suf en dom...
Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog, als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:
Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten, dan zouden wij ons—daar twijfel ik niet aan—intuïtief van deze taak kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot de burgerlijke samenleving.
Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:
Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er in.
Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende neusdoek stevig vast.
Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal diep adem.
Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de neusholte naar buiten,en zorg daarbij den mond gesloten te houden....
De rest zal ik u—kiesch-en-kuisch-heids-halve—besparen.
Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen, overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.
Pas wanneer dit—op straffe van hechtenis—is geschied, gaat de instructeur er toe over de reeks bewegingen „zonder tusschenbevelen”, in snel tempo te doen afwerken.
Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat—na een week studie—slechtstwee of drie hunner den neus kunnen snuiten.... hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk materiaal, dat ons door de natuur alsintuïtiewordt gegeven, brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks „model-bepalingen”, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige van geest ontgaat.
Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.
Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er niet aan, dat een groot aantal—inmiddels vergetene—ontleedkundigen zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een schijnbaar simpele beweging als „rechts-om-keert”.
Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakkerHannes, die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.
Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit dandineerde, aan met den modelkreet: „Amodjo! kameraod, gao je mee 'n joajempie hikken?”
Tot mijn schrik en verrassingvoerde hij snel en behendig het rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit!
„Hannes!”—zoo kreet ik verheugd——„Hannes, ge hebt hem te pakken!”
„'k Hè d'r nog geen eene gepakt!” deed hij naïef, niet begrijpend.
„Rechts om keert!” deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de lippen.
„Mò jij me nou óók péste...?”
Hij had het niet geweten!
En ziet!
Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!
***
Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de africhting van den recruut.
En ge zult mij begrepen hebben:
Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot eene algemeene.
En alweer licht ik dit toe met „rechts-om-keert”.
De eerste stelling van deze beweging is:
plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa 90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer 2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! hetismij niet mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen, stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen op de plaats, met het geweer..., erbarmen!
Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ikweet niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van„Waarom?”
***
De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen, starren blik.
Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage verten kunnen staren.
Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig grasland tuurt, waarover—hij weet het—geen vijand naken zal.
Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van belangstellingloosheid vergaan is.
De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan afleiden.
Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: „De Lijn”. Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn, de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk bed.
Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen „lijnen” verkrijgen; laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.
Voor wie zoekt, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.
Moeders van militie-plichtige zonen der lichting 1916! Het is niet om mij zelven lof toe te zwaaien, of om gewelddadiglijk uwe erkentelijkheid te winnen, dat ik u zeggen ga, dat uwe zonen zacht zullen rusten! Maar ik durf te verzekeren, dat de stroozakken, die uwe zonen wachtten, zacht gestopt waren, zonder kiezelsteenen of roestige spijkers. Ik zelve vulde er twee met zachtkittelende stroohalmen—en, misschien, is het een uwer nazaten beschoren, te rusten op een zak, waarin een zweetdroppel opgedroogd is van schrijver dezes, zoet en mild als een regendrop van September in een schoof van dor gewas des velds.
***
Het begrip „vergif” wordt voor u allen gesymboliseerd in een doodskop met gekruiste botten, of in met zwart en rood beschilderde wangen en oogen eener verloren vrouw... voor mij echter is vanaf gisteren vergif analoog met Simon's pudding.
Zoo verleidelijk en tegelijk kwaadaardig toch als dit knalrood gerecht was, kan bezwaarlijk absinth of nicotine of zelfs ether zijn... het was de duivel zelve in pudding-vorm.
Simon is nu nog ziek; zijn vergiftigingsproces deed zich aanvankelijk niet als zoodanig aanzien,—integendeel!
Wij waren op wacht, en het was Zondagnamiddag; nog twintig uren wachtens en wakens lagen vóór ons, en gaperig, gemelijk en zwijgzaam zaten wij op de banken aan het verlaten kazerneplein, beloerend elkanders bewegingen en de enkele passeerende musschen. Tot dat plots uitbundig vreugdegetier ons deed opschrikken; wij zagen Simon, toentertijd nog kerngezond. Hij danste en juichte, en er was een grijns van verrukking op zijn overigens gebaardgelaat; tusschen zijne handen was een pakje in courantenpapier.
Op ons vragend opzien was zijn antwoord een telkens in anderen toonaard herhaald lied, luidende: „'k hè podding gekréege, 'k hè pódding gekréege! Me vrouw hét me póooding gebracht!”
Na herhaaldelijk aandringen onzerzijds ontdeed hij met bevende vingeren het pakje van het daarom gewikkelde Zondagsblad, en toonde ons triomfaal een tusschen twee schoteltjes geborgen voorwerp, dat zachtjes deinde en—ik zeide het u reeds—knalrood van kleur was.
„Frambóooze!” deed Hein gulzig, en trachtte het wiebelend uiteinde van den spijs tusschen duim en wijsvinger te grijpen.