The Project Gutenberg eBook ofVan Aardappel-mes tot OfficiersdegenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Van Aardappel-mes tot OfficiersdegenAuthor: Melis StokeIllustrator: Is. van MensHenry van de VeldeRelease date: July 31, 2010 [eBook #33297]Most recently updated: January 6, 2021Language: DutchCredits: Produced by Frank van Drogen and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN AARDAPPEL-MES TOT OFFICIERSDEGEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Van Aardappel-mes tot OfficiersdegenAuthor: Melis StokeIllustrator: Is. van MensHenry van de VeldeRelease date: July 31, 2010 [eBook #33297]Most recently updated: January 6, 2021Language: DutchCredits: Produced by Frank van Drogen and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net
Title: Van Aardappel-mes tot Officiersdegen
Author: Melis StokeIllustrator: Is. van MensHenry van de Velde
Author: Melis Stoke
Illustrator: Is. van Mens
Henry van de Velde
Release date: July 31, 2010 [eBook #33297]Most recently updated: January 6, 2021
Language: Dutch
Credits: Produced by Frank van Drogen and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN AARDAPPEL-MES TOT OFFICIERSDEGEN ***
Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.Een inhoudsopgave ontbreekt in het origineel en is daarom toegevoegd aanbegin van het boek.Een volledig overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.
Een inhoudsopgave ontbreekt in het origineel en is daarom toegevoegd aanbegin van het boek.Een volledig overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.
VAN AARDAPPEL-MESTOTOFFICIERSDEGEN.Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.door„MELIS STOKE”.Illustraties van I. VAN MENS, HENRI VAN DE VELDE e.a.AMSTERDAM,VAN HOLKEMA & WARENDORF.1917.
Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
door
„MELIS STOKE”.
Illustraties van I. VAN MENS, HENRI VAN DE VELDE e.a.
AMSTERDAM,VAN HOLKEMA & WARENDORF.1917.
GEDRUKT IN „'T KASTEEL VAN AEMSTEL”, AMSTERDAM
OPGEDRAGENAAN ALLE OFFICIEREN, DIE WETEN WILLEN„WAT ER LEEFT IN DEN RECRUUT”.
InhoudsopgaveBlz.TWEE BRIEVEN.5I.5II.10UIT HET MILITAIRE DAGBOEK VAN MELIS STOKE.12KANTTEEKENINGEN VAN EEN LANDSTORMPLICHTIGE.15I.18II.23III.27IV.34V.41VI.46VII.54VIII.59IX.66X.72XI.77TWEEDE GEDEELTE.82TUSSCHENWOORD.82VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.86I.86II.90III.97IV.103V.111VI.119VII.125VIII.129IX.134NASCHRIFT.139
VAN MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, AAN DEN BURGER, DIE HIJ EENMAAL WAS....
Amsterdam, Maart 1916.Aan den vooravond der inlijving.
Mijn zeer waarde,
Dit is een afscheidsbrief... Alle afscheidsbrieven die geschreven zijn, worden, en zullen worden, zijn in drie categorieën onder te brengen, te weten van stervenden, van zelfmoordenaars en van ter dood veroordeelden. Deze draagt de kenmerken van alle drie die soorten. Men gaat mijn burger-ik vermoorden, ik ga mij daartoe aanmelden, en ik voel de banden verslappen die mij binden aan het burgerlijk deel dezer samenleving.
Deze regelen zijn, door het koelbloedig bewustzijn van den schrijver, van zeer tragischen aard; de eenige vreugde die mij nog wacht, zal zijn, dit schrijven persoonlijk te posten; ik stel mij voor, dit te doen op dezen zelfden vooravond, wellicht ook morgen, onderweg naar het lokaal, waar ik mij te melden heb voor den militairen dienst, waar de duisternissen grijnzen van den persoonlijken ondergang...
Ik kan u het gevoel van physiek ònbehagen, dat mij reeds bij voorbaat bevangen heeft, bezwaarlijk omschrijven, het is me, of ik noodgedwongen toegetreden ben tot een derde-rangs voetbalclub of rooverbende, of dat men mij dwingt, in dienst te treden der stadsreiniging... dien tak van dienst, waarover zindelijke heeren in mooie vertrekken beraadslagen, en waarvan de uitoefening is opgedragen aan kwalijk riekende riool-ledigers...
