„Afblijve”, gromde Simon, om terstond weder zijn jubelzang te hervatten en vervolgens ijlings te verdwijnen in de richting van het—op dat uur gemeenlijk verlaten—waschlokaal.
Wij bleven zwijgend achter; misschien ware het mogelijk geweest, meester te worden van de pudding, door ons de uitgave van een kwartje te getroosten; Simon doet àlles voor kwartjes en bracht op mijn verzoek zelfs een zijner persoonlijke vrienden een kaakslag toe, om zulk een geldstuk te verdienen.
Daar de koop echter niet tijdig genoeg voorgesteld was, moesten wij het aanzien, dat de gelukkige eenige minuten later likkebaardend, en nog steeds grijnzend terugkeerde.
Vanaf dit oogenblik was het, alsof Simon door allen ietwat koel bejegend werd...
Een uur later trad een nieuweling de wacht binnen; Simon was met hevige buikpijnen naar de ziekenkamer gebracht, zoo vertelde deze achteloos.
Niemand gaf commentaar op dit bericht; alleen Jan zeide, zeer hoorbaar, tot Gerrit:
„Nou, wij ete maar kug, hè? En wij lache maar!”
***
Ik weet niet, lezer, of gij op het punt van honoraria opstrijken zoo gevoelig zijt als schrijver dezes. Voor hem is een bescheiden couvert de eenige mogelijkheid, waaronder hij min of meer verdiende verdiensten kan entameeren.
Zoo zult ge begrijpen, dat de Zaterdag, of betaaldag in de kazerne voor hem een der minst verfijnd bedoelde, maar desondanks eene uiterst verfijnde pijniging is.
Dit proces toch ontwikkelt zich in een aantal folterings-phasen, als daar zijn:
a.anderhalf uur wachtens in eene lange file;
b.eerbiediglijk groetend treden voor een tafel, vol kwartjes en dubbeltjes, waarachter een sergeant-majoor gezeten is; het geheel herinnert aan den croupier in een speelhuis waar geringe bedragen omgaan;
c.het (eerbiediglijk) uitstrekken van de linkerhand, en het ontvangen van soldij;
d.het groetend rechts-om-keert maken en verheugd lachend weggaan.
Teruggekeerd op de chambrée wordt de aldus tot kapitaalkrachtigheidgeraakte soldaat aanstonds bestormd door collega's, die onder luid geroep van: „Wie nog? wie nog?” groote doozen en kisten ronddragen, boordevol likeur-reepen, amandel-koeken, Haloppi-sigaren, schoensmeer en andere weelde- of genotsartikelen.
Om niet al te zeer op te vallen, koop ik dan een doosje z.g. „piraatjes” of een schoenveter; de rest van het honorarium wordt verbrast aan melk en krentenbrood.
Het is mij nog niet gelukt, deze financieën, bedragende 24 tot 26 stuivers zoodanig te bestieren, dat ik, zooals velen, twee avonden achtereen in „kennelijken staat” thuis vermag te komen.
Ook zijn er Duitschers, die geen kennissen in Amsterdam hebben, en toch sparen.... ik schaam mij!
***
Men heeft mij de vraag gesteld, of het mijne gewoonte was, thuis „te loopen met ongepoetste schoenen”; op mijn ontkennend antwoord gelastte men mij, „dat dan hier ook niet te doen!”
Eerlijk gezegd, gevoel ik mij niet geheel verantwoord door mijne mededeeling, en ik heb mij voorgenomen, eens ernstig met onzen burger-oppasser te spreken. Ik herinner mij niet, mij „thuis” te aller ure vergewist te hebben van het gepoetst zijn mijner schoenen, zooals dat hier geschieden moet, doch ik placht vertrouwen te stellen in hen, die mij niet „voor schande” zouden laten loopen.
Gepoetste schoenen! Het is mij een nachtmerrie geworden. Men eischt van ons, dat onze schoenendof-glanzendzullen zijn, en het is mij nog niet gelukt aan zoo streng een eisch te voldoen.
Ik heb getracht één schoen dof te maken, en één glanzend, om de neuzen glanzend, de hakken dof te doen zijn, doch kreeg telkenmale berispingen.
Nu vraag ik u: zijn uwe schoenen dof-glanzend? En hoe zien zij er uit?
Zegt het mij en ik hoop mij te vrijwaren tegen onteerende straffen...!
RIJM-KRONYCK.
Krijgsmanszangen V.
Bekentenister overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen landstormplichtigen hebben.Wanneer, na langen marsch,de krijgsman uit wil blazen,dan kijkt hij achterom,en suffig, om zich heen:Hij kent de weiën niet,waar vreemde koeien grazen,en zet zich zuchtend opeen nooit-gezienen steen.Zoo kijk ook ik rondom,na ruim een maand van zwoegen,en vind mij-zelf terug,in streken, die 'k niet ken...mijn wangen zijn verweerd,mijn huid vol ruwe voegen...en 'k vraag mij peinzend af,of ik dat zèlve ben.Ik vond het vroeger vies,om op den grond te slapen...haha! belachelijk!ik droeg een òverhemd!Ik dronk nooit uit mijn hand,en dorst er niet uit eten,en had nog nooit een „pruim”bezogen en omklemd.Ik vond het vroeger vies,mij 's morgens slecht te wasschen,en poetste nooit een schoen...en dweilde nooit een vloer!!!Doch las—ik schaam mij dood—sérieuze paperassen,...en kende géén matroosof smid of groentenboer!!Ik praatte vroeger nooitmet mijn barbier z'n klanten,of achter op de trammet vreemden over 't weer...Nu groet ik dagelijkskapteins en luitenanten,die 'k zelfs bij naam niet ken,en die 'k niet frequenteer.Mijn geest is afgestompt,en 'k heb geen conversatiedan over „rechts-om-keert”en „schouder-het-geweer”...dus, Moeders, vraagt mij nietop uw diners, want gratiemanieren of fatsoenbezit ik reeds niet meer.'k Bezit niet meer den tactuw dochters te behagen,doch neem van elk gerechtzoo dikwerf als 't slechts gaat...mijn glas word voor-en-naad fundum omgeslagen......Ach! wend het weenend hoofd,en zeg: „hij is soldaat!”
