H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...
H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...
Toen kwamen er vele hooge heeren, waaronder ook de divisie-commandant.
Maar de Koningin is Tevreden: dus Zij neemt het Ari niet kwalijk. Nou, dan kan die divisie-commandant óók niks zeggen!
Ik zal Ari een briefje schrijven.
Toch een branie, die Ari!
***
Er is een tentoonstelling van de huisvlijtproducten, die wij in onze ledige uren maakten.
Aardig denkbeeld! Wie er iets voor maakte, kreeg eenigen tijd vrij van dienst.
U snapt, dat we allemaal aan 't werk gingen.
Keesje maakte een Zeppelin van leege groentenblikken; hij sneed zich 14 maal in de vingers, en het ding is bij 't vervoer uit elkaar gevallen.
Daan wilde van zes afgekeurde helmen een berglandschap maken; maar, aangezien hij nooit een berglandschap gezien had, hield het kunstwerk, toen het gereed was, het midden tusschen een kudde dromedarissen en een Bedouïnen-dorp.
Hein was heel geheimzinnig bezig, in een schuurtje; elken dag kreeg hij een standje op 't appèl, omdat hij telkens verscheen met roode verf op z'n uniform, en stijfsel in z'n haren.
Eindelijk kwam hij op een dag trotsch de cantine binnenloopen.
Hij zwoegde onder een torenhoog toestel, dat knalrood geverfd was. Toen hij het op tafel zette, viel er een stuk af; met een luiden bons viel het op den planken-vloer.
Iedereen keek er naar. Hein wischte zich 't voorhoofd af, en raapte het stuk op.
„De Westertoren?” vroeg er een.
„Naatje van de Dam?” informeerde Daan.
Hein haalde minachtend de schouders op.
Iedereen raadde. Achtereenvolgens ging het voorwerp door voor: „een bloosend maissie”, „een kenon met bloed 'r an”, „Hein assie rooie kool gegéte het”, „de duvel”, en „Troelstra”.
Het werd een kruisvuur van aanmerkingen op het voorwerp, en opmerkingen aan 't adres van Hein.
Hij volhardde in z'n minachtende houding, wierp een vernietigenden blik om zich heen, en kwam toen naast me zitten.
„Weet je”—zeide hij vertrouwelijk, „'t is Mars, je weet wel, van de oorlog! Ik had er een plaatje van, maar ie lijkt niet erg! Ik heb oude broodjes opgespaard, maar die benne te hard, zie-je, je ken d'r geen vòrm in krijge”.
En hij toonde mij een steenhard stukje „kug”, dat vol roode verf zat.
Het was het stuk, dat er zooeven afgevallen was, en 't stelde blijkbaar Mars' linkerarm voor...
Ach, waarom u verder te vermoeien, met de opsomming van alles, dat uit ons nijver handenspel ontstond.
Gaat ze zien, de doosjes en vogelkooien en prenten en „huishoudelijke voorwerpen”; koop wat op de bazar, waar vriendelijke dames tentjes exploiteeren.
„Laat ze d'r pret hebbe!” zegt, goedig, Daan.
„La—me eerst es afwachte wat 'r van komt”, zegt Hein.
En hij maakt een tel-gebaar met duim en wijsvinger.
Kleilust, Jan. 1917.
Wij allen wijden onze beste krachten aan het Vaderland.
Goed!
Wij worden soldaat.
Best!
Wij laten ons opleiden tot een rang.
Uitstekend!
Wij ontzien daartoe geen moeiten, en leeren alle reglementen en voorschriften.
Natuurlijk!
Ook willen wij wel aardappelen-jassen.
Waarom ook niet?
Maar, geef ons op dat laatste punt een béétje toe!
Een béétje maar!
Vergeef ons, indien wij eenige aardappelen minder ontbolsteren dan onze buurman, als wij daarvoor enkele voorschriften beter bestudeeren.
Ach, ware dat zoo!
Maar dezen morgen moest ik alweer ondervinden, dat eenmanals zoodanig geenindividuis.
Ondanks noesten ijver, geraakte ik met het aardappel-ontbolsteren achterop.
Het blanke vleesch van nauwelijks veertien naakte vruchten schemerde aan mijn voet.
„Komjijd'r es uit!”deed dreigend de sergeant.
Ik gehoorzaamde.
Aanstonds dirigeerde hij mij op een gelijkelijk moeilijk werk, doch dat van even weinig strategische waarde is, als het aardappeljassen.
Hij voerde mij, nu dreigend zwijgend als een onweerslucht, naar... de keuken.
Daar wachtte mij een zeer moeilijke arbeid.
Deze bestond uit het reinigen van de eetketels van den vorigen dag.