Over eenige uren, wanneer ik onder den krijgstucht zal staan, zal ik deze dingen niet meer mogen schrijven... ze wellicht niet eens meer gevoelen...; dit is mijn galgemaal aan den disch van gal en bitterheid.
Het ontbreekt mij niet aan goeden wil, of vaderlandsliefde; integendeel!
Maar ik voel mij zoo slecht geprepareerd op het mij wachtende werk; men spreekt mij van dwijlen en zwabberen...
Het schijnt, dat de aankleve van het krijgsbedrijf onvoorwaardelijk ònsmakelijk moet zijn; mijn hemel, ik wil graag exerceeren, ook in den modder, en een geweer afschieten... Maar waarom moet ik mijn kleeren zelf van dien modder reinigen, en dat geweer zelf schoonmaken... Ik wil wel met vieze kerels in één kamer slapen; dat doet men in de bergen ook wel, met zijne gidsen... maar nog nimmer heb ik een Alphenhut behoeven te dwijlen.
Men zegt mij, dat het in zoo'n kazerne aan de minst pretentieuse vormen van bediening ontbreekt; zoo'n kazerne is een énorm groot gebouw, grooter dan welk hôtel ook. Stel u voor... een hôtel zonder één knecht of loopjongen of kamermeisje of schoonmaakster of kellner...
Waarlijk, het duizelt mij... moeten wij dat alles, àlles zèlf doen: schoonmaken, bedienen, boodschappen doen, schoenen poetsen, bedden opmaken...
En dat àl dat werk tezamen zoo een mooien naam heeft: krijgsbedrijf.
Ik word niet alleen soldaat, maar ook knecht, loopjongen, kamermeisje, schoonmaakster en kellner...
Ik moet dat alles worden...; het eenige, wat ik goed kan is schieten, en een beetje schermen... helaas, dat zijn voor een soldaat slechts eigenschappen van secundair belang. Geef mij een raad: moet ik privaatlessen nemen bij Hendrik, den ouden knecht, bij Jo, mijn moeder's kamermeisje, of Sien, mijn moeder's schoonmaakster? Moet ik bij een loopjongen van mijn vader's kantoor en bij een kellner van het Doelen-Hôtel in de leer gaan?
Of zouden mijne aanstaande superieuren mij voldoende kunnen bekwamen in al die vakken?
Gij kunt mij begrijpen, nietwaar? Wij beiden hebben nooit onze lastgevers erkend dan in hen, die wij daartoe zedelijk hoog genoeg schatten; en onze hoogste lastgeefsters waren de gestrengheid onzer eigen beschaving, en onze bewondering voor 't geen schoon en rechtvaardig was.
Wij behoorden tot de gelukkigen, die hunne ruggen niet behoeven te krommen voor onwaardige en baatzuchtige broodheeren.
Nu gaat het toeval mij andere superieuren stellen... wie zullen ze zijn? Zal ik mij moeten voegen naar de luimen van een waanwijzen oud-kappersbediende, of van een jaloerschen kroegen-habitué met botte hersenen...? Zal een minderwaardige patser, in wien ik wellicht mijn meerdere zal moeten erkennen, zich op mij wreken, omdat ik hem voorheen over het ledige hoofd placht te zien?
Dit alles beklemt mij...
Geef mij een wapen, en ik zal vechten tot den laatsten droppel bloed... maar geef mij een dwijl en een emmer zeepsop, en smartelijk zuchtend zal ik terneerzitten...als een lafaard...
Geloof mij en blijf mijner gedenkenMELIS STOKE.
MELIS STOKE.
RIJM-KRONYCK.
Mijn Landstormlichting komt op...De Koningin doet roerenin 't land de landstormtrom,en duizend jonge krijgersverschijnen van alom...Vaarwel, mijn dier'bre boeken,mijn kamers en mijn hond,mijn vrienden en vriendinnen...Ik staar nog ééns in 't rond,en streel mijn armen Setter,en 't liefelijk whisky-stel...Ge zult mij niet vergetenof hoonen, is het wel?De zoete schijn der lampen,de glimmers in mijn haard,mijn pijpje en mijn huisjas,en 't geen er was vergaardaan wetenschap en schoonheidin d'eiken boekenschrijn...het zal m'in twee, drie dagenzoo vèr en dierbaar zijn.