Bekentenister overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen landstormplichtigen hebben.
ter overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen landstormplichtigen hebben.
Wanneer, na langen marsch,de krijgsman uit wil blazen,dan kijkt hij achterom,en suffig, om zich heen:Hij kent de weiën niet,waar vreemde koeien grazen,en zet zich zuchtend opeen nooit-gezienen steen.
Zoo kijk ook ik rondom,na ruim een maand van zwoegen,en vind mij-zelf terug,in streken, die 'k niet ken...mijn wangen zijn verweerd,mijn huid vol ruwe voegen...en 'k vraag mij peinzend af,of ik dat zèlve ben.
Ik vond het vroeger vies,om op den grond te slapen...haha! belachelijk!ik droeg een òverhemd!Ik dronk nooit uit mijn hand,en dorst er niet uit eten,en had nog nooit een „pruim”bezogen en omklemd.
Ik vond het vroeger vies,mij 's morgens slecht te wasschen,en poetste nooit een schoen...en dweilde nooit een vloer!!!Doch las—ik schaam mij dood—sérieuze paperassen,...en kende géén matroosof smid of groentenboer!!
Ik praatte vroeger nooitmet mijn barbier z'n klanten,of achter op de trammet vreemden over 't weer...Nu groet ik dagelijkskapteins en luitenanten,die 'k zelfs bij naam niet ken,en die 'k niet frequenteer.
Mijn geest is afgestompt,en 'k heb geen conversatiedan over „rechts-om-keert”en „schouder-het-geweer”...dus, Moeders, vraagt mij nietop uw diners, want gratiemanieren of fatsoenbezit ik reeds niet meer.
'k Bezit niet meer den tactuw dochters te behagen,doch neem van elk gerechtzoo dikwerf als 't slechts gaat...mijn glas word voor-en-naad fundum omgeslagen......Ach! wend het weenend hoofd,en zeg: „hij is soldaat!”
Zij, die hebben durven beweren, dat de Duitsche soldaat een materialist is, zullen leelijk opkijken bij het lezen der volgende regelen, die ik in een Duitsch tijdschrift vond. Er moge uit blijken, welk een gevoelige, tot het idealistische geneigde ziel er schuilt onder de ruwe krijgsmanshuid; het is het eenvoudige, doch treffende gedicht van een soldaat, die, na een kort verlof in zijne geboortestad, weer teruggekeerd is in de loopgraven:
Urlaubs-ErinnerungenUrlaub!... bist du schön gewesen!...Deutsche Frauen,... deutscher Wein...Taxen-Autos; Pferde-Chaisen,Pilsner, Münchner, Mosel, Rhein!Servietten, weiß und sauber;Straßenbahn und Omnibus...Deutsche Häuser, Heimatszauber,Reine Tassen, Liebchens Kuß!Vater, Mutter, Schwester, Base!Meiner Ahnen alte Gruft...Saubre Tücher für die Nase...Heimatsprache... Heimatluft!Straßenanzug und Pyama...Nachts ein Bette, weiß wie Schnee!Wagneroper, Kino, Drama,Kabarett und Varieté!Deutsche Wiesen, deutsche Kinder,Rein die Teller und Besteck,Deutsches Schulhaus, deutsche Kinder,Deutsches knuspriges Gebäck...Extrablatt mit deutschem Siege...Abschied... Und ich halte Wacht,Bis ichwiederUrlaub kriegeOder bis manFriedenmacht.
Urlaubs-Erinnerungen
Urlaub!... bist du schön gewesen!...Deutsche Frauen,... deutscher Wein...Taxen-Autos; Pferde-Chaisen,Pilsner, Münchner, Mosel, Rhein!Servietten, weiß und sauber;Straßenbahn und Omnibus...Deutsche Häuser, Heimatszauber,Reine Tassen, Liebchens Kuß!
Vater, Mutter, Schwester, Base!Meiner Ahnen alte Gruft...Saubre Tücher für die Nase...Heimatsprache... Heimatluft!Straßenanzug und Pyama...Nachts ein Bette, weiß wie Schnee!Wagneroper, Kino, Drama,Kabarett und Varieté!
Deutsche Wiesen, deutsche Kinder,Rein die Teller und Besteck,Deutsches Schulhaus, deutsche Kinder,Deutsches knuspriges Gebäck...Extrablatt mit deutschem Siege...Abschied... Und ich halte Wacht,Bis ichwiederUrlaub kriegeOder bis manFriedenmacht.
Het zal geen verwondering wekken dat ik, die zelf soldaat ben, en mijnen verren collega dus begrijpen en waardeeren kan, mij door zijne woorden geïnspireerd gevoel tot navolging.