De herinnering alleen aan de pyramide van vette, nog ten deele met bruine boonen en gestold vet gevulde pannen, doet mijn hart nu nog tesamen trekken.
Maar ookditgrondbeginsel diende met lust beoefend te worden; de sergeantelijke hemel bleef dreigen...
Ik greep de eerste pan; als een gladde visch ontsnapte zij aan mijn hand, en plonsde in de bak met geel zeepwater. Weer onderdrukte ik een rilling.
„Hoi, haalop!” riepen de koks, terwijl zij geheele reeksen vuile etenspannen gereed zetten.
Met den moed der vertwijfeling wierp ik mijn tuniek uit, en stroopte de hemdsmouwen op.
Een afschuwelijke walm van warm zeepwater, oud vet, en boonen omving mij.
Ik trachtte te vergeten, dat ik nog vele reglementen te leeren had, en stortte mij op het besmeurde vaatwerk....
Toen geschiedde er een wonder.
Duidelijk hoorde ik een mannenstem zeggen:
„Voor drie kwartjes doe ik het ook!”
Lezer, het was geen angst voor de onafzienbare reeksen pannen, die mij deed opschrikken; veeleer was het een laaiende hoop, de hoop die dubbel machtiglijk opwelt, wanneer er al geen verwachting op uitkomst meer bestond.
Wild drong ik door den nevel van vet en stoomwalm, en riep uit:
„Wie sprak daar?”
Het was een onoogelijk, klein mannetje, dat zeide: „Ikke!”
Hadde hij niet eene vuile infanterie-uniform gedragen, dan zou ik hem voor een reddenden Kobold gehouden hebben.
Met oneindige liefde in mijne oogen keek ik hem aan, en ik strekte twee dampend natte bloote zeepsoparmen tot hem uit.
„Drie kwartjes?” herhaalde eenvoudig-weg de bovenaardscheverschijning.
„Drie kwartjes!” riep ik schier buiten mijzelf van vreugd.
De bovenaardsche verschijning hield mij een modderzwarte hand voor. In minder dan géén tijd blonken er drie zilveren munten in.
De Kobold wierp zijn tuniek uit, en verdween in de wolk van vet zeepwater.
Hij was even geheimzinniglijk verdwenen als hij gekomen was.
Ik snelde juichend weg, en greep een reglement.
En ik leerde vele voorschriften, waaronder er echter geen was op het wasschen van vuile pannen.
Dat zal ik ook wel nimmer leeren....
Het is in het leven de kunst, de moeilijkheden te omzeilen, niet ze op te lossen.
Want daartoe is altijd wel een ander bereid....
... Voor drie kwarretjes....
***
Deze vraag, burger, zal u wel zelden gesteld worden, en is zeker niet meer tot u gericht, sinds uw groentijd aan deze of gene hoogeschool.
Mij werd zij dezen middag op het onverwachtst gedaan.
Ik wandelde met zekeren goeden Bertus.
„Dag Bertus,” riep een passeerende korporaal.
„Besjoer!” riep Bertus.
„Besjoer!” zei de korporaal weer, en ging naast Bertus loopen.
Ik wandelde aan Bertus' andere zijde.
Wij zwegen alle drie.
Omdat ik mindere ben, en die korporaal een korporaal is, kon ik niet zeggen: „wie is die vent!”
Intusschen werd dit onuitgesproken vraagstuk evenmin van Bertus' zijde, als van die des korporaals opgelost.
Opeens begon de korporaal een geanimeerde conversatie door mij toe te voegen:
„Kè je niet groete?”
Blijkbaar kende hij zijn reglementen zeer goed.
Intusschen overwoog ik, hoe ik mij op de meest geschikte wijze van dit vreemd en anoniem geleide zou kunnen ontdoen.
Ik vond een eenvoudigen weg, in het uitspreken der woorden:
„Dag Bertus!”
Het afscheid was al niet veel minder zonderling dan de kennismaking.
Met hetzelfde systematische superioriteitsbetoon herhaalde de korporaal:
„Kè je niet groete?”
Ook ditmaal logenstrafte ik deze veronderstelling.
Dit is een vreemd geval.
De vraag is: Kán een meerdere zich in het simpel particulier bestaan van een mindere dringen, en hem vervolgens op militaire wijze hard vallen?
Ik ben maar een eenvoudig en ongegradueerd wandelaartje langs 's Heeren wegen.
En ik smeek u, heeren korporalen, mij mijne wandelgenooten zelf te doen kiezen.
Gaarne groet ik u op straat op de voorgeschreven wijze, gaarne volg ik u in het eerste dubbelrot.