Mijn Landstormlichting komt op...
De Koningin doet roerenin 't land de landstormtrom,en duizend jonge krijgersverschijnen van alom...Vaarwel, mijn dier'bre boeken,mijn kamers en mijn hond,mijn vrienden en vriendinnen...Ik staar nog ééns in 't rond,en streel mijn armen Setter,en 't liefelijk whisky-stel...Ge zult mij niet vergetenof hoonen, is het wel?De zoete schijn der lampen,de glimmers in mijn haard,mijn pijpje en mijn huisjas,en 't geen er was vergaardaan wetenschap en schoonheidin d'eiken boekenschrijn...het zal m'in twee, drie dagenzoo vèr en dierbaar zijn.
(Vertroosting aan Melis Stoke van George van Raemdonck)Mijn prima tennis-racket,mijn hagelnieuwe fiets,zal 'k u nog ééns beroeren,belooft ge mij nog iets?...Ik ga een brits beslapen,met òndergoed aan 't lijf,en bruine boonen eten......ik ril terwijl 'k dit schrijf!***Ach, ware er bloed te plengenvoor Vaderland en Vorst,dat ware altans sportiever,dan kwatta, kool en worst.Ach, waren er nog anderegevaren in het spel,dan vlooien, of dan zuchtenin een bedompte cel...Dàn zoude ik vroolijk juichen,en 'k had' mijn bajonetaan den meest blanken slijpsteeneens extra-scherp gewet...A)Helaas, het geldt niet vechten,doch loopen in de pasmet een belachelijk mutsjeen in een grijzen jas...***De koningin doet roerenin 't land de landstorm-trom...'k Ben lichting 1912en weerbaar... dus ik kom!
(Vertroosting aan Melis Stoke van George van Raemdonck)
Mijn prima tennis-racket,mijn hagelnieuwe fiets,zal 'k u nog ééns beroeren,belooft ge mij nog iets?...Ik ga een brits beslapen,met òndergoed aan 't lijf,en bruine boonen eten......ik ril terwijl 'k dit schrijf!
***
Ach, ware er bloed te plengenvoor Vaderland en Vorst,dat ware altans sportiever,dan kwatta, kool en worst.Ach, waren er nog anderegevaren in het spel,dan vlooien, of dan zuchtenin een bedompte cel...Dàn zoude ik vroolijk juichen,en 'k had' mijn bajonetaan den meest blanken slijpsteeneens extra-scherp gewet...A)Helaas, het geldt niet vechten,doch loopen in de pasmet een belachelijk mutsjeen in een grijzen jas...
***
De koningin doet roerenin 't land de landstorm-trom...'k Ben lichting 1912en weerbaar... dus ik kom!
A)Als Melis Stoke maar eerst eens afgeëxerceerd is, zal hij begrijpen, dat hij nooit met een slijpsteen aan zijn bajonet mag komen! [Corr.]
VAN DEN BURGER, DIE MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE ZAL WORDEN, AAN ZIJN MILITAIRE ZÈLF.
Mijn allerminst verachtelijke, en in zekeren zin benijdenswaardige vriend!
Ja zeker, ik noem u benijdenswaardig! Gij gaat de vreugde beleven, van uw eigen-zelf, te mogen toetsen aan het ruw klimaat der militaire samenleving. Voorzeker, het is een proef, waaruit ge evenzeer als een beest, zoogoed als gelouterde Phoenix te voorschijn zult kunnen komen. Ik vertrouw op het laatste. Ge houdt al te zeer vast aan wat ge noemt uw burger-ik. Ge houdt mij echter ten goede, dat ik deze term stempel met de qualificatie: bekrompenheid. Uw eigen, sterke Zelf is verheven, of behoort dat te zijn, boven zuiver uiterlijke invloeden van civielen of burgerlijken aard. Wat doet het er toe, of een schoone vrouw u laat dansen naar haar grillen, of dat een afgunstige onderofficier u zijne kwade luimen doet ondergaan? In beide gevallen is uw persoon onderworpen aan van hoogerhand gestelde krachten: in het eerste geval de eeuwige kracht Vrouw, in het tweede de tijdelijke overmacht van vak-kennis.
Leer de vrouwen kennen, en ge zijt hun slaaf niet meer; geef u de moeite eenige reglementen uit uw hoofd te leeren, en geen macht zal u weerhouden zelve tot den rang van onderofficier of officier op te klimmen.
