XI.

F)besjoer=Nederlandsche volksuitdrukking, vermoedelijk afkomstig van den Franschen groet:bonjour(=goeden dag) [Woordenboek.]

Het was maar een héél kort, bescheiden berichtje, dat dezer dagen in de Vaderlandsche pers gecirculeerd heeft, doch het was er een dat mij, en velen met mij, vervuld heeft met innige dankbaarheid jegens onzen goedertieren superieuren. In het kort kwam het hier op neer, dat het legerbestuur een commissie afgevaardigd heeft naar een tentoonstelling te Düsseldorf waar—naar men mij vertelt—allerlei nuttigs en merkwaardigs te zien zal zijn op het gebied van kunstarmen, kunstbeenen, glazen oogen, houten neuzen en diergelijken. Het gemoed schiet mij vol bij de gedachte aan deze voorzorgen, genomen in een tijd, dat gelukkig ieder Nederlandsch soldaat nog in het bezit is van een volledig stel lichaamsdeelen en organen. Vooral de pers der centralen is sterk in het verspreiden van berichten en foto's betreffende handige verminkten; zelfs in de cinematograaf ziet men wedloopen van éénbeenigen, en handenarbeid, verricht door éénarmigen. Het komt mij voor, dat minder opgeblazen en reclame-achtige arbeid in deze richting méér sympathie verdienen zou.

Aan den anderen kant is de risico, aan ons beroep verbonden, een al te weinig onder het oog geziene factor. Dit komt door de duizenderlei voorzorgen, waarmede de soldaat in vredestijd zich omringd ziet, als daar zijn: watjes in de ooren bij schietoefeningen, overjassen aan bij regenweer en gedwongen bedlegerigheid bij verkoudheden. Hoeveel mannen zijn er, die ongaarne in een boom klimmen, of in een molenwiek, om te observeeren?

Een ken ik er, die nu reeds maandenlang iederen morgen het hospitaal bezoekt, om daar een soort neusgat-verwijdings-kuur te ondergaan, waaraan in het „burgerleven” de gedachte niet bij hem zou zijn opgekomen.

Een marsch bij regenweer wordt afgelast, terwijl een jachtpartij onder dezelfde omstandigheden ongetwijfeld door zou gaan.

Hoe kortzichtig zijn wij soldaten, die in onzen binnenzak hetboekje met roode-kruis bepalingen dragen, om onze hals het identiteitsplaatje en in het tuniekzakje de verbandpakjes....

En nu kunt ge me duizendmaal een onkieschen cynicus noemen, of een smakeloozen beer, maar ik zeg het tòch! Ik zou het willen toeroepen aan de boerenkinkels, die in uniform 's avonds tierend langs den weg zwaaien, en aan de onverschillige pummels, die slapen in het gras: dat ze soldaten zijn, en dat er iets ernstigs bestaat, dat beroeps-risico heet.

Hebben wij het zelf niet één dag gevoeld, dien eersten mobilisatiedag, toen, ieder naar zijn aard, ingetogen of luidruchtig-zenuwachtig, zijns weegs ging, en zichsoldaatgevoelde?

***

Gij allen, die uitgesloten zijt van ons groot organiek verband, gij hebt ook uwe vakbladen. Wij hebben het ònze, in deSoldaten courant, die, òndanks Kleerekooper, door gaat met het publiceeren van berichten uit hetHandelsbladen verzen uit de cantine.

Ons vakblad heeft dit gemeen met andere vakbladen, dat wij het pas lezen, wanneer er broodjes in verpakt geweest zijn. 's Morgens, wanneer wij naar ons werk gaan, op de hei, of in de schietloodsen, dan schaffen wij ons voor 1 cent het vakblad aan, en wikkelen daarin eenige consumptie.

Pas wanneer deze genoten is, gaan wij de met margarine bevlekte drukregelen lezen.

„Daarom”—zegt Kees—„moste ze die zwarte plaatjes d'r uit late—dat geeft maar vuile inkt-rommel an je brood.”

Intusschen wordt de poëzie, die zeer door dit blad wordt aangemoedigd, om niet te zeggen veredeld, in ruimen kring gewaardeerd. Afscheidszangen aan korporaals zijn schering en inslag, zooals:

Korporaal Verbeek gaat ons verlatenhij deelde lief en leed met ons een jaaren was zeer goed voor zijn soldaten,het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar.De jongens van de escouadewenschen hem voorspoed op al zijn paden.

Korporaal Verbeek gaat ons verlatenhij deelde lief en leed met ons een jaaren was zeer goed voor zijn soldaten,het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar.De jongens van de escouadewenschen hem voorspoed op al zijn paden.

