Maleische watermolen in Midden-Sumatra.Maleische watermolen in Midden-Sumatra.Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar ’t Oosten over den Soebangpas en naar ’t Singkarameer, en een andere, die eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen dien op de heenreis.De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze verscheidenheid van vormen en kleuren.De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen, kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen, als slingers afhangend en alles omstrikkend.Aan den voet der rotsen in ’t moeras staan waterplanten en in ’t bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is van een andere.Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.Zoo’n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om ’t eiland als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven, ’t Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallenom met donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een nieuwe boschvegetatie, en ’t woud zal alle sporen van de afschuiving bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien tusschen muren van groen.Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij vooruit duwt, en van ’t balkon van den wagen zien we den kronkelenden weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen, dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich buigen over ’t water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere bewijzen, dat de stroom ’t geduld werk van de menschen in één slag vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen, door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat de herstellingen een som van ƒ 600 000 eischten. Ik heb te Padang photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te beveiligen tegen zijn kuren.Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen; de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en wij zijn te Padang-Pandjang.Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang, den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn, als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi; maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar afgeronde vormen en ’t eentonig groen der weiden en der bosschen een vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge, scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen, symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd, terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot 1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een bijgebouw, datvergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs, dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en wilden later hierheen terugkeeren, om meer in ’t bijzonder de détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd, en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden, en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg naar de markt.Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de vlakte van Pajacombo.Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en met moeite door zware locomotieven worden gesleept.Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog, doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit, en ’t landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een noordelijk landschap in den nevel.De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is, hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder, blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of ’t geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal, waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet; die er een gestreept aanzien aan geven.Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei, en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog boven steken kalkbergen ’t hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer, en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo komen wij in het dal van Sawah Loento.De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit, en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods, om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons, waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend zwarte wanden. Het was inde gangen verstikkend heet ondanks de ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen, liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap, waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid, die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat, en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd; in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven, langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn, zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht, zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten, kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen zouden willen verscheuren.Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk, ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en ’t Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt en de keuken armzalig is.Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen, waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet met welgevallen op haar neer.Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen aan de oostkust van Sumatra.Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het grootstegedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in ’t Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen, waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden ziet men overal groote kloven met steile wanden. In ’t begin van de vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad, die hier zoo langen tijd heeft gewoed.De bewoners der Bovenlanden zijn Maleiers. In verren legendarischen tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes, die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van ’t verkeer ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen, die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota’s, de 12 Kota’s, de 5 Kota’s. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn bezittingen aan de kinderen zijner zuster.De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen ’t land niet gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji’s voor, dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen, die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri’s of Orang poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende Padri’s waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche troepen tegen de Padri’s vragen, en toen begon een bloedige strijd, die bijna dertig jaren heeft geduurd.Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort de Kock, Bondjol en Rau. ’t Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen, maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen; op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe randjoes staken overal uit den grond op.Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter heiningen scholen de Padri’s en richtten van daar door lange bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons, Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische overweldigers uit de achtste eeuw.De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op elkander, ’t Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten, een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen, die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen, en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol waren vertrokken, verdwenen waren.De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van ’t eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman geroepen, had zonder argwaanzich op weg begeven. In de dorpen vroeg hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de bewoners gaven in ’t geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin, en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri’s waarschuwt. Een wolk van vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd Engelbert niet gewond; de Padri’s deinzen terug, stom van verbazing, hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen bij het aanbreken van den dag een menigte Padri’s, die zich in den nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken, en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over te gaan en dus een beslissing uit te lokken.Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen; men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over, bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde, vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de overigen waren in handen gevallen van de Padri’s of waren door tijgers verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch, maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij van te trekken.Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik niet neer; er spreekt in ’t minst geen nederigheid uit hun wezen, als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald, dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht, welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian; onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte, roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere, sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets, wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen met de breede sneden, waaruitrozezaden te voorschijn komen, de gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoudblinkt en de vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.Inboorlingen op weg naar de markt.Inboorlingen op weg naar de markt.Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst, dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes van dit mooie land met bewondering en begeerte naar ’t bezit.Vruchtenovervloed op den passar.Vruchtenovervloed op den passar.Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt; koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter deEuropeanen van Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op een krachtige gezondheid wijzen.Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï, Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is, juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van Soerabaya vindt men nog hooge huizen.Woning van twee subalterne officieren.Woning van twee subalterne officieren.Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin, waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en lastige medehuurders te ontmoeten.De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte; zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï, maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep, om zich een overvloedige douche te geven.Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten, die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China, en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig verblijf kan dwingen.Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.’s Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen, met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat, zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in naar hunne “mannen”, en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar achtten, om het heimwee tekeeren en al die andere treurige dingen, en ik geloof dat zij gelijk hebben.Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den Merapi te bezoeken.We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij ’t verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd, waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke blokken, met boomen gekroond.Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe, bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren, nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; ’t is of het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke nevelsluier. Men ziet in ’t Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar de bladeren ons in ’t voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen druipend van het water te Manindjoe aan.De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten, en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over, tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente, waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons, en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van ’t bootje buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt, die men ervaart bij ’t neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte; slechts enkele roodachtige strepen kleuren ’t effengrijze kleed van den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord; geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een vredig geluksbestaan en volmaakte rust.Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en waarin vooruitspringende deelen van ’t gebergte kapen vormen.Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een opening in ’t gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen, die verspreid liggen in ’t groen.
