Chapter 5

Het Manindjoemeer.Het Manindjoemeer.De weg loopt soms langs zulke steile hellingen, dat men vlak onder zijn voeten den afgrond ziet, waarin het blauwe water dartelt. De gansche omgeving spiegelt zich in den helderen hemel. Maar op eens beginnen witte nevels te rijzen; er gaan schaduwen over de oppervlakte van het meer, welks wateren een zwarte tint aannemen, ’t Is of zij beven onder de vurige liefkoozing der zon. Als wij boven op den top van den berg zijn aangekomen, stralen in ’t schitterend licht nog de heldere kleuren van de rijstvelden, terwijl in het Zuiden alles ligt gedompeld in een geheimzinnigen nevel, contrast van zeldzame, indrukwekkende schoonheid.Wij schenken nog een laatsten blik aan dit onvergelijkelijk heerlijk beeld; dan blaast een gure wind over de randen van den krater, en wij spoeden ons terug naar Matoea en naar Fort-de-Kock. Het onweêr dreigt, en op den steilen weg, die opgaat boven de Si Anoq, zetten wij onze paarden aan, om de stortbui nog te ontgaan.Bij onze aankomst te Fort-de-Kock vinden wij in het hôtel een inlandsch hoofd, den laras van Soengai Poear, die op verzoek van een onzer vrienden de taak op zich heeft genomen, ons uitstapje naar den Merapi voor te bereiden en gidsen en dragers te huren.Den volgenden dag zijn wij tegen den middag naar Soengai Poear vertrokken en hebben daar een déjeûner gebruikt. De laras zet ons een uitstekenden maaltijd voor, waarbij wij wel speciaal melding mogen maken van de geurige gerechten, bereid van gedroogd hertenvleesch en op de aangenaamste wijze gekruid.Een mijner medereizigers is te Fort-de-Kock gebleven. Hij heeft een wonde aan den voet gekregen, en daar die nogal ernstig lijkt, heeft hij zichzelven rust opgelegd. Dus zijn we maar met ons tweeën, en wij ondernemen de bestijging om drie uur in den namiddag. Wij zijn op 1100 M. hoogte, en wij moeten den nacht doorbrengen in een hut op een hoogte van ongeveer 2000 M. De weg is eerst vrij goed; maar weldra hebben wij het eind ervan bereikt, en nu gaat het verder over een wreedaardig moeilijk, steenachtig pad, dat al steiler wordt, naarmate wij hooger komen. Om half zes hebben we eindelijk het doel bereikt en gevoelen ons doodmoe. De nevel heeft zich verspreid, en wij zien onder ons lange gelijkmatige, kale hellingen en dan, nog lager, koffie-aanplantingen rondom Soengai Poear en in de verte Fort-de-Kock.De koude nacht gaat rustig voorbij. Vóór het dag is, ben ik op en begeef mij weer op weg. In langen tijd is er niemand door deze jungle getrokken, vol varens, en verraderlijke slingerplanten, vol ook van grassen, die snijdend scherp, en van struiken, die zwaar gedoornd zijn. Hier en daar is het voetpad geheel verdwenen, en de gidsen gaan het terugzoeken;sluipen, plat op hun buik liggend, onder de struiken door en maken met hun kapmessen een smallen doorgang. Verraderlijke kuilen gapen onverwacht, en telkens zinkt de voet in ’t ledige weg, waarna men een buiteling maakt in het natte gras. Het is nog geen dag, en er schitteren nog enkele sterren. Als wij omkijken, zien we achter ons boven de vlakte witte wolken hangen.Krater van den Merapi.Krater van den Merapi.Eindelijk, na anderhalf uur, verlaten wij het bosch en de struiken. Er ligt niets anders vóór ons dan de 200 M. hooge helling, waarlangs de puimsteen en de zwarte lavastroomen zijn gevloeid, die nu onder onze voeten in beweging komen. De bestijging gaat toch nog al snel, en wij zijn gekomen op een plateau, weer door een wal omgeven. Een tweede hoogte verrijst iets verder, en als men die over is, ziet men in een ondiepe kom, in het midden waarvan de opening is van den krater.Het is een zwarte put met een middellijn van 200 à 300 M., en waaruit zonder geraas dikke dampen opstijgen. Ik loop er omheen. Naar het Zuiden is de kraterrand wat hooger en dunner, en een scherpe punt steekt boven de gapende diepte uit. Men komt daar langs een smalle trap, in het gesteente uitgehouwen, zoo smal, dat men zijn handen te hulp roept bij het stijgen, en vóór ik boven ben, houd ik even op. Aan weerszijden gaapt de afgrond; zwavelige dampen doen iemand bijna stikken. De enkele treden, die nog moeten worden afgelegd, zijn pas breed genoeg, dat ik er mijn voet kan plaatsen, en de vochtige kleverige grond biedt in ’t geheel geen stevigheid. Ik ga weer eenige meters naar omlaag en rust uit op een smal plateautje, van waar ik een heerlijk panorama kan overzien.Al spoedig breekt de dag aan. Een bleek schijnsel neemt bezit van den hemel. Een windzuchtje voert de laatste wolkjes weg; de vlakte richt zich op uit de schaduw, en ’t is of zij bij ’t lichter worden tot ons nadert. Dit is ’t ontwaken. Verwarde geluiden worden al duidelijker en duidelijker, en de wind, die uit zee komt, voert de klanken van de diepe dalen tot ons. De hooge top, het hoogst gelegen punt van den Merapi, verbergt naar het Oosten dat deel van den horizon, waar de zon rood schittert. Het lijkt, of een smalle purperen band licht wordt, en op den top van den Singgalang tegenover ons teekenen de boomen zich tegen de lucht af.Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.Het licht neemt toe, het blonde licht; het neemt bezit van de dalen, terwijl beneden ons nog groote, zwarte schaduwen de bosschen vullen. In de verte zien we de zee haar kalme golven voortrollen, en al duidelijker worden de lichttintelingen, die erover spelen. Wij zien de bochten van het strand; en de schitterend witte lijn van zand wordt duidelijk zichtbaar vóór de donkere massa’s groen. De bergen rijzen met hun groenen last van bosschen naar den hemel op.De Anei-kloven openen zich, en de rivier trekt er een schitterende streep van schuim doorheen. De huizen van Padang-Pandjang liggen wit te midden van bloemperken. Het Singkarameer vertoont zich in het Zuiden, en de hoogten aan den rechteroever worden bestraald door de heldere zon, terwijl die aan den linkeroever in de schaduw blijven met hun scherpe kammen. De vlakte van Fort-de-Kock, bezaaid met dorpen, ligt uitgespreid vóór ons, met haar rijstvelden en haar kloven met hun witte wanden. Het stilstaand water op het land weerkaatst het licht als een metalen spiegel en beekjes schitteren met vluchtige heldere lichtjes. Een krans van bergen doet zich voor, de Tandikat, de Singgalang, waarop dunne, teêre boomen rondom een kleinen vijver staan; zoo lijkt de grillig omrande schelp, die het Manindjoemeer omvat houdt. Dan volgen de Ophirberg en de kalkbergen en wonderlijk gevormde rotsen van Pajacombo, en in het Zuiden in de verte de glorierijke Indrapoera, de reus van het eiland, die de groote vallei van Korintji beheerscht.In de Harrau-kloof.In de Harrau-kloof.Aan mijn voeten daalt de donkere helling met violette tinten duizelingwekkend snel tot de eerste boomen van het woud. Er raken blokken los; zij rollen, springen voort en verdwijnen onder ’t schaduwrijke boschgewelf. Aan den anderen kant opent zich de schrikwekkende muil van het monster; hij braakt geluidloos witte dampen uit, en de wanden van den krater zijn gestreept met gele lijnen van een zwavelkleur. Deze berg is heilig en wordt hoog vereerd. Hier, zegt de legende, verborgen zich de eerste menschen, toen ze vluchtten voor de wateren, waarmee de zondvloed de aarde overdekte. De woede van den Merapi heeft iets profetisch en iets goddelijks in zich. Als het “roode vuur” (Merah api= rood vuur) op den top van den berg ontstoken is, als de stroomen lava vloeien en de dorpen met de aanplantingen verwoesten, dan worden andere ongelukken, nog veel zwaarder rampen, voorbereid. In den tijd van den Padri-oorlog waren de uitbarstingen voor de Maleiers zekere voorteekenen van een nederlaag.Er is nauwelijks een uur verloopen, nog maar zeven uur, en in den zonneschijn merkt men al, hoe het dagelijksch onweêr dreigt. Een nog onmerkbare nevel doet de omtrekken vervloeien en verzacht de tinten; een ongrijpbare damp breidt zich over het landschap uit. Plotseling ontstaan er dichte wolkenbrokken, alsof ze zoo op eenmaal, met één slag, geboren worden, geheel en al afgerond als reuzenblokken wit marmer. Zij breiden zich uit en stooten tegen elkaâr, om zich tot een geheel te vereenigen. De machtige adem van het woud roept hen in het leven.Zoo ver het oog reikt, vloeien de wolkengolven, witter dan de onbevlekte sneeuw, en met den windstoot komen donkerder golven opzetten en vloeien op hun beurt met andere samen. Te midden van deze schitterende zee steken de toppen der bergen als eilanden omhoog; de aarde daar beneden is verdwenen, en de zon schittert nog voor ons alleen.Huizen aan de rivier.Huizen aan de rivier.Dit schouwspel is niet nieuw voor mij. Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo en de witte nevels, uit den reuzenbeker van den Dasar opstijgend, evenals den krater, waarover ik mij heen gebogen heb en waaruit ik het doodsgerochel van het monster tot mij heb hooren opstijgen.Maar wij moeten weg, ons in den nevel dompelen. Het dalen gaat nog moeilijker dan het stijgen. Op den gladden grond, bedekt met natte bladeren, kunnen de knieën bijna niet voort van inspanning. Wij komen, met slijk overdekt, in de schuilhut aan, waar mijn reismakker rustig op mij zit te wachten, en wij vervolgen den tocht naar beneden met onzekere schreden; soms vlug, door ons eigen gewicht getrokken, om eindelijk te Soengar Boeloe den trein te vinden, die ons naar Fort-de-Kock terugvoert.Siak, 10 Mei.Wij hebben Fort-de-Kock den 26sten April verlaten en zijn naar Pajacombo gegaan, over Padang-Pandjang en Fort Van der Capellen, dus in ’t Zuiden om den Merapi heen trekkend. Onze tocht is zonder incidenten afgeloopen en liep langs uitstekende wegen, waarover onze karretjes rolden zonder eenigszins te stooten, hoewel de snelheid buitengewoon groot was. Koffietuinen breiden zich uit op de hellingen der bergen; rijstvelden en dorpen liggen, zoo ver het oog reikt, over de vlakte verspreid, en altijd hebben we tot Pajacombo hetzelfde eentonige, maar altijd schoone landschap voor oogen.Wij hadden uit Pajacombo den eersten Mei moeten vertrekken, maar hebben er nog één dag langer moeten blijven. De reis, die wij willen doen, is, naar men zegt, nog al lastig en wij hebben niet zonder moeite ten slotte machtiging gekregen, om haar te ondernemen. Wij moeten door streken trekken, die nog niet geheel onderworpen zijn. De staatjes aan de oostkust zijn nog bijna alle onafhankelijk, en de Hollanders willen hun niet met geweld een gezag opdringen, waarvan ze niet gediend zijn. Zij beweren echter, dat men hun zoo duidelijk de voordeelen van het europeesch bestuur zal doen begrijpen, dat alle stammen één voor één uit vrije verkiezing zullen vragen, om ervan te mogen genieten.Dit laatste nu gebeurt werkelijk dikwijls. Op dit oogenblik heeft zoo juist de radjah van Goenoeng Sahilan zijn onderwerping aangeboden aan den adsistent-resident van Bengkalis. De Nederlandsche regeering heeft die nog niet aangenomen. In alle dingen vermijdt zij overhaasting, die zou kunnen uitloopen op een langen, moeilijken oorlog in streken, die ongezond en dun bevolkt zijn. De aanbieding van den radjah schijnt onvoldoende; men wil buitendien nog de toestemming van het volk. Binnen enkele dagen zal de adsistent-resident van Bengkalis een bezoek gaan brengen aan den stam der Goenoeng Sahilan; hij zal dan de dorpshoofden bezoeken, zal hun ware bedoelingen trachten te leeren kennen en zal geen besluit nemen dan na rijpe overweging. Het zijn weer nieuwe kinderen, die men gaat aannemen, geen vijanden, die men onderwerpt.De methode van zachtheid is echter niet altijd voldoende. Er zijn oproerige stammen, die soms op hollandsch grondgebied invallen doen. Zulk een feit heeft nog voor eenige maanden plaats gehad. De inwoners der Lima Kota hebben het huis van een Europeaan overrompeld, een prospector, en hebben den eigenaar vermoord. Men heeft toen een expeditie moeten ondernemen, te eerder wijl het slachtoffer een Engelschman was, en de bestraffing der schuldigen kon worden geëischt. Een sterke kolonne, uit Siak vertrokken, heeft de Lima Kota in de vorige maand November afgeloopen en legde een post aan teBengkinangaan de Kampar.Van de bovenlanden leiden vele natuurlijke wegen naar de oostkust. Van ’t Zuiden te beginnen, heeft men eerst het dal der Batang Hari, welke rivier zich met de Korintji vereenigt, om de Djambi te vormen; dan de Indragiri, waarvan de Ombilien, die uit het Singkarameer komt, de voornaamste arm is; vervolgens de Kampar en dan ten slotte de beide Taboengs, de Taboeng Kanan en de Taboeng Keri, die zich vereenigen en de rivier, de Siak, vormen.Wij konden noch het dal der Djambi, noch dat der Indragiri nemen, want men had ons op ons verzoek een formeele weigering doen toekomen. Het Kampardal werd als te gevaarlijk beschouwd, en te Batavia had men gemeend, ons geen machtiging te mogen verleenen voor een reis door een gebied, waarvan de pacificatie nog slechts weinige weken oud was. Bij gevolghaddenwij moeten besluiten, rechtstreeks naar de Taboeg Keri te gaan bij Batoe Gadjah en dan daarna naar Siak te reizen. Maar de adsistent-resident van Pajacombo gaf ons omtrent de toestanden in de Lima Kota zulke geruststellende berichten, dat wij besloten, nog eens weer ons reisplan te veranderen.Pajacombo ligt aan de Sinamar, een zijtak van de Ombilien. De weg, dien wij zullen volgen, moet ons te Kota Baroe brengen, 45 K.M. ten noorden van Pajacombo en aan de oevers van de Soengai Mahé, zijtak van de Kampar. Van daar moeten wij in een prauw de Soengai Mahé, af varen en daarna ook de Kampar tot Bengkinang en Teratak Boeloe, dan over land naar Pakan Baroe gaan aan de Siakrivier en die laatste volgen tot Bengkalis.Om dien tocht ongehinderd te kunnen volbrengen, hebben wij natuurlijk de inlandsche hoofden moeten verwittigen van onze komst, en tevens daarvan kennis geven aan den commandant van den post Bengkinang. Door een ongelukkig toeval, zooals er zich trouwens nog al eens voordoet, was de telegraaflijn, die Pajacombo metBengkinangverbindt, gebroken en daardoor waren wij genoodzaakt, ons vertrek één dag te verschuiven.Pajacombo is een zeer groot dorp, gelegen midden in een vrij uitgestrekte vlakte, waar kokospalmen groeien en waar rijstvelden zijn aangelegd. Hoewel de hoogte nauwelijks 500 M. bedraagt, is het klimaat er verrukkelijk. Rondom verheffen zich hooge bergen, en op de hellingen van den 2240 M. hoogen Sago heeft men te midden der koffietuinen een pasangrahan gebouwd, waar de inwoners van het plaatsje, als het noodig is, een koelere-luchtkuur kunnen doormaken. Zoo’n door de zorg van de regeering gestichte en door haar onderhouden pasangrahan is, wat in de engelsche koloniën hetdak bungalowof hetresthouseis.De Europeanen zijn er niet zeer talrijk. Buiten den adsistent-resident heeft men er den luitenant-commandant van ’t kleine garnizoen, een dokter en een veearts. De regeering heeft dichtbij de plaats een stoeterij laten aanleggen, een zeer eenvoudige inrichting, waar men geen dure gebouwen heeft gesticht zooals in andere landen. Alles heeft te zamen ƒ 3000 gekost, maar de gebouwen zijn dan ook van hout en met riet gedekt. Er zijn twee-en-twintig hengsten van verschillend ras, sandelhouts van ’t eiland Soemba, de grootste en de beroemdste, dan makassars en bataks, gekozen uit de beste dieren, en toch is hun gemiddelde prijs niet meer dan ƒ 300. De hengsten zijn verspreid in de aan Pajacombo grenzende districten, en de plaatsen zijn zóó gekozen, dat de inspectie gemakkelijk in een paar dagen kan afloopen. De eigenaars der merriën ontvangen een premie, als de jonge veulens mooi en goed verzorgd zijn.Er is slechts één Europeaan, een veearts, aan de stoeterij verbonden. De geheele inrichting en het personeel, dat erbij is aangesteld, kosten den staat niet meer dan ƒ 800 per maand. De inrichting heeft uitstekende resultaten opgeleverd; zij bestaat nog slechts twee jaar en reeds zijn er rondom Pajacombo 270 uitstekende veulens geboren. ’t Is waar, de Maleiers uit deze streken hebben altijd aan veeteelt gedaan, en hier is men niet op het dwaze denkbeeld gekomen, om een stoeterij te organiseeren in het land, waar noch weiden, noch paarden zijn, ’t geen tegen alle gezond verstand in, wel eens geprobeerd is in andere, niet-hollandsche koloniën.De markt te Pajacombo is een der drukste uit de geheele Padangsche Bovenlanden; wij kochten er wat proviand voor onderweg. Men ziet er een dichte menigte menschen, die veel leven brengt in de stad en veel vroolijkheid. Pajacombo is dan ook de meest gezochte post van heel Sumatra. Het klimaat had ik al te voren hooren roemen, evenals de schoonheid en beminnelijkheid der vrouwen.Den 2den Mei om zes uur’s morgens, zijn we van Pajacombo vertrokken. In het Noorden wordt de vlakte afgesloten door een wal, die 1500 M. hoog is en dien wij moeten over trekken, om het bekken van de Kampar te bereiken. Verscheiden dalen dringen in het bergland door en voeren naar den top der bergen. Wij hebben eergisteren een tocht gedaan naar de Harran-kloven, een zeer nauwen doorgang tusschen hemelhooge bergwanden, waar schuimende watervallen zich langs nederstorten. Wij gaan vandaag door het dal der Ajer Poetih.In rijtuigen worden we eerst naar Loeboek Bengkoeang gebracht, 12 palen van Pajacombo verwijderd (een paal is 1500 M.); daar stijgen we te paard en beginnen het steile pad te beklimmen, dat langs de zijden van het dal slingert. De grond bestaat uit ruwe conglomeraten en steile hoogten rijzen boven de rivier omhoog. Een menigte watervalletjes vallen dartelend neer in den helderen zonneschijn, en hun geraas, dat door de rotsen wordt weerkaatst, vult heel het dal. Hier en daar is een lichte hangende brug over de Ajer Poetih geslagen.Een vrij dicht plantenkleed bedekt de hellingen, van de oppervlakte van het stroompje af tot op den top der hoogten. Wij komen langzaam vooruit op het pad, dat door de regens veel geleden heeft, en nu door ploegen Maleiers hersteld wordt. Na een uur komen we aan den top van den berg. Wij zien neer in de laagte, waar de rivier haar water uit ontvangt, een ronde kom, waardoor de Ayer Poetih grillig slingerend voortglijdt. Daar heb ik de dwaasheid, mijn paard op den slechten weg te laten galoppeeren! Het glijdt uit en valt op den houten vloer van een bruggetje. Mijn been komt onder het dier, mijn hoed rolt ver weg in de diepte van de kloof, en ik sta op met ernstige kneuzingen en een lange snede over den arm en het been.Wij houden ons eenige oogenblikken op in een hut aan den kant van den weg. Het heet hier Oeloe Ayer. Wij zijn op een hoogte van 950 M. De pas, dien wij over moeten trekken, is op niet meer dan eenige honderden meters afstands, en wij zullen vlug dalen naar Kota Baroe op 20 K.M. van hier; we zijn daar slechts 66 M. boven het oppervlak der zee dus midden in den oven. Van af de pashoogte zien wij eerst vóór ons lijnen van achtereenvolgende heuvelreeksen, die langzamerhand lager worden, dan in de verte een zee van gebladerte, een oceaan van groen, donkergroen, dat in breede golven zich uitbreidt verder en verder tot aan den horizon.Dit is het reuzenwoud, dat de vlakte bedekt en waar wij door zullen trekken. Van de helling der bergen te beginnen, gaat het voort tot op 250 K.M. afstands van hier, tot de oevers, die aan de straat van Malakka grenzen. Wij blijven eenige oogenblikken boven. Dit woeste, donkere landschap maakt diepen indruk op ons. Nergens is eenig spoor te ontdekken van de aanwezigheid of van de werkzaamheid der menschen. Geen stukje ontgonnen land, geen nog zoo klein rookkolommetje. Dicht opeengedrongen staan de boomen, die den ongebruikten, onontgonnen bodem bedekken en zonder twijfel zullen in hun schaduw gevaarlijke en dreigende dieren huizen. De dorst naar avonturen; de begeerte en ’t verlangen naar nieuwe ervaringen; de drang naar het onbekende, zooals ieder dien in zich voelt; herinneringen van vroegere lectuur; de droomen, in