Op dezelfde eenvoudige, doch veelzijdige en ethische wijze wensch ik hieronder de gevoelens weer te geven van een evenzeer Germaanschen, eenvoudigen Nederlandschen soldaat, die, na een kort verlof te Amsterdam te hebben doorgebracht, naar het veldleger teruggegaan is:
VERLOFS-NAKLANKEN...Ach, verlof,... wat waart gij heerlijk...Kalverstraat en Haantjesbier...Rolmops, kaas en vette lappen...Mengelberg en 't stadsvertier...Riemsdijk-drama's, Schinkelhaven...Artis, leverworst en ham...Atax-rijden, schoone hemden...de verbouwing aan den Dam...'t Huis, waar eens mijn ouders woonden...Uienbiefstuk in de Poort...'t Kalfje, Trianon, 't Museum,...Rembrandt, Ruysdael en zoo voort,...IJsco en 't Bagijnenhofje,...Schoone lakens, heldre boord,...Al die lieve, oude grachtjes,...Hoek en de Oude-man-huis-poort...Pils met ramenas bij Schiller,...opstaan om een uur of tien...en de vreugde, om de Quelleen mijn meisje weer te zien...Bruine Amsterdamsche korstjes,...Wijnand Fockink, klare, port,...een nieuwe krant met Wolf-berichten......Ach, zoet verlof... gij waart te kort...
VERLOFS-NAKLANKEN...
Ach, verlof,... wat waart gij heerlijk...Kalverstraat en Haantjesbier...Rolmops, kaas en vette lappen...Mengelberg en 't stadsvertier...Riemsdijk-drama's, Schinkelhaven...Artis, leverworst en ham...Atax-rijden, schoone hemden...de verbouwing aan den Dam...
't Huis, waar eens mijn ouders woonden...Uienbiefstuk in de Poort...'t Kalfje, Trianon, 't Museum,...Rembrandt, Ruysdael en zoo voort,...IJsco en 't Bagijnenhofje,...Schoone lakens, heldre boord,...Al die lieve, oude grachtjes,...Hoek en de Oude-man-huis-poort...
Pils met ramenas bij Schiller,...opstaan om een uur of tien...en de vreugde, om de Quelleen mijn meisje weer te zien...Bruine Amsterdamsche korstjes,...Wijnand Fockink, klare, port,...een nieuwe krant met Wolf-berichten......Ach, zoet verlof... gij waart te kort...
Wie zijn—zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd hebben—wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel maken, en die—blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk groeten—connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als onder de meer-waardigen dezer samenleving.
Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.
Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne soldateske uitingen. En hoe kan het anders?
Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren,die,—niet geheel vrij van behaagziekte—mij coquettelijk toeschreeuwden: „Hádt je me maarrr!”
***
Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,—eventueel schaamschortelijken staat—verruilen tegen die van het Europeesch toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig dagen te „kleeden”.
Nog eens, vergeef hem!
***
Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte hem er namelijk op, dat hij,—na zijn thee tot de laatste droppel gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje betrof, gepruimd te hebben—dat hij moeite deed, om aan het buffet het vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die zelve soldaat geweest was, tusschenbeidekwam. De quaestie is, dat in onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.
***
Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij—een jaar geleden—voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op „kogelfleschjes”.
Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet. Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de groene zeep, en er in hunzieleen gedécideerd vàlsch schijnsel is.
Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes kan ik nog steeds niet overwinnen.
En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u „het-water-naar-de-mond” te jagen met de opsomming mijner vraat- en drankzuchtige genietingen.
Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes, en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.
***
Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel genoodzaakt verder te gaan—maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij onzeker, want ik ga u—ja, in ernst, lezer—ik ga u een zaak verklappen,die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.
Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen... en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.
Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C over A aan B, van B aan C over A...
Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd werd, verklappen.
***
Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht. Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen—de korporaal van de aflossing en ik—naar de plek, die ik de eer zou genieten te mogen verdedigen.
Het was de „wacht bij de privaten”. Neen, burger, lach niet! Militaire privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog onttrokken waren, niet vèr konden zijn.
„Presenteer geweer”, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.
En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast elkander dit eerbewijs—voor niemand zichtbaar—uitvoerden, klonk het bevel „consignes overgeven”.E)
Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven. Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft het recht, mij naar mijne consignes te vragen.
Dat ik ze hieruit eigen bewegingvertel, is echter een andere quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers, nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb ondervonden.
De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:
„Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door soldate beneide de rang fen onderofsier”...
Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...
Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen, van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.
E)Mijn vriend Hannes spreekt van „consumpties-overgeven”.
In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige honderden nieuwe gasten aangekomen.
Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, „hádjememáár” toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen kwartier-arrest toebedeeld zag.
Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw, dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...
Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren, een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme sprekend, telkens wanneer quaestie was van „de dood”,„straf”, „dood door de kogel”...
Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan geven aan het geprojecteerde bloedbad.
Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat—waar het meerendeel uwer gehuwd is—onder u een oogenblik het schrikbeeld geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze kinderen...
Vreest echter niet.
Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van de krijgstucht.
Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden, wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel. Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een ònwellevend soldaat te gedragen.
Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij hen van de been loopen.
Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen moogt.
In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden te brengen.
Ook zult ge ervoor moeten waken „met je poote op je bed te legge”, en in het oog tehoudendat „de tafel is om van te éte, en niet om op te poesse, want dat doe je thuis ook niet!”
Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van „te doen zoo'as je je selon thuis zwabbert.”
Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: „Het handboek voor de aankomende jonge dienstbode” door Estella en „de wenken betreffende het onderhoud van geweer-loopen” uitgegeven op last van het ministerie van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).
Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: „Pa, wat dée u gèk laatst!”, of: „pa, wasdemeester bòòs op u?”
Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.
Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen „gelucht” worden, en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een kameraadsschappelijken groet te brengen.
Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt ge.
Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (teIndië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens, mogen wij, landstormers „bewuste menschen” genoemd worden. En wij geven er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.
Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig werken!
***
„Kijk es”—zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden in het wasch-lokaal—„kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt hét.”
Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn gescheiden, plakken op zijn schedel.
Simon plakt iederen morgen zijn „hare”, en gaat éénmaal per week onder 's rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen,die in twintig minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap. Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen, in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche tandenborstels.
Één was er—en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre—één was er, die een ècht beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het zich—zij het dan ook zonder kòsten te ontzien—geriefelijk te maken in eene kazerne.
***
Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen, ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren krib-stangen.
En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke, gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.
Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op één bord bijeen konden liggen.
Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de aardappelen op mijn bord.
Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in aantal.
En zij schenen geheel verzoend met hun lot.
Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere hongerigen.
Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag, dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen, met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...
Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...
Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij, hunnen versmader, aan bleven staren...
RIJM-KRONYCK.
't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd..!'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!'k Heb uren lang mijn pen bekauwden 'k weet u niets te zeggen...Mijn hooge militaire kraagwas nooit zóó nauw als juist vandaagnu 'k frissche lucht en ruimte vraag...Hetgeen ik in mijn ziele draag,kan 'k niet in woorden leggen...Ach, kwame er toch een offensief!dat ware mij nog wel zoo liefdan al die telegrammen...of ware ik vechtend aan het front!voorwaar dat 'k u dit schrijven zond:„granaten bàrsten in het rond,een strijdkreet welt mij naar den mond,vaarwel, we gaan ze rammen!”Of dan het slot-gevecht op zee,en ik was op zoo'n schiet-schuit-mee...neen... zeeziek zou 'k niet wezen,ik zond u vast een draadbericht:„de vijand krijgt op z'n gezicht,de hemel is slechts vuur en licht,en donderslag en bliksemschicht,doch ik weet niet van vreezen”.Helaas, 'k ben geen d'Annunzio,Romain Rolland of Doyle en zoo,ik mag ze alleen benijden,..ik ben een Nederlandsch soldaat„die wachtend aan den drempel staat,die nimmer heerschers binnenlaaten die zijn wachtpost nooit verlaaten die zijn tijd moet beiden”....'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!'k heb nog eens op mijn pen gekauwd.Hoe langzaam gaan de uren.Ik weet niet wat 'k u zeggen zal......er is geen nieuws, geen moord-geval......er is geen bloemkool, dat is al:. . . . . . . . . . . . . . .vandaar, dat 'k in de zucht verval:„hoe lang zal dat nog duren?”
't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd..!
't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!'k Heb uren lang mijn pen bekauwden 'k weet u niets te zeggen...Mijn hooge militaire kraagwas nooit zóó nauw als juist vandaagnu 'k frissche lucht en ruimte vraag...Hetgeen ik in mijn ziele draag,kan 'k niet in woorden leggen...
Ach, kwame er toch een offensief!dat ware mij nog wel zoo liefdan al die telegrammen...of ware ik vechtend aan het front!voorwaar dat 'k u dit schrijven zond:„granaten bàrsten in het rond,een strijdkreet welt mij naar den mond,vaarwel, we gaan ze rammen!”
Of dan het slot-gevecht op zee,en ik was op zoo'n schiet-schuit-mee...neen... zeeziek zou 'k niet wezen,ik zond u vast een draadbericht:„de vijand krijgt op z'n gezicht,de hemel is slechts vuur en licht,en donderslag en bliksemschicht,doch ik weet niet van vreezen”.
Helaas, 'k ben geen d'Annunzio,Romain Rolland of Doyle en zoo,ik mag ze alleen benijden,..ik ben een Nederlandsch soldaat„die wachtend aan den drempel staat,die nimmer heerschers binnenlaaten die zijn wachtpost nooit verlaaten die zijn tijd moet beiden”.
...'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!'k heb nog eens op mijn pen gekauwd.Hoe langzaam gaan de uren.Ik weet niet wat 'k u zeggen zal......er is geen nieuws, geen moord-geval......er is geen bloemkool, dat is al:. . . . . . . . . . . . . . .vandaar, dat 'k in de zucht verval:„hoe lang zal dat nog duren?”
(Melis moest zich eens bij den dokter melden wegens eerste verschijnselen vanmobilisitis, die in sommige gevallen in sabelkolder kan overslaan. Remedie: hard loopen en Valeriaan. Corrector).
Ik wil u vertellen van een ouden lotgenoot, van een zéér ouden! Hij was van de lichting 303 N. Chr. .... neen, lezer, lach nu even niet, want het staat in een boek!
Het boek heet „Historia Lausiaca” en de schrijver, Palladius, wijdt een hoofdstuk aan mijnen lotgenoot. Hij werd omstreeks 292 geboren, en werd in 313 onder de wapenen geroepen, in het leger van Koning Constantijn.
Met andere jongelui van zijne lichting werd hij den Nijl langs gevoerd, en naar Thebe gebracht, waar blijkbaar het infanterie-depôt was, en—zoo zegt de schrijver—„daar opgesloten.”