Maar verschoont me in mijn vrijen tijd van uw hoog geleide, want: niemand kijkt naar een soldaat en lieve schoolmeisjes kijken naar een officier.
Maar de soort vrouwen, die op straat het oog welgevallig op gele en gouden strepen doen rusten, vrees ik met de angst, die ik voor zeepsop en gestold vet koester.
En, korporalen, uw glorie straalt teveel af op mijn simpele verschijning.
Ook klinkt uw commando mij slechts dragelijk binnen de muren van het dienstgebouw.
***
Weer zitten wij, leergierigen, verzameld om den kundigen sergeant. Buiten giert de wind langs de wanden van het fort. Het is een gure morgen, en, tesamenhokkend rondom een snorrende potkachel, genieten wij militair onderwijs.
„Waarom,” vraagt de kundige sergeant, „verdedigen wij het Vaderland?”
De sergeant doet niets, zonder te weten waarom hij het doet.Keesje droomt, dat de sergeant hèm aankijkt, en schrikt wakker.
Met glazige oogen staart hij den sergeant aan, wiens houding inderdaad aanduidt, dat hij het patriotisch antwoord uit Keesjes mond wenscht te vernemen.
Keesjes weet niet, waarover het gaat:
„Omme, omme....” stamelt hij.
Pijnlijke stilte.
Opeens zegt Hein luid, en vol overtuiging:
„Ja, de sersant het gelijk! Wáárom verdedigen wij het vaderland ook!”
Keesje lacht dom met de anderen mee.
Een stormvlaag veegt langs de deur; de les gaat voort. Het wordt ookmijnbeurt.
„Wat zie jij, Stoke, als je een parlementair aan ziet komen?”
„Een parlementeer ankomme!” zegt Daan.
„Heet jij Stoke?” vraagt hem de sergeant.
„Nee, uwes?” informeert Daan.
Intusschen herinner ik mij, dat Gijsbrecht van Aemstel, in de zooveelste acte van zijn treurspel een parlementair ontvangt.
Ik moderniseer en parafraseer de scéne tusschen Gijsbrecht en den heer van Vooren (met den trompetter van achteren).
Vondel heeft blijkbaar zijn theorie goed gekend.
De kennis van zijn treurspel bezorgt mij een tot vreugde stemmend cijfer; de les gaat voort.
Achtereenvolgens beschrijven wij nauwkeurig: „wat wij zou'en doen als: een vliegmachine vlak bij ons neerviel, een vijandelijke ruiter ons, onderscheidelijk stappend, dravend of galoppeerendnaderde, een slagveld-roover onder onze oogen een lijk bestal, een vijandelijk soldaat ons als vrouw vermomd trachtte uit te hooren... als... als... als, ja, wat al niet!”
„As de hemel naar benejen komt hebbe me allegaar 'n blauwe mus op!” zegt Daan.
De anderen geven zonder onderscheid bloeddorstige antwoorden als: „'m voor z'n raap schiete”, „'m door z'n test paffe”, of „'m z'n vet geve dat ie 't niemeer over vertelt.”
Nu en dan geeft de sergeant een tactische terechtwijzing, maar, over het algemeen blijken wij onzen taak juist in te zien.
Of wij intusschen de portée dezer bloeddorstige voornemens wel ten volle beseffen, wordt twijfelachtig, wanneer de veronderstellingen op meer persoonlijk terrein komen.
„Wat doe je?” vraagt de onderwijzer aan Keesje, „als Daan naast je gewond wordt?”
„Daan helpe!” zegt Kees.
Wanneer het blijkt, dat hij dit niet dan op commando zal mogen doen, kijkt hij Daan droevig aan.
„Ik ken Daan toch niet late verrèkke,” zegt hij eindelijk, „hij is toch óók 'n mensch!”
„Je mag 'm alléén helpen op bevel van je meerdere!” zegt de onderwijzer.
„Nou, Daan, dan weet je 'n 't,” zegt Kees baloorig, „je ken verrèkke!”
Plotseling is de bloeddorstige stemming geweken.
„'t Is mooi!” roept er een, „dus as er zoo'n arme donder naas je lig te bloeie, mag je 'n 'm geeneens meeneme?”
„Ik ken geen bees' sien lije!” roep een ander—„là-staan 'n kammeraad!”
„Al schiete ze Daan z'n beenen van z'n lijf, dan mag je nog niet de linie verlaten om 'm te helpen!”
Nu schreeuwen ze allemaal door elkaar; de humanitaire gevoelens krijgen de overhand.
Maar dan verzoekt de sergeant stilte.
De les gaat voort.
„Wat doe jij, Uiltjesbroekersma,—vraagt hij—als je buurman naast je gewond wordt, en je ligt in de tirailleurs-linie?”