Dezer dagen heeft de Commissie tot het verkrijgen van een goeden tekst op de muziek van de defileermarsch „Turf in je ransel” voor de zware taak gestaan een keuze te moeten doen uit eenige honderden inzendingen. Zij is geslaagd in de keuze, en heeft bovendien consolatie- en tweede prijzen gegeven. Waarom was „Turf in je ransel” niet goed? Wanneer het zoo door gaat, komt er weer een commissie voor „Op de hei daar zal ik je dondere” of „Sergeant ze gooie met steene,” en een voor „de tentcommandant is dronke.”

***

Goede lezer, het schaamrood overvloeit mijne kaken, nu ik u een bekentenis moet gaan doen: men heeft mij bestraft, bestraft wegens het niet groeten van een meerdere in rang.

Ik wil mij niet verontschuldigen... ik heb gezondigd en geboet... ik ben nu quitte met de gerechtigheid.

Het was een afschuwelijk moment, en bij de herinnering aan het geval, en aan tante Alida, die er bij tegenwoordig was, krijg ik weer congestieve gewaarwordingen van ontzetting.

Tante Alida had het middagmaal ten onzent genoten, en, tegen half tien, maakte ik mij op haar tot hare nabijgelegen woning te geleiden. Onderweg werden wij door een onverwachten regenbui overvallen, en ik haastte mij, tante's regenscherm in staat van actie te brengen. Op hetzelfde moment, dat het haakje over de pal knipte, klonk een luid, bevelend geschreeuw achter ons. Tante, die geenerlei relaties met schreeuwende lieden op straat pleegt te onderhouden,maakte geen aanstalten, om den voortbrenger van het geroep te zien, en ik zelve, die evenmin aangetrokken word door straatrumoer of relletjes, stapte beminnelijk koutend naast haar voort.

Totdat—op eens—(bij de herinnering word ik aschgrauw in 't aangezicht), een niet al te zindelijke hand mijn overjas van achteren beroerde. Denkend aan mogelijke zakken-rollerijen, wendde ik mij energiek om... doch wankelde.

Daar stond een meerdere, een sergeant, houdend in de linkerhand een soort slagersboekje, in de rechter een afgekloven potloodstompje, en zijn mond sprak toornig: „Wie bin je?”

Ik haastte mij te informeeren naar de bron zijner belangstelling, maar reeds had tante Alida, hoewel sidderend, mij, en ook haarzelve, den schrikkelijke bekend gemaakt, wellicht in de hoop hem daarmede milder te stemmen.

Toen tante echter bemerkte, dat onze belager verzuimde hare beleefdheid te beantwoorden, door zich aan haar en mij voor te stellen, werd zij toornig.

„Melis”, zeide zij, „laat ons voortgaan. Ik houd er niet van, op straat lastig gevallen te worden door... mannen”.

„Ik ook niet, tante”, deed ik deemoedig.

Inmiddels had zich een dichte haag van nieuwsgierigen, den regen ten spijt, om ons verzameld.

Met groote letters schreef de schrikkelijke in het boek: „Stoke, landstormplichtige, ...e Compie, .....e Reg....”en weer sprak zijn mond: „Je heb je meerdere niet gegroet”.

Toen, alle moed waarover ik beschik verzamelend, zeide ik, dat ikhem niet gezien had, en verzweeg daarbij ridderlijk, dat Tante Alida's regenscherm de schuld aan alles droeg.

Daarop, vreezende, dat tante's reputatie onder dit relletje te lijden zou hebben, drong ik haar en mij door de inmiddels aanzwellende menschen-zee, en wij verdwenen in een steeg...

Tante Alida's reputatie was gered... ten koste van de mijne... want nu vermeldt mijn conduite-staat een straf van vier dagen kwartierarrest, wegens het niet groeten van een meerdere op den openbaren weg...

Zal tante ooit weten, welke de Groote Daad geweest is van mijn militairen loopbaan...?

Primus in orbe deos fecit timor...

VAN DEN BURGER, DIE MELIS-STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, GEWORDEN IS.

Hier moet ik, geduldige lezer, mijn militaire-zelf ter zijde springen, en wel als burger.

De zaak is, dat hijzelve zich schamen zou, de bekentenis te doen die ik, als civilist, zonder mij of hem te blameeren, te boek kan stellen.

De landstormplichtige heeft zich, nadat hij acht-en-een-halve maand (den verplichten oefentijd) „onder de wapenen heeft doorgebracht,” eenigen tijd in het burger-leven teruggetrokken.

Men achtte hem voorloopig voldoende bekwaamd in het wapenbedrijf, en hij toog huiswaarts.

Onderweg, van de kazerne naar zijne woning, kwam hij reeds vagelijk en uitsluitend innerlijk met mij, zijn burgerlijk-zelf, in aanraking.

Ik was verbaasd over de verandering, die in hem had plaatsgegrepen.

Er was een zekere goedmoedigheid in de plaats getreden van de ietwat koele reserve, die hem voorheen kenmerkte. Hij sprak luid en lachte gul; hij keek met zekere ironie naar de reeksen fleschjes en doosjes op zijn toilet-tafel, en ergerde zich niet, toen hij zijn hond slapend aantrof op zijn hoofdkussen.