De Grieksche, Koptische, Arabische en Syrische teksten en levensbeschrijvingen, betreffendePachomius, mijnen mede-landstormplichtige van die oude lichting, vermelden niet de namen der korporaals en sergeanten, superieuren althans, vanPach, zooals hij onder zijne escouade-genooten wel genoemd zal zijn, doch wèl vertellen zij, dat de behandeling der recruten in het depôt te Thebe zéér hard was.
Arme Pach, was je maar bij ons, bij het 7e geweest! Wij krijgen peen en vet in overvloed, terwijl gij, met uwe kornuiten, grootendeels afhingt van een aantal liefdadige burgers.
Zestienhonderd en drie jaren, nadat gij den Nijl langs gedreven wierd, verlieten mijne vrienden Simon, Kees en zoovele anderen Amsterdam, en stapten langs de Vecht naar een vriendelijk groen fortje, waar hen de meest overheerlijke boonen wachteden...
Arme Pach... eind 313 was hij afgericht, en toen dorst hij aarzelig te vragen, wie de goede burgers waren die hem getroost hadden en gespijzigd.
Men antwoordde hem, dat het Christenen waren, en dat zijbarmhartigheidbetoonden aan vreemdelingen en aan alle anderen....
Dit onthield Pach, en, toen zijn lichting naar huis mocht, trok hij naar een dorp in de Thebaïs, en liet zich doopen.
Professor Pijper, die in zijn studie over de kloosters een hoofdstukaan Pachomius wijdt, zal mij vergeven, wanneer ik hier verklaar, mij verbaasd te hebben over het vervolg van Pachomius' levenswandel.
En ik stel op den voorgrond, dat ik mij niet alsmenschverbaas, doch uitsluitend en alleen alsrecruut, als collega dus.
Want wat, lezer, deed Pachomius toen hij de kazerne van Thebe eindelijk uit mocht?... Wat hij deed?....
Wel, ge ziet al iets schemeren! Ge denkt al aan onze soldaten, die naar huis mogen, en die, bepakt en wel, zooals ze afgepresenteerd zijn (- of „hebben”, wat is het?) schreeuwend door de stad zwieren....
Wellicht is dien nacht Thebe het tooneel geweest van feestelijke afzwaai-partijen, van soldaten met burger-mantels om.... maar wie daar niet bij was, dat was Pachomius.
Hij verwisselde de kazerne voor het klooster....!
Neen, lezer, nu in gemoede, en dat zult ge toch met mij eens zijn: daar kan een Amsterdamsche jongen vanhatjememaarniet bij.
Die bedrinkt zich, en zingt van:
„asse me de rotzooi gaan verláaate!”
of
„gaif me me burregerpet terug!”
—die loopt met z'n ransel op den rug, en zijn geweer op den schouder, en aan iederen arm een meisje, waarvan hij alléén de vóórnaam kent tot in het holst van den nacht de kroegen af....
—die, ja, die doet àlles, juist behalve dat, wat Pachomius deed.
Pachomius had een zwaren dienst, en heelemaal geen „lijn” en hij kwam gelouterd uit den dienst. Hoe zullen wij Simon, Kees, Klaas en Hein, ..., hoe zullen wij, mijne vrienden, uit den dienst komen? Simon als een reuze-voetballer, en Kees als een man die op alle uren van den dag slapen kan, en Klaas vol stiekeme stoutigheidjes....
Vrienden, laten wij zijn als onze collega van de lichting 313! Laten wij profiteeren van degoede elementen, waarmede de dienst ons toevalliglijk in contact brengt.
Dat wil nu juist niet zeggen, dat wij in kloosters behoeven te gaan.... neen, daarvoor zal het leven ons nog te zeer behoeven.
Maar laten wij als goede menschen weer onder de burgerpet terugkeeren!
***
Nu ik hem wel nooit meer terug zal zien, durf ik herinneringen opschrijven, die ik aan hem bewaar. Hij was een „rot-sersant”, althans mijne kameraden hadden dit eenstemmig uitgemaakt, en, der conversatie ter wille, noemde ik hem ook maar zoo.
Hij heeft nooit één onzer gestraft, en nimmer iemand vriendelijk toegesproken. Op zijne inspecties sidderde de heele sectie, en als hij ontevreden was, wisten ze, dat er geen straf volgen zou.
Hij kéék alleen maar. Nooit heb ik iemand of iets zoo zien kijken, als hij het doen kon: hij keek je spuuglok onder je pet, de vlekken uit je jas, en het roest van je bajonet. Hij keek zoo doordringend, dat je zonder den blik neer te slaan wist, welke schoen ongepoetst was, of welke knoop op je rug mankeerde.
Als je hem, ietwat stamelend, „goeie morgen” zeide, keek hij de adem uit je longen weg, en als je ergens op de hei te slapen lag, kon hij je op een uur gaans afstands wakker doen schrikken, door zijn kijker op je te richten.
Hij kéék zijn kogels in de schijf, en z'n mannetjes in de houding.
Niemand wist wie of wat hij was, of hij thuis een kind op zijn schoot had, of lachen kon hij op den verjaardag van zijn zuster.
„Ik weet het niet” zei Simon, „ik weet niet wat et is! Sagerijn is et niet, en kapsones benne et niet.....”
En zoo werd, uit de algemeene onbegrepenheid de benadering „rot-sersant” geboren.