Uiltjesbroekersma wil z'n beurt niet bederven.
„Ik laat 'm liggen!” zegt hij kordaat.
Op de achterste bank klinkt gesis.
„Straks za'k je krijge, buite, wacht maar!” fluistert Daan venijnig.
„Heel goed,” zegt de sergeant.—„De volgende: Wat zou jij doen as”...
Zoo passeeren allerlei veronderstelde situaties de revue.
Men antwoordt.
De antwoorden staan in boekjes; het gemoed zwijgt.
Wat zouden wij doen als...
Ja, lezer, wanneer we geen boekjes hebben, weten wij het niet!
Is niet het levens-begrip zèlf een hypothese?...
Kleilust, 1 Februari.
Nu is de klei bevrozen. Goddank! Want daardoor zijn alle onaangename eigenschappen van deze materie tot minima gereduceerd.
Wat eenmaal vette, voeten-inzuigende en kwalijk-riekende terreinen waren, zijn nu steenharde vloeren; de drabbige slooten zijn versteend tot spiegelgladde verkeersaderen, en de ons immer zoo verraderlijk omkronkelende fortgracht is nu niets anders dan een volstrekt onbelangrijk ijsvlak.
Alles is bevrozen.
De stroompjes vuil water, die van uit de keuken over de klinkers buiten uitvloeien, zijn plots in hun tragen gang gestolten tot vadzige viezigheid in ijsvorm.
Men toont u nog ijsblokken rondom de sinds lang onbruikbare pomp; daar heeft, éven voor de schrikkelijke en plotse vorst, de laatste man zich kunnen wasschen.
Nu is dat alles voorloopig onmogelijk; aan de punten der sokken, die wij te droogen hebben gehangen, vormen zich lange ijskegels.
Gerrit breekt ze verstrooid af, en stopt ze in zijn mond.
En het blijft vriezen.
Toch is de ijspret al door het culminatiepunt.
De vreugd steeg steil tot uitbundigheid, en daalde toen zoetekens weg, tot de hoogte waarop zij zich nu blijft handhaven.
O, die eerste dag!
Toen stoeiden de drie witte koks op het ijs, toen lag Teun op z'nbuik, en prikte zich met twee blanke bajonetten vooruit. Toen sulden ze met stoelen en banken over het voorheen zoo onherbergzaam water, toen werden er bloedneuzen op- en sterren in het ijs gevallen.
Daarop kregen ze den slag van voor drie jaar weer beet en dat bracht het feit mede, dat ze de fortgracht verlieten, om de naburige plassen en banen te gaan frequenteeren, waar de een zijn Keetje vond, en de andere zijn Hendrika of Gijsbertina, altemaal rood-wangige en worst-armige boerendochteren, die nog riepen: „kijkie nogeris om?” omdat „hadjememaar” nog niet tot ze was doorgedrongen.
Verscheidene dezer dochteren heetten vele koeien te bezitten en gansche kudden pluimvee, en er was een groote zwarte, die de allerrijkste was, en dus met niemand een baantje reed.
Dat lag niet aan haar, ach neen, hare oogen waren even verlangend als die van anderen, en in hare roodbolle wangen tintelden minstens evenveel levenslust, als in die harer zusteren. Neen, de schuld lag veelal bij ons.
Wij drongen te hoop, zoodat het ijs te dier plaatse vervaarlijk kraken ging, en wij wezen elkander de groote zwarte boerendochter aan: de een wist te vertellen van achttien zeugen, alle gereed tot biggen,—een ander fluisterde met ontzag iets van vier en twintig koeien en twee paarden....
Wij watertandden, de snijdende koude ten spijt, en Kees prevelde gretig starend:
„En wij krijge maar zóó'n stukkie vlees' bij de door-me-kaar.”
De rijke boerendochter bleef alleen. En intusschen omzwierven haar heure armere zusteren, allen met branie—en—met soldaten, en in iedere hoek van de ijsbaan wist men weer nieuwe rijkdommen aan levende eetbaarheid te verluiden.
***
Vervolgens strekte de hooge overheid hare goedertieren hand over de feestvreugd uit; zij arrangeerde een ijsfeest.
Voor een feest zijn wedstrijden noodig, voor wedstrijden deelnemers, en voor deelnemers lokmiddelen.
De lokmiddelen waren sommen gelds.
Kees heeft er een veroverd en de overheid heeft hem die, met een woord van hulde, overhandigd.
„Nu Kees”, zeide ik na afloop van de plechtigheid, „waart ge onder den indruk?”
Hij keek me ironisch aan, en leek, den prijs in contanten ten spijt, wel ietwat verstoord.