de kindsheid gedroomd, alles wordt in ons wakker en dreigt ons te doen stikken. In de voorbijgegane eeuwen heeft dit trotsche woud domein veroverd, en niemand heeft het nog een voetbreed gronds betwist.Geen weg voert door het woud, dan enkel de diepten, die de rivieren zich er hebben uitgeslepen; de zon, de moerassen en de koortsen zijn de schutsengelen van het woud. Zijn uur heeft nog niet geslagen, ’t uur, waarop de menschen er met bijl en hakmes zullen binnendringen of met brandende toortsen. Ik zie in mijn verbeelding een nauwe, donkere, lage gang van groen, waarin de booten in de schaduw wegglijden. Morgen zal zoo’n boot ons meevoeren. Zoo droom ik, en mijn verbeelding maakt den droom aangrijpend en steeds indrukwekkender, misschien om de werkelijkheid te bederven.Wij dalen eindelijk door korte valleien naar een terrein van leisteen, waar het pad afschuwelijk glad is. Het land is verlaten. In de diepten en op de bergtoppen groeit het woud met volle kracht. Maarter halver hoogte ziet men hier en daar een voetpad; vuren of woudbranden, ontstoken door de inboorlingen, hebben er niets overgelaten dan struiken en hoog gras. Onze achterste dragers steken in ’t voorbijgaan die jungle in brand. De roode vlam loopt langs de hellingen; de dikke rook stijgt in groote kringen op, het bamboes knapt, als of het ontploft, en onze Maleiers leggen eene kinderlijke vreugde aan den dag, als zij de verraderlijke doornstruiken zien verdwijnen, waarin des avonds zich de tijger verschuilt, om van daar uit zijn prooi te beloeren.Tallooze apen van verschillende soorten bevolken de kleinste boschjes, en hun geschreeuw gaat ons voor en vergezelt ons. Wij komen te Kota Alam, een onder palmen verscholen dorpje aan een mooie rivier, die met ondiepe bedding over steenen dartelt. Wij zijn bijna juist onder den evenaar. Het dal wordt afgesloten door bergen, die de zonnestralen terugkaatsen. Wij rusten in de hitte dan ook eenige oogenblikken in een hut en drinken met graagte het heldere, frissche, suikerhoudende water van de kokosnoten.Weer volgt er, als wij het gehucht hebben verlaten, een pas. De Soengai Alam heeft zich in den zachten zandsteen een diep dal uitgegraven. Reuzenblokken, keurig afgeslepen naar regelmatige vormen, brengen afwisseling in de loodrechte lijnen der rotsen; de zwarte schaduwen, die zij werpen, lijken op zware, kolossale architraven. Gapende spleten geven toegang tot galerijen in het gebergte. Een groep van titanische bouwwerken is hier onder een schitterende zon geheel met een groen kleed behangen. Bij ’t verlaten van het dal komen we op een golvende hoogvlakte, met struikgewas bedekt, en een vrij goede weg over een rooden, harden bodem brengt ons te Kota Baroe.Kota Baroe ligt aan de Soengai Mahé. Een controleur had er zijn standplaats vóór de expeditie der Lima Kota, en zijn huis, dat zeer geriefelijk is ingericht, staat 5 à 600 M. van de rivier verwijderd op de eerste heuvels aan den rand der jungle, buiten het bereik der overstroomingen. De tijger zwerft ’s avonds in den omtrek rond, en zoodra de zon achter de bergen ondergaat, hoort men in de verte de rauwe kreten van het jagende roofdier.Wij vertrekken den volgenden dag in booten. Het opbreken vordert langzaam. Het zal moeilijk gaan, ergens wezens aan te treffen, die slapper en trager en langzamer zijn dan de Maleiers uit deze streken. Zij schijnen de indolentie van de Oosterlingen te voegen bij het phlegma van de Hollanders, en men vindt in deze landen buiten kijf de nonchalantste kleurlingen en de luiste inboorlingen. Wij zijn reeds op bij het aanbreken van den dag; maar het is acht uur eer wij kunnen vertrekken en de bijeengebrachte bagage eindelijk in de booten is gebracht.De rivier is een zestigtal meters breed en stuwt in diepe bedding een snelvlietenden stroom voort tusschen verlatene, met bosch begroeide oevers. Van tijd tot tijd doet een plotselinge vernauwing of een rotsmassa in den stroom een versnelling ontstaan. Het kookt en bruist daar, en de stuurman heeft moeite de boot door den nauwen doorgang te voeren; de voorsteven plonst in het schuim, nevels stijgen op, en onze roeiers zetten de beweging der riemen voort in een stille kom, waar ’t kalme water vreedzaam sluimert tusschen de rotsen.Wij dalen vlug door het woud; de laatste boomen buigen hun takken naar de rivier, waarin hun wortels zich baden. Men ziet niet anders dan dit eerste gordijn, niets dan lianen, die zich om elkander heen strengelen, en de rijzige stammen, die loodrecht oprijzen. Troepen apen springen vroolijk van tak op tak en zien ons komen; maar dan, door een plotselingen schrik overmand, springen ze weg en vluchten in het dichtste kreupelhout. Het is mooi weêr en in de groene galerij, waar wij door varen, verfrischt ons een aangename koelte. De blauwe lucht straalt over de boomen op den top der rotsen, en groote, roode arenden vliegen op met breeden vleugelslag, beschrijven cirkels in de lucht en blijven boven onze hoofden zweven.Tegen half één komen wij te Moeara Mahé bij de samenvloeiing van de Soengai Mahé met de Kampar. Er wordt ons verteld, dat wij dienzelfden avond te Bengkinang zullen kunnen zijn, om daar te logeeren, maar de schatting van de afstanden is zeer uiteenloopend en verschilt van een enkelen tot een drievoudigen afstand. Er zijn er, die beweren, dat wij er in drie uren kunnen zijn, en anderen zeggen, dat we tien uren noodig hebben. In die omstandigheden is het verstandiger, tot morgen te wachten. Bovendien is onze bagage nog niet aangekomen; wij hebben niet gegeten, en die ceremonie mag toch niet worden overgeslagen.Op den oever der rivier staat een ellendige hut, omringd door een hooge bamboe-palissade. Er zijn een rieten dak, een houten vloer en wanden van boomschors. Binnen rusten een paar ruwe bedden van gezaagde planken op schragen, een dikke laag stof bedekt de muren en den vloer, en er kruipen verschillende insecten rond, die wij eerst moeten verwijderen. Ieder doet mee aan die jacht, en wij gaan op een klopjacht tegen een monsterachtigen duizendpoot, waarvan het lijk, toen wij de maat namen, 22 c.M. lang is.Ik beproef, ’s avonds op de echte jacht te gaan, hoewel de kneuzingen van mijn val van gisteren nog zeer pijnlijk zijn. Achter het huis gaat de weg langs, die naar Batoe Bersoerat leidt en verder naar Batoe Gadjah aan de Taboeng Keri; dien volgde ik eenige kilometers ver. Dicht jungle bedekt de streek, en ik kan nergens een pad vinden en geen enkel spoor, dat er binnen leidt. Ik weet niet, of het wild schaarsch is of dat het er zich overvloedig ophoudt; mijn gidsen beweren, dat er herten zijn en wilde zwijnen in grooten getale. Ik tref het dan al heel ongelukkig, of brengen ze mij niet op de plaatsen, die het best geschikt zijn voor de jacht? Ik hoor noch zie iets. Een diepe stilte zweeft over het woud, en ik kom druipend van zweet thuis, zonder één schot gelost te hebben.Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.Het vertrek den volgenden morgen gaat wat vlugger dan den eersten dag. Wij steken de Kampar over, om dadelijk aan den overkant onzen weg te vervolgen. Er is bij de samenvloeiing zelve eenstroomversnelling of liever een waterval, waar de roeiers niet door willen gaan, zonder dat ze eerst de lading aan wal hebben gebracht. Dus moeten we onze pakken en kisten transporteeren tot beneden aan de watervallen. Wij vinden er een alleraardigst bootje met een dek en met een lichte zonnetent aan de achterzijde. De controleur van Bengkinang heeft het ons toegezonden. De andere booten, met kracht geroeid, schieten als pijlen tusschen de rotsen door, waar het woedende water schuimt en opspringt; ze scharen zich daarna langs den wal en wij zetten den tocht voort. Het is hetzelfde landschap als gisteren; dezelfde opeenvolging van vernauwingen en verwijdingen. Spoedig wordt echter het geheele dal breeder; de stroom krijgt een rustiger karakter; maar er verrijst weer een lijn van heuvels vóór ons, en daarna nog een, en de rivier, die er zich een weg doorheen baant, rijst en schuimt en slaat met kracht tegen de rotsen.Dit zijn de laatste golven van den oceaan van bergen, die hier dichtbij zijn einde vindt, daar waar de aanvang is der oneindige vlakte. Wij krijgen te Poeloe Gedang andere roeiers. Er was daar bij het dorp een post, die er gevestigd werd ten tijde van de expeditie tegen de Lima Kota, en dien men opgegeven heeft na de stichting van Bengkinang. Er is niets van over dan enkele ellendige hutten en aan den oever der rivier een koepeltje, waar de commandant waarschijnlijk des avonds een hypothetisch koeltje ging opvangen. Dichtbij Poeloe Gedang woonde de Europeaan, dien de menschen uit Lima Kota verleden jaar hebben vermoord. Hij was prospector en werd uitgezonden, om te onderzoeken of er goudmijnen waren. Hij gedroeg zich, naar het schijnt, wreedaardig en leidde een losbandig leven, hetgeen de Hollanders eenvoudig hieraan toeschrijven, dat hij een Engelschman was. In zijn woning werd hij ’s nachts overvallen en met bijlslagen letterlijk doodgehakt.Boven Poeloe Gedang volgen wij nog één of twee kilometers ver den voet der heuvels en komen dan op de vlakte uit. Ik wacht noch voortdurend op het echte oerwoud, dat woeste, majestueuse, dat mijn voorkeur heeft; maar ik vind langs de oevers slechts kleine, grazige hoogten en de grens van het bosch wijkt aan beide zijden ver terug, zoodat men maar nauwelijks hier en daar de toppen van de boomen kan onderscheiden. Wij overschrijden de grenzen van de Lima Kota, en bereiken het eerste dorp.De Lima Kota zijn een samenvoeging van vijf districten, Koeok, Salo, Bengkinang, Air Tiris en Roembio. Het grootste van die districten, dat van Bengkinang, wordt bewoond door ongeveer 4 à 5000 inwoners. In ieder gehucht zijn de huizen geplaatst langs de rivier en liggen verspreid over een smalle strook gronds, die met kokospalmen beplant is. Daarachter verbouwen de Maleiers rijst op hun niet al te goed verzorgde rijstvelden, en verderop strekt zicht eindeloos ver het bosch uit. Er zijn in ieder dorp een zeker aantal datoes of edelen, die maar over betrekkelijk weinig invloed beschikken, en als er niet voortdurend strijd was tusschen de naburige kota’s, zouden de menschen hier in een staat van zorgelooze anarchie kunnen leven.Te Salo ontmoeten we den controleur en den kapitein van de troepen te Bengkinang, die ons te gemoet zijn gereisd, en om één uur komen we bij den post aan. Op den oever staan, op een rij, het huis van den controleur, dan dat van den dokter, den kapitein, den luitenant. Alle woningen, op palen gebouwd, twee meter ongeveer boven den grond, zijn vrij geriefelijk ingericht, maar de soldaten zijn in zeer treurige hutjes ondergebracht. De inlandsche soldaten wonen in maleische hutten, en daar er onder hen getrouwden zijn, heeft men voor hen onder de woningen op den grond kleine verblijven ingericht, afschuwelijk laag en nauw, waar zij toch met genoegen schijnen te huizen; maar die verscheiden dieren hardnekkig zouden weigeren te betrekken. Het is echter slechts een voorloopige maatregel, en men gaat er weldra verbetering in brengen.Bijna alle officieren zijn getrouwd, en ondanks de eenzaamheid van dezen post en den primitieven toestand van het land, hebben hun vrouwen hen vol heldenmoed gevolgd. Het leven is er niet vroolijk, dat is waar; maar ieder aanvaardt het zonder zich te beklagen, en daar men er goede, moreele toestanden heeft, is de gezondheidstoestand ook voldoende.Onze komst is nog al een gewichtige gebeurtenis. Men heeft ons huisvesting aangeboden, zoo goed en zoo kwaad als het ging in een klein vertrekje, en te recht heeft men ons geen geriefelijker, prettiger kamers afgestaan, want wij zijn slechts doortrekkende reizigers, terwijl de anderen hier blijvend zijn. Onze beide bedden, geplakt tegen den wand van boomschors, vullen onze geheele ruimte, en de zon, die door breede spleten binnenschijnt, maakt er een gloeienden oven van, waar wij bij de siësta op de matten liggen met brandend hoofd en kloppende aderen, door ons oververhitte bloed.Des avonds brak er gelukkig een onweêr los van ongehoorde hevigheid; de wolken, door den stormwind voortgedreven,barsttenen goten een waren zondvloed uit. De door de bui verlaagde temperatuur staat ons dan toe, zonder al te groote vermoeidheid deel te nemen aan den copieusen maaltijd, ons door het garnizoen van Bengkinang aangeboden.Den volgenden en den daarop volgenden dag gaan wij verder de Kampar af. De rivier beschrijft veel bochten door een vlakke streek van hopelooze eentonigheid. Yan tijd tot tijd beschut een boschje van palmen op den oever eenige verspreide hutten, en dan volgt het bosch, niet dicht hier, maar nogal schraal en afgebroken door moerassige vlakten, waar buffelkudden grazen. Het traagvloeiende water loopt om zandbanken heen, waar krokodillen lange sporen hebben achtergelaten; maar te vergeefs tracht ik die leelijke dieren te zien te krijgen en te schieten. Toen de roeiers vroegen, of ze een weinig rust mochten nemen, legden wij aan bij een dorp. De Maleiers zien ons nieuwsgierig aan, maar leggen in het minst geen vijandelijke stemming aan den dag.Het is ons intusschen niet mogelijk, levensmiddelen te koopen. Wij hadden gehoopt kippen en eieren te krijgen; maar wij moeten ons tevredenstellen met rijst en ingemaakte dingen. Onze bedienden maken een afschuwelijk smakend maal gereed, waarvan rijst en kokosolie hoofdbestanddeelen zijn en dat wij toch maar inzwelgen, gekruid met een massa specerijen. Zoo geeft iedere maaltijd aanleiding tot hevigen dorst, dien wij niet durven lesschen met het slijkerige water der rivier.Wij hebben den nacht van den 5den Mei gesleten in de woning van den radja van Tambang. Dat hooge personnage is afwezig; hij is sinds eenige dagen op reis naar Siak; maar te oordeelen naar het paleis, dat hij bewoont, is hij niet een van die pompeuze opperhoofden, waarmee de verhalen uit het Oosten opgesmukt zijn. Zijn huis is in niets verschillend van die zijner onderdanen. Het is een nauwe en vuile hut. Onze vier legersteden, want de controleur van Bengkinang is met ons gegaan, staan in het eenige vertrek, dat er geheel door wordt ingenomen, zoodat wij om beurten naar bed moeten gaan en opstaan. Vóór het huis staat de baleh-baleh, een lange bank, waar, op de dagen van den Grooten Raad, de datoes van Tambang voor hun beraadslagingen samenkomen. Op den oever staan op een plank, tegen een kokospalm gespijkerd, in ’t Maleisch de naam en de titel van dit oord te lezen.Houtbestrating te Pekan Baroe.Houtbestrating te Pekan Baroe.Den 6den Mei, om één uur in den namiddag, zijn we te Teratak Batoe gekomen. Van dat dorp gaan alle booten uit, die de Lima Kota en de Goenong Sahilan van levensmiddelen moeten voorzien. Het binnenvaren van de Kampar is zeer moeilijk voor de jonken, komend uit Singapore. De rivier ligt vol zandbanken, die bewegelijk zijn en zich snel verplaatsen en bij vloed is het er een zeer gevaarlijk vaarwater. Zelden waagt een boot het, de bank over te varen. Alle handel gaat langs de rivier de Siak, die beter bevaarbaar is en wel tot aan de samenvloeiing van de beide Taboengs.Gewoonlijk worden de goederen ontscheept te Pekan Baroe en daarna op den rug van koelies naar Teratak Batoe gebracht. Wij zullen morgen denzelfden weg in tegenovergestelde richting volgen. Het is een vrij druk dorp en wij kunnen er zonder bezwaar ons van dragers voorzien. Den 7den nemen wij bij het aanbreken van den dag afscheid van den controleur van Bengkinang, die weer naar zijn post terugkeert en wij maken ons tot het vertrek gereed. Deetappeis niet bijzonder lang, slechts 20 KM., maar wij willen graag ter plaatse zijn vóór het te warm is. Wij doen ons best, de koelies bijeen te krijgen. Ze komen één voor één aanzetten, zonder zich te haasten, en ieder kiest zijn pak. Er komen daar eindelooze twistgesprekken uit voort, en niet eerder dan acht uur zijn ze er mee gereed.Huis van den controleur in Siak.Huis van den controleur in Siak.Eindelijk zien wij den laatsten man verdwijnen, die op zijn hoofd al pruttelend het zwaarste van onze valiezen draagt, hem door de anderen overgelaten. Wij gaan op onze beurt uit Teratak Batoe. Om wat tijd te winnen, gaan we eerst per boot op weg. Wij volgen in zeer kleine bootjes een arroyo, dat is een soort van smal kanaaltje, dat zich in het onder water staande woud verliest. Zoo varen wij vijf kilometer ver door een berceau van boomen en slingerplanten. De doorgang is nauwelijks drie of vier meter breed. Knoestige stammen reiken over het water, en wij buigen de hoofden en de ruggen, om ons niet te stooten.De roeiers bewegen kalmpjes de pagaaien naar rechts en links; het oog dringt door onder een donker gewelf, waarin dicht opeenstaande zuilen van allerlei afmeting en allerlei vorm uit den grond oprijzen, waar een vaal, rottend plantenkleed gespreid ligt. Een volkomen stilte heerscht in het woud. Men hoort noch het lied van een vogel, noch ’t geluid van een insect. De boot glijdt zonder moeite over het zwarte water. Bijwijlen verlicht een plotselinge helderheid de veelkleurige kleedingstukken van de roeiers der eerste boot, en de bedding der arroyo, met groen mos bedekt, verspreidt glanzen als van fluweel. Dan op eens zijn we weer in de schaduw. Dezelfde fantastische omgeving volgt ons een heelen tijd en ’t is, of we in een tooverwereld zijn, waar alle echte leven ontbreekt. Het komt ons voor, dat het dorp, dat we nog zoo kort geleden hebben verlaten, nu van ons gescheiden is door een onmetelijk wijde vlakte. Dit is een wereld buiten ons; domein der plant, en de menschen, eenzaam en alleen in deze groenewereld, komen zwijgend onder den indruk der souvereiniteit van het woud.Nu gaan wij in den brandenden zonneschijn verder. Het harde gras breekt bros af onder onze schreden en slaat ons nu en dan in het gezicht. Aan beide kanten hebben herhaalde branden den grond bedekt met zwarte resten van boomen. De vlammen hebben hun verwoestingen niet zeer ver uitgestrekt. Zij hebben hun eind gevonden aan den voet van den groenen muur in de laagte, daar, waar de sappen door de takken dringen en van de groene twijgen in lange slingers de lianen afhangen. Het voetpad, dat zachte golvingen vertoont, stijgt over een heuvel en loopt dan verder ’t woud in. Omgevallen boomstammen liggen op den weg, half ondergedompeld in het dikke, vuile slib. Men loopt hier angstig en aarzelend en zoekt van boom tot boom naar vaste steunsels voor den voet. Het is zwaar werk, zulk een tocht in de overweldigende hitte. Geen enkel zuchtje beweegt de bladeren en een warme wolk hangt boven den grond.Inboorlingen komen ons tegen, moeilijk loopend met zware lasten op het hoofd. Wij nemen wat rust bij een hut aan den rand van het bosch, onder hooge palmen. Onze gidsen brengen ons kokosnoten. Met een enkelen slag van hun mes slaan zij er een stuk van de groene schil af, ontblooten het hout en in het inwendige doet zich het doorschijnende vocht nog helderder voor, doordat het witte ivoor van ’t vruchtvleesch zich er in spiegelt, en wij drinken met lange teugen den heerlijken, frisschen drank.Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.Wij vertrekken; bij een bocht van het pad zien we tusschen ’t hooge gras een troep reizigers haastig op ons afkomen. Een van hen draagt den witten helmhoed van de Europeanen, ’t Is de controleur van Siak, die ons tegemoet komt. Wij zijn dichtbij het doel, en van een kleine hoogte overzien we de rijstvelden rondom Pekan Baroe. Het dorp is niet anders dan een straat, die loodrecht op de rivier staat. De palen, die de laatste huizen schragen, staan met hun voeten in het natte slijk, dat bij hoog water overstroomd is; de straat zelve is met een houten vloer bedekt, die tot de aanlegplaats door loopt.Pekan Baroe is een belangrijke marktplaats. Er wordt een vrij levendige handel gedreven in boschproducten, en die handel is bijna geheel in handen der Chineezen. Men vindt die menschen overal, in alle huizen, sommigen rustig hun lange pijp rookend, anderen druk, bewegelijk en met duizend kleinigheden bezig. Enkelen van hen zijn aan de rivier bezig, met hun hielen ballen guttah percha te kneden; ze houden zich met beide handen vast aan touwen, bevestigd aan de zoldering van een loodsje en balanceeren op lachwekkende, gehaaste manier.Een stoomsloep brengt ons naar Siak. De vloed komt op, en wij varen langzaam tegen den stroom. De rivier biedt een treffende tegenstelling aan met de Kampar; zij heeft niet de grillige bochten en zandbanken en de gele leemen wanden van de bedding, aanhoudend ondermijnd door den stroom. Neen, de rivier, de Siak, vloeit recht naar zee; het zeer diepe water is sterk bruin gekleurd door de tannine van de vele wortels, die erin ondergedompeld zijn. Bosch bedekt de oevers en daalt tot het water af, waar het zich even in waagt, en een lijn van rietstengels en pandanen is vooruitgeschoven, half onder water staande. De onvruchtbare en gele grond is nergens te zien; er is geen rots, geen eiland te bespeuren; de rivier opent door het bosch een statigen weg.De boomen spiegelen zich in het kalme water met verrassende duidelijkheid. Het geheele landschap vertoont slechts drie kleuren, ’t roodachtig bruin van ’t water, het donkergroen van ’t woud, het diepe blauw van de lucht. Het is zeer helder weder. De zon gaat snel onder; de maan komt op; een streep van vlammend licht loopt over de rivier, waar wij een spoor doorsnijden, dat met vreemde lichtsprankels flikkert. In den maneschijn dreef de rivier zilveren golfjes voort; er hangt een lichte nevel, die de boomen teeder omhult, terwijl die laatste even huiveren onder het lauwe koeltje, dat uit zee komt. Tegen elf uur worden in de verte enkele lichten zichtbaar, roode punten op de hoogte van het water. Wij gaan in een wit, eentonig licht verder, dat rustig de stad, de rivier en het slapende woud beschijnt.De sultan van Siak was oudtijds een machtig souverein. Twee eeuwen geleden strekte zijn gezag zich uit over Asahan, Langkat en Deli. De afstammeling van die doorluchtige vorsten heeft ons onder een soort van loods de graven van zijn voorouders laten zien, van wie één, Achmed de Groote, zelfs het machtige koninkrijk Atjeh onderworpen heeft. Hij bestuurt tegenwoordig niet anders dan de armoedige, bijna verlaten streek, die besproeid wordt door de beide Taboengs.Hij woont in een paleis, dat in moorschen stijl is gebouwd en op eenigen afstand der rivier in een tuin staat. De meubels, door de eene of andere duitsche firma geleverd, zijn van een formidabel slechten smaak; in den grooten salon ziet men kristallen fauteuils met kussens van rood fluweel, en alles weerkaatst het felle licht, dat binnenstroomt door breede vensters, waar zware gordijnen naast hangen. Portretten van den sultan hangen aan de muren; hij is in europeesche costumes voorgesteld. Op deftige ontvangdagen draagt hij de uniform van generaal met zeer veel goudborduursel. Hij is eenige jaren geleden naar Europa gegaan en heeft zijn portret laten maken in elke hoofdstad, die hij met een bezoek vereerde.Chineesche koelies aan het werk.Chineesche koelies aan het werk.Aan Parijs heeft hij een ontroerende herinnering behouden. Hij vertelt mij van de wandelingen en rijtoeren, die hij er gedaan heeft en van de mooie vrouwen, die hij er heeft ontmoet, en zonder twijfel zijn de vrouwelijke bekenden, die hij er heeft gekregen, door zijn raadgevers in groote naïveteit gekozen, want hij beklaagt zich erover, dat hij ze niet altijd belangeloos heeft bevonden. Ik vraag den sultan, of hij niet binnen kort weer een reis naar ’t Westen gaat ondernemen, maar hij zucht eens en legt mij uit, in hoe slechten staat zijn financiën zijn, die hij vergelijkt met de verbazend hooge inkomsten zijner neven, de vorsten van Langkat en Deli. Hij hoopt, dat eens een paar op avonturen uitgaande kolonisten uit den ondankbaren grond, dien hij bezit, heerlijke plantages zullen tooveren of ongehoord rijke mijnen, en op dien dag zullen zijn opgestapelde schatten hem vergunnen het leven te leiden, dat hij wenscht. Hij begunstigt dan ook uit al zijn macht de ondernemingen en de proeven der nederlandsche regeering.Siak viert op dit oogenblik feest. De sultan huwt twee zijner nichtjes uit, en talrijke bezoekers zijn gekomen uit alle kleine staten, die verspreid zijn langs de kusten van Malakka en Sumatra. De stad is gebouwd op den linkeroever der rivier; het is een groot dorp, welks bewoners enkel leven van de boschproducten en de mildheid van den vorst. De controleur en de luitenant die bevel voert over het kleine garnizoen, zijn gevestigd op den rechteroever, en de rivier stuwt haar golven tegen de smalle reeks van woningen.Wij hebben bij den controleur de vriendelijkste ontvangst gevonden, en na de dagen van onze bezwaarlijke reis zijn de beleefdheden en attenties der lieve, jonge vrouw des huizes een verkwikking en doen ons de rust, die wij zoo noodig hebben, nog te meer waardeeren. Wij moeten hier drie dagen blijven en zijn letterlijk gevangenen; er is geen andere weg dan de rivier en wij moeten op de eerstvolgende boot wachten, die ons naar Bengkalis en naar Singapore zal brengen.Onze drie dagen worden gebruikt voor het in orde brengen van onze reisnotities. We gaan ’s avonds naar den schouwburg van den sultan. Een troep, uit Penang gekomen, speelt perzische stukken, waarin peri’s strijden om de liefde van een vorst. De woorden worden in ’t Maleisch gezegd; maar de muziek is voor een groot deel ontleend aan hetzigeuner-répertoire, en het is verrassend, hier, in dit achterafhoekje van Sumatra, te luisteren naar walsen, welke wij den vorigen zomer maar al te dikwijls hoorden in de cafés op den boulevard en in de tenten van het Bois de Boulogne.Het orkest, bestaande uit één piano en twee violen, wordt gedirigeerd door een Pers, gekleed in witte broek en lange jas, karikatuurachtige persoonlijkheid van zeer bijzondere magerheid. Hoewel wij nu nog maar vijf maanden in Indië hebben vertoefd, kunnen wij gemakkelijk de ontwikkeling der intrige volgen; zoo gemakkelijk leert men het Maleisch. Het publiek is mild met zijn toejuichingen voor de min of meer onkiesche grappen van den eersten acteur. Dicht in onze buurt lacht de radja van Tambang, bij wien wij gisteren gelogeerd hebben, dat hem de tranen over de wangen vloeien, en neemt op den grooten stoel, waarop hij gehurkt zit, houdingen aan van een oestiti. De vorst van Goenong Sahilan, een nog zeer jonge man met een ziekelijk uiterlijk, kijkt met een begeerigen blik naar de blijken van een weelde, die hij ook spoedig zal leeren kennen, als zijn onderdanen de bewondering deelen, die hij gevoelt voor de administratie der Hollanders.Morgen vroeg verlaten wij Siak; de boot, die ons zal meenemen, is zoo juist gepasseerd, stroomopvarend naar Pekan Baroe. ’t Is een chineesche stoomboot, dePekang, akelig vuil. Wij zullen het er niet te best hebben; maar wij moeten wel besluiten, er toch maar gebruik van te maken, om niet nog weer vier dagen hier te blijven wachten.Penang, 2 Juni.Nu loopt onze reis op het eind. Wij zijn gisteren te Penang aangekomen uit Olehleh, en wij zullen naar Singapore terugkeeren, om daar op de paketboot te gaan, die ons naar Frankrijk moet terugbrengen.Den 11den Mei zijn we uit Siak vertrokken, om tien uur ’s morgens en we zijn allereerst naar Bengkalis gegaan. De rivier biedt tot aan haar monding denzelfden aanblik aan als boven Siak. Het woud blijft overal de oevers volgen in doodsche, sombererust, en ’t bruine water golft en trilt bij het voorbijvaren van onze boot tot aan het zwaar gebladerte, dat zich spiegelt in het water, waar het door bespoeld wordt.Wij bespeuren intusschen hier en daar enkele vrij uitgestrekte ontgonnen gebieden; het zijn nieuw aangelegde aanplantingen van sagoboomen. Booten liggen aan de oevers gemeerd en langs lichte ladders worden ze bestegen. Kinderen schreeuwen en vermaken zich aan den waterkant, zonder zich om de kaaimannen te bekommeren, of zitten in hun primitief costuum op ’t eind van de planken bruggen ons verwonderd aan te kijken.Wij hebben ons twee uren te Bengkalis opgehouden; de stad is gebouwd op de westkust van het eilandje en kijkt dus in de richting van het groote eiland. De chineesche wijk is nog al uitgestrekt, en enkele fraaie huizen toonen aan, dat de handel er nog belangrijk is. Het eiland ligt geheel in een wieg van groen. In het binnenland heeft men enkele aanplantingen van gutta-perchaboomen, en rondom de woningen staan langs den weg, dien wij volgen, reusachtige sagopalmen. Die zijn een kenmerk voor het eiland, en nergens hebben wij die palmen zulke afmetingen zien aannemen.Onze overtocht over de straat van Malakka is hoogst onaangenaam geweest. Wij hebben er een hevige bui gehad. Onze boot, die ingericht is voor ’t varen op rivieren, meet slechts 90 ton, en den geheelen nacht wordt zij hevig geslingerd door de golven; zij helt onder den aanval van den wind onrustbarend over en richt zich met moeite weer op, zoodat men elk oogenblik bang moet zijn voor een kanteling. Er zijn geen hutten, en wij brengen den nacht op het dek door, terwijl beneden de Chineezen en Maleiers, opeengehoopt in de drie rijen boven elkaâr gelegen kooien, den ellendigen strijd tegen zeeziekte voeren.Wij nemen te Singapore de boot, die de oostkust van Sumatra bedient, en den 18den Mei om vijf uur ’s morgens leggen we aan te Belawan, in de baai van Deli.De staten Serdang, Langkat en Deli hebben zich in de laatste dertig jaar buitengewoon snel ontwikkeld en hebben dien bloei alleen aan de tabakscultuur te danken. De plantages beslaan tegenwoordig meer dan 300 000 hectaren. Degenen, die het initiatief hebben genomen voor deze cultuur, waren Franschen, de gebroeders Guigné, zooals ook aan den overkant van de straat van Malakka Franschen in den staat Perak de eerste tinmijnen hebben ontdekt en geëxploiteerd. Het voorbeeld, door onze landgenooten gegeven, heeft bij ons geen navolgers gevonden; maar het heeft voor de Nederlanders als voorbeeld wonderen gedaan. Bijna alle ondernemingen behooren aan maatschappijen, die te Amsterdam gevestigd zijn, en waarvan één, de Delimaatschappij, reusachtige winsten heeft gemaakt. Het woud bedekte vroeger de geheele streek; het beslaat nog heel wat ruimte in de buurt der zee, waar de bodem te laag is, om in cultuur te worden gebracht. De aanlegplaatsen en entrepôts van Belawan zijn gebouwd aan den rechteroever van een breede rivier, welker oevers onder een dichten plantengroei verdwijnen.Achter de magazijnen staat het station van den spoorweg. Wij nemen den trein van negen uur en zijn om tien uur te Medan, hoofdstad van den staat Deli en zetel van de regeering van ’t Gouvernement van Sumatra’s Oostkust.De stad gelijkt op alle andere, die wij reeds op Java en Sumatra hebben gezien. De huizen, bijna alle van hout, staan op ongeveer twee meter hooge massieve en gemetselde palen; de straten zijn breed, met mooie boomen beplant, en, wat iets bijzonders is in Indië, hebben electrisch licht. Maar zoo al de aanblik van buiten af dezelfde is als in die steden van luiheid en ledigheid, het voorkomen van de bewoners en de wijze van leven zijn totaal verschillend.In het hôtel, dat het meest in trek is bij kolonisten en reizigers van allerlei nationaliteiten, heeft men engelsche gewoonten aangenomen. Geen “rijsttafel”, geen lange siësta’s na den middag; de Europeanen zijn altijd bezig, verteerd van ijver; de energieke gezichten zijn verbrand van de zon, de koortsig haastige bewegingen wijzen op een leven vol ambitie. Hier niets van de zachte traagheid, de vreedzame kalmte der kleurlingen van Batavia. Op enkele terreinen ziet men tennis spelen, en groote velden vereenigen des avonds bij lamplicht de jongelui, die zich in ’t voetbalspel oefenen. In de straten ontmoet men inboorlingen uit aller heeren landen, Maleiers, Javanen, Chineezen, Tamilen, Bengalen, allen druk bezig, lasten dragend of zware wagens geleidend.Het stelsel, waarnaar men hier te werk gaat bij het exploiteeren en kolonizeeren van provincies, die armoedig en verlaten waren, is niet hetzelfde als dat, waarvan ik op Java de uitwerking heb kunnen gadeslaan. Op Java maakten de dichtheid der bevolking en de snelle toeneming bijzondere maatregelen noodig. Na de treurige periode der gedwongen cultures hebben de Hollanders onder den edelmoedigen invloed van de liberale partij vóór alle dingen den inboorlingen zijn eigendom willen waarborgen en zijn bestaan willen verzekeren, door ook voor toekomstige geslachten grond beschikbaar te houden, waar de nieuwe dorpen later kunnen worden gebouwd. De rijstcultuur is op Java, als in het uiterste Oosten overal, de hoofdcultuur, en men heeft die niet willen bemoeilijken, noch tusschen den grond, die het kostbaar graangewas voortbrengt, en den inboorling, die oogst en eet, een parasietisch tusschenpersoon plaatsen.Het systeem der vrije concessies, in onze koloniën zoo algemeen verspreid, bestaat nergens in Nederlandsch-Indië. De Europeanen kunnen alleen gronden in huur krijgen, en die gronden worden alleen verstrekt in erfpacht voor ten hoogste 75 jaren. Er zijn buitendien nog op Java belangrijke restricties in het stelsel aan te wijzen; zoo bijvoorbeeld, dat alle landen in de vlakte en alle, die zich uitstrekken langs de zachte hellingen der bergen, alle, die onder water gezet kunnen worden, in één woord alle, waarop rijst kan worden verbouwd, voor Javanen beschikbaar blijven en nooit door een Europeaan bezet kunnen worden. De kolonist kan alleen eenconcessie krijgen voor de hooggelegen landen, de met bosch begroeide bergen en kloven, de districten, waar de maagdelijke bodem geschikt is voor de ontwikkeling van speciale gewassen, als de koffie-,de thee- en de kinaplant.Toch zijn er culturen, die enkel in het laagland kunnen worden ondernomen, en die de Javaan alleen niet in staat zou zijn, op rationeele wijze te bebouwen, die van suikerriet bij voorbeeld en van tabak en indigo. De Hollanders hebben dit probleem op zeer vindingrijke en besliste wijze opgelost, zonder van hun beginselen iets te laten varen en zonder de belangen der inlanders te schaden, noch afbreuk te doen aan die der Europeanen. De kolonisten sluiten overeenkomsten met de javaansche eigenaars, die beloven om gedurende één of meer seizoenen suikerriet of tabak te verbouwen onder toezicht van den industriëel, die het geoogste product in zijn fabriek verwerkt. Gewoonlijk ontvangt de Javaan een vaste som, die de huur voor zijn gronden voorstelt en verkoopt zijn oogst aan den hollandschen planter tegen een vastgesteld tarief, dat bij contract geregeld wordt. Het is dan een soort van commanditaire vennootschap, en het stelsel biedt het voordeel, dat het tegelijk den inboorling iets leert en hem behoedt voor verarming.In die omstandigheden heeft de Europeaan, zooals men ziet, zich niet te bekommeren om de ontginning van den maagdelijken grond, noch om de indienstneming van arbeiders. Het is echter niet overal op Java aldus. Bij de boschexploitatie bij voorbeeld, moet men arbeiders in daghuur nemen, en in streken, waar een dichte bevolking woont, kan daar nooit moeilijkheid mee komen, op voorwaarde dat de werklieden goed worden behandeld en behoorlijk worden betaald. Ik heb bij Blora groote djatibosschen gezien, die teakhout leveren, waar de koelies allen Chineezen waren, die zonder moeite te Semarang waren te krijgen.Op Deli zouden de planters veel ernstiger bezwaren ontmoeten, en zij hebben die kunnen overwinnen door hun bewonderenswaardige volharding, een associatiegeest, dien men bij ons ver moet zoeken, en door de macht van het geld. De bodem was er van den voet der bergen tot de zee bedekt met moerassige bosschen; hij is bijna overal drooggelegd en in cultuur gebracht. Reusachtige concessies zijn uitgegeven; de sultans van Deli, Langkat en Serdang, hebben de gronden verhuurd tegen een eerste storting van 4 à 5 dollars de bouw en een jaarlijksche pacht van 1 dollar. De regeering bemoeide zich met niets dan met het innen der belasting en de rechtsspraak en liet verder alles over aan het particulier initiatief. Dat laatste heeft er alles in het leven geroepen, wegen, bruggen, aanlegplaatsen en de nog niet voltooide haven van Belawan, den spoorwegen de stad zelve, die gebouwd is op moerassige terreinen, nu ontgonnen en drooggelegd.De maleische bevolking, die er dun gezaaid was en daarenboven lui was van aard, weigerde te werken. Er is niet aan gedacht, haar daartoe te noodzaken, zooals in zooveel andere koloniën gebeurt; niemand heeft deinvoeringvan een vermomde slavernij voorgesteld; geen heeft de roeping gevoeld, als moralist op te treden en den inboorling te verbeteren, door hem te zetten aan een werk, waarvan de Europeaan de vruchten zou hebben geplukt; omdat er geen arbeiders waren, heeft men ze ingevoerd. De planters hebben zich vereenigd, riepen een bureau van emigratie in het leven en huren nu de koelies in Swatow en in Canton. Vroeger sloten zij daar contracten door tusschenkomst van europeesche agenten, die in genoemde havensteden woonden; nu zenden zij zelf naar China mandoers, vroegere chineesche bedienden, die zich op beter voorwaarden met de recruteering belasten.De koelies worden bij hun aankomst ingeschreven op de hoofdplaats; hun signalement wordt genoteerd, en de administratie verschaft hun een pas. Eerst worden zij voorloopig gehuisvest in loodsen en later over de plantages verdeeld. Zij teekenen een contract voor den tijd van drie jaren in het bijzijn van den resident of controleur en den chineeschen kapitein. Zij hebben bij ’t vertrek uit China enkele dollars handgeld ontvangen; de planters geven hun nog 15 of 20 gulden en reiken kleederen en gereedschap uit. De werver ontvangt van zijn kant een premie van 12 à 15 dollars per koelie. Neemt men daarbij de kosten van vervoer in aanmerking, dan komt elke chineesche arbeider aldus op 75 dollars. Men sluit zonder moeite zulke contracten af, en de meeste arbeiders blijven op Sumatra en hernieuwen hun verbintenis. Er zijn in dit vrije land geen heeren en slaven, er zijn patroons en arbeiders.De secretaris-generaal van de Delimaatschappij, de heer de C., heeft ons alle inlichtingen gegeven, die wij hem hebben gevraagd en heeft ons rondgeleid met onuitputtelijke welwillendheid. Wij hebben de magazijnen met hem bezocht en ’t hospitaal en ook het huis voor de koelies die aan ongeneeslijke ziekten lijden, en daarna hebben wij een wandeling over een tabaksplantage gemaakt.Het goed heette Helvetia. Het ligt op den oever der Delirivier en beslaat een oppervlakte van 6000 bouws, dus van 6000 maal 7091 M2. Aan het hoofd staat een administrateur, die zes europeesche ambtenaren onder zich gesteld ziet. Het terrein is in tien perceelen verdeeld, en jaarlijks wordt één dier perceelen in cultuur gebracht; de andere worden aan hun lot overgelaten en worden weer gebruikt, als ze aan de beurt zijn. Op enkele stukken wordt djati geplant, die na vijf of zes jaar mooie boompjes levert voor den bouw der droogschuren. Een weg doorsnijdt de plantage en loopt door alle perceelen. Elk daarvan is in secties verdeeld, die onder het toezicht van de Europeanen staan.Men begint eerst met het bosch te kappen één jaar te voren; dan bewerkt men den grond met den stoomploeg en keert de kluiten tweemaal met de spade. Het zoo voorbereide terrein wordt door diepe geulen verdeeld, voor den afvoer van het water en voor een splitsing in stukken van ongeveer 1 bouw. Elk deel wordt aan een Chinees toegewezen, die het zaad ontvangt, het laat uitzaaien, toezicht houdt op de kweekbedden, op het uitplanten en de verzorging, om na zeventig dagen te laten oogsten, blad voor blad, en de administrateur koopt de opbrengsttegen tarieven, die in het arbeidscontract zijn opgenomen.