„Dat zijn allemaal kleinigheden,” verklaarde hij, „de hoofdzaak is, dat je gezond bent.”

Nog nooit had ik hem zulk een gemeenplaats hooren bezigen; hij scheen dat te voelen, en legde zijn hand op mijn hart, terwijl hij me ernstig toevoegde:

„Mijn waarde, het is een kenmerkend verschil, tusschen de beschaafde en onbeschaafde klassen, dat deze gemeenplaatsen als zoodanigvoelen en begrijpen, terwijl gene langs allerlei vreemde omwegen tot die simpele waarheden moeten terugkeeren! Waarom dan niet direct de gemeenplaats in al haar consequenties aangenomen?”

Hiertegen wist ik niets in te brengen.

Vervolgens ontkleedde zich mijn militaire-ik, stapte in een ongeparfumeerd bad, en schoor zich daarna; ik merkte op dat hij niet, zooals vroeger, na het scheren zijn gezicht insmeerde met vinaigre en drie verschillende evenzeer geurige zalfjes.

Na een korte aarzeling schoot hij een mij toebehoorende zéphir pijama aan, en ging te bed.

Den morgen daarna, toen ik ontwaakte, wist ik, dat mijn militaire-zelf in mijn burger-ik was opgelost.

In langen tijd had ik mij niet zoo wèl gevoeld.

Om zeven uur stond ik op, en om halftien was ik, in een eenvoudig pak, en zonderbutton-holeof lichte slob-kousen onderweg naar mijne bezigheden.

Dat leven duurde een maand.

***

Na een maand stond ik weer laat op, droeg weer een button-hole en lichte slobkousen.

Na drie maanden herinnerde ik mij nauwelijks nog de sociale gevoelens van mijn militaire-ik.

Ik zweeg halsstarrig, wanneer iemand achter-op-de-tram mij toesprak, of als mijn kapper zei, dat het mooi weer was.

Eens, toen ik Gerrit ontmoette, groette ik hem met meer welwillendheid dan gevoelens van vriendschap. Kogelfleschjes, Quatta-reepen en Cats-boonen waren nog slechts vergeefelijke jeugdfouten in mijne oogen, en Zondags in het Concertgebouw herinnerde ik mij nauwelijks de aangename uren, die mijn militaire-ik daar eenmaal met zijne kameraden gesleten had.

Zelfs ondervond ik niet meer het genoegen van de vroegere meerderen van mijn dubbel-ik te kunnen negeeren. Ik zàg ze niet meer...

Het lag àchter mij als een droom; ik leefde weer in koele maatschappelijkheid, zooals de reiziger, die de luchtige hoogten van een Alpenpas bereikt heeft, en niet meer achter zich ziet naar het warme Italiaansche land...

De koele wind der maatschappelijkekronkelpassenwoei mij om de ooren, en in dien wind stak ik mijn gecultiveerde civiele neus...

Toen kwam de slag...

De slag was een groot officieel papier, dat mij andermaal tot den werkelijken dienst opriep.

Toen ik den brief gelezen had, stond ik tegenover mijn lang vergeten militaire-zelf, zooals een eerbiedwaardig rechter zich gevoelt, wanneer plotseling een vergeten schuldeischer uit zijn studententijd zijn deftig studeervertrek binnentreedt...

Ik kènde zijn gelaatstrekken nauwelijks meer, maar de herinnering bracht mij op dat oogenblik honderd realiteiten in de gedachte, die als onverbiddelijk harde hamers mijn net-gekapte hoofd troffen.

En, vreemd, maar ik haatte mijn militaire-ik. Ik haatte mijn dubbel-ik, zooals men een afgedragen, vuil kleedingstuk haat, dat men vindt bij het opruimen van zijn garderobe.

Ik snoof de geur op die uit den brief kwam, en het was me, alsof het de reuk van aardappelenwater, en soep en dwijlen en zeepsop was...

Dien nacht sliep ik niet.

Mijn militaire-ik sarde mij, zooals een opdringerige, onsmakelijke kennis iemand hinderen kan. Hij drong zich aan mij op, en strekte zijn viese, zwarte handen naar mij uit; hij fluisterde mij dingen in het oor over „marschen” en „wachtkloppen” en „kribben” en „aardappelen en uien”... en ik háátte hem.

Den volgenden morgen kwam zijn oppasser, om het geweer van zolder te halen en te poetsen.

Hij hield mij voor hem, en zeide vriendelijk goeden morgen; hij wist niet, hoe mijn burger-ik hem verfoeide en verachtte.

Hij wist niet, dat daar iemand ànders voor hem stond, een trotsche en pretentieuse burger, en hij heeft niet begrepen, waarom ik hem op dat oogenblik niet, zooals vroeger, hartelijk de hand drukte....