's Avonds zeiden we tegen elkaar dat het onzin was, dat we kerels van vier-en-twintig waren, en geen jongens op school. En 's ochtends, bij de „tieerie”, als zijn vrééselijke blik over de klas van gesnorde kerels waarde, dan was het zoo stil als in een bewaarschooltje. Niemandheeft hem, toen hij wegging, vaarwel gezegd, en hijzelf heeft,—naar men zegt—ergens uit een venster van de kazerne toegekeken hoe zijn sectie voor goed afmarcheerde....
Later ben ik hem nog eens tegen gekomen, en, worstelend tegen de magische krachten van zijn blik, ben ik naar hem toegegaan, om hem te begroeten.
„Zoo hebt u er al heel wat laten weggaan”, converseerde ik quasi-luchtig.
Hij keek dwars door mij heen, terwijl hij antwoordde: „Och, toen ik zeventien jaar was, heb ik eens gehuild, toen m'n eerste sectie uit elkaar ging,... maar daar wen je aan! In dienst moet je aan alles wennen!”
Vanmorgen kreeg ik een briefkaart van Simon; na vele inlichtingen en vragen schreef hij: „wanneer je de sersant mog ontmoete, doe hem dan de groete van ons. Wat was die altijd aleenig met zen eige!...”
***
„En als jelui nou zoo onder mekaar ben, en je heb een daalder in je zak, ráke jelie em dan niet?” informeerde Jan, na een lang gesprek over de geneugten en gevaren, verbonden aan het hebben „van-een-daalder-in-je-zak.”
Ik haastte mij te verklaren, dat zelfs de fatale samenwerking der factoren„onder-mekaar-zijn” en„een-daalder-in-je-zak”, niet onherroepelijk behoeft te leiden tot smoordronkenschap.
Dit wilde er echter maar niet zoo-zonder-meer bij hem in.
„Kom-schei-nou-uit!” elleboogde hij knipoogend—„dan leg je immers zóó voor merakel in de goot!”
Nogmaals spande ik mij in, hem te doen inzien, dat ik dikwijls met het genoemde bedrag in mijn zak, en in gezelschap van eenige vrienden geweest was, zonder beschonken of in goten te zijn geraakt.
Toen werd hij minachtend.
„Nou”, snoefde hij,—„dan bin jelie met je alle niet zóóveel!”
Dikwerf luister ik met onomwonden belangstellingnaar defeestrelazen mijner vrienden; ik hang aan Teunis' lippen, wanneer hijmij in een reeks krachttermen, met enkele feiten gelardeerd, verhaalt van den nacht in het politie-bureau, vanwaar men hem zooeven naar de kazerne heeft doen vertrekken; met sympathie in mijne oogen bezie ik de tallooze snij- en slaagwonden op zijne handen en aangezicht.
Neen, bij zulke feesten zinkt iedere kroegjool in het niet!
Slechts éénen man heb ik gekend, die hoogere délices wist te savoureeren; dat was mijn vriend Hannes, de schipper.
Hannes was een philosoof, en placht eene jonge dochter te beminnen die „Merie” heette, en waarop, volgens zijn zeggen, „een merakels lief koppi stond.”
Op zekeren dag hadden Amsterdamsche menschenvrienden een soirée voor ons gearrangeerd in een der schouwburgen, en, op hoog bevel, hadden Hannes en ik, en alle anderen, na de middagsnert onze handen gewasschen en het voornaamste gedeelte van ons gezicht, teneinde „knap” in de comedie te komen.
Vier aan vier, in een schier eindelooze stoet, trokken wij de vreugde tegemoet. Hannes en ik liepen naast elkander, en deelden niet in de algemeene opgewektheid.
Met zijne ietwat loenzende oogen keek hij eerst naar den sergeant, en vervolgens fluisterde hij mij toe:
„Nou ik me eige tòch gewasse heef, ken ik toch beter met Merie gaan, vanavond.”
„Hé je geen senie in de kemedie?” informeerde ik.
Hij keek minachtend en vreeselijk blasé op me neer:
„Wat doe ik met al die flauwe onzin! Ik ken toch beter een bakkie koffie hale bij Merie?”
Reeds eerder had hij mij toevertrouwd, dat hij gaarne lange avonden zwijgend doorbracht met Merie en koffie.
Toen maakten wij samen uit, dat „de kemedie” „géén werk” was, en dat wij zouden probeeren te ontvluchten.
Aanvankelijk namen wij vol enthousiasme onze schellinkiesplaatsen in, en brachten, als echte théater-habitué's een minuut of tien ongegeneerd zingend, spuwend en schreeuwend door. Wij gaven, zooals Hannes terecht opmerkte: „geen sjoege.”
Toen het scherm opging, riepen wij allebei „ssssst”, en kropen toen op handen en voeten onder de banken door naar de nooduitgang.
In de gang ontmoetten wij een soort schildwacht, die ons aanhield.
„Hé, hé, wat was dat?”
Hannes, vol tegenwoordigheid van geest, verklaarde, „datte-me-naar de koffiezaal moste, omdatte-me dorst krege van 't klappe.”
In de „koffie-zaal” was natuurlijk niemand, en de juffrouw in het buffet keek ons wantrouwig aan.
Maar we knikten haar vriendelijk toe, en zeiden dat het „zoo warrem wier binne”; Hannes was zoo beleefd mogelijk, spuwde slechts driemaal op den grond van de foyer, en ging toen naar het raam, om te kijken, of de brandladder bereikbaar was.