Mijn raad is zoo simpel: cultiveer uw krachtig zelf. Mijn zeer waarde, van af ons eerste levensuur warm wij tesamen, en nóg kennen wij elkander niet volkomen... wie zal ooit zijn dubbel-ik leeren doorgronden? Eerder nog begrijpt men de verzwegen gevoelens een er beminde gade. Daarom zullen wij elkander niet observeeren, het zou tot niets dienen; wie zijne vrouw blijft gadeslaan kweekt eerder misverstand dan wederzijds vertrouwen.
Veeleer is het de heilige impuls van het Goede dat ons, mits vrijvan afleidende ijdelheden, handelen doet. Zoo is het met ons dubbel-ik, het militaire en het civiele; de maatschappelijke verhoudingen doen ons, als in een huwelijk onafscheidelijk voor elkander bestemd zijn.Het kind dat geboren wordt, is in onze maatschappij door zijn geboorte-uur tot eene militie lichting aangewezen...
Er is slechts één enkel ding, dat ik, uw burger-ik, u in het militaire bestaan kan medegeven; het is niet iets materieels, als worst of kaas of ham... dergelijke zaken krijgen Pruisische soldaten mee, want hun burger- en militaire-zelf zijn niet verscheiden... Wat ik, uw burger-ik, u kan meêgeven is het kostelijk bezit der Humor!
De Humor is de heerlijke gave, die het slechte vergefelijk en het goede genietbaar maakt, die den leugen als een dwaling, en de waarheid als natuurlijkheid doet zien, en die de schijnbare onrechtmatigheden en verschillen nivelleert tot ééne vlakte van wijd uitzicht en waarachtigen eenvoud.
Voorzeker, hetismoeilijk uw zelf-cultuur te onderwerpen aan uniforme tucht, maar het is beter, en moeilijker nog onder dien schijn van willekeur den utiliteitsgrond te blijven voelen. Blijf met uw voeten op dien vasten bodem staan, en hef uw glimlachend hoofd boven de golven van bezwaarlijkheid, die u zullen omspoelen.... wellicht tot aan den mond. En de zoute smaak, die de spatten u zullen schenken, zij u een proefje van 't geen den werkman in zijn dagelijksch eten hindert.
Tot nu toe is uw levensfilosofie een volkomen rustig-theoretische geweest...
Wellicht zult ge dat gestijlde gebouw zien ineenstorten, door de factoren van het bezwaarlijk leven, die de omgang met de arbeidende klasse u als on-elimineerbaar zal doen kennen.
Daarom is het, mijn waarde, dat ik u „in zekeren zin benijdbaar” noem.
Geloof mij, en tot wederziens en beterbegrijpen wellicht...UW BURGER-ZELF.
begrijpen wellicht...UW BURGER-ZELF.
10 Maart 1916.
...Ik zit in het lokaal waarin wij, honderden burgers van—hoe wonderlijk—één en dezelfden leeftijd, tezamen zijn gekomen om soldaat te worden.
Honderden kleine drama's op één dag, geduldige lezer, en ge hebt het niet geweten! Ach, dagelijks spelen zich om ons heen duizenden kleine drama's af: een vlieg in de soep, een lekke fietsband van een plattelands-geneesheer, of een kip gestolen... wij weten het niet. En toch zijn het drama's, dramatischer drama's wellicht dan die groote, waarvan de dagbladen ons vertellen, en die ons besef volkomen te boven gaan... een transportschip getorpedeerd, een lange lijst vermisten, een dorp in puin... wiens adem stokt er nog bij?
Onze drama's zijn van minimale belangrijkheid, en wij schreeuwen zóó luid en aanhoudend door elkander, dat ons besef er door insluimert.
Er zitten hier 24-jarigen met baarden, en 24-jarigen met kindergezichten; er zijn hier 24-jarigen wier vrouwen buiten wachten, en 24-jarigen uit wier zakken rollen chocolade van moeder-thuis steken.
Ik wist niet, dat er zóóveel verschillende soorten van 24-jarigen waren! Persoonlijk reken ik mij tot de 24-jarigen, die: „aan een drukke studie- en werkkring ontrukt zijn”.