Het Manindjoemeer.Het Manindjoemeer.De weg loopt soms langs zulke steile hellingen, dat men vlak onder zijn voeten den afgrond ziet, waarin het blauwe water dartelt. De gansche omgeving spiegelt zich in den helderen hemel. Maar op eens beginnen witte nevels te rijzen; er gaan schaduwen over de oppervlakte van het meer, welks wateren een zwarte tint aannemen, ’t Is of zij beven onder de vurige liefkoozing der zon. Als wij boven op den top van den berg zijn aangekomen, stralen in ’t schitterend licht nog de heldere kleuren van de rijstvelden, terwijl in het Zuiden alles ligt gedompeld in een geheimzinnigen nevel, contrast van zeldzame, indrukwekkende schoonheid.Wij schenken nog een laatsten blik aan dit onvergelijkelijk heerlijk beeld; dan blaast een gure wind over de randen van den krater, en wij spoeden ons terug naar Matoea en naar Fort-de-Kock. Het onweêr dreigt, en op den steilen weg, die opgaat boven de Si Anoq, zetten wij onze paarden aan, om de stortbui nog te ontgaan.Bij onze aankomst te Fort-de-Kock vinden wij in het hôtel een inlandsch hoofd, den laras van Soengai Poear, die op verzoek van een onzer vrienden de taak op zich heeft genomen, ons uitstapje naar den Merapi voor te bereiden en gidsen en dragers te huren.Den volgenden dag zijn wij tegen den middag naar Soengai Poear vertrokken en hebben daar een déjeûner gebruikt. De laras zet ons een uitstekenden maaltijd voor, waarbij wij wel speciaal melding mogen maken van de geurige gerechten, bereid van gedroogd hertenvleesch en op de aangenaamste wijze gekruid.Een mijner medereizigers is te Fort-de-Kock gebleven. Hij heeft een wonde aan den voet gekregen, en daar die nogal ernstig lijkt, heeft hij zichzelven rust opgelegd. Dus zijn we maar met ons tweeën, en wij ondernemen de bestijging om drie uur in den namiddag. Wij zijn op 1100 M. hoogte, en wij moeten den nacht doorbrengen in een hut op een hoogte van ongeveer 2000 M. De weg is eerst vrij goed; maar weldra hebben wij het eind ervan bereikt, en nu gaat het verder over een wreedaardig moeilijk, steenachtig pad, dat al steiler wordt, naarmate wij hooger komen. Om half zes hebben we eindelijk het doel bereikt en gevoelen ons doodmoe. De nevel heeft zich verspreid, en wij zien onder ons lange gelijkmatige, kale hellingen en dan, nog lager, koffie-aanplantingen rondom Soengai Poear en in de verte Fort-de-Kock.De koude nacht gaat rustig voorbij. Vóór het dag is, ben ik op en begeef mij weer op weg. In langen tijd is er niemand door deze jungle getrokken, vol varens, en verraderlijke slingerplanten, vol ook van grassen, die snijdend scherp, en van struiken, die zwaar gedoornd zijn. Hier en daar is het voetpad geheel verdwenen, en de gidsen gaan het terugzoeken;sluipen, plat op hun buik liggend, onder de struiken door en maken met hun kapmessen een smallen doorgang. Verraderlijke kuilen gapen onverwacht, en telkens zinkt de voet in ’t ledige weg, waarna men een buiteling maakt in het natte gras. Het is nog geen dag, en er schitteren nog enkele sterren. Als wij omkijken, zien we achter ons boven de vlakte witte wolken hangen.Krater van den Merapi.Krater van den Merapi.Eindelijk, na anderhalf uur, verlaten wij het bosch en de struiken. Er ligt niets anders vóór ons dan de 200 M. hooge helling, waarlangs de puimsteen en de zwarte lavastroomen zijn gevloeid, die nu onder onze voeten in beweging komen. De bestijging gaat toch nog al snel, en wij zijn gekomen op een plateau, weer door een wal omgeven. Een tweede hoogte verrijst iets verder, en als men die over is, ziet men in een ondiepe kom, in het midden waarvan de opening is van den krater.Het is een zwarte put met een middellijn van 200 à 300 M., en waaruit zonder geraas dikke dampen opstijgen. Ik loop er omheen. Naar het Zuiden is de kraterrand wat hooger en dunner, en een scherpe punt steekt boven de gapende diepte uit. Men komt daar langs een smalle trap, in het gesteente uitgehouwen, zoo smal, dat men zijn handen te hulp roept bij het stijgen, en vóór ik boven ben, houd ik even op. Aan weerszijden gaapt de afgrond; zwavelige dampen doen iemand bijna stikken. De enkele treden, die nog moeten worden afgelegd, zijn pas breed genoeg, dat ik er mijn voet kan plaatsen, en de vochtige kleverige grond biedt in ’t geheel geen stevigheid. Ik ga weer eenige meters naar omlaag en rust uit op een smal plateautje, van waar ik een heerlijk panorama kan overzien.Al spoedig breekt de dag aan. Een bleek schijnsel neemt bezit van den hemel. Een windzuchtje voert de laatste wolkjes weg; de vlakte richt zich op uit de schaduw, en ’t is of zij bij ’t lichter worden tot ons nadert. Dit is ’t ontwaken. Verwarde geluiden worden al duidelijker en duidelijker, en de wind, die uit zee komt, voert de klanken van de diepe dalen tot ons. De hooge top, het hoogst gelegen punt van den Merapi, verbergt naar het Oosten dat deel van den horizon, waar de zon rood schittert. Het lijkt, of een smalle purperen band licht wordt, en op den top van den Singgalang tegenover ons teekenen de boomen zich tegen de lucht af.Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.Het licht neemt toe, het blonde licht; het neemt bezit van de dalen, terwijl beneden ons nog groote, zwarte schaduwen de bosschen vullen. In de verte zien we de zee haar kalme golven voortrollen, en al duidelijker worden de lichttintelingen, die erover spelen. Wij zien de bochten van het strand; en de schitterend witte lijn van zand wordt duidelijk zichtbaar vóór de donkere massa’s groen. De bergen rijzen met hun groenen last van bosschen naar den hemel op.De Anei-kloven openen zich, en de rivier trekt er een schitterende streep van schuim doorheen. De huizen van Padang-Pandjang liggen wit te midden van bloemperken. Het Singkarameer vertoont zich in het Zuiden, en de hoogten aan den rechteroever worden bestraald door de heldere zon, terwijl die aan den linkeroever in de schaduw blijven met hun scherpe kammen. De vlakte van Fort-de-Kock, bezaaid met dorpen, ligt uitgespreid vóór ons, met haar rijstvelden en haar kloven met hun witte wanden. Het stilstaand water op het land weerkaatst het licht als een metalen spiegel en beekjes schitteren met vluchtige heldere lichtjes. Een krans van bergen doet zich voor, de Tandikat, de Singgalang, waarop dunne, teêre boomen rondom een kleinen vijver staan; zoo lijkt de grillig omrande schelp, die het Manindjoemeer omvat houdt. Dan volgen de Ophirberg en de kalkbergen en wonderlijk gevormde rotsen van Pajacombo, en in het Zuiden in de verte de glorierijke Indrapoera, de reus van het eiland, die de groote vallei van Korintji beheerscht.In de Harrau-kloof.In de Harrau-kloof.Aan mijn voeten daalt de donkere helling met violette tinten duizelingwekkend snel tot de eerste boomen van het woud. Er raken blokken los; zij rollen, springen voort en verdwijnen onder ’t schaduwrijke boschgewelf. Aan den anderen kant opent zich de schrikwekkende muil van het monster; hij braakt geluidloos witte dampen uit, en de wanden van den krater zijn gestreept met gele lijnen van een zwavelkleur. Deze berg is heilig en wordt hoog vereerd. Hier, zegt de legende, verborgen zich de eerste menschen, toen ze vluchtten voor de wateren, waarmee de zondvloed de aarde overdekte. De woede van den Merapi heeft iets profetisch en iets goddelijks in zich. Als het “roode vuur” (Merah api= rood vuur) op den top van den berg ontstoken is, als de stroomen lava vloeien en de dorpen met de aanplantingen verwoesten, dan worden andere ongelukken, nog veel zwaarder rampen, voorbereid. In den tijd van den Padri-oorlog waren de uitbarstingen voor de Maleiers zekere voorteekenen van een nederlaag.Er is nauwelijks een uur verloopen, nog maar zeven uur, en in den zonneschijn merkt men al, hoe het dagelijksch onweêr dreigt. Een nog onmerkbare nevel doet de omtrekken vervloeien en verzacht de tinten; een ongrijpbare damp breidt zich over het landschap uit. Plotseling ontstaan er dichte wolkenbrokken, alsof ze zoo op eenmaal, met één slag, geboren worden, geheel en al afgerond als reuzenblokken wit marmer. Zij breiden zich uit en stooten tegen elkaâr, om zich tot een geheel te vereenigen. De machtige adem van het woud roept hen in het leven.Zoo ver het oog reikt, vloeien de wolkengolven, witter dan de onbevlekte sneeuw, en met den windstoot komen donkerder golven opzetten en vloeien op hun beurt met andere samen. Te midden van deze schitterende zee steken de toppen der bergen als eilanden omhoog; de aarde daar beneden is verdwenen, en de zon schittert nog voor ons alleen.Huizen aan de rivier.Huizen aan de rivier.Dit schouwspel is niet nieuw voor mij. Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo en de witte nevels, uit den reuzenbeker van den Dasar opstijgend, evenals den krater, waarover ik mij heen gebogen heb en waaruit ik het doodsgerochel van het monster tot mij heb hooren opstijgen.Maar wij moeten weg, ons in den nevel dompelen. Het dalen gaat nog moeilijker dan het stijgen. Op den gladden grond, bedekt met natte bladeren, kunnen de knieën bijna niet voort van inspanning. Wij komen, met slijk overdekt, in de schuilhut aan, waar mijn reismakker rustig op mij zit te wachten, en wij vervolgen den tocht naar beneden met onzekere schreden; soms vlug, door ons eigen gewicht getrokken, om eindelijk te Soengar Boeloe den trein te vinden, die ons naar Fort-de-Kock terugvoert.Siak, 10 Mei.Wij hebben Fort-de-Kock den 26sten April verlaten en zijn naar Pajacombo gegaan, over Padang-Pandjang en Fort Van der Capellen, dus in ’t Zuiden om den Merapi heen trekkend. Onze tocht is zonder incidenten afgeloopen en liep langs uitstekende wegen, waarover onze karretjes rolden zonder eenigszins te stooten, hoewel de snelheid buitengewoon groot was. Koffietuinen breiden zich uit op de hellingen der bergen; rijstvelden en dorpen liggen, zoo ver het oog reikt, over de vlakte verspreid, en altijd hebben we tot Pajacombo hetzelfde eentonige, maar altijd schoone landschap voor oogen.Wij hadden uit Pajacombo den eersten Mei moeten vertrekken, maar hebben er nog één dag langer moeten blijven. De reis, die wij willen doen, is, naar men zegt, nog al lastig en wij hebben niet zonder moeite ten slotte machtiging gekregen, om haar te ondernemen. Wij moeten door streken trekken, die nog niet geheel onderworpen zijn. De staatjes aan de oostkust zijn nog bijna alle onafhankelijk, en de Hollanders willen hun niet met geweld een gezag opdringen, waarvan ze niet gediend zijn. Zij beweren echter, dat men hun zoo duidelijk de voordeelen van het europeesch bestuur zal doen begrijpen, dat alle stammen één voor één uit vrije verkiezing zullen vragen, om ervan te mogen genieten.Dit laatste nu gebeurt werkelijk dikwijls. Op dit oogenblik heeft zoo juist de radjah van Goenoeng Sahilan zijn onderwerping aangeboden aan den adsistent-resident van Bengkalis. De Nederlandsche regeering heeft die nog niet aangenomen. In alle dingen vermijdt zij overhaasting, die zou kunnen uitloopen op een langen, moeilijken oorlog in streken, die ongezond en dun bevolkt zijn. De aanbieding van den radjah schijnt onvoldoende; men wil buitendien nog de toestemming van het volk. Binnen enkele dagen zal de adsistent-resident van Bengkalis een bezoek gaan brengen aan den stam der Goenoeng Sahilan; hij zal dan de dorpshoofden bezoeken, zal hun ware bedoelingen trachten te leeren kennen en zal geen besluit nemen dan na rijpe overweging. Het zijn weer nieuwe kinderen, die men gaat aannemen, geen vijanden, die men onderwerpt.De methode van zachtheid is echter niet altijd voldoende. Er zijn oproerige stammen, die soms op hollandsch grondgebied invallen doen. Zulk een feit heeft nog voor eenige maanden plaats gehad. De inwoners der Lima Kota hebben het huis van een Europeaan overrompeld, een prospector, en hebben den eigenaar vermoord. Men heeft toen een expeditie moeten ondernemen, te eerder wijl het slachtoffer een Engelschman was, en de bestraffing der schuldigen kon worden geëischt. Een sterke kolonne, uit Siak vertrokken, heeft de Lima Kota in de vorige maand November afgeloopen en legde een post aan teBengkinangaan de Kampar.Van de bovenlanden leiden vele natuurlijke wegen naar de oostkust. Van ’t Zuiden te beginnen, heeft men eerst het dal der Batang Hari, welke rivier zich met de Korintji vereenigt, om de Djambi te vormen; dan de Indragiri, waarvan de Ombilien, die uit het Singkarameer komt, de voornaamste arm is; vervolgens de Kampar en dan ten slotte de beide Taboengs, de Taboeng Kanan en de Taboeng Keri, die zich vereenigen en de rivier, de Siak, vormen.Wij konden noch het dal der Djambi, noch dat der Indragiri nemen, want men had ons op ons verzoek een formeele weigering doen toekomen. Het Kampardal werd als te gevaarlijk beschouwd, en te Batavia had men gemeend, ons geen machtiging te mogen verleenen voor een reis door een gebied, waarvan de pacificatie nog slechts weinige weken oud was. Bij gevolghaddenwij moeten besluiten, rechtstreeks naar de Taboeg Keri te gaan bij Batoe Gadjah en dan daarna naar Siak te reizen. Maar de adsistent-resident van Pajacombo gaf ons omtrent de toestanden in de Lima Kota zulke geruststellende berichten, dat wij besloten, nog eens weer ons reisplan te veranderen.Pajacombo ligt aan de Sinamar, een zijtak van de Ombilien. De weg, dien wij zullen volgen, moet ons te Kota Baroe brengen, 45 K.M. ten noorden van Pajacombo en aan de oevers van de Soengai Mahé, zijtak van de Kampar. Van daar moeten wij in een prauw de Soengai Mahé, af varen en daarna ook de Kampar tot Bengkinang en Teratak Boeloe, dan over land naar Pakan Baroe gaan aan de Siakrivier en die laatste volgen tot Bengkalis.Om dien tocht ongehinderd te kunnen volbrengen, hebben wij natuurlijk de inlandsche hoofden moeten verwittigen van onze komst, en tevens daarvan kennis geven aan den commandant van den post Bengkinang. Door een ongelukkig toeval, zooals er zich trouwens nog al eens voordoet, was de telegraaflijn, die Pajacombo metBengkinangverbindt, gebroken en daardoor waren wij genoodzaakt, ons vertrek één dag te verschuiven.Pajacombo is een zeer groot dorp, gelegen midden in een vrij uitgestrekte vlakte, waar kokospalmen groeien en waar rijstvelden zijn aangelegd. Hoewel de hoogte nauwelijks 500 M. bedraagt, is het klimaat er verrukkelijk. Rondom verheffen zich hooge bergen, en op de hellingen van den 2240 M. hoogen Sago heeft men te midden der koffietuinen een pasangrahan gebouwd, waar de inwoners van het plaatsje, als het noodig is, een koelere-luchtkuur kunnen doormaken. Zoo’n door de zorg van de regeering gestichte en door haar onderhouden pasangrahan is, wat in de engelsche koloniën hetdak bungalowof hetresthouseis.De Europeanen zijn er niet zeer talrijk. Buiten den adsistent-resident heeft men er den luitenant-commandant van ’t kleine garnizoen, een dokter en een veearts. De regeering heeft dichtbij de plaats een stoeterij laten aanleggen, een zeer eenvoudige inrichting, waar men geen dure gebouwen heeft gesticht zooals in andere landen. Alles heeft te zamen ƒ 3000 gekost, maar de gebouwen zijn dan ook van hout en met riet gedekt. Er zijn twee-en-twintig hengsten van verschillend ras, sandelhouts van ’t eiland Soemba, de grootste en de beroemdste, dan makassars en bataks, gekozen uit de beste dieren, en toch is hun gemiddelde prijs niet meer dan ƒ 300. De hengsten zijn verspreid in de aan Pajacombo grenzende districten, en de plaatsen zijn zóó gekozen, dat de inspectie gemakkelijk in een paar dagen kan afloopen. De eigenaars der merriën ontvangen een premie, als de jonge veulens mooi en goed verzorgd zijn.Er is slechts één Europeaan, een veearts, aan de stoeterij verbonden. De geheele inrichting en het personeel, dat erbij is aangesteld, kosten den staat niet meer dan ƒ 800 per maand. De inrichting heeft uitstekende resultaten opgeleverd; zij bestaat nog slechts twee jaar en reeds zijn er rondom Pajacombo 270 uitstekende veulens geboren. ’t Is waar, de Maleiers uit deze streken hebben altijd aan veeteelt gedaan, en hier is men niet op het dwaze denkbeeld gekomen, om een stoeterij te organiseeren in het land, waar noch weiden, noch paarden zijn, ’t geen tegen alle gezond verstand in, wel eens geprobeerd is in andere, niet-hollandsche koloniën.De markt te Pajacombo is een der drukste uit de geheele Padangsche Bovenlanden; wij kochten er wat proviand voor onderweg. Men ziet er een dichte menigte menschen, die veel leven brengt in de stad en veel vroolijkheid. Pajacombo is dan ook de meest gezochte post van heel Sumatra. Het klimaat had ik al te voren hooren roemen, evenals de schoonheid en beminnelijkheid der vrouwen.Den 2den Mei om zes uur’s morgens, zijn we van Pajacombo vertrokken. In het Noorden wordt de vlakte afgesloten door een wal, die 1500 M. hoog is en dien wij moeten over trekken, om het bekken van de Kampar te bereiken. Verscheiden dalen dringen in het bergland door en voeren naar den top der bergen. Wij hebben eergisteren een tocht gedaan naar de Harran-kloven, een zeer nauwen doorgang tusschen hemelhooge bergwanden, waar schuimende watervallen zich langs nederstorten. Wij gaan vandaag door het dal der Ajer Poetih.In rijtuigen worden we eerst naar Loeboek Bengkoeang gebracht, 12 palen van Pajacombo verwijderd (een paal is 1500 M.); daar stijgen we te paard en beginnen het steile pad te beklimmen, dat langs de zijden van het dal slingert. De grond bestaat uit ruwe conglomeraten en steile hoogten rijzen boven de rivier omhoog. Een menigte watervalletjes vallen dartelend neer in den helderen zonneschijn, en hun geraas, dat door de rotsen wordt weerkaatst, vult heel het dal. Hier en daar is een lichte hangende brug over de Ajer Poetih geslagen.Een vrij dicht plantenkleed bedekt de hellingen, van de oppervlakte van het stroompje af tot op den top der hoogten. Wij komen langzaam vooruit op het pad, dat door de regens veel geleden heeft, en nu door ploegen Maleiers hersteld wordt. Na een uur komen we aan den top van den berg. Wij zien neer in de laagte, waar de rivier haar water uit ontvangt, een ronde kom, waardoor de Ayer Poetih grillig slingerend voortglijdt. Daar heb ik de dwaasheid, mijn paard op den slechten weg te laten galoppeeren! Het glijdt uit en valt op den houten vloer van een bruggetje. Mijn been komt onder het dier, mijn hoed rolt ver weg in de diepte van de kloof, en ik sta op met ernstige kneuzingen en een lange snede over den arm en het been.Wij houden ons eenige oogenblikken op in een hut aan den kant van den weg. Het heet hier Oeloe Ayer. Wij zijn op een hoogte van 950 M. De pas, dien wij over moeten trekken, is op niet meer dan eenige honderden meters afstands, en wij zullen vlug dalen naar Kota Baroe op 20 K.M. van hier; we zijn daar slechts 66 M. boven het oppervlak der zee dus midden in den oven. Van af de pashoogte zien wij eerst vóór ons lijnen van achtereenvolgende heuvelreeksen, die langzamerhand lager worden, dan in de verte een zee van gebladerte, een oceaan van groen, donkergroen, dat in breede golven zich uitbreidt verder en verder tot aan den horizon.Dit is het reuzenwoud, dat de vlakte bedekt en waar wij door zullen trekken. Van de helling der bergen te beginnen, gaat het voort tot op 250 K.M. afstands van hier, tot de oevers, die aan de straat van Malakka grenzen. Wij blijven eenige oogenblikken boven. Dit woeste, donkere landschap maakt diepen indruk op ons. Nergens is eenig spoor te ontdekken van de aanwezigheid of van de werkzaamheid der menschen. Geen stukje ontgonnen land, geen nog zoo klein rookkolommetje. Dicht opeengedrongen staan de boomen, die den ongebruikten, onontgonnen bodem bedekken en zonder twijfel zullen in hun schaduw gevaarlijke en dreigende dieren huizen. De dorst naar avonturen; de begeerte en ’t verlangen naar nieuwe ervaringen; de drang naar het onbekende, zooals ieder dien in zich voelt; herinneringen van vroegere lectuur; de droomen, in de