Ditmaal wisselden wij geen verstandige brieven, mijn militaire- en mijn burger-ik.

Wij accepteerden elkanders hinderlijk gezelschap, zooals doodsvijanden, die toevallig in dezelfde spoorwegcoupé moeten reizen.

Nog drie dagen gingen wij grimmig zwijgend naast elkander voort...

Toen gaven wij elkander, noodgedwongen, de hand; maar mijn militaire-ik bleek, misschien wel door de macht der onverzettelijke omstandigheden, de sterkste.

Op zekeren dag greep hij me bij den strot, en wierp mij verre van zich.

Nog zag ik, hoe hij haastig wegsnelde, om zijn soldaten-pak weer aan te trekken....

Toen wierp hij zijn ransel om, nam zijn geweer, en stopte zijn zakboek in den zak van zijn overjas. En hij ging met driftige, maar vastberaden stappen weg....

NIEUWE REEKS.

Januari 1917.

En hiermede, goedmoedige en geduldige lezer, vangt een nieuwe reeks veldzakboekbladen aan.

Dit feit hebt gij te wijten en ik te danken aan de beschikking omtrent mij en mijne kornuiten door „hoogerhand” genomen; de beschikking, die ons eene in het burgerleven voor „bescheiden beurzen” nauwelijks denkbare luxe in het uitzicht stelt, nl. die van eenWinterkurort.

Een besluit, dat ons tot den werkelijken dienst terugroept.

Ach, hoe weingen onder u beschikken over den tijd en de middelen om u een winterbuitenverblijf te veroorloven... wanneer ik dit bedenk, wensch ik bijna, dat gij in mijn plaats (derde klas vrij vervoer) naarKlei-lustgaan kondet.

Om militaire redenen noem ik mijn bestemmingsplaatsKlei-lust, hoewel ik, naar hetgeen men mij er van vertelt, even zoo goed de geografische schuilnamen:Modder-,Stank-,Vee-,Slik-ofBoerenkool-lustzoude hebben kunnen bezigen.

Intusschen behaagt het mij, deze brieven metKlei-lustte onderschrijven, welke naam trouwens reeds boven mijn schrijfpapier en op mijne visitekaartjes is gedrukt.

Vooralsnog ben ik echter te Amsterdam, en bereid mij voor op de reis; ik bereid mij voor met ongeveer dezelfde vreugde als die, waarmede gij in vredestijd uw sweaters en pelsjasjes en mutsen te zamen zoekt om een Kerstvacantie in Grindelwald of Sint Moritz te gaan doorbrengen.

Mijnsneeuw, lezer, zal modder,mijnhôtel een fort, enmijnGrindelwaldKlei-lustzijn.

Ik zoek dan ook niet zoozeer zaken bijeen, die mij van koude en sneeuw zullen kunnen vrijwaren, dan wel uitrustingstukken waarmede ik mij althans eenigszins zal kunnen wapenen tegen onaangename zaken, als daar zijn: spattend slik, springend ongedierte, een middelmatige keuken en een lakenloos nachtleger.

Zoo ziet ge, dat mijn bagage er een van andere soort zal zijn dan de uwe, wanneer ge naar uw wintersport gaat. Ik—ook niet dom—combineer de Cresta-run met het Modderbad, drink heilzame wateren, eet bruin brood, en wandel bij muziek (militaire)... en dit alles onder den rook van Amsterdam, met vrij vervoer, en met eene bezoldiging van twintig cent per dag!

Haha, lezer! Ik zie afgunst in uwe oogen! Gij zult den heelen winter in Amsterdam zijn om u te laten plukken op liefdadigheids-bazars, om eetverplichtingen na te komen, en digestie-visites te maken....

En ik ga den heelen winter naar buiten.

Dit bedenkende, ga ik met dubbelen ijver voort met het pakkenvan mijndressing-case.... of liever ransel; ik stapel pakjes zeep en blikkencorned-beefop doozen insecten-poeder, en van tijd tot tijd werpt een vriendelijke hand een worst of een zijde spek tusschen de tot inpakken gereed liggende laarzen en lijfgoederen.

„Zult ge,” vraagt tante Adolphine, „vriendelijk tegen uwe meerderen zijn? Wie houdt nu zulk een fort schoon, waar zoovele jongelui bijeen zijn? Is er een portier, die uwe brieven en boodschappen aanneemt?”

Ik verzeker haar, dat mijne meerderen zich niet over hondschheid mijnerzijds te beklagen zullen hebben, dat een tiental schoonmaaksters en huisknechten mij en „de andere jongelui” keurig zullen verzorgen, en dat een rijk gegalonneerde portier steeds bij de fortbrug gereed staat om, natuurlijk tegen eene kleine belooning, brieven, boodschappen en handkoffers aan te nemen.

Tante Adolphine is gerust gesteld, en zij biedt mij haar auto aan, om daarin naar het fort te rijden.