„Nu”, ging ik vroolijk voort, „heeft men u in 't zonnetje gezet?”
„Och, zeide hij, het was een heele toespraak. Ik kon niet alles verstaan. Maar hij zei ook, dat ze in de grijze tijd op osseribbe rede, en nou op ijzers... wat gaat datmijnnou an... wat is dat nou voor 'n gezegde...!” En ongeduldig wendde hij zich af.
***
Des morgens geeft men elkander, zij 't ook niet geheel gewasschen, rendez-vous op het ijs.
Daar komt de grappige cantine-beheerder, die, wanneer men een schoenveter bij hem komt koopen, vraagt: „een linker of een rechter”; daar komt de boerenzoon uit de buurt, die voor een gering wekelijksch bedrag de afval van het fort opkoopt en daaronder een belangrijk percentage rekent van H. M.'s soldatenbroodjes, die hij in een zak weg draagt om er zijn vette volgevreten zwijnen meê te overvoederen; daar komen de correcte heeren-soldaten van het bureau of de telefoon; daar komen wij, simpele soldaten, die tenminste nog schaatsen bezittenof leenen, en daar komen ook de nog simpeler soldaten die niet eens schaatsen hebben, en die daarom maar sullen en stoeien, en onverhoeds op elkanders rug springen, of op die van een passeerenden kunstrijder.
Waag dat maar eens op de Amsterdamsche IJsclub!
Wanneer dames op het ijs komen, is de animo direct veel grooter. Het was op een middag, dat wij de eerste zagen verschijnen.
Opeens was er groote aandacht. Allen staarden op de naderende figuur, zooals de leden eener zoölogische expeditie, op een exploratietocht in nimmer betreden binnenlanden een nieuw soort kangaroe zouden waarnemen.
Zij bewoog zich door het sneeuwlandschap, en naderde de ijsvlakte; aan den oever zette zij zich neer tusschen wuivend rietgewas, en keek om zich heen.
Het was een circa 30-jarige boerin met zwarte kleeren en een zwarte hoed. Alles was zwart, en stak fel af tegen den witten bodem.
Ademloos bleven wij staren, en opeens werd een smalle blanke strook zichtbaar; het was haar onderrok, en zij wilde blijkbaar haar schaatsen onderbinden.
„Hoooòi, koeiéééé!” riep Kees.
Zij bleef voorovergebogen zitten.
Het duurde lang.
Toen snelde ik opeens voorwaarts, vol ridderlijk besef, en, haar naderend, bood ik haar op even wellevende als zichtbaar onbaatzuchtige wijze, mijne diensten aan bij het vastsnoeren der riemen.
Reeds knielde ik neer, om het blanke ijzer onder haar ietwat plompen laars te bevestigen.
Maar op hetzelfde oogenblik trof een geweldige slag mijn schedel, en een schelle stem riep:
„Gà je heen, beroerde rotjonge!”
Toen ik opkeek, begreep ik, dat zij mij met de nog losse schaats een slag op het hoofd had toegebracht, en tevens dat mijne diensten evenmin gewaardeerd als aanvaard werden.
De dertigjarige, geheel zwarte boerin zat sidderend van woede vóór mij.
Achter mij tierden de kameraden.
De onheusche vrouw snelde kakelend den oever langs, als eene van haar nest verjaagde henne.
Ik bleef duizelig achter; zij werd kleiner en kleiner, en was eindelijk nog slechts een zwarte stip in het blanke landschap...
Lezer, leer hier uit, dat onze zorgvuldiglijk gecultiveerde zeden ons op het land zedeloos doen schijnen, en dat het een ondankbaar, zoo niet gevaarlijk werk is, om dertigjarige en geheel zwarte boerinnen de schaatsen onder den voet te willen binden.
Gaat niet een poes blazen wanneer men haar streelt, en een kanarie fladderen wanneer men haar grijpen wil?
***
Hij was een jonge kerel, en men had hem een piano leeren bespelen. Maar hij had niets aan zijn jeugd, aangezien men hem had ingekwartierd in een afgelegen gehucht van nauwelijks zestig inwoners; en ook zijn behendigheid op 't klavier kwam hem bitter weinig te pas, daar in de buurtschap slechts één amechtig harmonium leefde, dat bespeeld placht te worden door eene menschenschuwe boerentante. Zij speelde psalmen en gezangen.
Zoo bleef hij dan eenzaam, en gevoelde zijn geest verslappen en zijne eenmaal krachtige en lenige piano-vingers verstijven.
Een drenkeling komt nog éénmaal boven, vóór hij voorgoed verdwijnt. Een luitenant in een stil gehucht krijgt nog één levende gedachte, alvorens hij geestelijk ten onder gaat. Zoo kreeg dan ook deze luitenant op zekeren dag een gedachte.