kindsheid gedroomd, alles wordt in ons wakker en dreigt ons te doen stikken. In de voorbijgegane eeuwen heeft dit trotsche woud domein veroverd, en niemand heeft het nog een voetbreed gronds betwist.Geen weg voert door het woud, dan enkel de diepten, die de rivieren zich er hebben uitgeslepen; de zon, de moerassen en de koortsen zijn de schutsengelen van het woud. Zijn uur heeft nog niet geslagen, ’t uur, waarop de menschen er met bijl en hakmes zullen binnendringen of met brandende toortsen. Ik zie in mijn verbeelding een nauwe, donkere, lage gang van groen, waarin de booten in de schaduw wegglijden. Morgen zal zoo’n boot ons meevoeren. Zoo droom ik, en mijn verbeelding maakt den droom aangrijpend en steeds indrukwekkender, misschien om de werkelijkheid te bederven.Wij dalen eindelijk door korte valleien naar een terrein van leisteen, waar het pad afschuwelijk glad is. Het land is verlaten. In de diepten en op de bergtoppen groeit het woud met volle kracht. Maarter halver hoogte ziet men hier en daar een voetpad; vuren of woudbranden, ontstoken door de inboorlingen, hebben er niets overgelaten dan struiken en hoog gras. Onze achterste dragers steken in ’t voorbijgaan die jungle in brand. De roode vlam loopt langs de hellingen; de dikke rook stijgt in groote kringen op, het bamboes knapt, als of het ontploft, en onze Maleiers leggen eene kinderlijke vreugde aan den dag, als zij de verraderlijke doornstruiken zien verdwijnen, waarin des avonds zich de tijger verschuilt, om van daar uit zijn prooi te beloeren.Tallooze apen van verschillende soorten bevolken de kleinste boschjes, en hun geschreeuw gaat ons voor en vergezelt ons. Wij komen te Kota Alam, een onder palmen verscholen dorpje aan een mooie rivier, die met ondiepe bedding over steenen dartelt. Wij zijn bijna juist onder den evenaar. Het dal wordt afgesloten door bergen, die de zonnestralen terugkaatsen. Wij rusten in de hitte dan ook eenige oogenblikken in een hut en drinken met graagte het heldere, frissche, suikerhoudende water van de kokosnoten.Weer volgt er, als wij het gehucht hebben verlaten, een pas. De Soengai Alam heeft zich in den zachten zandsteen een diep dal uitgegraven. Reuzenblokken, keurig afgeslepen naar regelmatige vormen, brengen afwisseling in de loodrechte lijnen der rotsen; de zwarte schaduwen, die zij werpen, lijken op zware, kolossale architraven. Gapende spleten geven toegang tot galerijen in het gebergte. Een groep van titanische bouwwerken is hier onder een schitterende zon geheel met een groen kleed behangen. Bij ’t verlaten van het dal komen we op een golvende hoogvlakte, met struikgewas bedekt, en een vrij goede weg over een rooden, harden bodem brengt ons te Kota Baroe.Kota Baroe ligt aan de Soengai Mahé. Een controleur had er zijn standplaats vóór de expeditie der Lima Kota, en zijn huis, dat zeer geriefelijk is ingericht, staat 5 à 600 M. van de rivier verwijderd op de eerste heuvels aan den rand der jungle, buiten het bereik der overstroomingen. De tijger zwerft ’s avonds in den omtrek rond, en zoodra de zon achter de bergen ondergaat, hoort men in de verte de rauwe kreten van het jagende roofdier.Wij vertrekken den volgenden dag in booten. Het opbreken vordert langzaam. Het zal moeilijk gaan, ergens wezens aan te treffen, die slapper en trager en langzamer zijn dan de Maleiers uit deze streken. Zij schijnen de indolentie van de Oosterlingen te voegen bij het phlegma van de Hollanders, en men vindt in deze landen buiten kijf de nonchalantste kleurlingen en de luiste inboorlingen. Wij zijn reeds op bij het aanbreken van den dag; maar het is acht uur eer wij kunnen vertrekken en de bijeengebrachte bagage eindelijk in de booten is gebracht.De rivier is een zestigtal meters breed en stuwt in diepe bedding een snelvlietenden stroom voort tusschen verlatene, met bosch begroeide oevers. Van tijd tot tijd doet een plotselinge vernauwing of een rotsmassa in den stroom een versnelling ontstaan. Het kookt en bruist daar, en de stuurman heeft moeite de boot door den nauwen doorgang te voeren; de voorsteven plonst in het schuim, nevels stijgen op, en onze roeiers zetten de beweging der riemen voort in een stille kom, waar ’t kalme water vreedzaam sluimert tusschen de rotsen.Wij dalen vlug door het woud; de laatste boomen buigen hun takken naar de rivier, waarin hun wortels zich baden. Men ziet niet anders dan dit eerste gordijn, niets dan lianen, die zich om elkander heen strengelen, en de rijzige stammen, die loodrecht oprijzen. Troepen apen springen vroolijk van tak op tak en zien ons komen; maar dan, door een plotselingen schrik overmand, springen ze weg en vluchten in het dichtste kreupelhout. Het is mooi weêr en in de groene galerij, waar wij door varen, verfrischt ons een aangename koelte. De blauwe lucht straalt over de boomen op den top der rotsen, en groote, roode arenden vliegen op met breeden vleugelslag, beschrijven cirkels in de lucht en blijven boven onze hoofden zweven.Tegen half één komen wij te Moeara Mahé bij de samenvloeiing van de Soengai Mahé met de Kampar. Er wordt ons verteld, dat wij dienzelfden avond te Bengkinang zullen kunnen zijn, om daar te logeeren, maar de schatting van de afstanden is zeer uiteenloopend en verschilt van een enkelen tot een drievoudigen afstand. Er zijn er, die beweren, dat wij er in drie uren kunnen zijn, en anderen zeggen, dat we tien uren noodig hebben. In die omstandigheden is het verstandiger, tot morgen te wachten. Bovendien is onze bagage nog niet aangekomen; wij hebben niet gegeten, en die ceremonie mag toch niet worden overgeslagen.Op den oever der rivier staat een ellendige hut, omringd door een hooge bamboe-palissade. Er zijn een rieten dak, een houten vloer en wanden van boomschors. Binnen rusten een paar ruwe bedden van gezaagde planken op schragen, een dikke laag stof bedekt de muren en den vloer, en er kruipen verschillende insecten rond, die wij eerst moeten verwijderen. Ieder doet mee aan die jacht, en wij gaan op een klopjacht tegen een monsterachtigen duizendpoot, waarvan het lijk, toen wij de maat namen, 22 c.M. lang is.Ik beproef, ’s avonds op de echte jacht te gaan, hoewel de kneuzingen van mijn val van gisteren nog zeer pijnlijk zijn. Achter het huis gaat de weg langs, die naar Batoe Bersoerat leidt en verder naar Batoe Gadjah aan de Taboeng Keri; dien volgde ik eenige kilometers ver. Dicht jungle bedekt de streek, en ik kan nergens een pad vinden en geen enkel spoor, dat er binnen leidt. Ik weet niet, of het wild schaarsch is of dat het er zich overvloedig ophoudt; mijn gidsen beweren, dat er herten zijn en wilde zwijnen in grooten getale. Ik tref het dan al heel ongelukkig, of brengen ze mij niet op de plaatsen, die het best geschikt zijn voor de jacht? Ik hoor noch zie iets. Een diepe stilte zweeft over het woud, en ik kom druipend van zweet thuis, zonder één schot gelost te hebben.Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.Het vertrek den volgenden morgen gaat wat vlugger dan den eersten dag. Wij steken de Kampar over, om dadelijk aan den overkant onzen weg te vervolgen. Er is bij de samenvloeiing zelve eenstroomversnelling of liever een waterval, waar de roeiers niet door willen gaan, zonder dat ze eerst de lading aan wal hebben gebracht. Dus moeten we onze pakken en kisten transporteeren tot beneden aan de watervallen. Wij vinden er een alleraardigst bootje met een dek en met een lichte zonnetent aan de achterzijde. De controleur van Bengkinang heeft het ons toegezonden. De andere booten, met kracht geroeid, schieten als pijlen tusschen de rotsen door, waar het woedende water schuimt en opspringt; ze scharen zich daarna langs den wal en wij zetten den tocht voort. Het is hetzelfde landschap als gisteren; dezelfde opeenvolging van vernauwingen en verwijdingen. Spoedig wordt echter het geheele dal breeder; de stroom krijgt een rustiger karakter; maar er verrijst weer een lijn van heuvels vóór ons, en daarna nog een, en de rivier, die er zich een weg doorheen baant, rijst en schuimt en slaat met kracht tegen de rotsen.Dit zijn de laatste golven van den oceaan van bergen, die hier dichtbij zijn einde vindt, daar waar de aanvang is der oneindige vlakte. Wij krijgen te Poeloe Gedang andere roeiers. Er was daar bij het dorp een post, die er gevestigd werd ten tijde van de expeditie tegen de Lima Kota, en dien men opgegeven heeft na de stichting van Bengkinang. Er is niets van over dan enkele ellendige hutten en aan den oever der rivier een koepeltje, waar de commandant waarschijnlijk des avonds een hypothetisch koeltje ging opvangen. Dichtbij Poeloe Gedang woonde de Europeaan, dien de menschen uit Lima Kota verleden jaar hebben vermoord. Hij was prospector en werd uitgezonden, om te onderzoeken of er goudmijnen waren. Hij gedroeg zich, naar het schijnt, wreedaardig en leidde een losbandig leven, hetgeen de Hollanders eenvoudig hieraan toeschrijven, dat hij een Engelschman was. In zijn woning werd hij ’s nachts overvallen en met bijlslagen letterlijk doodgehakt.Boven Poeloe Gedang volgen wij nog één of twee kilometers ver den voet der heuvels en komen dan op de vlakte uit. Ik wacht noch voortdurend op het echte oerwoud, dat woeste, majestueuse, dat mijn voorkeur heeft; maar ik vind langs de oevers slechts kleine, grazige hoogten en de grens van het bosch wijkt aan beide zijden ver terug, zoodat men maar nauwelijks hier en daar de toppen van de boomen kan onderscheiden. Wij overschrijden de grenzen van de Lima Kota, en bereiken het eerste dorp.De Lima Kota zijn een samenvoeging van vijf districten, Koeok, Salo, Bengkinang, Air Tiris en Roembio. Het grootste van die districten, dat van Bengkinang, wordt bewoond door ongeveer 4 à 5000 inwoners. In ieder gehucht zijn de huizen geplaatst langs de rivier en liggen verspreid over een smalle strook gronds, die met kokospalmen beplant is. Daarachter verbouwen de Maleiers rijst op hun niet al te goed verzorgde rijstvelden, en verderop strekt zicht eindeloos ver het bosch uit. Er zijn in ieder dorp een zeker aantal datoes of edelen, die maar over betrekkelijk weinig invloed beschikken, en als er niet voortdurend strijd was tusschen de naburige kota’s, zouden de menschen hier in een staat van zorgelooze anarchie kunnen leven.Te Salo ontmoeten we den controleur en den kapitein van de troepen te Bengkinang, die ons te gemoet zijn gereisd, en om één uur komen we bij den post aan. Op den oever staan, op een rij, het huis van den controleur, dan dat van den dokter, den kapitein, den luitenant. Alle woningen, op palen gebouwd, twee meter ongeveer boven den grond, zijn vrij geriefelijk ingericht, maar de soldaten zijn in zeer treurige hutjes ondergebracht. De inlandsche soldaten wonen in maleische hutten, en daar er onder hen getrouwden zijn, heeft men voor hen onder de woningen op den grond kleine verblijven ingericht, afschuwelijk laag en nauw, waar zij toch met genoegen schijnen te huizen; maar die verscheiden dieren hardnekkig zouden weigeren te betrekken. Het is echter slechts een voorloopige maatregel, en men gaat er weldra verbetering in brengen.Bijna alle officieren zijn getrouwd, en ondanks de eenzaamheid van dezen post en den primitieven toestand van het land, hebben hun vrouwen hen vol heldenmoed gevolgd. Het leven is er niet vroolijk, dat is waar; maar ieder aanvaardt het zonder zich te beklagen, en daar men er goede, moreele toestanden heeft, is de gezondheidstoestand ook voldoende.Onze komst is nog al een gewichtige gebeurtenis. Men heeft ons huisvesting aangeboden, zoo goed en zoo kwaad als het ging in een klein vertrekje, en te recht heeft men ons geen geriefelijker, prettiger kamers afgestaan, want wij zijn slechts doortrekkende reizigers, terwijl de anderen hier blijvend zijn. Onze beide bedden, geplakt tegen den wand van boomschors, vullen onze geheele ruimte, en de zon, die door breede spleten binnenschijnt, maakt er een gloeienden oven van, waar wij bij de siësta op de matten liggen met brandend hoofd en kloppende aderen, door ons oververhitte bloed.Des avonds brak er gelukkig een onweêr los van ongehoorde hevigheid; de wolken, door den stormwind voortgedreven,barsttenen goten een waren zondvloed uit. De door de bui verlaagde temperatuur staat ons dan toe, zonder al te groote vermoeidheid deel te nemen aan den copieusen maaltijd, ons door het garnizoen van Bengkinang aangeboden.Den volgenden en den daarop volgenden dag gaan wij verder de Kampar af. De rivier beschrijft veel bochten door een vlakke streek van hopelooze eentonigheid. Yan tijd tot tijd beschut een boschje van palmen op den oever eenige verspreide hutten, en dan volgt het bosch, niet dicht hier, maar nogal schraal en afgebroken door moerassige vlakten, waar buffelkudden grazen. Het traagvloeiende water loopt om zandbanken heen, waar krokodillen lange sporen hebben achtergelaten; maar te vergeefs tracht ik die leelijke dieren te zien te krijgen en te schieten. Toen de roeiers vroegen, of ze een weinig rust mochten nemen, legden wij aan bij een dorp. De Maleiers zien ons nieuwsgierig aan, maar leggen in het minst geen vijandelijke stemming aan den dag.Het is ons intusschen niet mogelijk, levensmiddelen te koopen. Wij hadden gehoopt kippen en eieren te krijgen; maar wij moeten ons tevredenstellen met rijst en ingemaakte dingen. Onze bedienden maken een afschuwelijk smakend maal gereed, waarvan rijst en kokosolie hoofdbestanddeelen zijn en dat wij toch maar inzwelgen, gekruid met een massa specerijen. Zoo geeft iedere maaltijd aanleiding tot hevigen dorst, dien wij niet durven lesschen met het slijkerige water der rivier.Wij hebben den nacht van den 5den Mei gesleten in de woning van den radja van Tambang. Dat hooge personnage is afwezig; hij is sinds eenige dagen op reis naar Siak; maar te oordeelen naar het paleis, dat hij bewoont, is hij niet een van die pompeuze opperhoofden, waarmee de verhalen uit het Oosten opgesmukt zijn. Zijn huis is in niets verschillend van die zijner onderdanen. Het is een nauwe en vuile hut. Onze vier legersteden, want de controleur van Bengkinang is met ons gegaan, staan in het eenige vertrek, dat er geheel door wordt ingenomen, zoodat wij om beurten naar bed moeten gaan en opstaan. Vóór het huis staat de baleh-baleh, een lange bank, waar, op de dagen van den Grooten Raad, de datoes van Tambang voor hun beraadslagingen samenkomen. Op den oever staan op een plank, tegen een kokospalm gespijkerd, in ’t Maleisch de naam en de titel van dit oord te lezen.Houtbestrating te Pekan Baroe.Houtbestrating te Pekan Baroe.Den 6den Mei, om één uur in den namiddag, zijn we te Teratak Batoe gekomen. Van dat dorp gaan alle booten uit, die de Lima Kota en de Goenong Sahilan van levensmiddelen moeten voorzien. Het binnenvaren van de Kampar is zeer moeilijk voor de jonken, komend uit Singapore. De rivier ligt vol zandbanken, die bewegelijk zijn en zich snel verplaatsen en bij vloed is het er een zeer gevaarlijk vaarwater. Zelden waagt een boot het, de bank over te varen. Alle handel gaat langs de rivier de Siak, die beter bevaarbaar is en wel tot aan de samenvloeiing van de beide Taboengs.Gewoonlijk worden de goederen ontscheept te Pekan Baroe en daarna op den rug van koelies naar Teratak Batoe gebracht. Wij zullen morgen denzelfden weg in tegenovergestelde richting volgen. Het is een vrij druk dorp en wij kunnen er zonder bezwaar ons van dragers voorzien. Den 7den nemen wij bij het aanbreken van den dag afscheid van den controleur van Bengkinang, die weer naar zijn post terugkeert en wij maken ons tot het vertrek gereed. Deetappeis niet bijzonder lang, slechts 20 KM., maar wij willen graag ter plaatse zijn vóór het te warm is. Wij doen ons best, de koelies bijeen te krijgen. Ze komen één voor één aanzetten, zonder zich te haasten, en ieder kiest zijn pak. Er komen daar eindelooze twistgesprekken uit voort, en niet eerder dan acht uur zijn ze er mee gereed.Huis van den controleur in Siak.Huis van den controleur in Siak.Eindelijk zien wij den laatsten man verdwijnen, die op zijn hoofd al pruttelend het zwaarste van onze valiezen draagt, hem door de anderen overgelaten. Wij gaan op onze beurt uit Teratak Batoe. Om wat tijd te winnen, gaan we eerst per boot op weg. Wij volgen in zeer kleine bootjes een arroyo, dat is een soort van smal kanaaltje, dat zich in het onder water staande woud verliest. Zoo varen wij vijf kilometer ver door een berceau van boomen en slingerplanten. De doorgang is nauwelijks drie of vier meter breed. Knoestige stammen reiken over het water, en wij buigen de hoofden en de ruggen, om ons niet te stooten.De roeiers bewegen kalmpjes de pagaaien naar rechts en links; het oog dringt door onder een donker gewelf, waarin dicht opeenstaande zuilen van allerlei afmeting en allerlei vorm uit den grond oprijzen, waar een vaal, rottend plantenkleed gespreid ligt. Een volkomen stilte heerscht in het woud. Men hoort noch het lied van een vogel, noch ’t geluid van een insect. De boot glijdt zonder moeite over het zwarte water. Bijwijlen verlicht een plotselinge helderheid de veelkleurige kleedingstukken van de roeiers der eerste boot, en de bedding der arroyo, met groen mos bedekt, verspreidt glanzen als van fluweel. Dan op eens zijn we weer in de schaduw. Dezelfde fantastische omgeving volgt ons een heelen tijd en ’t is, of we in een tooverwereld zijn, waar alle echte leven ontbreekt. Het komt ons voor, dat het dorp, dat we nog zoo kort geleden hebben verlaten, nu van ons gescheiden is door een onmetelijk wijde vlakte. Dit is een wereld buiten ons; domein der plant, en de menschen, eenzaam en alleen in deze groenewereld, komen zwijgend onder den indruk der souvereiniteit van het woud.Nu gaan wij in den brandenden zonneschijn verder. Het harde gras breekt bros af onder onze schreden en slaat ons nu en dan in het gezicht. Aan beide kanten hebben herhaalde branden den grond bedekt met zwarte resten van boomen. De vlammen hebben hun verwoestingen niet zeer ver uitgestrekt. Zij hebben hun eind gevonden aan den voet van den groenen muur in de laagte, daar, waar de sappen door de takken dringen en van de groene twijgen in lange slingers de lianen afhangen. Het voetpad, dat zachte golvingen vertoont, stijgt over een heuvel en loopt dan verder ’t woud in. Omgevallen boomstammen liggen op den weg, half ondergedompeld in het dikke, vuile slib. Men loopt hier angstig en aarzelend en zoekt van boom tot boom naar vaste steunsels voor den voet. Het is zwaar werk, zulk een tocht in de overweldigende hitte. Geen enkel zuchtje beweegt de bladeren en een warme wolk hangt boven den grond.Inboorlingen komen ons tegen, moeilijk loopend met zware lasten op het hoofd. Wij nemen wat rust bij een hut aan den rand van het bosch, onder hooge palmen. Onze gidsen brengen ons kokosnoten. Met een enkelen slag van hun mes slaan zij er een stuk van de groene schil af, ontblooten het hout en in het inwendige doet zich het doorschijnende vocht nog helderder voor, doordat het witte ivoor van ’t vruchtvleesch zich er in spiegelt, en wij drinken met lange teugen den heerlijken, frisschen drank.Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.Wij vertrekken; bij een bocht van het pad zien we tusschen ’t hooge gras een troep reizigers haastig op ons afkomen. Een van hen draagt den witten helmhoed van de Europeanen, ’t Is de controleur van Siak, die ons tegemoet komt. Wij zijn dichtbij het doel, en van een kleine hoogte overzien we de rijstvelden rondom Pekan Baroe. Het dorp is niet anders dan een straat, die loodrecht op de rivier staat. De palen, die de laatste huizen schragen, staan met hun voeten in het natte slijk, dat bij hoog water overstroomd is; de straat zelve is met een houten vloer bedekt, die tot de aanlegplaats door loopt.Pekan Baroe is een belangrijke marktplaats. Er wordt een vrij levendige handel gedreven in boschproducten, en die handel is bijna geheel in handen der Chineezen. Men vindt die menschen overal, in alle huizen, sommigen rustig hun lange pijp rookend, anderen druk, bewegelijk en met duizend kleinigheden bezig. Enkelen van hen zijn aan de rivier bezig, met hun hielen ballen guttah percha te kneden; ze houden zich met beide handen vast aan touwen, bevestigd aan de zoldering van een loodsje en balanceeren op lachwekkende, gehaaste manier.Een stoomsloep brengt ons naar Siak. De vloed komt op, en wij varen langzaam tegen den stroom. De rivier biedt een treffende tegenstelling aan met de Kampar; zij heeft niet de grillige bochten en zandbanken en de gele leemen wanden van de bedding, aanhoudend ondermijnd door den stroom. Neen, de rivier, de Siak, vloeit recht naar zee; het zeer diepe water is sterk bruin gekleurd door de tannine van de vele wortels, die erin ondergedompeld zijn. Bosch bedekt de oevers en daalt tot het water af, waar het zich even in waagt, en een lijn van rietstengels en pandanen is vooruitgeschoven, half onder water staande. De onvruchtbare en gele grond is nergens te zien; er is geen rots, geen eiland te bespeuren; de rivier opent door het bosch een statigen weg.De boomen spiegelen zich in het kalme water met verrassende duidelijkheid. Het geheele landschap vertoont slechts drie kleuren, ’t roodachtig bruin van ’t water, het donkergroen van ’t woud, het diepe blauw van de lucht. Het is zeer helder weder. De zon gaat snel onder; de maan komt op; een streep van vlammend licht loopt over de rivier, waar wij een spoor doorsnijden, dat met vreemde lichtsprankels flikkert. In den maneschijn dreef de rivier zilveren golfjes voort; er hangt een lichte nevel, die de boomen teeder omhult, terwijl die laatste even huiveren onder het lauwe koeltje, dat uit zee komt. Tegen elf uur worden in de verte enkele lichten zichtbaar, roode punten op de hoogte van het water. Wij gaan in een wit, eentonig licht verder, dat rustig de stad, de rivier en het slapende woud beschijnt.De sultan van Siak was oudtijds een machtig souverein. Twee eeuwen geleden strekte zijn gezag zich uit over Asahan, Langkat en Deli. De afstammeling van die doorluchtige vorsten heeft ons onder een soort van loods de graven van zijn voorouders laten zien, van wie één, Achmed de Groote, zelfs het machtige koninkrijk Atjeh onderworpen heeft. Hij bestuurt tegenwoordig niet anders dan de armoedige, bijna verlaten streek, die besproeid wordt door de beide Taboengs.Hij woont in een paleis, dat in moorschen stijl is gebouwd en op eenigen afstand der rivier in een tuin staat. De meubels, door de eene of andere duitsche firma geleverd, zijn van een formidabel slechten smaak; in den grooten salon ziet men kristallen fauteuils met kussens van rood fluweel, en alles weerkaatst het felle licht, dat binnenstroomt door breede vensters, waar zware gordijnen naast hangen. Portretten van den sultan hangen aan de muren; hij is in europeesche costumes voorgesteld. Op deftige ontvangdagen draagt hij de uniform van generaal met zeer veel goudborduursel. Hij is eenige jaren geleden naar Europa gegaan en heeft zijn portret laten maken in elke hoofdstad, die hij met een bezoek vereerde.Chineesche koelies aan het werk.Chineesche koelies aan het werk.Aan Parijs heeft hij een ontroerende herinnering behouden. Hij vertelt mij van de wandelingen en rijtoeren, die hij er gedaan heeft en van de mooie vrouwen, die hij er heeft ontmoet, en zonder twijfel zijn de vrouwelijke bekenden, die hij er heeft gekregen, door zijn raadgevers in groote naïveteit gekozen, want hij beklaagt zich erover, dat hij ze niet altijd belangeloos heeft bevonden. Ik vraag den sultan, of hij niet binnen kort weer een reis naar ’t Westen gaat ondernemen, maar hij zucht eens en legt mij uit, in hoe slechten staat zijn financiën zijn, die hij vergelijkt met de verbazend hooge inkomsten zijner neven, de vorsten van Langkat en Deli. Hij hoopt, dat eens een paar op avonturen uitgaande kolonisten uit den ondankbaren grond, dien hij bezit, heerlijke plantages zullen tooveren of ongehoord rijke mijnen, en op dien dag zullen zijn opgestapelde schatten hem vergunnen het leven te leiden, dat hij wenscht. Hij begunstigt dan ook uit al zijn macht de ondernemingen en de proeven der nederlandsche regeering.Siak viert op dit oogenblik feest. De sultan huwt twee zijner nichtjes uit, en talrijke bezoekers zijn gekomen uit alle kleine staten, die verspreid zijn langs de kusten van Malakka en Sumatra. De stad is gebouwd op den linkeroever der rivier; het is een groot dorp, welks bewoners enkel leven van de boschproducten en de mildheid van den vorst. De controleur en de luitenant die bevel voert over het kleine garnizoen, zijn gevestigd op den rechteroever, en de rivier stuwt haar golven tegen de smalle reeks van woningen.Wij hebben bij den controleur de vriendelijkste ontvangst gevonden, en na de dagen van onze bezwaarlijke reis zijn de beleefdheden en attenties der lieve, jonge vrouw des huizes een verkwikking en doen ons de rust, die wij zoo noodig hebben, nog te meer waardeeren. Wij moeten hier drie dagen blijven en zijn letterlijk gevangenen; er is geen andere weg dan de rivier en wij moeten op de eerstvolgende boot wachten, die ons naar Bengkalis en naar Singapore zal brengen.Onze drie dagen worden gebruikt voor het in orde brengen van onze reisnotities. We gaan ’s avonds naar den schouwburg van den sultan. Een troep, uit Penang gekomen, speelt perzische stukken, waarin peri’s strijden om de liefde van een vorst. De woorden worden in ’t Maleisch gezegd; maar de muziek is voor een groot deel ontleend aan hetzigeuner-répertoire, en het is verrassend, hier, in dit achterafhoekje van Sumatra, te luisteren naar walsen, welke wij den vorigen zomer maar al te dikwijls hoorden in de cafés op den boulevard en in de tenten van het Bois de Boulogne.Het orkest, bestaande uit één piano en twee violen, wordt gedirigeerd door een Pers, gekleed in witte broek en lange jas, karikatuurachtige persoonlijkheid van zeer bijzondere magerheid. Hoewel wij nu nog maar vijf maanden in Indië hebben vertoefd, kunnen wij gemakkelijk de ontwikkeling der intrige volgen; zoo gemakkelijk leert men het Maleisch. Het publiek is mild met zijn toejuichingen voor de min of meer onkiesche grappen van den eersten acteur. Dicht in onze buurt lacht de radja van Tambang, bij wien wij gisteren gelogeerd hebben, dat hem de tranen over de wangen vloeien, en neemt op den grooten stoel, waarop hij gehurkt zit, houdingen aan van een oestiti. De vorst van Goenong Sahilan, een nog zeer jonge man met een ziekelijk uiterlijk, kijkt met een begeerigen blik naar de blijken van een weelde, die hij ook spoedig zal leeren kennen, als zijn onderdanen de bewondering deelen, die hij gevoelt voor de administratie der Hollanders.Morgen vroeg verlaten wij Siak; de boot, die ons zal meenemen, is zoo juist gepasseerd, stroomopvarend naar Pekan Baroe. ’t Is een chineesche stoomboot, dePekang, akelig vuil. Wij zullen het er niet te best hebben; maar wij moeten wel besluiten, er toch maar gebruik van te maken, om niet nog weer vier dagen hier te blijven wachten.Penang, 2 Juni.Nu loopt onze reis op het eind. Wij zijn gisteren te Penang aangekomen uit Olehleh, en wij zullen naar Singapore terugkeeren, om daar op de paketboot te gaan, die ons naar Frankrijk moet terugbrengen.Den 11den Mei zijn we uit Siak vertrokken, om tien uur ’s morgens en we zijn allereerst naar Bengkalis gegaan. De rivier biedt tot aan haar monding denzelfden aanblik aan als boven Siak. Het woud blijft overal de oevers volgen in doodsche, sombererust, en ’t bruine water golft en trilt bij het voorbijvaren van onze boot tot aan het zwaar gebladerte, dat zich spiegelt in het water, waar het door bespoeld wordt.Wij bespeuren intusschen hier en daar enkele vrij uitgestrekte ontgonnen gebieden; het zijn nieuw aangelegde aanplantingen van sagoboomen. Booten liggen aan de oevers gemeerd en langs lichte ladders worden ze bestegen. Kinderen schreeuwen en vermaken zich aan den waterkant, zonder zich om de kaaimannen te bekommeren, of zitten in hun primitief costuum op ’t eind van de planken bruggen ons verwonderd aan te kijken.Wij hebben ons twee uren te Bengkalis opgehouden; de stad is gebouwd op de westkust van het eilandje en kijkt dus in de richting van het groote eiland. De chineesche wijk is nog al uitgestrekt, en enkele fraaie huizen toonen aan, dat de handel er nog belangrijk is. Het eiland ligt geheel in een wieg van groen. In het binnenland heeft men enkele aanplantingen van gutta-perchaboomen, en rondom de woningen staan langs den weg, dien wij volgen, reusachtige sagopalmen. Die zijn een kenmerk voor het eiland, en nergens hebben wij die palmen zulke afmetingen zien aannemen.Onze overtocht over de straat van Malakka is hoogst onaangenaam geweest. Wij hebben er een hevige bui gehad. Onze boot, die ingericht is voor ’t varen op rivieren, meet slechts 90 ton, en den geheelen nacht wordt zij hevig geslingerd door de golven; zij helt onder den aanval van den wind onrustbarend over en richt zich met moeite weer op, zoodat men elk oogenblik bang moet zijn voor een kanteling. Er zijn geen hutten, en wij brengen den nacht op het dek door, terwijl beneden de Chineezen en Maleiers, opeengehoopt in de drie rijen boven elkaâr gelegen kooien, den ellendigen strijd tegen zeeziekte voeren.Wij nemen te Singapore de boot, die de oostkust van Sumatra bedient, en den 18den Mei om vijf uur ’s morgens leggen we aan te Belawan, in de baai van Deli.De staten Serdang, Langkat en Deli hebben zich in de laatste dertig jaar buitengewoon snel ontwikkeld en hebben dien bloei alleen aan de tabakscultuur te danken. De plantages beslaan tegenwoordig meer dan 300 000 hectaren. Degenen, die het initiatief hebben genomen voor deze cultuur, waren Franschen, de gebroeders Guigné, zooals ook aan den overkant van de straat van Malakka Franschen in den staat Perak de eerste tinmijnen hebben ontdekt en geëxploiteerd. Het voorbeeld, door onze landgenooten gegeven, heeft bij ons geen navolgers gevonden; maar het heeft voor de Nederlanders als voorbeeld wonderen gedaan. Bijna alle ondernemingen behooren aan maatschappijen, die te Amsterdam gevestigd zijn, en waarvan één, de Delimaatschappij, reusachtige winsten heeft gemaakt. Het woud bedekte vroeger de geheele streek; het beslaat nog heel wat ruimte in de buurt der zee, waar de bodem te laag is, om in cultuur te worden gebracht. De aanlegplaatsen en entrepôts van Belawan zijn gebouwd aan den rechteroever van een breede rivier, welker oevers onder een dichten plantengroei verdwijnen.Achter de magazijnen staat het station van den spoorweg. Wij nemen den trein van negen uur en zijn om tien uur te Medan, hoofdstad van den staat Deli en zetel van de regeering van ’t Gouvernement van Sumatra’s Oostkust.De stad gelijkt op alle andere, die wij reeds op Java en Sumatra hebben gezien. De huizen, bijna alle van hout, staan op ongeveer twee meter hooge massieve en gemetselde palen; de straten zijn breed, met mooie boomen beplant, en, wat iets bijzonders is in Indië, hebben electrisch licht. Maar zoo al de aanblik van buiten af dezelfde is als in die steden van luiheid en ledigheid, het voorkomen van de bewoners en de wijze van leven zijn totaal verschillend.In het hôtel, dat het meest in trek is bij kolonisten en reizigers van allerlei nationaliteiten, heeft men engelsche gewoonten aangenomen. Geen “rijsttafel”, geen lange siësta’s na den middag; de Europeanen zijn altijd bezig, verteerd van ijver; de energieke gezichten zijn verbrand van de zon, de koortsig haastige bewegingen wijzen op een leven vol ambitie. Hier niets van de zachte traagheid, de vreedzame kalmte der kleurlingen van Batavia. Op enkele terreinen ziet men tennis spelen, en groote velden vereenigen des avonds bij lamplicht de jongelui, die zich in ’t voetbalspel oefenen. In de straten ontmoet men inboorlingen uit aller heeren landen, Maleiers, Javanen, Chineezen, Tamilen, Bengalen, allen druk bezig, lasten dragend of zware wagens geleidend.Het stelsel, waarnaar men hier te werk gaat bij het exploiteeren en kolonizeeren van provincies, die armoedig en verlaten waren, is niet hetzelfde als dat, waarvan ik op Java de uitwerking heb kunnen gadeslaan. Op Java maakten de dichtheid der bevolking en de snelle toeneming bijzondere maatregelen noodig. Na de treurige periode der gedwongen cultures hebben de Hollanders onder den edelmoedigen invloed van de liberale partij vóór alle dingen den inboorlingen zijn eigendom willen waarborgen en zijn bestaan willen verzekeren, door ook voor toekomstige geslachten grond beschikbaar te houden, waar de nieuwe dorpen later kunnen worden gebouwd. De rijstcultuur is op Java, als in het uiterste Oosten overal, de hoofdcultuur, en men heeft die niet willen bemoeilijken, noch tusschen den grond, die het kostbaar graangewas voortbrengt, en den inboorling, die oogst en eet, een parasietisch tusschenpersoon plaatsen.Het systeem der vrije concessies, in onze koloniën zoo algemeen verspreid, bestaat nergens in Nederlandsch-Indië. De Europeanen kunnen alleen gronden in huur krijgen, en die gronden worden alleen verstrekt in erfpacht voor ten hoogste 75 jaren. Er zijn buitendien nog op Java belangrijke restricties in het stelsel aan te wijzen; zoo bijvoorbeeld, dat alle landen in de vlakte en alle, die zich uitstrekken langs de zachte hellingen der bergen, alle, die onder water gezet kunnen worden, in één woord alle, waarop rijst kan worden verbouwd, voor Javanen beschikbaar blijven en nooit door een Europeaan bezet kunnen worden. De kolonist kan alleen eenconcessie krijgen voor de hooggelegen landen, de met bosch begroeide bergen en kloven, de districten, waar de maagdelijke bodem geschikt is voor de ontwikkeling van speciale gewassen, als de koffie-,de thee- en de kinaplant.Toch zijn er culturen, die enkel in het laagland kunnen worden ondernomen, en die de Javaan alleen niet in staat zou zijn, op rationeele wijze te bebouwen, die van suikerriet bij voorbeeld en van tabak en indigo. De Hollanders hebben dit probleem op zeer vindingrijke en besliste wijze opgelost, zonder van hun beginselen iets te laten varen en zonder de belangen der inlanders te schaden, noch afbreuk te doen aan die der Europeanen. De kolonisten sluiten overeenkomsten met de javaansche eigenaars, die beloven om gedurende één of meer seizoenen suikerriet of tabak te verbouwen onder toezicht van den industriëel, die het geoogste product in zijn fabriek verwerkt. Gewoonlijk ontvangt de Javaan een vaste som, die de huur voor zijn gronden voorstelt en verkoopt zijn oogst aan den hollandschen planter tegen een vastgesteld tarief, dat bij contract geregeld wordt. Het is dan een soort van commanditaire vennootschap, en het stelsel biedt het voordeel, dat het tegelijk den inboorling iets leert en hem behoedt voor verarming.In die omstandigheden heeft de Europeaan, zooals men ziet, zich niet te bekommeren om de ontginning van den maagdelijken grond, noch om de indienstneming van arbeiders. Het is echter niet overal op Java aldus. Bij de boschexploitatie bij voorbeeld, moet men arbeiders in daghuur nemen, en in streken, waar een dichte bevolking woont, kan daar nooit moeilijkheid mee komen, op voorwaarde dat de werklieden goed worden behandeld en behoorlijk worden betaald. Ik heb bij Blora groote djatibosschen gezien, die teakhout leveren, waar de koelies allen Chineezen waren, die zonder moeite te Semarang waren te krijgen.Op Deli zouden de planters veel ernstiger bezwaren ontmoeten, en zij hebben die kunnen overwinnen door hun bewonderenswaardige volharding, een associatiegeest, dien men bij ons ver moet zoeken, en door de macht van het geld. De bodem was er van den voet der bergen tot de zee bedekt met moerassige bosschen; hij is bijna overal drooggelegd en in cultuur gebracht. Reusachtige concessies zijn uitgegeven; de sultans van Deli, Langkat en Serdang, hebben de gronden verhuurd tegen een eerste storting van 4 à 5 dollars de bouw en een jaarlijksche pacht van 1 dollar. De regeering bemoeide zich met niets dan met het innen der belasting en de rechtsspraak en liet verder alles over aan het particulier initiatief. Dat laatste heeft er alles in het leven geroepen, wegen, bruggen, aanlegplaatsen en de nog niet voltooide haven van Belawan, den spoorwegen de stad zelve, die gebouwd is op moerassige terreinen, nu ontgonnen en drooggelegd.De maleische bevolking, die er dun gezaaid was en daarenboven lui was van aard, weigerde te werken. Er is niet aan gedacht, haar daartoe te noodzaken, zooals in zooveel andere koloniën gebeurt; niemand heeft deinvoeringvan een vermomde slavernij voorgesteld; geen heeft de roeping gevoeld, als moralist op te treden en den inboorling te verbeteren, door hem te zetten aan een werk, waarvan de Europeaan de vruchten zou hebben geplukt; omdat er geen arbeiders waren, heeft men ze ingevoerd. De planters hebben zich vereenigd, riepen een bureau van emigratie in het leven en huren nu de koelies in Swatow en in Canton. Vroeger sloten zij daar contracten door tusschenkomst van europeesche agenten, die in genoemde havensteden woonden; nu zenden zij zelf naar China mandoers, vroegere chineesche bedienden, die zich op beter voorwaarden met de recruteering belasten.De koelies worden bij hun aankomst ingeschreven op de hoofdplaats; hun signalement wordt genoteerd, en de administratie verschaft hun een pas. Eerst worden zij voorloopig gehuisvest in loodsen en later over de plantages verdeeld. Zij teekenen een contract voor den tijd van drie jaren in het bijzijn van den resident of controleur en den chineeschen kapitein. Zij hebben bij ’t vertrek uit China enkele dollars handgeld ontvangen; de planters geven hun nog 15 of 20 gulden en reiken kleederen en gereedschap uit. De werver ontvangt van zijn kant een premie van 12 à 15 dollars per koelie. Neemt men daarbij de kosten van vervoer in aanmerking, dan komt elke chineesche arbeider aldus op 75 dollars. Men sluit zonder moeite zulke contracten af, en de meeste arbeiders blijven op Sumatra en hernieuwen hun verbintenis. Er zijn in dit vrije land geen heeren en slaven, er zijn patroons en arbeiders.De secretaris-generaal van de Delimaatschappij, de heer de C., heeft ons alle inlichtingen gegeven, die wij hem hebben gevraagd en heeft ons rondgeleid met onuitputtelijke welwillendheid. Wij hebben de magazijnen met hem bezocht en ’t hospitaal en ook het huis voor de koelies die aan ongeneeslijke ziekten lijden, en daarna hebben wij een wandeling over een tabaksplantage gemaakt.Het goed heette Helvetia. Het ligt op den oever der Delirivier en beslaat een oppervlakte van 6000 bouws, dus van 6000 maal 7091 M2. Aan het hoofd staat een administrateur, die zes europeesche ambtenaren onder zich gesteld ziet. Het terrein is in tien perceelen verdeeld, en jaarlijks wordt één dier perceelen in cultuur gebracht; de andere worden aan hun lot overgelaten en worden weer gebruikt, als ze aan de beurt zijn. Op enkele stukken wordt djati geplant, die na vijf of zes jaar mooie boompjes levert voor den bouw der droogschuren. Een weg doorsnijdt de plantage en loopt door alle perceelen. Elk daarvan is in secties verdeeld, die onder het toezicht van de Europeanen staan.Men begint eerst met het bosch te kappen één jaar te voren; dan bewerkt men den grond met den stoomploeg en keert de kluiten tweemaal met de spade. Het zoo voorbereide terrein wordt door diepe geulen verdeeld, voor den afvoer van het water en voor een splitsing in stukken van ongeveer 1 bouw. Elk deel wordt aan een Chinees toegewezen, die het zaad ontvangt, het laat uitzaaien, toezicht houdt op de kweekbedden, op het uitplanten en de verzorging, om na zeventig dagen te laten oogsten, blad voor blad, en de administrateur koopt de opbrengsttegen tarieven, die in het arbeidscontract zijn opgenomen.