Indien het eenigszins mogelijk is, zal ik dat aanbod aanvaarden.

Wanneer?

Lezer, wanneer dit schrijven onder uwe oogen komt, zal ik er reeds zijn.

Het afscheid heeft plaats op hetzelfde oogenblik dat ik deze regelen schrijf.

En, wanneer zij u, tot strengen lettervorm gevoegd, onder de oogenkomen, dan zult gij niet weten, dat op deze plaats van het manuscript een dikke, zware traan gevallen is.

Dat is het geheim van den zetter en mij, nietwaar zetter?G)

En, indien gij er toch achter mocht komen, dan wil ik hieraan toevoegen, dat het geen traan van zelfbeklag of weeklijkheid was, verre van dien.

Het was een gelegenheidstraan!

Zooeen van de soort, waarvan tante Adolphine er 10 à 11 storten zal op het oogenblik, dat ik, geheel toegerust, in haar auto zal wegrijden.

Een afscheidstraan van Amsterdam, zooals iedere handelsreiziger er 365 per jaar schreit.

Want Amsterdam en hare behagelijke kazerne is mij zoo lief geraakt; men zegt wel eens, dat het hôtelleven iemand onhuiselijk maakt.

Mijne ervaring is geheel tegengesteld aan dat begrip.

O! ik weet zeker, dat ik mij direct thuis en behagelijk zal gevoelen in Klei-lust... ik zal er een tuintje aanleggen, om tegen het volgend voorjaar elken morgen radijsjes aan het ontbijt, en 's avonds geregeld asperges aan het diner te hebben....

Ik ga een kip houden, en snoeken visschen....

En den geheelen winter exerceeren....

Lezer, ik beloof u geregeld te zullen schrijven over mijn wintersport.

Daar is tante Adolphine's chauffeur.... hij moet vragen of mijnheer zijn ski's en schaatsen mee wil nemen, en dat mijnheer zijn overschoenen niet vergeten moet.... Ik zal hem uitsturen omnòg een doos insectenpoeierte halen, eneen pakje B. Z. K. pruimtabak....

G)Noot van den zetter: „Jawèl! Wees gerust!”

J'y suis...en ik zal er moeten blijven ook. Terstond na mijn aankomst, haastte ik mij, tante Adolphine van mijn voorloopig behouden-zijn op de hoogte te brengen, in ongeveer de volgende bewoordingen:

Klei-lust—Jan. 17.

Hooggeschatte Tante.

Uw auto heeft mij snel, helaas àl te snel, naar mijnWinterkurortgebracht. Om u maar direct de waarheid te zeggen: ik ben nog nooit in eenig hôtel zoo vreemd ontvangen. Het was, alsof ik allesbehalve welkom was, en een brutale indringer. Nu weet niemand zoo goed als gij, hoe weinig deze tocht met mijn persoonlijk initiatief uitstaande heeft, en hoezeer het voornemen er toe beïnfluenceerd werd door Hoogerhand. Desondanks gedroeg men zich jegens mij, zooals ik dat wel eens ondervonden had in hôtels, in de haute saison, wanneer ik weinig bagage had, of mijn komst niet telegrafisch vooruit gemeld had.

Het vreemde is, dat in dit geval een telegram mij vooruit gegaan was, dat ik bagage had (een kist van de kleur en afmetingen eener gemiddelde salon-pianino-met-pianola-aanbouw) en dat het seizoen het goede niet is... de wintersport is uit, en de sneeuw is versmolten tot kwalijk riekende, vette teel-aarde. En tòch, tante, ontving men mij als een indringer.

Licht blozend om het pijnlijke dier situatie, volgde ik eenchasseur-à-piednaar hetrez-de-chaussée-vertrek, dat ik met een twintigtal andere logeergasten deel.

Het was er duister, want het eenige venster was zoo groot als een „Palthe-doos,” en bovendien ten halve gesloten.

Intusschen bleek mij aanstonds, dat mijne twintig adsp. kamermakkers zich reeds zoozeer geassimileerd hadden aan deze nooddruftige toestanden, dat zij blijkbaar kans gezien hadden, met hun twintigen mijn aankomst door deze halve palthe doos te bespieden.

Tenminste, zij riepen, doelende op uw fraaie limousine, als in koor „heijeveelgeldmeegebracht?”

Ik begreep dien kreet niet aanstonds, maar, instede van hem zoo phonetisch-juist mogelijk te herhalen, vraagde ik: „pardon?”

Weer riepen zij, nu duidelijker accentueerend:

„Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?”

Der waarheid getrouw haastte ik mij te antwoorden:

„Twee-gulde-vijf-en-zestig-cente, een zilverbon en twee pietjes.” Op dat oogenblik bedacht ik, dat de Amerikaansche tol-beambten dezelfde, oppervlakkig ietwat onbescheiden lijkende, vraag aan vreemdelingen plegen te stellen.