Hij sprak die uit tegenover Kees en Teunis, zeggende:
„Mannen, in 't naburige dorp weet ik een piano te huur, wilt ge die voor mij halen?”
„Och, jawel!” zei Kees.
„Vrij rooken onderweg?” vroeg Teunis.
Met deze, en nog andere beloften, ongerekend nog veel overredingskunst, gelukte het hem een zestal mannen voor het karweitje bereid te maken.
Zij vertrokken met een rammelend wagentje, dat ze bij een boer gehuurd hadden, in de richting van 't naburig dorp. In afwachting zette de luitenant zich voor zijn wankele één-poots-tafel, en trommelde, zooals hij dat reeds vele avonden gedaan had, met zijne vingers op het tafelblad zijn lievelingsmelodie, te weten: „Einzug der Gladiatoren”.
Toen hij die driemaal getrommeld had, ging hij zenuwachtig voor het venster staan, en trommelde op de ruit: „Ja, das haben die Mädchen so gerne”.
Hij was als een gramophone met vele oude platen.
Na bijna drie uur van pijnigend afwachten, klonk een luide slag door de dorpsstraat.
Hij snelde naar buiten. De piano kwam de hoek om, maar was in de bocht tegen het uithangbord van de plaatselijke vroedvrouw aangeslagen. De zes soldaten rookten als Amerikaansche-munitie-fabrieksschoorsteenen; op de piano, op den wagen, stond een ledig sigarenkistje; de zakken der soldaten waren zéér vol.
Toen de piano een half uur later een-derde van de luitenants-kamer besloeg, kwam het den officier voor, dat het instrument er jarènouder uitzag, dan hij zich uit de verhuisinrichting meende te herinneren. Ook gevoelde hij stekende pijnen aan zijn voet, waarop de piano driemaal met kracht was neergekomen, en aan zijne knieën, die viermaal op onverklaarbare wijze tusschen het instrument en de geel-behangen wand beklemd waren geweest.
De rest van den dag speelde hij:Einzug der GladiatorenenDas haben die Mädchen so gerne.
Hoewel het instrument zéér ontstemd was, stond de geheele bevolking vóór het huis tehoop gedrongen. Om negen uur kwam de boer, van wien het wagentje gehuurd was, tien gulden eischen voor beschadiging van zijn eigendom. Om tien uur klonk plotseling muziek van de andere zijde van het dorp: de menschenschuwe boerentante zat voor haar amechtig harmonium, en speeldeSien, Sien, Siene-là me lös...
Om één uur in den nacht kwam de veldwachter den nog steeds spelenden luitenant verbaliseeren wegens burengerucht.
Den volgenden morgen kwam een regeerings-telegram. Hij was onverwachts overgeplaatst naar Amsterdam. Dienzelfden morgen kwamen de zes soldaten weer, om de piano terug te brengen naar het naburige dorp.
Toen zij binnen kwamen speelde de luitenant: „Einzug der Gladiatoren”.
Zij grepen het instrument aan en wierpen het met een slag op een ander wagentje, dat ze van een anderen boer gehuurd hadden.
Op een draf verlieten zij het gehucht, de piano op de rammelenden kar achter zich aansleepend.
's Avonds kwamen zij zéér beschonken thuis; de kar lag in een sloot, maar de piano was weggebracht. Even vóór hij naar zijn nieuwe standplaats vertrok, kreeg de luitenant nog twee rekeningen.
Een van den boer, die f 50.— schadevergoeding eischte voor zijn kar.
Een van den pianoverhuurder, die f 6.— vroeg voor één maand huur en f 84.60 voor beschadiging van het instrument.
Nu is de luitenant in Amsterdam.
Iederen middag kunt ge hem vinden in de Bordelaise, waar hij naarZunci'sstrijkje luistert en denkt aan zijn piano...
Kleilust, Febr. 1917.
Zooals een in de wildernis verdwaalde mensch, die geen lucifers bezit, de vonken van zijn vuurtje gedurig aanwakkert en levend houdt, zoo doe ik met de toevallig bij mij gerezen gedachte:dat ik heerlijk buiten ben.
De gedachte vanhet heerlijk buitenlevenverlaat mij niet des nachts, in den benauwden droom, en evenmin des daags in de harde werkelijkheid.
Ik ben buiten, ik dorre stadsmensch, en ik wil dat blijven waardeeren.