Ons drama is van uitsluitend moreelen aard! Wat laten wij achter?... wat dictaten, wat half-àf werk, wat onnutte en wat strikt òn-ontbeerlijke zaken... kortom de inhoud van een requisieten-kamer van een tooneelgezelschap dat „gezelschappelijke stukken” vertoont.
Wat de anderen achterlaten, kan ik bij verre na niet nagaan. De man naast mij, naar zijn adem te oordeelen, een ledige jenever-flesch, en die tegenover mij een huilende vrouw... Enfin, dat alles zal ik nog vernemen!
Ik zal een dagboek houden; dat denkbeeld geeft mij wat rust. Daardoor heb ik mijn houding bepaald tot eene beschouwende.
Want ik wist eerst werkelijk niet of ik moest mede-tieren of niet...nu ik mijn houding bepaald heb, gevoel ik mij waarlijk pleizierig.
Of iemand zich voor mijn dagboek interesseeren zal? Ik weet het niet.
De menschen lezen altijd weer over datzelfde simpele thema: de liefde. Waarom zouden ze niet over „den dienst” willen lezen?
De liefde en de krijgsdienst... ze voltrekken zich immers aan iederen levenden mensch!
***
Het getier houdt aan; het is of ik een meeting bijwoon, zonder sprekers.
Toch, er is er een; hij draagt uniform en beklimt een stoel. Meer uit nieuwsgierigheid dan eerbied verstomt het getier.
„Vanaf dit oogenblik”, zegt de redenaar, „staan jullie onder militairen tucht”.
Het gehuil verdubbelt...
Men voert ons met vieren de stad door.
Mijn broer wenkt mij toe uit een venster.
Ik glimlach... ietwat zuur.
Vrouwen loopen mede met den stoet, havelooze vrouwen.
Opeens vind ik mijn jas veel te mooi; ik zet mijn kraag op...
Vreemd... dit is het eerste „sociale gevoel” van mijn leven...
Daarom moet ik, ditmaal oprecht, even lachen...
***
De rest is een roes...
Wij naderen de kazerne... wij gaan het hek binnen... het volk blijft achter.
Een kort, reëel besef van het feit: dat wij nu „soldaten onder elkaar zijn”.
Inderdaad, er is geen vrouw op het wijde kazerneplein te ontdekken; maar des te meer soldaten.
Ik heb nog nooit zulke soldaten gezien; ze dragen geen blinkende uniformen en wapenen, maar grauwe kleeren, vol modder; zooiets als schoonmaaksters, maar dan in het mannelijk.
Een naamloos wee stijgt mij naar de keel: aardappelenschillen... dwijlen... emmers... zeepwater......!!!
Een roode sergeant-majoor leest ons de krijgsartikelen voor; hij vergeet komma's en punten.... begrijpt de moeilijk-officieele zinswendingen zelf niet.
Telkens verheft hij even den stem, dan hooren wij: „doodstraf”, „dood door den kogel”, „de kogel”.De man naast mij siddert; ik ben veel banger voor de aardappels en het zeepwater en de dwijlen.
Men brengt ons naar groote slaapvertrekken.
Ik val neer op een vuilen ijzeren krib; mijn mooie jas kreukt....
Een handvol cigaretten geef ik om mij heen.
Zwarte, vuile handen zijn gretig naar mij uitgestrekt.
Ik geef nòg meer cigaretten... mijn koker is leeg... er is er geen meer over voor mij-zelf.
Dan steekt een der groezelige handen mij een sigaret toe.
„Hier, je heb' er zelf geen meer over!”
Ik kijk verbaasd op. De man lacht wat verlegen: „Ik had 'er twéé genòme!”
Dan lach ik; ook ditmaal oprecht...
Het is het tweede „sociale oogenblik” van mijn leven.
***
13 Maart.
Ik kan nog niet aan mijn dagboek werken. De indrukken zijn tévele. Ik wist niet, dat het volk zóózeer geleek, op de menschen die over „het volk” praten. Men kleedt ons in uniforme kleedingstukken.
Dat is prettig.
***
14 Maart.
Mijn mooie jas hangt thuis. Ik loop nu in uniform, en groet op straat méér menschen dan ooit te voren. Ik ken ze niet eens persoonlijk. Als ik ze niet groet, krijg ik straf.
***
18 Maart.
Neen, het wordt geen dagboek; het worden losse notities... Ik stuur ze in bij de redactie van de „Groene”.