Maleische watermolen in Midden-Sumatra.Maleische watermolen in Midden-Sumatra.Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar ’t Oosten over den Soebangpas en naar ’t Singkarameer, en een andere, die eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen dien op de heenreis.De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze verscheidenheid van vormen en kleuren.De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen, kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen, als slingers afhangend en alles omstrikkend.Aan den voet der rotsen in ’t moeras staan waterplanten en in ’t bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is van een andere.Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.Zoo’n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om ’t eiland als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven, ’t Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallenom met donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een nieuwe boschvegetatie, en ’t woud zal alle sporen van de afschuiving bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien tusschen muren van groen.Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij vooruit duwt, en van ’t balkon van den wagen zien we den kronkelenden weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen, dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich buigen over ’t water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere bewijzen, dat de stroom ’t geduld werk van de menschen in één slag vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen, door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat de herstellingen een som van ƒ 600 000 eischten. Ik heb te Padang photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te beveiligen tegen zijn kuren.Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen; de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en wij zijn te Padang-Pandjang.Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang, den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn, als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi; maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar afgeronde vormen en ’t eentonig groen der weiden en der bosschen een vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge, scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen, symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd, terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot 1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een bijgebouw, datvergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs, dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en wilden later hierheen terugkeeren, om meer in ’t bijzonder de détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd, en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden, en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg naar de markt.Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de vlakte van Pajacombo.Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en met moeite door zware locomotieven worden gesleept.Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog, doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit, en ’t landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een noordelijk landschap in den nevel.De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is, hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder, blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of ’t geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal, waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet; die er een gestreept aanzien aan geven.Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei, en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog boven steken kalkbergen ’t hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer, en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo komen wij in het dal van Sawah Loento.De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit, en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods, om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons, waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend zwarte wanden. Het was inde gangen verstikkend heet ondanks de ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen, liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap, waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid, die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat, en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd; in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven, langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn, zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht, zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten, kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen zouden willen verscheuren.Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk, ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en ’t Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt en de keuken armzalig is.Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen, waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet met welgevallen op haar neer.Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen aan de oostkust van Sumatra.Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het grootstegedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in ’t Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen, waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden ziet men overal groote kloven met steile wanden. In ’t begin van de vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad, die hier zoo langen tijd heeft gewoed.De bewoners der Bovenlanden zijn Maleiers. In verren legendarischen tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes, die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van ’t verkeer ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen, die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota’s, de 12 Kota’s, de 5 Kota’s. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn bezittingen aan de kinderen zijner zuster.De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen ’t land niet gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji’s voor, dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen, die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri’s of Orang poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende Padri’s waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche troepen tegen de Padri’s vragen, en toen begon een bloedige strijd, die bijna dertig jaren heeft geduurd.Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort de Kock, Bondjol en Rau. ’t Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen, maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen; op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe randjoes staken overal uit den grond op.Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter heiningen scholen de Padri’s en richtten van daar door lange bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons, Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische overweldigers uit de achtste eeuw.De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op elkander, ’t Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten, een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen, die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen, en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol waren vertrokken, verdwenen waren.De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van ’t eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman geroepen, had zonder argwaanzich op weg begeven. In de dorpen vroeg hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de bewoners gaven in ’t geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin, en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri’s waarschuwt. Een wolk van vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd Engelbert niet gewond; de Padri’s deinzen terug, stom van verbazing, hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen bij het aanbreken van den dag een menigte Padri’s, die zich in den nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken, en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over te gaan en dus een beslissing uit te lokken.Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen; men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over, bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde, vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de overigen waren in handen gevallen van de Padri’s of waren door tijgers verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch, maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij van te trekken.Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik niet neer; er spreekt in ’t minst geen nederigheid uit hun wezen, als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald, dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht, welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian; onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte, roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere, sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets, wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen met de breede sneden, waaruitrozezaden te voorschijn komen, de gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoudblinkt en de vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.Inboorlingen op weg naar de markt.Inboorlingen op weg naar de markt.Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst, dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes van dit mooie land met bewondering en begeerte naar ’t bezit.Vruchtenovervloed op den passar.Vruchtenovervloed op den passar.Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt; koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter deEuropeanen van Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op een krachtige gezondheid wijzen.Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï, Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is, juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van Soerabaya vindt men nog hooge huizen.Woning van twee subalterne officieren.Woning van twee subalterne officieren.Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin, waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en lastige medehuurders te ontmoeten.De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte; zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï, maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep, om zich een overvloedige douche te geven.Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten, die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China, en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig verblijf kan dwingen.Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.’s Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen, met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat, zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in naar hunne “mannen”, en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar achtten, om het heimwee tekeeren en al die andere treurige dingen, en ik geloof dat zij gelijk hebben.Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den Merapi te bezoeken.We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij ’t verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd, waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke blokken, met boomen gekroond.Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe, bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren, nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; ’t is of het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke nevelsluier. Men ziet in ’t Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar de bladeren ons in ’t voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen druipend van het water te Manindjoe aan.De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten, en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over, tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente, waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons, en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van ’t bootje buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt, die men ervaart bij ’t neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte; slechts enkele roodachtige strepen kleuren ’t effengrijze kleed van den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord; geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een vredig geluksbestaan en volmaakte rust.Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en waarin vooruitspringende deelen van ’t gebergte kapen vormen.Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een opening in ’t gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen, die verspreid liggen in ’t groen.
Maleische watermolen in Midden-Sumatra.Maleische watermolen in Midden-Sumatra.
Maleische watermolen in Midden-Sumatra.
Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar ’t Oosten over den Soebangpas en naar ’t Singkarameer, en een andere, die eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen dien op de heenreis.
De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze verscheidenheid van vormen en kleuren.
De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen, kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen, als slingers afhangend en alles omstrikkend.
Aan den voet der rotsen in ’t moeras staan waterplanten en in ’t bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is van een andere.
Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.
Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.
Zoo’n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om ’t eiland als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven, ’t Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallenom met donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een nieuwe boschvegetatie, en ’t woud zal alle sporen van de afschuiving bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien tusschen muren van groen.
Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij vooruit duwt, en van ’t balkon van den wagen zien we den kronkelenden weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen, dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich buigen over ’t water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.
Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere bewijzen, dat de stroom ’t geduld werk van de menschen in één slag vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen, door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat de herstellingen een som van ƒ 600 000 eischten. Ik heb te Padang photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te beveiligen tegen zijn kuren.
Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen; de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en wij zijn te Padang-Pandjang.
Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang, den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn, als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi; maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar afgeronde vormen en ’t eentonig groen der weiden en der bosschen een vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.
Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge, scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen, symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd, terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.
Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot 1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.
Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een bijgebouw, datvergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs, dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.
Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en wilden later hierheen terugkeeren, om meer in ’t bijzonder de détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd, en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden, en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg naar de markt.
Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de vlakte van Pajacombo.
Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en met moeite door zware locomotieven worden gesleept.
Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog, doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit, en ’t landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een noordelijk landschap in den nevel.
De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is, hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder, blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.
Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of ’t geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal, waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet; die er een gestreept aanzien aan geven.
Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei, en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog boven steken kalkbergen ’t hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.
Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer, en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo komen wij in het dal van Sawah Loento.
De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit, en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods, om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons, waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.
Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.
Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend zwarte wanden. Het was inde gangen verstikkend heet ondanks de ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen, liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap, waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.
Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid, die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat, en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd; in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven, langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn, zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.
Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.
Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.
Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht, zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten, kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen zouden willen verscheuren.
Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.
Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.
Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk, ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en ’t Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt en de keuken armzalig is.
Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen, waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet met welgevallen op haar neer.
Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen aan de oostkust van Sumatra.
Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het grootstegedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in ’t Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.
De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen, waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden ziet men overal groote kloven met steile wanden. In ’t begin van de vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad, die hier zoo langen tijd heeft gewoed.
De bewoners der Bovenlanden zijn Maleiers. In verren legendarischen tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes, die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van ’t verkeer ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen, die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota’s, de 12 Kota’s, de 5 Kota’s. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn bezittingen aan de kinderen zijner zuster.
De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen ’t land niet gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji’s voor, dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen, die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri’s of Orang poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende Padri’s waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche troepen tegen de Padri’s vragen, en toen begon een bloedige strijd, die bijna dertig jaren heeft geduurd.
Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort de Kock, Bondjol en Rau. ’t Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen, maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen; op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe randjoes staken overal uit den grond op.
Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter heiningen scholen de Padri’s en richtten van daar door lange bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons, Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische overweldigers uit de achtste eeuw.
De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op elkander, ’t Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten, een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen, die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen, en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.
Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.
Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol waren vertrokken, verdwenen waren.
De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van ’t eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.
De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman geroepen, had zonder argwaanzich op weg begeven. In de dorpen vroeg hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de bewoners gaven in ’t geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin, en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri’s waarschuwt. Een wolk van vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd Engelbert niet gewond; de Padri’s deinzen terug, stom van verbazing, hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.
Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen bij het aanbreken van den dag een menigte Padri’s, die zich in den nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken, en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over te gaan en dus een beslissing uit te lokken.
Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen; men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.
Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over, bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde, vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de overigen waren in handen gevallen van de Padri’s of waren door tijgers verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.
Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch, maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij van te trekken.
Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik niet neer; er spreekt in ’t minst geen nederigheid uit hun wezen, als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.
Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald, dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht, welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian; onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte, roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere, sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.
Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets, wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen met de breede sneden, waaruitrozezaden te voorschijn komen, de gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoudblinkt en de vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.
Inboorlingen op weg naar de markt.Inboorlingen op weg naar de markt.
Inboorlingen op weg naar de markt.
Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst, dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes van dit mooie land met bewondering en begeerte naar ’t bezit.
Vruchtenovervloed op den passar.Vruchtenovervloed op den passar.
Vruchtenovervloed op den passar.
Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt; koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter deEuropeanen van Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op een krachtige gezondheid wijzen.
Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï, Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is, juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van Soerabaya vindt men nog hooge huizen.
Woning van twee subalterne officieren.Woning van twee subalterne officieren.
Woning van twee subalterne officieren.
Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin, waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en lastige medehuurders te ontmoeten.
De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte; zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï, maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep, om zich een overvloedige douche te geven.
Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten, die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China, en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig verblijf kan dwingen.
Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.
Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.
’s Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen, met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat, zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in naar hunne “mannen”, en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar achtten, om het heimwee tekeeren en al die andere treurige dingen, en ik geloof dat zij gelijk hebben.
Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den Merapi te bezoeken.
We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij ’t verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd, waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke blokken, met boomen gekroond.
Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe, bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren, nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.
Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; ’t is of het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.
De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.
Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke nevelsluier. Men ziet in ’t Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar de bladeren ons in ’t voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen druipend van het water te Manindjoe aan.
De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten, en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over, tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente, waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons, en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van ’t bootje buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt, die men ervaart bij ’t neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.
De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte; slechts enkele roodachtige strepen kleuren ’t effengrijze kleed van den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord; geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een vredig geluksbestaan en volmaakte rust.
Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en waarin vooruitspringende deelen van ’t gebergte kapen vormen.
Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een opening in ’t gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen, die verspreid liggen in ’t groen.