Ik wil dat blijven waardeeren, wanneer ik rillend, in de grauwe morgenschemering denpomp-zwengelaanvat, en mijn slaperig hoofd laat overspoelen, ik wil het blijven bedenken, wanneer in den marsch het regelmatig zuigen onzer laarzen in de slikmassa's hoorbaar is, en ik wil het heerlijk buitenleven waardeeren, wanneer ik mij in 't holste van den nacht langs glibberige en stikdonkere landwegen naar het stinkend slaaphok spoed.
Wij allen, dorre stadsmenschen, genieten van het buitenleven. Wanneer de dienst ons des morgens langs grazend vee en wuivend oeverriet voert, letten wij op duizend dingen, die de stad ons niet vermag te toonen.
„Káák, 'n ráááger!” roept er een, duidend op een slanken vogel, en een ander, die een zwart- en witten haan, te midden van vrouwelijk pluimvee ontwaart, vestigt onzen aandacht daarop, zeggend: „Sèg, jô, 'n tààgerháán!”
Wij schatten de zwaarte van zwijnen en runderen, en voorspellen met landelijke zekerheid het weder van den volgenden dag.
Wij kennen vele boeren bij hunne voor- en geslachtsnamen, en kunnen met één oogopslag een regeerings- van een particulier schaap onderscheiden.
Ik verzeker u, lezer, die gelachen hebt omdat Stastok Sr. zijn dagnaar het passeeren van den wagen van drieën indeelde, dat zaken als wagens van drieën belangrijker zijn, dan het opdringerig beieren van uw beursklok.
De aankomst van het bakkersknechtje, met zijn kist vol „tompoeze” geeft ons een inniger sensatie, dan het kanon bij de Invalides het den Parijzenaar ooit zal doen, en de aankomst van de veldpost, die ons een enkel briefje brengt, is een heerlijker moment in onzen dag, dan een vette morgencourier bij uw ontbijtbord het in den uwe is.
Let gij ooit op de sierlijke meeuwen, die in de gracht, juist tegenover uw hoogen stoep, zoo dartel en sierlijk stoeien?
Neen! gij jaagt ze op, wanneer ge 's morgens haastig een parapluie opsteekt, en uw keukenmeid werpt ze hoogstens een handvol oud brood toe.
Wij niet alzoo!...
Wij hebben óók meeuwen, en we hebben ze lief!
Zorgvuldig zoeken wij de oneetbare stukken pens, eelt, huid en darm uit onze soep te zamen, en leggen ze op een hoopje vóór ons op tafel.
Vervolgens treedt Bertus naar buiten, en werpt ze onder het even ruraal als goedig geroep van: „Meeuwéééé, Meeuwéééé!” den lieven dieren voor.
Wij kennen ze allen, en noemen ze bij namen als: „Vetpens” en „Hinkepoot” en „Darremediefie”.
Zoo zijn wij, buitenmenschen.
En gij lezer, ge mist véél. Ge kent niet de zoete mestgeuren, dietotons overwaaien, en kunt u nauwelijks voorstellen, hoe men een ei uit een kippenhok wegneemt.
En evenmin kent ge het heerlijke van de groote stad, wanneer ge die sporadisch bezoekt.
Ons hart springt van vreugde op, wanneer wij een enkele maal in Amsterdam den trein ontstijgen; wij zijn dan vol jolijt, vanaf den eersten borrel in een grootsteedsch koffiehuis, tot het moment, dat we ons haastig weer naar het station spoeden, door de duistere straten, waar een dwalende vrouw ons vòl ingehouden haat tusschen de tanden door toe-sist: „Dag ssschàt!”
***
Lezer, ik ben dóódmoe... bijna te moe om nog verder te schrijven. Ik ben niet moe door den dienst, maar door hetgeen bij de officieren onzer zeemacht wordt verstaan onder: „representatieve verplichtingen”. Ik heb namelijk gedanst.
Zooals de officieren van H. M.'s zoo-en-zoo, die te Paramaribo ligt, verplicht zijn de dames dier stad ten dans te voeren, zoo heb ik mij verplicht gevoeld de dames van het gehucht Kleilust te doen profiteeren van mijne kundigheden op het gebied van: Polka, hossen, kruispolka, schotsche-drie en nog eenige gezelschappelijke dansen.
Het gevolg is, dat ik met een paar blauwe schenen en een ingedrukten borstkas kwartierziek te bed lig, terwijl naast mij mijn tuniek ligt, die als doorzeefd is van zwarte brandgaten, die niet door kogels, zooals ge wellicht zoudt denken, maar veeleer door de sigaren mijner onachtzame mededanseurs veroorzaakt zijn.
Voor het bal had ik mij zoo netjes mogelijk gekleed, en eenigszins van modder ontdaan; dit deed mij gunstig afsteken bij de andere heeren.