Ik noem ze:
(Notities uit een militair zakboekje, door onzen medewerker Melis Stoke in de omgeving van de Oranje Nassau-kazerne te Amsterdam gevonden.)
RIJM-KRONYCK.
Krijgszangen I.
De Landstorm Recruut vraagt...Ik vraag om werk,...men schenkt mij slappe koffie,wat lijfgoed, twee paar schoenen en een „kug”.B)Ik hoop op „werk”......ha, wij gaan exerceeren......tien tellen... 't sneeuwt... naar de chambrée terug.Ik vraag een pak,...men laat m' in burger loopen,hetgeen géén krijgsmansziel in eere doet'k vraag een geweer...en wilde gaarne vechten......men geeft m' een stoffer slechts, dien 'k voeren moet.Ik vraag de kanseen eerekruis te winnen,doch weet niet hòe een krijgsdaad te begaan,en stiekem hoopik op de Willemsorde,door netjes recht-op voor mijn krib te staan.
De Landstorm Recruut vraagt...
Ik vraag om werk,...men schenkt mij slappe koffie,wat lijfgoed, twee paar schoenen en een „kug”.B)Ik hoop op „werk”......ha, wij gaan exerceeren......tien tellen... 't sneeuwt... naar de chambrée terug.
Ik vraag een pak,...men laat m' in burger loopen,hetgeen géén krijgsmansziel in eere doet'k vraag een geweer...en wilde gaarne vechten......men geeft m' een stoffer slechts, dien 'k voeren moet.
Ik vraag de kanseen eerekruis te winnen,doch weet niet hòe een krijgsdaad te begaan,en stiekem hoopik op de Willemsorde,door netjes recht-op voor mijn krib te staan.
Teekening van Johan Braakensiek.Teekening van Johan Braakensiek.
Ik vraag een post...een postje van vertrouwen,waaraan Gevaar en Eer verbonden zijn,doch mocht slechts ééns—, met twee, drie kameraden,—(om kaas) de keuken in gezonden zijn.Ik wilde graageen vijand gaan bedreigen,doch zie slechts goede vrienden om mij heen,en de sergeantzegt „vent kijk naar je eige,”„Je grootste vijand is je stijve been!”Ik vraag niet meer,het is niet goed te vragen,en draag—leergierig—dus mijn Landstorm-lot.Wanneer ik vraagof ik een zwaard mag dragen,dan ga ik een-twee-drie in het cachot.Conclusie.Dus doe ik zwijgzaam slechts mijn plicht,en komt de vijand,... best!Dan zwaai ik juichend mijn geweer,C)en schiet hem voor zijn t-st.
Ik vraag een post...een postje van vertrouwen,waaraan Gevaar en Eer verbonden zijn,doch mocht slechts ééns—, met twee, drie kameraden,—(om kaas) de keuken in gezonden zijn.
Ik wilde graageen vijand gaan bedreigen,doch zie slechts goede vrienden om mij heen,en de sergeantzegt „vent kijk naar je eige,”„Je grootste vijand is je stijve been!”
Ik vraag niet meer,het is niet goed te vragen,en draag—leergierig—dus mijn Landstorm-lot.Wanneer ik vraagof ik een zwaard mag dragen,dan ga ik een-twee-drie in het cachot.
Conclusie.
Dus doe ik zwijgzaam slechts mijn plicht,en komt de vijand,... best!Dan zwaai ik juichend mijn geweer,C)en schiet hem voor zijn t-st.
B)Soldatenbroodje. Corr.
C)Het geweer heb ik echter nog niet.
Onze analphabeet heet Jacob, en hij is uit de provincie. Intusschen heeft hij gretig gebruik gemaakt van de hem hier geboden gelegenheid, om zich verder te ontwikkelen. Er zijn namelijk cursussen ingesteld in allerlei nuttige vakken, en Jacob was een der eersten die zich vol ijver aanmeldde. Alleen zijn keuze bevredigt mij niet geheel.... Hij koos namelijkstenographie. „Maar och, als je dan toch leert schrijven”—antwoordde hij mij—„dan doe je toch beter het direct vlug te leeren doen!”