Het Manindjoemeer.Het Manindjoemeer.

Het Manindjoemeer.

De weg loopt soms langs zulke steile hellingen, dat men vlak onder zijn voeten den afgrond ziet, waarin het blauwe water dartelt. De gansche omgeving spiegelt zich in den helderen hemel. Maar op eens beginnen witte nevels te rijzen; er gaan schaduwen over de oppervlakte van het meer, welks wateren een zwarte tint aannemen, ’t Is of zij beven onder de vurige liefkoozing der zon. Als wij boven op den top van den berg zijn aangekomen, stralen in ’t schitterend licht nog de heldere kleuren van de rijstvelden, terwijl in het Zuiden alles ligt gedompeld in een geheimzinnigen nevel, contrast van zeldzame, indrukwekkende schoonheid.

Wij schenken nog een laatsten blik aan dit onvergelijkelijk heerlijk beeld; dan blaast een gure wind over de randen van den krater, en wij spoeden ons terug naar Matoea en naar Fort-de-Kock. Het onweêr dreigt, en op den steilen weg, die opgaat boven de Si Anoq, zetten wij onze paarden aan, om de stortbui nog te ontgaan.

Bij onze aankomst te Fort-de-Kock vinden wij in het hôtel een inlandsch hoofd, den laras van Soengai Poear, die op verzoek van een onzer vrienden de taak op zich heeft genomen, ons uitstapje naar den Merapi voor te bereiden en gidsen en dragers te huren.

Den volgenden dag zijn wij tegen den middag naar Soengai Poear vertrokken en hebben daar een déjeûner gebruikt. De laras zet ons een uitstekenden maaltijd voor, waarbij wij wel speciaal melding mogen maken van de geurige gerechten, bereid van gedroogd hertenvleesch en op de aangenaamste wijze gekruid.

Een mijner medereizigers is te Fort-de-Kock gebleven. Hij heeft een wonde aan den voet gekregen, en daar die nogal ernstig lijkt, heeft hij zichzelven rust opgelegd. Dus zijn we maar met ons tweeën, en wij ondernemen de bestijging om drie uur in den namiddag. Wij zijn op 1100 M. hoogte, en wij moeten den nacht doorbrengen in een hut op een hoogte van ongeveer 2000 M. De weg is eerst vrij goed; maar weldra hebben wij het eind ervan bereikt, en nu gaat het verder over een wreedaardig moeilijk, steenachtig pad, dat al steiler wordt, naarmate wij hooger komen. Om half zes hebben we eindelijk het doel bereikt en gevoelen ons doodmoe. De nevel heeft zich verspreid, en wij zien onder ons lange gelijkmatige, kale hellingen en dan, nog lager, koffie-aanplantingen rondom Soengai Poear en in de verte Fort-de-Kock.

De koude nacht gaat rustig voorbij. Vóór het dag is, ben ik op en begeef mij weer op weg. In langen tijd is er niemand door deze jungle getrokken, vol varens, en verraderlijke slingerplanten, vol ook van grassen, die snijdend scherp, en van struiken, die zwaar gedoornd zijn. Hier en daar is het voetpad geheel verdwenen, en de gidsen gaan het terugzoeken;sluipen, plat op hun buik liggend, onder de struiken door en maken met hun kapmessen een smallen doorgang. Verraderlijke kuilen gapen onverwacht, en telkens zinkt de voet in ’t ledige weg, waarna men een buiteling maakt in het natte gras. Het is nog geen dag, en er schitteren nog enkele sterren. Als wij omkijken, zien we achter ons boven de vlakte witte wolken hangen.

Krater van den Merapi.Krater van den Merapi.

Krater van den Merapi.

Eindelijk, na anderhalf uur, verlaten wij het bosch en de struiken. Er ligt niets anders vóór ons dan de 200 M. hooge helling, waarlangs de puimsteen en de zwarte lavastroomen zijn gevloeid, die nu onder onze voeten in beweging komen. De bestijging gaat toch nog al snel, en wij zijn gekomen op een plateau, weer door een wal omgeven. Een tweede hoogte verrijst iets verder, en als men die over is, ziet men in een ondiepe kom, in het midden waarvan de opening is van den krater.

Het is een zwarte put met een middellijn van 200 à 300 M., en waaruit zonder geraas dikke dampen opstijgen. Ik loop er omheen. Naar het Zuiden is de kraterrand wat hooger en dunner, en een scherpe punt steekt boven de gapende diepte uit. Men komt daar langs een smalle trap, in het gesteente uitgehouwen, zoo smal, dat men zijn handen te hulp roept bij het stijgen, en vóór ik boven ben, houd ik even op. Aan weerszijden gaapt de afgrond; zwavelige dampen doen iemand bijna stikken. De enkele treden, die nog moeten worden afgelegd, zijn pas breed genoeg, dat ik er mijn voet kan plaatsen, en de vochtige kleverige grond biedt in ’t geheel geen stevigheid. Ik ga weer eenige meters naar omlaag en rust uit op een smal plateautje, van waar ik een heerlijk panorama kan overzien.

Al spoedig breekt de dag aan. Een bleek schijnsel neemt bezit van den hemel. Een windzuchtje voert de laatste wolkjes weg; de vlakte richt zich op uit de schaduw, en ’t is of zij bij ’t lichter worden tot ons nadert. Dit is ’t ontwaken. Verwarde geluiden worden al duidelijker en duidelijker, en de wind, die uit zee komt, voert de klanken van de diepe dalen tot ons. De hooge top, het hoogst gelegen punt van den Merapi, verbergt naar het Oosten dat deel van den horizon, waar de zon rood schittert. Het lijkt, of een smalle purperen band licht wordt, en op den top van den Singgalang tegenover ons teekenen de boomen zich tegen de lucht af.

Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.

Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo.

Het licht neemt toe, het blonde licht; het neemt bezit van de dalen, terwijl beneden ons nog groote, zwarte schaduwen de bosschen vullen. In de verte zien we de zee haar kalme golven voortrollen, en al duidelijker worden de lichttintelingen, die erover spelen. Wij zien de bochten van het strand; en de schitterend witte lijn van zand wordt duidelijk zichtbaar vóór de donkere massa’s groen. De bergen rijzen met hun groenen last van bosschen naar den hemel op.

De Anei-kloven openen zich, en de rivier trekt er een schitterende streep van schuim doorheen. De huizen van Padang-Pandjang liggen wit te midden van bloemperken. Het Singkarameer vertoont zich in het Zuiden, en de hoogten aan den rechteroever worden bestraald door de heldere zon, terwijl die aan den linkeroever in de schaduw blijven met hun scherpe kammen. De vlakte van Fort-de-Kock, bezaaid met dorpen, ligt uitgespreid vóór ons, met haar rijstvelden en haar kloven met hun witte wanden. Het stilstaand water op het land weerkaatst het licht als een metalen spiegel en beekjes schitteren met vluchtige heldere lichtjes. Een krans van bergen doet zich voor, de Tandikat, de Singgalang, waarop dunne, teêre boomen rondom een kleinen vijver staan; zoo lijkt de grillig omrande schelp, die het Manindjoemeer omvat houdt. Dan volgen de Ophirberg en de kalkbergen en wonderlijk gevormde rotsen van Pajacombo, en in het Zuiden in de verte de glorierijke Indrapoera, de reus van het eiland, die de groote vallei van Korintji beheerscht.

In de Harrau-kloof.In de Harrau-kloof.

In de Harrau-kloof.

Aan mijn voeten daalt de donkere helling met violette tinten duizelingwekkend snel tot de eerste boomen van het woud. Er raken blokken los; zij rollen, springen voort en verdwijnen onder ’t schaduwrijke boschgewelf. Aan den anderen kant opent zich de schrikwekkende muil van het monster; hij braakt geluidloos witte dampen uit, en de wanden van den krater zijn gestreept met gele lijnen van een zwavelkleur. Deze berg is heilig en wordt hoog vereerd. Hier, zegt de legende, verborgen zich de eerste menschen, toen ze vluchtten voor de wateren, waarmee de zondvloed de aarde overdekte. De woede van den Merapi heeft iets profetisch en iets goddelijks in zich. Als het “roode vuur” (Merah api= rood vuur) op den top van den berg ontstoken is, als de stroomen lava vloeien en de dorpen met de aanplantingen verwoesten, dan worden andere ongelukken, nog veel zwaarder rampen, voorbereid. In den tijd van den Padri-oorlog waren de uitbarstingen voor de Maleiers zekere voorteekenen van een nederlaag.

Er is nauwelijks een uur verloopen, nog maar zeven uur, en in den zonneschijn merkt men al, hoe het dagelijksch onweêr dreigt. Een nog onmerkbare nevel doet de omtrekken vervloeien en verzacht de tinten; een ongrijpbare damp breidt zich over het landschap uit. Plotseling ontstaan er dichte wolkenbrokken, alsof ze zoo op eenmaal, met één slag, geboren worden, geheel en al afgerond als reuzenblokken wit marmer. Zij breiden zich uit en stooten tegen elkaâr, om zich tot een geheel te vereenigen. De machtige adem van het woud roept hen in het leven.

Zoo ver het oog reikt, vloeien de wolkengolven, witter dan de onbevlekte sneeuw, en met den windstoot komen donkerder golven opzetten en vloeien op hun beurt met andere samen. Te midden van deze schitterende zee steken de toppen der bergen als eilanden omhoog; de aarde daar beneden is verdwenen, en de zon schittert nog voor ons alleen.

Huizen aan de rivier.Huizen aan de rivier.

