Chapter 3

Roma Sacra.Naar het Fransch vanF. Bernard.Een weg op Java. Buffelkarren.Een weg op Java. Buffelkarren.Batavia, 7 April.Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen hemel in den winter ’t schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer, beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.Een koelie te Batavia.Een koelie te Batavia.Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf; ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen, neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje, voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein; de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in ’t groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen, zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo’n aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd; maar thans is ’t grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de sluis van pasar Baroe houdt ’t niveau op behoorlijke hoogte; kanalen stellen de Tji Liwong bovendienmet de Kali Baroe in gemeenschap en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende water rechtstreeks naar de zee.Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren, en ’s avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren, wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het, de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend, ’t slijkerige water op doen spatten.Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en ’t koeltje, dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde, zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene terrassen tegen aan liggen.Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in 1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan, dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon worden verdedigd.Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei veroveraars bij beurten het oog laten vallen.Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan de vergetelheid onttrokken.Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland, Noesa Kindang, waar Raksasa’s wonen, en fabelachtige zegepralen volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan; prachtige steden komen als uit den grond op, en de “Duizend Tempels” verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in ’t onmetelijk woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit, d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden komen avonturiers zich scharen onder ’t vaandel van den balling, het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit, het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen, en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het sultanaat Demak, ’t beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van ’t in brand gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders, zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen, oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen, en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij ’t helder licht van den stralenden dag.De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich in ’t stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de godenbeelden leggen.De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter een gordijn van boomen, en vanhet hoogste punt ziet men het mooie dal der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand, de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere rampen. Als ’t menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en ’t Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter, die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend, en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn, onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden, terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij, rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in ’t groot en in ’t klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was, vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden der veroveraars te verdragen.In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten; toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend ongelukkigen werden gedood.In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in ’t verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde, gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van deStreyer. Valckenier stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden van woeste krijgers. In het gras, op de plek dergeslechte wallen liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar ’t schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; ’t geeft den vrouwen, die geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen er haar godsdienstplichten. Voor ’t oogenblik echter heeft het oude kanon rust en is door de geloovigen verlaten.Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes, die nu als winkels in gebruik zijn.En dan, voorbij de citadel, volgt de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan, die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die in ’t water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier vormen men nog onder ’t groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond, en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.Aan boord van deSpeelman, 9 April.Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd, en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen, die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars ook doen.De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er was mij een geestdriftige beschrijvinggegeven van de baai van Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt, om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek derSpeelman.De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar ’t schijnt, het nog woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan, en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna den linkeroever tot de monding.De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen, de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen, die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van nevel of damp en zonder dat toch ’t een of ander hard en onafgerond schijnt. ’t Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel, dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door een beschrijving is weer te geven.Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. DeSpeelmanis uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd, geheel met groen en bloeiend leven overtogen.De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte; ’t is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste, aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard, en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering, de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs; er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak dorstend, het land verwoestten.Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend, en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien, waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak, hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen; de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in ’t laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers, die men moest ontzien.Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger, het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, “ik heb veel geleden”, dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd,en zijn adem heeft het trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen zichzelven beschermd moet worden.Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken, een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem, van achteren als een helm opstaand.Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens, vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen; onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge, stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter, sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied, dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, ’t zij kwijnend of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in ’t onzekere licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets; het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt, word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.Aan boord van deSpeelman, 10 April.DeSpeelmanhaast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen achter in een driehoekige baai, in ’t Zuiden afgesloten door een rij eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee; hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds 1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen, begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun ’t einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo’n schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende, zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst, die gedurende enkele dagen allen vervulden.Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen, die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek, of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne, ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder, dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst oogenblik redding mogelijk zouden maken—en toch, juist uit zee is de ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in; reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken, liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim volgt het op zijn weg.In zulk een lauwe atmosfeer en ’t uniforme licht beginnen droomen zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige expedities, door avonturiers van vroeger op ’t getouw gezet. Mooie verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij ’t bulderen der verouderde kanonnen, en bij ’t verlaten van hun schepen zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars, die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken, waar de zon des avonds schuilgaat.Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden, waar hen nieuwe zegepralen wachtten.Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten, ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte neer en wekten in ’t geheel geen echo’s. De wereld behoorde aan de christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen, die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat de macht, en hij was in ’t bezit der waarheid.Ieder wenschte voor zich een aandeel aan ’t onmetelijke gebied, waarvan men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en ’t was verraad, ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en oude beschavingen vielen tot stof ineen.Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden zij sombere landen, waar ’t banale leven niet genoeg was voor hun ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden; zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het hoofd. Wie onzer zou zoo’n schoonen droom niet willen leven?Aan boord van deSpeelman, 10 April.Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel, en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons den toegang heeft verleend.Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten, moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek, en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord gekomen, opeen manier, die denken doet aan de vermeestering van een gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd, als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben intusschen in ’t minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee, visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen, met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees, de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de bewegingen van het vaartuig.Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen, dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere, minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken, afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen, en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk een wensch niet kan voldoen. Zou ’t zijn, doordat ik ben geboren in een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den grond verbergt, die massa’s donker gebladerte, de smalle, donkere paden lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven, en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen, welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.Padang, 20 April.Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker tocht.Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en de veranda’s dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen omgeven, aan beide zijden van de stille straten.Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is ’t fort Marlborough, reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet, welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto, gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de radja’s van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag van ’t fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari 1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijzeRaffles’ moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar ’t was te vergeefs. Hij moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland gewonnen terrein opgeven.Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was, in ’t geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding krijgen kon voor het verlies van Java.Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar leden een nederlaag tegen de versterkingen, op ’t eiland Gambora opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veelrakit apiuit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd, om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819 had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde, de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van ’t fort Marlborough, waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers zien, in gehurkte houding,onverschillignaar de gele heeren, die het zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije mannen, en zoo’n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de goede wenschen in ontvangst.Tot Padang gaat deSpeelmanvrij dicht langs de kust. Prachtige bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen, des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen, met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune; reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw der zee tot dat des hemels.Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het gordijn, door ’t bosch gevormd, waarachter een zware violette tint zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur, die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land ’t bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al de godsdiensten en dat men dan als ’t eind van alles en als hoogste belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde baai die wijd naar ’t Zuiden open is en naar het Westen door een uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met steenkool te midden van een dicht, zwart stof.Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia ishet een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon, door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een engelschen tuin.De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk; de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel schepen dansen op de golven.