Na vijf minuten kwam hij me roepen, en, terwijl hij snel de rest van mijn glas bier opdronk, fluisterde hij, „feruit, ze kijk net niet.”
Met kloppend hart kropen wij op handen en voeten het buffet langs, de foyer uit, en de wandelgangen door.
Ieder oogenblik vreesden wij een suppoost of ouvreuse te zullen ontmoeten; bij de tweede trap gleed Hannes uit, viel tegen mij aan, en sleepte mij mede in zijn val; met een doffen bons vielen wij in het portaal doch bleven muisstil liggen. Mijn been was pijnlijk geschaafd, en op Hannes' zooeven nog gewasschen aangezicht waren vieze zwarte streepen.
Ik weet niet meer, hoe wij er in geslaagd zijn een zijdeurtje te bereiken, dat niet bewaakt werd, maar, een oogenblik later, stonden wij in de frissche buitenlucht.
„Nou” zeide Hannes, wien ik nu blijkbaar overbodig was—„ajuus—ik ga na Merie!”
Hij trok, bij het wegloopen, wat pijnlijk met zijn voet...
***
Indien, voor dit misdrijf, de lange arm der gerechtigheid ons niet meer achterhalen zal, dan, Hannes, blijft ons slechts over onze excuses te maken voor de groote ondankbaarheid, die wij dien avond getoond hebben.
Maar wat doe je al niet voor een bakkie koffie bij Merie...?
Een collega—„Een Nederlandsch soldaat”—betitelde hij zich, geloof ik,—heeft gastvrijheid gevonden voor een ingezonden stuk van zijn hand, in de meeste dagbladen onzer goede stad.
Boven zijn artikel schreef hij: „de militaire groet”. In zooverre gevoel ik mij dus niet onschuldig aan plagiaat. Wat mijn confrère betoogt, komt in hoofdzaak hierop neer,
—dat hij zijn plichtmatiglijk gebrachten groet wel eens genegeerd ziet, of slordiglijk beantwoord,
—dat zulks in hem en anderen de lust tot salueeren aanmerkelijk heeft doen bekoelen,
en dat hij dit—in het belang der krijgstucht—een leelijk teeken acht.
Behalve het hartstochtelijk ge-Generaal!! waardoor zich zijn in vocatief-vorm gewrochte pennevrucht kenmerkt, heb ik een ander bezwaar tegen zijn pathetisch betoog. Ik zoude namelijk mijnen wapenbroeder willen toeroepen, met een commando-stem, die feitelijk mijnen bescheiden rang kwalijk past:
„Gij, snuiter, kent niet de poëzie van den militairen groet”.
Want ontegenzeggelijk zijn er poëzie, fijne levenskunst en innige beschaving toe noodig om den militairen groet in zijn diepste wezen te kunnen genieten.
***
Op dit oogenblik waar—ik heb zulks nagecijferd—in ons land per secunde gemiddeld 72532 militaire handen tegen militaire hoofdbedekkingen tikken, lijkt mij deze zaak van genoegzaam algemeen belang, om er eene nadere bespreking aan te wijden.
Ik zal dit doen op ego-centrisch-militaristische wijze, en begin aanstonds te verklaren, dat ik gaarne salueer; de militaire groet is mij van een plicht tot een genoegen geworden, van genoegen tot wellust en van wellust tot hartstocht.
In café's en restaurants spring ik, bij het naken van welken meerdere ook, als door een veer gedreven in kaarsrechte houding, niet lettende op vaatwerk, dat in scherven van mijn schokkend tafeltje valt of op buurlieden met wie ik in onzachte beroering geraak.
Bij den scheerder spring ik—het vlijmscherp mes verachtende—omhoog.
Op straat breng ik mijn groet met zóódanigen nadruk, dat de meest hooggeplaatste superieuren snel pijp of sigaar uit den mond nemen en de arm hunner echtgenoote loslaten bij mijne nadering, teneinde mijn groet op dezelfde wijze te kunnen beantwoorden als ik hem breng.
Ik stoor er mij niet aan of zij al rustiglijk hun soep of drank genieten in koffie- of eethuizen... ik plaats mij kaarsrecht, met aanéénkleppende hakken rècht voor hun tafeltje en volhard in deze houding, totdat zij gelieven mijne nietige aanwezigheid te aanvaarden en te approuveeren door eene lichte neiging met het hoofd.
Ik groet meerderen in voorbijsuizende trams en huurautomobielen, weer anderen met een pakje in iedere hand—die alsdan het hoofd in mijne richting moeten draaien, mij daarbij aanziend—meerderen op vélocipèdes, paarden en motorrijwielen... kortom, ik gedraag mij met innig wèlbehagen naar de bestaande voorschriften.
Aan den anderen kant onderga ik met zeker filosofisch genot de bejegeningen, welke mijn confrère heeft willen onderwerpen aan de algemeene belangstelling.
Wanneer ik mijn reglementaire eerbetoon bracht, is het herhaaldelijk voorgekomen, dat zulks beantwoord wierd met een goedmoedig: „besjoer”.F)
„Besjoer” schijnt—ondanks de hieronder aangegeven afleiding—eene uitdrukking te zijn, die in zekere kringen zoo goed als morgen-, namiddag- als avondgroet geldt. Geen enkel militair reglement bevat overigens de uitdrukkingbesjoerals equivalent aan den groet.
Een andere merkwaardigheid, die ik niet onopgemerkt mag laten in dit verband, is deze, dat het meerderen vrij staat om, als teeken van opperste goedertierenheid, een gebaar te maken, dat zooveel zeggen moet als: „houd je gemak maar—ik ben niet gediend van dit eerbetoon”.