Het percentage der Duitsche Nederlanders is in mijn sectie niet klein. Velen hunner zijn voor het eerst in het land, vanwaar hun ouders eenmaal kwamen. Gemeenlijk worden zij, zonder eenige politieke bijbedoeling, aangesproken als „mof”, in bewoordingen als: „zeg mof, hè je een centimeter tabak voor mij?” of „mof, hè je je broodkaart wel meegebracht?”D)Zij doen groote moeite, de in min-of-meer onberispelijk Nederlandsch uitgesproken bevelen hunner sergeanten en korporalen te begrijpen; alleen bij de theorie, (een soort grove hersengymnastiek) ondervinden zij wel eens de bezwaren hunner buitenlandsche educatie.
Het doet mij wel eens wonderlijk aan, te hooren, hoe de instructeur hen ijverig bijbrengt hoe sterk ons leger is, en hoeveel mitrailleurs wij bezitten per regiment.
In verhollandscht Duitsch herhalen zij de getallen, en men corrigeert zorgvuldig eventueele over- of onderschattingen.
Opdat zij goed op de hoogte zullen geraken.
En de regeering is blijkbaar zeer op hen gesteld; dit is nog gebleken, toen het voorstel van B. en W. van Amsterdam, om hen—met het oog op het pokken-gevaar—niet in te lijven, werd afgewezen.
Zij zijn dan ook Nederlanders nu, en dragen onzen uniform. Vanmorgensprak ik met een hunner over den oorlog; „wir” verzekerde mij de Nederlander, „werden siegen!”
Vandaag was het mooi weer. Wij zijn naar een speelterrein geweest, en wij speelden er kat en muis. Kees, die reeds drie kinderen heeft, „was 'm”. Jan, wiens vrouw in de kraam is, werd gepakt, en Karel, die mij vertelde, dat z'n gezin moeite heeft van de uitkeering rond te komen, viel lang-uit op zijn gezicht.
Om half vier waren wij weer in de kazerne, en om kwart over vieren gingen wij naar huis. Ik liep op met Piet. Piet draagt een kwartiermuts op straat, omdat hij geen kepi wil koopen; z'n vrouw kan 't geld wel beter gebruiken. Hij liep zeer snel, want z'n vrouw was ziek thuis. „En ik”—lachte hij—„heb den heelen middag kat en muis gespeeld.... als het ten minste nog maar exerceeren geweest was!”
„Het staat in de reglementen,” antwoordde ik.
„De reglementen hebben het over militieplichtigen,” ontkende hij—„wij zijn geen sn-tneuzen van twintig!”
Toen wist ik alleen nog te zeggen: „jullie trouwen te vroeg!”
Gisteren is mijn kamergenoot Z.... ziek thuis gekomen, en van morgen heeft hij zich opgegeven voor den dokter. Dit geschiedde tusschen reveille en morgenappèl, terwijl wij allen binnensmonds mopperend, de stugge broeken en tunieken om onze nog slaapslappe lichamen heeschen en de beenen omwonden met windsels uit scheurgrage substantie. Deze levée en masse is de onveranderlijk tragi-comische introductie tot een nieuwen dag van reeds lang bekende verdeeling.... en de uren van vrijheid hebben voor mij geen bekoring, wanneer ik ze van tevoren op de minuut bepalen kan. Zoo was dan vanmorgen het ziek-zijn van onzen kameraad een gebeurtenis, en als zoodanig belangrijk.... want, wat er buiten de kazerne geschiedt, blijft voor de vele honderden menschen die het gebouwbewonen onbekend, tot 's middags vijf uur... alswanneer wij het ochtendblad lezen.
De dingen gingen hun gewonen gang, die weinig meer poëtische elementen bevat, dan de reglementen, die hem regelen; want wie zou het wagen de volgorde van: 1e aankleeden, 2e dekens opvouwen, 3e wasschen, op eigen initiatief te veranderen? Slechts schroomvallig veroorlooft de een of andere weeldemensch zich eene uitbreiding in punt 3.
Na de opeenvolging dezer gebeurlijkheden dan, ontwikkelde zich de dag zoo als een roos, nl. op dezelfde wijze als alle reeds verbloeide en toekomstige.