Roma Sacra.Naar het Fransch vanF. Bernard.Een weg op Java. Buffelkarren.Een weg op Java. Buffelkarren.Batavia, 7 April.Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen hemel in den winter ’t schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer, beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.Een koelie te Batavia.Een koelie te Batavia.Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf; ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen, neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje, voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein; de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in ’t groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen, zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo’n aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd; maar thans is ’t grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de sluis van pasar Baroe houdt ’t niveau op behoorlijke hoogte; kanalen stellen de Tji Liwong bovendienmet de Kali Baroe in gemeenschap en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende water rechtstreeks naar de zee.Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren, en ’s avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren, wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het, de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend, ’t slijkerige water op doen spatten.Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en ’t koeltje, dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde, zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene terrassen tegen aan liggen.Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in 1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan, dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon worden verdedigd.Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei veroveraars bij beurten het oog laten vallen.Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan de vergetelheid onttrokken.Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland, Noesa Kindang, waar Raksasa’s wonen, en fabelachtige zegepralen volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan; prachtige steden komen als uit den grond op, en de “Duizend Tempels” verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in ’t onmetelijk woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit, d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden komen avonturiers zich scharen onder ’t vaandel van den balling, het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit, het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen, en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het sultanaat Demak, ’t beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van ’t in brand gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders, zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen, oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen, en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij ’t helder licht van den stralenden dag.De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich in ’t stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de godenbeelden leggen.De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter een gordijn van boomen, en vanhet hoogste punt ziet men het mooie dal der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand, de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere rampen. Als ’t menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en ’t Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter, die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend, en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn, onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden, terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij, rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in ’t groot en in ’t klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was, vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden der veroveraars te verdragen.In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten; toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend ongelukkigen werden gedood.In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in ’t verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde, gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van deStreyer. Valckenier stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden van woeste krijgers. In het gras, op de plek dergeslechte wallen liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar ’t schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; ’t geeft den vrouwen, die geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen er haar godsdienstplichten. Voor ’t oogenblik echter heeft het oude kanon rust en is door de geloovigen verlaten.Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes, die nu als winkels in gebruik zijn.En dan, voorbij de citadel, volgt de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan, die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die in ’t water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier vormen men nog onder ’t groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond, en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.Aan boord van deSpeelman, 9 April.Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd, en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen, die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars ook doen.De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er was mij een geestdriftige beschrijvinggegeven van de baai van Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt, om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek derSpeelman.De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar ’t schijnt, het nog woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan, en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna den linkeroever tot de monding.De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen, de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen, die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van nevel of damp en zonder dat toch ’t een of ander hard en onafgerond schijnt. ’t Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel, dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door een beschrijving is weer te geven.Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. DeSpeelmanis uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd, geheel met groen en bloeiend leven overtogen.De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte; ’t is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste, aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard, en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering, de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs; er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak dorstend, het land verwoestten.Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend, en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien, waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak, hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen; de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in ’t laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers, die men moest ontzien.Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger, het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, “ik heb veel geleden”, dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd,en zijn adem heeft het trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen zichzelven beschermd moet worden.Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken, een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem, van achteren als een helm opstaand.Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens, vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen; onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge, stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter, sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied, dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, ’t zij kwijnend of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in ’t onzekere licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets; het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt, word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.Aan boord van deSpeelman, 10 April.DeSpeelmanhaast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen achter in een driehoekige baai, in ’t Zuiden afgesloten door een rij eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee; hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds 1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen, begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun ’t einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo’n schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende, zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst, die gedurende enkele dagen allen vervulden.Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen, die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek, of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne, ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder, dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst oogenblik redding mogelijk zouden maken—en toch, juist uit zee is de ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in; reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken, liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim volgt het op zijn weg.In zulk een lauwe atmosfeer en ’t uniforme licht beginnen droomen zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige expedities, door avonturiers van vroeger op ’t getouw gezet. Mooie verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij ’t bulderen der verouderde kanonnen, en bij ’t verlaten van hun schepen zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars, die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken, waar de zon des avonds schuilgaat.Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden, waar hen nieuwe zegepralen wachtten.Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten, ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte neer en wekten in ’t geheel geen echo’s. De wereld behoorde aan de christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen, die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat de macht, en hij was in ’t bezit der waarheid.Ieder wenschte voor zich een aandeel aan ’t onmetelijke gebied, waarvan men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en ’t was verraad, ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en oude beschavingen vielen tot stof ineen.Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden zij sombere landen, waar ’t banale leven niet genoeg was voor hun ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden; zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het hoofd. Wie onzer zou zoo’n schoonen droom niet willen leven?Aan boord van deSpeelman, 10 April.Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel, en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons den toegang heeft verleend.Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten, moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek, en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord gekomen, opeen manier, die denken doet aan de vermeestering van een gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd, als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben intusschen in ’t minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee, visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen, met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees, de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de bewegingen van het vaartuig.Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen, dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere, minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken, afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen, en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk een wensch niet kan voldoen. Zou ’t zijn, doordat ik ben geboren in een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den grond verbergt, die massa’s donker gebladerte, de smalle, donkere paden lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven, en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen, welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.Padang, 20 April.Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker tocht.Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en de veranda’s dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen omgeven, aan beide zijden van de stille straten.Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is ’t fort Marlborough, reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet, welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto, gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de radja’s van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag van ’t fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari 1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijzeRaffles’ moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar ’t was te vergeefs. Hij moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland gewonnen terrein opgeven.Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was, in ’t geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding krijgen kon voor het verlies van Java.Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar leden een nederlaag tegen de versterkingen, op ’t eiland Gambora opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veelrakit apiuit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd, om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819 had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde, de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van ’t fort Marlborough, waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers zien, in gehurkte houding,onverschillignaar de gele heeren, die het zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije mannen, en zoo’n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de goede wenschen in ontvangst.Tot Padang gaat deSpeelmanvrij dicht langs de kust. Prachtige bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen, des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen, met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune; reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw der zee tot dat des hemels.Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het gordijn, door ’t bosch gevormd, waarachter een zware violette tint zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur, die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land ’t bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al de godsdiensten en dat men dan als ’t eind van alles en als hoogste belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde baai die wijd naar ’t Zuiden open is en naar het Westen door een uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met steenkool te midden van een dicht, zwart stof.Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia ishet een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon, door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een engelschen tuin.De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk; de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel schepen dansen op de golven.