Toen ik binnentrad in de danszaal, was het bal reeds begonnen, hetgeen merkbaar was aan veel gedreun, dikke tabaks- en stofwolken, geschreeuw, gerinkel van glazen, en, nu en dan hoorbaar, ook pianospel.
Aangezien ik niemand kende, en er geen dames ontvingen, baande ik mij een weg tusschen de menigte door, en ging op een jongmensch af, dat, met zijn arm om de schouders eener jonge dame geslagen, een sigaar zat te rooken.
Ik wilde, via hem, met de jongedame kennis maken, en trachtte mij voor te stellen, maar hij raadde en voorkwam mijn wensch door haar, met den uitroep: „Pak maar mee, verdorie!” in mijne armen te duwen.
Aanstonds klampte ze mij, plichtsgetrouw, in een danshouding vast, en, vóór ik het wist, waren we in den stoet, en dansten, òm een houten tafel heen, een z.g. Spaanschen wals.
Een wals was het echter niet, en ook het Spaansche element kòn ik, behoudens dan misschien in het gewèldig gestamp, waarmede de dansers telkens vóór- en achterwaarts sprongen, bezwaarlijk vaststellen.
Om iets tegen mijn danseuse te zeggen, maakte ik de opmerking: „dat het fijn ging!”
Ze knikte van ja, en ik bemerkte, dat ze transpireerde.
Toen zeide ik dat het vol was, en weer lachte ze, knikte van ja, en bleef transpireeren.
Daarna zeide ik achtereenvolgens, dat het warm was, dat ze zeker verkeering had, dat haar kapsel modern was, en dat ik vreesde dat het zou gaan dooien, en voortdurend bleef ze lachen, ja-knikken en transpireeren.
Toen de dans uit was, bracht ik haar naar den jongeman terug, die aanstonds zijn arm weer om haar hals legde.
Dien avond danste ik met vele lachende, ja-knikkende en transpireerende boerinnen. Ten slotte werd ik wild en duizelig, rookte onder het dansen 3-cents sigaren, trapte en kreeg blauwe schenen, en dronk veel bier en brandewijn.
Ook nam ik deel aan het algemeen vuistgevecht, dat het geanimeerd einde van het bal was, en wist zelfs in belangrijke mate bij te dragen tot het vernielen van tafels, lampen, stoelen, en ook van het buffet.
Het was werkelijk een aardig bal, mijn eerste van dezen winter. En het is zoo prettig, geen digestie-visite te hoeven maken.
Neen, neen ge weet niet, en kunt nimmer vermoeden,hoe wij eten.
Ik weet zeker, dat gij het nietetenzoudt noemen, maar veeleer voederen.
Van het ontbijt behoef ik u niet veel te zeggen; eenige uren vóór dat men u komt zeggen, dat uw morgenbad gereed is, klinkt vlak naast mijn slapend hoofd een luide slag. Elken morgen wéér schrik ik van dien slag, die intusschen van zeer goedaardige soort is, en slechts verwekt wordt door een loodzwaar en keihard broodje, dat op mijn bed geworpen wordt. Dit broodje vormt, bespoeld met lauwe thee uit een emmer, mijn ontbijt.
Van meer belang is echter het noenmaal.
Een kwartier vóór de voedering zal plaats hebben, worden wij onrustig, wij dringen tezamen in ons hok, maken doffe geluiden, stampvoeten en twisten, zooals ge dat ongetwijfeld kent van de beren en leeuwen in de een of andere diergaarde.
De een slijpt zijn mes aan zijn schoenzool, een ander veegt zijn bord nog eens af met een onderbroek, die hij tot dat doel stiekem van het bed eens buurmans neemt, en allen maken wij vast onze halskragen en bovenste jasknoopen los.
Zoodra de emmer met voedsel wordt binnengedragen, dringen wij, met het bord in de eene hand, en met de andere de lepel boven het hoofd zwaaiend, naar voren. De borden verraden in hun afmetingen en diepte de vraatzucht hunner bezitters; de meeste borden zijn diep en rond, maar sommige ook langwerpig en breed. Dat is het bord van Karel, die uit louter gulzigheid groote hoeveelheden voedsel wil hebben, die hij niet voor de helft verwerken kan.
Maar het zijn niet in de eerste plaats boonen of doormekaar die ons dringen geldt, neen, wij dringen om het gróótste stuk vleesch machtig te worden.
Het grootste stuk vleesch... dat is het dagelijksch strijdpunt, de bron van vele smeulende twisten en veeten, en de oorzaak van menigen oorveeg.
Eens heb ik, per ongeluk, het grootste stuk vleesch gekregen.
Nimmer zal ik dien dag vergeten.