Het weder—naast den bataljons-commandant de hoogste force-majeure—maakte ten slotte verder buiten-zijn onmogelijk, zoodat onze weerbaarheid verdere ontwikkeling verkrijgen zou op de, in dien tijd oppervlakkiglijk van nacht- en consumptie-vuil gereinigde, chambrée. Daar werden, volgens voorschrift, tafels en banken op de ijzeren kribben geworpen, om voldoende ruimte te winnen.... en pas bij deze haastige bezigheid was het, dat wij onzen zieken vriend terug vonden.
Een in allerhaast opgeruimde bank scheerde hem rakelings langs het hoofdkussen en plofte neer op zijn krib....
„Hoe gaat het ermee?” vraagde ik belangstellend.
Hij kroop dieper onder de dekens, en rilde: „koorts!”
Werkelijk, Z.... is geen simulant, en hij vertelde, hoe de korporaal-ziekenvader met zijn horloge in de hand de diagnose had uitgesproken. Er was geen plaats in de ziekenzaal, dus werd hij naar zijn eigen bed verwezen. Ook lange Jan en smalle Barend, twee mijner vrienden, waren inmiddels nader getreden en spanden zich in, leunend tegen het bed, om uit hunne herinnering alle koorts-gevallen met doodelijken afloop op te roepen, waarvan zij persoonlijk getuige geweest waren.
De zieke zweeg, en sloot vermoeid de oogen; toen de anderen zwegen, opende hij ze, en glimlachte: „die ziekenvader hè? zoo goeiïg.... net een wijf, zoo zorgzaam!”
Jan en Barend gingen daarop niet in, doch gingen voort, het ziektegeval te bespreken:
„Hij rilt effectief!”
„Kijk, z'n voorhoofd es bezweet weze!”
„Hij heb de koors!”
De machtstem des sergeants beval ons, in twee gelederen aan te treden.
Even later stapten ruim vijftig landstormplichtigen de chambrée rond, maakten rechts- en links om's, en zwaaiden de armen. Het gloeikousje in de lamp brak in wit stof uiteen, het vloervuil dwarrelde op onder den krachtigen tred, bevelen klonken....
In de krib lag, diep onder zijn wolletje, de zieke.
Hij rilde; hij had „de koors”.
RIJM-KRONYCK.
Krijgsmanszangen II.
Ode aan mijn Wapenrok.Ik heb mijn wapenrok gekregen,en, 's morgens vroeg op de chambrée,dien aangedaan, en toen terdege(pardon) de broek-gesp vastgeregen......en 'k ging als vecht-soldaat in zee...Ik heb mijn rok op straat gedragen,en duizend maal gesalueerd......zoo gaat het voortaan alle dagen......Ik speur naar sterren, streepen, kragen...ach, vélen zijn gegradueerd!Ik streel verheugd mijn gulden knoopen,die talrijk zijn, en bijster mooi...En hang mijn overjas graag open,om goed in 't oog te laten loopen:mijn simpel, koninklijk emplooi!Doch 's nachts als d'anderen „ingemaft” zijn,dan denk ik, starend naar mijn jas:„mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn...„als drie-kwart van ons neergepaft zijn,„en ik... in jou gesneuveld was!...”Wie weet, wat wij nog eens beleven,o jas!... ik denk er dikwijls an......jijbent dan nèt zoo grijs gebleven......alleen ontwaart men, misschien, èven...een gaatje met wat rood d'r an...
Ode aan mijn Wapenrok.
Ik heb mijn wapenrok gekregen,en, 's morgens vroeg op de chambrée,dien aangedaan, en toen terdege(pardon) de broek-gesp vastgeregen......en 'k ging als vecht-soldaat in zee...
Ik heb mijn rok op straat gedragen,en duizend maal gesalueerd......zoo gaat het voortaan alle dagen......Ik speur naar sterren, streepen, kragen...ach, vélen zijn gegradueerd!
Ik streel verheugd mijn gulden knoopen,die talrijk zijn, en bijster mooi...En hang mijn overjas graag open,om goed in 't oog te laten loopen:mijn simpel, koninklijk emplooi!
Doch 's nachts als d'anderen „ingemaft” zijn,dan denk ik, starend naar mijn jas:„mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn...„als drie-kwart van ons neergepaft zijn,„en ik... in jou gesneuveld was!...”
Wie weet, wat wij nog eens beleven,o jas!... ik denk er dikwijls an......jijbent dan nèt zoo grijs gebleven......alleen ontwaart men, misschien, èven...een gaatje met wat rood d'r an...