Roma Sacra.

Naar het Fransch vanF. Bernard.

Een weg op Java. Buffelkarren.Een weg op Java. Buffelkarren.

Een weg op Java. Buffelkarren.

Batavia, 7 April.

Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen hemel in den winter ’t schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer, beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.

Een koelie te Batavia.Een koelie te Batavia.

Een koelie te Batavia.

Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf; ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen, neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje, voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein; de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in ’t groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.

Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen, zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo’n aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd; maar thans is ’t grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de sluis van pasar Baroe houdt ’t niveau op behoorlijke hoogte; kanalen stellen de Tji Liwong bovendienmet de Kali Baroe in gemeenschap en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende water rechtstreeks naar de zee.

Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren, en ’s avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren, wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het, de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend, ’t slijkerige water op doen spatten.

Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en ’t koeltje, dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde, zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene terrassen tegen aan liggen.

Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in 1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan, dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon worden verdedigd.

Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei veroveraars bij beurten het oog laten vallen.

Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan de vergetelheid onttrokken.

Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland, Noesa Kindang, waar Raksasa’s wonen, en fabelachtige zegepralen volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan; prachtige steden komen als uit den grond op, en de “Duizend Tempels” verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.

Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in ’t onmetelijk woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit, d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden komen avonturiers zich scharen onder ’t vaandel van den balling, het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit, het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.

In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen, en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het sultanaat Demak, ’t beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van ’t in brand gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders, zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen, oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.

Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen, en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij ’t helder licht van den stralenden dag.

De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich in ’t stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de godenbeelden leggen.

De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter een gordijn van boomen, en vanhet hoogste punt ziet men het mooie dal der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand, de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere rampen. Als ’t menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.

Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.

De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en ’t Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter, die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend, en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.

Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn, onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden, terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.

Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij, rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.

Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in ’t groot en in ’t klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was, vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden der veroveraars te verdragen.

In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten; toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend ongelukkigen werden gedood.

In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in ’t verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde, gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van deStreyer. Valckenier stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.

Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden van woeste krijgers. In het gras, op de plek dergeslechte wallen liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar ’t schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; ’t geeft den vrouwen, die geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen er haar godsdienstplichten. Voor ’t oogenblik echter heeft het oude kanon rust en is door de geloovigen verlaten.

Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.

Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.

Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes, die nu als winkels in gebruik zijn.En dan, voorbij de citadel, volgt de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan, die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die in ’t water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier vormen men nog onder ’t groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond, en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.

Aan boord van deSpeelman, 9 April.

Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd, en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen, die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.

Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars ook doen.

De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.

De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.

Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er was mij een geestdriftige beschrijvinggegeven van de baai van Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt, om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek derSpeelman.

De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar ’t schijnt, het nog woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan, en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna den linkeroever tot de monding.

De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen, de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen, die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van nevel of damp en zonder dat toch ’t een of ander hard en onafgerond schijnt. ’t Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel, dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door een beschrijving is weer te geven.

Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. DeSpeelmanis uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd, geheel met groen en bloeiend leven overtogen.

De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte; ’t is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste, aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard, en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.

Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering, de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs; er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak dorstend, het land verwoestten.

Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend, en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien, waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak, hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen; de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in ’t laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers, die men moest ontzien.

Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger, het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, “ik heb veel geleden”, dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd,en zijn adem heeft het trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen zichzelven beschermd moet worden.

Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken, een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.

Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem, van achteren als een helm opstaand.

Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens, vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen; onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge, stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.

Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter, sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied, dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, ’t zij kwijnend of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in ’t onzekere licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets; het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt, word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.

Aan boord van deSpeelman, 10 April.

DeSpeelmanhaast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen achter in een driehoekige baai, in ’t Zuiden afgesloten door een rij eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee; hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.

Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds 1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen, begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun ’t einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo’n schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.

Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende, zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst, die gedurende enkele dagen allen vervulden.

Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen, die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek, of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne, ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.

In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder, dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst oogenblik redding mogelijk zouden maken—en toch, juist uit zee is de ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in; reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken, liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.

Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.

Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.

Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.

Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim volgt het op zijn weg.

In zulk een lauwe atmosfeer en ’t uniforme licht beginnen droomen zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige expedities, door avonturiers van vroeger op ’t getouw gezet. Mooie verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij ’t bulderen der verouderde kanonnen, en bij ’t verlaten van hun schepen zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars, die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken, waar de zon des avonds schuilgaat.

Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden, waar hen nieuwe zegepralen wachtten.

Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten, ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte neer en wekten in ’t geheel geen echo’s. De wereld behoorde aan de christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen, die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat de macht, en hij was in ’t bezit der waarheid.

Ieder wenschte voor zich een aandeel aan ’t onmetelijke gebied, waarvan men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en ’t was verraad, ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.

Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.

Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.

Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en oude beschavingen vielen tot stof ineen.

Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden zij sombere landen, waar ’t banale leven niet genoeg was voor hun ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden; zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het hoofd. Wie onzer zou zoo’n schoonen droom niet willen leven?

Aan boord van deSpeelman, 10 April.

Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel, en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons den toegang heeft verleend.

Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten, moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek, en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.

Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord gekomen, opeen manier, die denken doet aan de vermeestering van een gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd, als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben intusschen in ’t minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee, visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen, met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees, de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de bewegingen van het vaartuig.

Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.

De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen, dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere, minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken, afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen, en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.

Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk een wensch niet kan voldoen. Zou ’t zijn, doordat ik ben geboren in een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den grond verbergt, die massa’s donker gebladerte, de smalle, donkere paden lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven, en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.

Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen, welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.

Padang, 20 April.

Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker tocht.

Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en de veranda’s dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen omgeven, aan beide zijden van de stille straten.

Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is ’t fort Marlborough, reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet, welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto, gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de radja’s van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag van ’t fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.

Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari 1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijzeRaffles’ moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar ’t was te vergeefs. Hij moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland gewonnen terrein opgeven.

Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was, in ’t geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding krijgen kon voor het verlies van Java.

Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar leden een nederlaag tegen de versterkingen, op ’t eiland Gambora opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veelrakit apiuit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd, om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819 had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde, de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.

Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van ’t fort Marlborough, waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers zien, in gehurkte houding,onverschillignaar de gele heeren, die het zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije mannen, en zoo’n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de goede wenschen in ontvangst.

Tot Padang gaat deSpeelmanvrij dicht langs de kust. Prachtige bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen, des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen, met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune; reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw der zee tot dat des hemels.

Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het gordijn, door ’t bosch gevormd, waarachter een zware violette tint zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur, die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land ’t bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al de godsdiensten en dat men dan als ’t eind van alles en als hoogste belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.

Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde baai die wijd naar ’t Zuiden open is en naar het Westen door een uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met steenkool te midden van een dicht, zwart stof.

Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia ishet een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon, door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een engelschen tuin.

De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk; de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel schepen dansen op de golven.


Back to IndexNext