Als toelichtend voorbeeld moge hier gelden mijne ontmoeting van dezen middag; ik zat—goedig—ergens, in een soort societeit, te lezen, toen opeens de gapende deuropening de gestalte omlijstte van eenen ongeschoren superieur met slecht geknipt hoofdhaar. Aanstonds ontrukte ik mijn geest aan de lectuur, concentreerde deze op het reglement van krijgstucht, en maakte aanstalten, om, verrijzende uit mijne liederlijk gemakzuchtige houding, die aan te nemen van eenen jongen eik...
Hoe groot waren echter de schrik, en tevens het weldadig gevoel van dankbaarheid in mij, toen deze meerdere, met een handgebaar als dat, waarmede de Romeinsche Keizers het leven schonken aan onderliggende gladiatoren, mij beval hemniet te groeten.
Ik heb niet de eer, dezen menschlievenden superieur van nabij te kennen, en—hij duide het mij niet euvel—maar ik gevoel vrees voor eene mogelijke kennismaking. Want wat moet men doen—in 's hemelsnaam wàt—wanneer iemand uit vriendelijkheid je groet weigert?
Het duizelt in mijn—helaas—àl te gezelschappelijk—brein. En, méér dan ooit, wil ik mij vanaf dezen namiddag militair gevoelen.
En nòg ben ik niet uitgepraat over den groet! Er rest mij een zeer actueel, eenin lagere militaire kringen(van korporaals en nòg hoogeren weet ik natuurlijk niets af) op het oogenblik druk-bediscussieerd vraagstuk, dat ik mijn lezers met nadruk voorleg.
Het luidt als volgt:
Wat of wien geldt de militaire groet? de distinctieven van een rang, òf den drager dezer distinctieven?
Ik persoonlijk acht mij niet competent het antwoord op dezen vraag te geven; ik zeide u reeds, dat ik een slaaf ben van den militairen-groet-hartstocht, en, gij weet het allen: in hartstocht ontstoken menschen hebben geen rijp oordeel.
Ikzelve groet wáár en hoe ik slechts distinctieven zie: op mouwen, op kragen, op overjassen...
Onlangs heeft men er mij in de kazerne zelfs op betrapt, dat ik—en ik schaam mij bijna zulks in het publiek te bekennen—dat ik op mijnen weg naar de cantine salueerde voor de goud-bestreepte overjas van onzen sergeant, die aan een lijntje (de overjas, niet de sergeant) te drogen hing...
***
Bij al het goede, dat de dienst mij gegeven heeft is ook dit: ik zie nu klaar en helder voor mij, wat de groote fout is in onze maatschappelijke samenleving. Een fout, die bankroeten en veeten enbrouillesenmal-entendu'sbij dozijnen in de wereld brengt, die huwelijken verstoort en voorgenomen huwelijken doet afspringen...
Ik meende verderfelijke spilzucht, die in ons allen is.
Wanneer onze ouders jarig zijn, of als wij het Sinterklaasfeest vieren, dragen wij de meest prijzige zaken in huis; naar begrafenissen zenden wij péperdure kransen en bloemstukken, en wij rusten niet, wanneer de geschenkentafel van een bruidspaar zonder een zilveren jardinière of 250 oestervorkjes onzerzijds blijven moet...
Wij putten door onze beurzen onze harten ledig, en onze zielen vullen zich met nijd en venijn, waar slechts liefde en toewijding behoorden te bestaan.
Dit alles wilde ik zeggen, alvorens u het treffend voorbeeld van waarlijk finantieel overleg te toonen, dat ik dezer dagen mocht medemaken.
Een mijner collega's dan huwde, althans was van plan in het huwelijk te treden.
Nu, als goede vrienden offer je dan met genoegen je dubbeltje of je drie stuivers, teneinde een passend feestgeschenk te kunnen helpen bekostigen.
Er zijn wel altijd booze tongen, die beweren, dat: „hij trouwt voorde ondersteuning!” of „dattet een moetje is”, maar, waarlijk goed gezinde kemeraden, zooals ik niet aarzel mij er een te noemen, hechten geen geloof aan dezen taal, en getroosten zich het ongerief van tien of vijftien centen, teneinde dien dag tot een onvergetelijke te doen zijn.
Aldus geschiedde, en, hoewel niet zonder vechten en kleerscheuren, kwam een bedrag van ƒ 9.22½, zegge negen gulden en twee en twintig en een halve cent bijeen. Nu denkt ge alweer aan de zilveren jardinière, of de 250 oestervorkjes...
Neen, lezer, dat hebt ge nu eens lekker mis! Geen stomme jardinière, en geen doodgewone oestervorkjes, doch:
(dit laatste luxe voorwerp voorzien van een niet onkunstig uitgevoerde voorstelling van het Casino met omgeving.)
„Nou”,—zeide Marinus, die de aankoop had gedaan, met kwalijk verholen fierheid—„nou zèg, dat is nogges een kedo, waarvan ze op derlui kop zullen gaan staan fan de lol, wàtte?”
Wat dan ook—naar men zegt—plaats heeft gehad.
N.B. Nadere berichten melden, dat het huwelijk niet doorgegaan is, ja, dat de huwelijksplannen gefingeerd waren.
Dit zal u het feit verklaarbaar maken, dat de geschenken momenteel vertoeven in den gemeentelijken Lombard.