Reeds tastte ik naar mijn beursje, om mijne bewering waar te maken, toen een der vriendelijkste heeren zich ten halve van zijn bed verhief, en riep: „Wat mot je!”

Iet of wat stotterend zeide ik, met een lichte buiging: „Mijn naam is Stoke.”

Hij lachte honend, alsof ik gezegd had: „mijn tante heet Adolphine,” en gaf toen van zijn geringe belangstelling blijk, met de woorden:

„Kamme niks verdomme, wat mòt je?”

Toen zocht ik eenige oogenblikken naar een populaire uitdrukking, teneinde hem van repliek te kunnen dienen, en vond er inderdaad eene, die ik met een gelaat, stralend van zelfvoldoening, uitsprak:

„Had je me maar!”

Hoewel dit antwoord evenmin voor snedig als voor buitengemeen passend kon doorgaan, bracht het mij eenige sympathie van de zijde mijner makkers, en reeds stonden wij op het punt gezamenlijk een lied aan te heffen, toen de verbroederingsdroom wreedelijk verstoord werd door een superieur, die mij naar een ander vertrek voerde, dit hebbende twéé palthe-doozen en een nis aan de achterzijde, en dat bestemd bleek voor mij en een twintigtal andere krijgsknechten.

Ik zal u niet vermoeien, tante, met de geschiedenis der nieuwe kennismaking, of met de omschrijving der geuren, waarmede de atmosfeer dezer bij uitstek kleine ruimte bezwangerd werd, en die opstegen uit een walmende pot metharen(= zuurkool) en uit eenige andere wierookvaten en vaatwerken.

Te middernacht lag ik te bed; de geuren waren als lauwe walmen om mij heen; wanneer ik het hoofd méér dan twee centimeters van het stroo-kussen ophief, bezeerde ik het aan de ijzeren matras van mijn bovenbuurman. Op de boot en in den trein is een bovenbuur in decabinlastig, op een fort is hij onuitstaanbaar. Wanneer hij even woelt, kraakt de roestige kribbe verdacht, en een wolk van stof en stroohalmen daalt op den argeloozen beneden-man. Het werd één uur.

Men walmde, kraakte, nieste, snorkte en riekte.

Het was, alsof het bovenbed langzaam dalen ging, om mij te verpletteren; ik was koortsig en benauwd. De stroohalmen kieteldenmij... en men bleef walmen en snorken. Toen, tante, draaide ik mij om... en ziet, de natuur kwam mij troosten.

Door een der geopende palthe-doozen ontwaarde ik een vaag landschap: wat wazige boom-silhouetten tegen een bewolkten nachthemel, waardoor het maanlicht vreemde schaduwen en lichtvlekken deed drijven. Nu en dan liet een wolk een stukje donkeren nachthemel vrij, met een troostend sterretje erin: ik moest denken aan de taart mijner kinderverjaardagen, waarvaneen-stuk-met-een-kersjehèt ideaal was...

De nachthemel zag er zoo frisch uit... maar zoo vèr. Maar hij gaf mij de illussie vanbuiten-te-zijn. „Ik ben buiten” herhaalde ik een paar malen bij mijzelven:

Ik woon nu heerlijk buiten...

En met die troostende gedachte, sliep ik, walm en nies en snork ten spijt, rustig en berustend in...

***

Lezer hebt ge wel eens eenaardappelgezien? Neen, ik meen nu geenpommes-frites, ofpommes-paille; ik bedoel zelfs niet depommes-de-terre-en-robe-de-chambre, die ge als natuurgerecht met rustieke fierheid op uw tafel doet brengen; dit zijn altemaal degeneraties vanhet begrip aardappel.

Ik meen eenaardappel, geen gekookte of gebakken luxe-aardappel, en geen verwijfd-reine aardappel, zooals die in een kelderkist ligt, maar een doodgewone aardappel.

Ziet, daar staat ge nu!

Een aardappel, luister nu, is in den natuurlijken staat eenbonk klei; wanneer ge met een vlijmscherp pennemes de omgevende humuslaag voorzichtig verwijdert, stoot ge op de aardvrucht zelve; deze heeft de grootte van een gemiddelde rose oliebol!

Van zulke aardappelen, lezer, maak ik er iederen morgen vijf of zes, al naar men mij daarvoor één of anderhalf uur den tijd geeft, voor de consumptie gereed.

Des morgens drijft men mij en mijne kameraden naar een houtenloods, die tot opslagplaats van landbouw- en oorlogsmateriaal dient, te oordeelen naar eenige spaden, eggen en————H), die daar opgeslagen staan.

In deze loods dan, werden wij te hoop gedreven, en zullen wij in den vervolge iederen morgen te hoop gedreven worden, om aardappelen te jassen.

Jassen is een kunst.

Menschilteen appel,pelteen sinaasappel, dochjasteen aardappel.

Ook ik jaste.

Daartoe deed ik, zooals mijne kameraden deden; nam plaats op een lage tabouret, scherpte het overigens reeds vlijmscherp pennemes aan den schoenzool... en... jaste.

Ik jaste voorzichtig, en slaagde er in, in anderhalf uur tijds vijf aardappelen, te weten: 2 groote, één middelsoort, en 2 kleinere, in blanke vruchten te doen verkeeren.

Aanvankelijk ondervond ik eenigen tegenslag; uit de eerste aardappel, die ik kerfde, kwam iets te voorschijn: het was een zesvoetig insect, dat zich bliksemsnel verwijderde in de richting van mijn jassende hand.

Ik slaakte een gil, en liet de vrucht vallen; deze spatte uiteen op een stuk veldgeschut, dat daar toevallig stond, en danig bevuild geraakte.

„Kààk uit!” snauwde zekereUiltjesbroekersma, een Fries, die naast mij jaste: „ik zal je het fort naar je hoofd gooie!” Aangezien het fort te Kleilust groot en zwaar is, verbeet ik mijn woede, en greep een nieuwe aardappel.

Ditmaal was het een werkelijk buitengemeen groot exemplaar, omgeven door een dikken humuslaag. Na deze voorzichtig verwijderd te hebben, sneed ik, zuinigheidshalve, in dunne vliesjes de schil weg, want ik herinnerde mij, dat een aardappel vlàk ónder de schil het voedzaamst is. Er bleef, na een half uur jassens, een groote blanke vrucht over; maar deze staarde mij uit zoovele lodderige oogen droevig aan, dat ik besloot de enucleatie toe te gaan passen, m.a.w. al deze oogen uit hunne kassen te verwijderen. Na een ander half uur opereerens, staarde ik op een vreemd gevormde vrucht, vol diepe en ledige, netjes schoongekrabde oogkassen.

Maar, het mocht dan drie kwartieren arbeids vertegenwoordigen, het was een prima consumptie-aardappel; wel niet om van te watertanden (er waren duidelijk zichtbare afdrukken op van mijn vettig-zwarte vingers, dit kwam door het stuk geschut, dat ik getracht had te reinigen), maar dan toch een prima aardappel.

„Nou?” zei ik fier tot den naast mij zittenden man, dieUiltjesbroekersmaheette, en een Fries was,—„nou? Had je me maar?” Ik lachte populair.

Maar hij haalde minachtend de schouders, en smaalde: „Snij em es door!”

Ik sneed de consumptie-aardappel door.

Deze bleek van binnen verrot.

Alle arbeid was tevergeefs geweest...

Zoo zult ge het slechts kunnen waardeeren, dat ik nog de wilskracht bezat, kort achtereen, één middelsoort- en twee kleine aardappelen te jassen.

Ook mijne vrienden namen nieuwe aardappelen ter hand, en, onder het werk zongen wij ... deInternationale.

„Hou je bekke!” riep de sergeant.

Toen hieven wij, schoon verschrikt, het altijd zoo aardige lied aan van:

„Weet je al van kóóóóssie”

en daarna het onschuldige:

„„Bai-Bai demoer”,„Me zuster zit voor de piáááno!”

dat feitelijk beduidt:

„Bébé d'amour”.

Dit vertelde mij mijn buurman, zekereUiltjesbroekersma, geboortig uit Friesland.

H)Door den censor geschrapt.

Kleilust, Jan. 1917.

Goede burgers! Ge hebt allen gesidderd bij het vernemen der formaliteiten, waaraan ieder, die zich naar het buitenland wil begeven, zich heeft te onderwerpen. Achter op lijn 2 hebt ge tegen uw medereiziger gezegd: „dat dat voorloopig nog wel zoo blijven zal, ook nà den oorlog.” En daarna hebt ge gezamenlijk, tot schrik en verbazing van den conducteur en den trammenden slagersknecht, anecdoten opgehaald van arrestaties aan de Russische grenzen, en over beroepspassenvervalschers in Griekenland en Siberië....

Onwetende burgers! Ge kent niet het verschrikkelijke van eenbinnenlandsche reis. Ge weet niet, aan welke gevaren en bezoekingen een reizende soldaat in uniform, zelfs een in burgerkleeren, bloot staat tusschen Utrecht en Amsterdam of aan de stations te Rotterdam en te 's-Gravenhage.

Overal staat men gereed om zijne passen te visiteeren en zijn legitimatie te eischen, aan ieder loket weigert men hem een kaartje, wanneer hij niet bewijzen kan, dat hij er een koopen màg.

Zoo zijn de loerende kameraden en meerderen, op Vaderlandschen bodem hem vaak noodlottiger, dan Russische grens-ambtenaren het een reizenden jood of nihilist, Grieksche contra-spionnen het een voortvluchtigen spion zijn...

Let eens op, wanneer ge aan een groot station door de contrôlesnelt, om nog een taxi te vinden, buiten; let eens op, en bemerk de daar posteerende militairen, die tusschen den stroom der burgers op uniformen loeren! Zie dan, hoe gretig zij elken soldaat om pas en legitimatie vragen, en, wanneer ge er een kwartiertje voor over hebt zult ge bemerken, dat er daar in dat tijdsverloop méér worden gevat en teruggezonden, dan zulks aan de Russische grenzen in een half jaar geschiedt.

Rijd eens langs de wegen, die het verdedigde platteland met de stad verbinden; ge zult daarlangs des avonds heele optochten van fietsende soldaten zien. Zij mògen weg van hun forten, maar, zelfs voor hun eigen kosten, mogen ze niet per trein reizen. Die menschen hebben er dagelijks eenige uren fietsens voor over, om hun gezin even te bezoeken.

Dit alles, goede burgers, heeft een doel.

Dat doel is, dat gij voldoende steenkolen zult overhouden, om uwe kachels te stoken, om electrisch licht te hebben, om te trammen, en om—zij het dan ook slechts tot middernacht,—in verlichte koffiehuizen te kunnen zitten.

Alles heeft zijn prijs.

Ge kunt reizen, zooveel ge wilt, en zònder passen-ellende. Wij, soldaten, kunnen van tijd tot tijd reizen, en dan nog slechts op vertoon van een pas.

Zoo sparen de spoorwegmaatschappijen kolen.

Alles heeft zijn prijs.

Immers, wanneer het verlangen naar huis eens een dag héél sterk in ons is, dan pompen wij onzen achterband op, en fietsen een uurof wat, en, indien wij wèl een gezin, maar geen rijwiel kunnen houden, nu, dan slikken wij ons verlangen maar in, en houden het oog gevestigd op het maandelijksch verlof.

Want er is kolen-nood.

Ja, ja:pourvu qu'ils tiennent, les civils!!

***

Wanneer ik een winkel had, zeideGerrit, en ik bang was voor mijn concurrenten, dan zou ik het volgende doen: Ik huurde een groot huis, met veel étalage-kasten. In die étalage-kasten zette ik àllen voorraad dien ik had. De winkel zelf bleef ledig; alleen moesten er een paar vroolijk uitziende winkeljuffrouwen rondloopen. Ik zelf hing een zware horlogeketting op mijn buikje, en antwoordde iedereen, die iets anders wenschte, dan in de uitstalling lag: „het is uitverkocht maar reeds na-besteld!”

Zoo'n winkel is de Leger- en Vlootfilm. Het is een étalage, en binnen loopen soldaten met vroolijke gezichten.

„Ik wist niet, dat we zooveel paardenvolk hadden”, zei een juffrouw naast me, toen zedecavalerie-brigade voorgesteld zag alseenige regimenten cavalerie.

Toen de torpedobooten voorbij-joegen, maakte ze geluiden van ontzag: op het juiste oogenblik verduisterde het beeld, om een nieuw te doen verschijnen.

De duikboot herinnerde aandezakdoek van het verarmde adellijke geslacht.

Demunitie-fabriek werd alseenmunitie-fabriek met zwierige nonchalance aangekondigd.

De afdeeling luchtvaart was een sport-evenement, het anti-aircraftgeschut een surprise, en de 12-cm.-lang-batterij een min of meer geslaagde aardigheid.

Maar wat goed was, dat warenwij. Wij tirailleerden in de duinen, dat het zoo-maar niets leek, wij zwommen en turnden en fietsten,zooals wij inderdaad allen doen. Wij marcheerden in dubbele-marsch-colonne over de hei, alsof er geen gaten en struiken waren, en men juichte ons toe, toen wij, over hekken en sloten jagend, een spoorwegdijk bezetten.

Opeens herkende ik Ari, die naar het veldleger vertrokken is. Hij stond op een pontonbrug, schuin achter een divisie-commandant, en ik zag hem zoo vlak in zijn gezicht, dat ik moeite had niet luidkeels uit, te roepen:

„Hoi, kameraad! Amodjô!”

Ari keek zoo glunder, alsof hij mij erkende, maar de divisie-commandant stond er bij, dus hij kon niets doen.

Plotseling maakte Ari een dwaas gebaar, met zijn hand aan zijn veldmuts.

Hemel—dacht ik bij mezelf—als die divisie-commandant eens omkeek!

Ari greinsde, trotsch op zijn moed.

De divisie-commandant had niets gezien, „gaf geen sjoege” zooals Ari en ik dat noemen, en rookte rustig een sigaar.

Ari was gered! Branie was het tòch geweest.

Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam op eens een akelig gevoel in mij op: als die divisie-commandant eens naar de bioscope ging... en hij herkende Ari, die toch bij het veldleger is...

Maar intusschen kwam er een verblijdend en geruststellend krantenbericht, dat luidde:


Back to IndexNext