Huizen aan de rivier.

Dit schouwspel is niet nieuw voor mij. Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo en de witte nevels, uit den reuzenbeker van den Dasar opstijgend, evenals den krater, waarover ik mij heen gebogen heb en waaruit ik het doodsgerochel van het monster tot mij heb hooren opstijgen.

Maar wij moeten weg, ons in den nevel dompelen. Het dalen gaat nog moeilijker dan het stijgen. Op den gladden grond, bedekt met natte bladeren, kunnen de knieën bijna niet voort van inspanning. Wij komen, met slijk overdekt, in de schuilhut aan, waar mijn reismakker rustig op mij zit te wachten, en wij vervolgen den tocht naar beneden met onzekere schreden; soms vlug, door ons eigen gewicht getrokken, om eindelijk te Soengar Boeloe den trein te vinden, die ons naar Fort-de-Kock terugvoert.

Siak, 10 Mei.

Wij hebben Fort-de-Kock den 26sten April verlaten en zijn naar Pajacombo gegaan, over Padang-Pandjang en Fort Van der Capellen, dus in ’t Zuiden om den Merapi heen trekkend. Onze tocht is zonder incidenten afgeloopen en liep langs uitstekende wegen, waarover onze karretjes rolden zonder eenigszins te stooten, hoewel de snelheid buitengewoon groot was. Koffietuinen breiden zich uit op de hellingen der bergen; rijstvelden en dorpen liggen, zoo ver het oog reikt, over de vlakte verspreid, en altijd hebben we tot Pajacombo hetzelfde eentonige, maar altijd schoone landschap voor oogen.

Wij hadden uit Pajacombo den eersten Mei moeten vertrekken, maar hebben er nog één dag langer moeten blijven. De reis, die wij willen doen, is, naar men zegt, nog al lastig en wij hebben niet zonder moeite ten slotte machtiging gekregen, om haar te ondernemen. Wij moeten door streken trekken, die nog niet geheel onderworpen zijn. De staatjes aan de oostkust zijn nog bijna alle onafhankelijk, en de Hollanders willen hun niet met geweld een gezag opdringen, waarvan ze niet gediend zijn. Zij beweren echter, dat men hun zoo duidelijk de voordeelen van het europeesch bestuur zal doen begrijpen, dat alle stammen één voor één uit vrije verkiezing zullen vragen, om ervan te mogen genieten.

Dit laatste nu gebeurt werkelijk dikwijls. Op dit oogenblik heeft zoo juist de radjah van Goenoeng Sahilan zijn onderwerping aangeboden aan den adsistent-resident van Bengkalis. De Nederlandsche regeering heeft die nog niet aangenomen. In alle dingen vermijdt zij overhaasting, die zou kunnen uitloopen op een langen, moeilijken oorlog in streken, die ongezond en dun bevolkt zijn. De aanbieding van den radjah schijnt onvoldoende; men wil buitendien nog de toestemming van het volk. Binnen enkele dagen zal de adsistent-resident van Bengkalis een bezoek gaan brengen aan den stam der Goenoeng Sahilan; hij zal dan de dorpshoofden bezoeken, zal hun ware bedoelingen trachten te leeren kennen en zal geen besluit nemen dan na rijpe overweging. Het zijn weer nieuwe kinderen, die men gaat aannemen, geen vijanden, die men onderwerpt.

De methode van zachtheid is echter niet altijd voldoende. Er zijn oproerige stammen, die soms op hollandsch grondgebied invallen doen. Zulk een feit heeft nog voor eenige maanden plaats gehad. De inwoners der Lima Kota hebben het huis van een Europeaan overrompeld, een prospector, en hebben den eigenaar vermoord. Men heeft toen een expeditie moeten ondernemen, te eerder wijl het slachtoffer een Engelschman was, en de bestraffing der schuldigen kon worden geëischt. Een sterke kolonne, uit Siak vertrokken, heeft de Lima Kota in de vorige maand November afgeloopen en legde een post aan teBengkinangaan de Kampar.

Van de bovenlanden leiden vele natuurlijke wegen naar de oostkust. Van ’t Zuiden te beginnen, heeft men eerst het dal der Batang Hari, welke rivier zich met de Korintji vereenigt, om de Djambi te vormen; dan de Indragiri, waarvan de Ombilien, die uit het Singkarameer komt, de voornaamste arm is; vervolgens de Kampar en dan ten slotte de beide Taboengs, de Taboeng Kanan en de Taboeng Keri, die zich vereenigen en de rivier, de Siak, vormen.

Wij konden noch het dal der Djambi, noch dat der Indragiri nemen, want men had ons op ons verzoek een formeele weigering doen toekomen. Het Kampardal werd als te gevaarlijk beschouwd, en te Batavia had men gemeend, ons geen machtiging te mogen verleenen voor een reis door een gebied, waarvan de pacificatie nog slechts weinige weken oud was. Bij gevolghaddenwij moeten besluiten, rechtstreeks naar de Taboeg Keri te gaan bij Batoe Gadjah en dan daarna naar Siak te reizen. Maar de adsistent-resident van Pajacombo gaf ons omtrent de toestanden in de Lima Kota zulke geruststellende berichten, dat wij besloten, nog eens weer ons reisplan te veranderen.

Pajacombo ligt aan de Sinamar, een zijtak van de Ombilien. De weg, dien wij zullen volgen, moet ons te Kota Baroe brengen, 45 K.M. ten noorden van Pajacombo en aan de oevers van de Soengai Mahé, zijtak van de Kampar. Van daar moeten wij in een prauw de Soengai Mahé, af varen en daarna ook de Kampar tot Bengkinang en Teratak Boeloe, dan over land naar Pakan Baroe gaan aan de Siakrivier en die laatste volgen tot Bengkalis.

Om dien tocht ongehinderd te kunnen volbrengen, hebben wij natuurlijk de inlandsche hoofden moeten verwittigen van onze komst, en tevens daarvan kennis geven aan den commandant van den post Bengkinang. Door een ongelukkig toeval, zooals er zich trouwens nog al eens voordoet, was de telegraaflijn, die Pajacombo metBengkinangverbindt, gebroken en daardoor waren wij genoodzaakt, ons vertrek één dag te verschuiven.

Pajacombo is een zeer groot dorp, gelegen midden in een vrij uitgestrekte vlakte, waar kokospalmen groeien en waar rijstvelden zijn aangelegd. Hoewel de hoogte nauwelijks 500 M. bedraagt, is het klimaat er verrukkelijk. Rondom verheffen zich hooge bergen, en op de hellingen van den 2240 M. hoogen Sago heeft men te midden der koffietuinen een pasangrahan gebouwd, waar de inwoners van het plaatsje, als het noodig is, een koelere-luchtkuur kunnen doormaken. Zoo’n door de zorg van de regeering gestichte en door haar onderhouden pasangrahan is, wat in de engelsche koloniën hetdak bungalowof hetresthouseis.

De Europeanen zijn er niet zeer talrijk. Buiten den adsistent-resident heeft men er den luitenant-commandant van ’t kleine garnizoen, een dokter en een veearts. De regeering heeft dichtbij de plaats een stoeterij laten aanleggen, een zeer eenvoudige inrichting, waar men geen dure gebouwen heeft gesticht zooals in andere landen. Alles heeft te zamen ƒ 3000 gekost, maar de gebouwen zijn dan ook van hout en met riet gedekt. Er zijn twee-en-twintig hengsten van verschillend ras, sandelhouts van ’t eiland Soemba, de grootste en de beroemdste, dan makassars en bataks, gekozen uit de beste dieren, en toch is hun gemiddelde prijs niet meer dan ƒ 300. De hengsten zijn verspreid in de aan Pajacombo grenzende districten, en de plaatsen zijn zóó gekozen, dat de inspectie gemakkelijk in een paar dagen kan afloopen. De eigenaars der merriën ontvangen een premie, als de jonge veulens mooi en goed verzorgd zijn.

Er is slechts één Europeaan, een veearts, aan de stoeterij verbonden. De geheele inrichting en het personeel, dat erbij is aangesteld, kosten den staat niet meer dan ƒ 800 per maand. De inrichting heeft uitstekende resultaten opgeleverd; zij bestaat nog slechts twee jaar en reeds zijn er rondom Pajacombo 270 uitstekende veulens geboren. ’t Is waar, de Maleiers uit deze streken hebben altijd aan veeteelt gedaan, en hier is men niet op het dwaze denkbeeld gekomen, om een stoeterij te organiseeren in het land, waar noch weiden, noch paarden zijn, ’t geen tegen alle gezond verstand in, wel eens geprobeerd is in andere, niet-hollandsche koloniën.

De markt te Pajacombo is een der drukste uit de geheele Padangsche Bovenlanden; wij kochten er wat proviand voor onderweg. Men ziet er een dichte menigte menschen, die veel leven brengt in de stad en veel vroolijkheid. Pajacombo is dan ook de meest gezochte post van heel Sumatra. Het klimaat had ik al te voren hooren roemen, evenals de schoonheid en beminnelijkheid der vrouwen.

Den 2den Mei om zes uur’s morgens, zijn we van Pajacombo vertrokken. In het Noorden wordt de vlakte afgesloten door een wal, die 1500 M. hoog is en dien wij moeten over trekken, om het bekken van de Kampar te bereiken. Verscheiden dalen dringen in het bergland door en voeren naar den top der bergen. Wij hebben eergisteren een tocht gedaan naar de Harran-kloven, een zeer nauwen doorgang tusschen hemelhooge bergwanden, waar schuimende watervallen zich langs nederstorten. Wij gaan vandaag door het dal der Ajer Poetih.

In rijtuigen worden we eerst naar Loeboek Bengkoeang gebracht, 12 palen van Pajacombo verwijderd (een paal is 1500 M.); daar stijgen we te paard en beginnen het steile pad te beklimmen, dat langs de zijden van het dal slingert. De grond bestaat uit ruwe conglomeraten en steile hoogten rijzen boven de rivier omhoog. Een menigte watervalletjes vallen dartelend neer in den helderen zonneschijn, en hun geraas, dat door de rotsen wordt weerkaatst, vult heel het dal. Hier en daar is een lichte hangende brug over de Ajer Poetih geslagen.

Een vrij dicht plantenkleed bedekt de hellingen, van de oppervlakte van het stroompje af tot op den top der hoogten. Wij komen langzaam vooruit op het pad, dat door de regens veel geleden heeft, en nu door ploegen Maleiers hersteld wordt. Na een uur komen we aan den top van den berg. Wij zien neer in de laagte, waar de rivier haar water uit ontvangt, een ronde kom, waardoor de Ayer Poetih grillig slingerend voortglijdt. Daar heb ik de dwaasheid, mijn paard op den slechten weg te laten galoppeeren! Het glijdt uit en valt op den houten vloer van een bruggetje. Mijn been komt onder het dier, mijn hoed rolt ver weg in de diepte van de kloof, en ik sta op met ernstige kneuzingen en een lange snede over den arm en het been.

Wij houden ons eenige oogenblikken op in een hut aan den kant van den weg. Het heet hier Oeloe Ayer. Wij zijn op een hoogte van 950 M. De pas, dien wij over moeten trekken, is op niet meer dan eenige honderden meters afstands, en wij zullen vlug dalen naar Kota Baroe op 20 K.M. van hier; we zijn daar slechts 66 M. boven het oppervlak der zee dus midden in den oven. Van af de pashoogte zien wij eerst vóór ons lijnen van achtereenvolgende heuvelreeksen, die langzamerhand lager worden, dan in de verte een zee van gebladerte, een oceaan van groen, donkergroen, dat in breede golven zich uitbreidt verder en verder tot aan den horizon.

Dit is het reuzenwoud, dat de vlakte bedekt en waar wij door zullen trekken. Van de helling der bergen te beginnen, gaat het voort tot op 250 K.M. afstands van hier, tot de oevers, die aan de straat van Malakka grenzen. Wij blijven eenige oogenblikken boven. Dit woeste, donkere landschap maakt diepen indruk op ons. Nergens is eenig spoor te ontdekken van de aanwezigheid of van de werkzaamheid der menschen. Geen stukje ontgonnen land, geen nog zoo klein rookkolommetje. Dicht opeengedrongen staan de boomen, die den ongebruikten, onontgonnen bodem bedekken en zonder twijfel zullen in hun schaduw gevaarlijke en dreigende dieren huizen. De dorst naar avonturen; de begeerte en ’t verlangen naar nieuwe ervaringen; de drang naar het onbekende, zooals ieder dien in zich voelt; herinneringen van vroegere lectuur; de droomen, in de kindsheid gedroomd, alles wordt in ons wakker en dreigt ons te doen stikken. In de voorbijgegane eeuwen heeft dit trotsche woud domein veroverd, en niemand heeft het nog een voetbreed gronds betwist.

Geen weg voert door het woud, dan enkel de diepten, die de rivieren zich er hebben uitgeslepen; de zon, de moerassen en de koortsen zijn de schutsengelen van het woud. Zijn uur heeft nog niet geslagen, ’t uur, waarop de menschen er met bijl en hakmes zullen binnendringen of met brandende toortsen. Ik zie in mijn verbeelding een nauwe, donkere, lage gang van groen, waarin de booten in de schaduw wegglijden. Morgen zal zoo’n boot ons meevoeren. Zoo droom ik, en mijn verbeelding maakt den droom aangrijpend en steeds indrukwekkender, misschien om de werkelijkheid te bederven.

Wij dalen eindelijk door korte valleien naar een terrein van leisteen, waar het pad afschuwelijk glad is. Het land is verlaten. In de diepten en op de bergtoppen groeit het woud met volle kracht. Maarter halver hoogte ziet men hier en daar een voetpad; vuren of woudbranden, ontstoken door de inboorlingen, hebben er niets overgelaten dan struiken en hoog gras. Onze achterste dragers steken in ’t voorbijgaan die jungle in brand. De roode vlam loopt langs de hellingen; de dikke rook stijgt in groote kringen op, het bamboes knapt, als of het ontploft, en onze Maleiers leggen eene kinderlijke vreugde aan den dag, als zij de verraderlijke doornstruiken zien verdwijnen, waarin des avonds zich de tijger verschuilt, om van daar uit zijn prooi te beloeren.

Tallooze apen van verschillende soorten bevolken de kleinste boschjes, en hun geschreeuw gaat ons voor en vergezelt ons. Wij komen te Kota Alam, een onder palmen verscholen dorpje aan een mooie rivier, die met ondiepe bedding over steenen dartelt. Wij zijn bijna juist onder den evenaar. Het dal wordt afgesloten door bergen, die de zonnestralen terugkaatsen. Wij rusten in de hitte dan ook eenige oogenblikken in een hut en drinken met graagte het heldere, frissche, suikerhoudende water van de kokosnoten.

Weer volgt er, als wij het gehucht hebben verlaten, een pas. De Soengai Alam heeft zich in den zachten zandsteen een diep dal uitgegraven. Reuzenblokken, keurig afgeslepen naar regelmatige vormen, brengen afwisseling in de loodrechte lijnen der rotsen; de zwarte schaduwen, die zij werpen, lijken op zware, kolossale architraven. Gapende spleten geven toegang tot galerijen in het gebergte. Een groep van titanische bouwwerken is hier onder een schitterende zon geheel met een groen kleed behangen. Bij ’t verlaten van het dal komen we op een golvende hoogvlakte, met struikgewas bedekt, en een vrij goede weg over een rooden, harden bodem brengt ons te Kota Baroe.

Kota Baroe ligt aan de Soengai Mahé. Een controleur had er zijn standplaats vóór de expeditie der Lima Kota, en zijn huis, dat zeer geriefelijk is ingericht, staat 5 à 600 M. van de rivier verwijderd op de eerste heuvels aan den rand der jungle, buiten het bereik der overstroomingen. De tijger zwerft ’s avonds in den omtrek rond, en zoodra de zon achter de bergen ondergaat, hoort men in de verte de rauwe kreten van het jagende roofdier.

Wij vertrekken den volgenden dag in booten. Het opbreken vordert langzaam. Het zal moeilijk gaan, ergens wezens aan te treffen, die slapper en trager en langzamer zijn dan de Maleiers uit deze streken. Zij schijnen de indolentie van de Oosterlingen te voegen bij het phlegma van de Hollanders, en men vindt in deze landen buiten kijf de nonchalantste kleurlingen en de luiste inboorlingen. Wij zijn reeds op bij het aanbreken van den dag; maar het is acht uur eer wij kunnen vertrekken en de bijeengebrachte bagage eindelijk in de booten is gebracht.

De rivier is een zestigtal meters breed en stuwt in diepe bedding een snelvlietenden stroom voort tusschen verlatene, met bosch begroeide oevers. Van tijd tot tijd doet een plotselinge vernauwing of een rotsmassa in den stroom een versnelling ontstaan. Het kookt en bruist daar, en de stuurman heeft moeite de boot door den nauwen doorgang te voeren; de voorsteven plonst in het schuim, nevels stijgen op, en onze roeiers zetten de beweging der riemen voort in een stille kom, waar ’t kalme water vreedzaam sluimert tusschen de rotsen.

Wij dalen vlug door het woud; de laatste boomen buigen hun takken naar de rivier, waarin hun wortels zich baden. Men ziet niet anders dan dit eerste gordijn, niets dan lianen, die zich om elkander heen strengelen, en de rijzige stammen, die loodrecht oprijzen. Troepen apen springen vroolijk van tak op tak en zien ons komen; maar dan, door een plotselingen schrik overmand, springen ze weg en vluchten in het dichtste kreupelhout. Het is mooi weêr en in de groene galerij, waar wij door varen, verfrischt ons een aangename koelte. De blauwe lucht straalt over de boomen op den top der rotsen, en groote, roode arenden vliegen op met breeden vleugelslag, beschrijven cirkels in de lucht en blijven boven onze hoofden zweven.

Tegen half één komen wij te Moeara Mahé bij de samenvloeiing van de Soengai Mahé met de Kampar. Er wordt ons verteld, dat wij dienzelfden avond te Bengkinang zullen kunnen zijn, om daar te logeeren, maar de schatting van de afstanden is zeer uiteenloopend en verschilt van een enkelen tot een drievoudigen afstand. Er zijn er, die beweren, dat wij er in drie uren kunnen zijn, en anderen zeggen, dat we tien uren noodig hebben. In die omstandigheden is het verstandiger, tot morgen te wachten. Bovendien is onze bagage nog niet aangekomen; wij hebben niet gegeten, en die ceremonie mag toch niet worden overgeslagen.

Op den oever der rivier staat een ellendige hut, omringd door een hooge bamboe-palissade. Er zijn een rieten dak, een houten vloer en wanden van boomschors. Binnen rusten een paar ruwe bedden van gezaagde planken op schragen, een dikke laag stof bedekt de muren en den vloer, en er kruipen verschillende insecten rond, die wij eerst moeten verwijderen. Ieder doet mee aan die jacht, en wij gaan op een klopjacht tegen een monsterachtigen duizendpoot, waarvan het lijk, toen wij de maat namen, 22 c.M. lang is.

Ik beproef, ’s avonds op de echte jacht te gaan, hoewel de kneuzingen van mijn val van gisteren nog zeer pijnlijk zijn. Achter het huis gaat de weg langs, die naar Batoe Bersoerat leidt en verder naar Batoe Gadjah aan de Taboeng Keri; dien volgde ik eenige kilometers ver. Dicht jungle bedekt de streek, en ik kan nergens een pad vinden en geen enkel spoor, dat er binnen leidt. Ik weet niet, of het wild schaarsch is of dat het er zich overvloedig ophoudt; mijn gidsen beweren, dat er herten zijn en wilde zwijnen in grooten getale. Ik tref het dan al heel ongelukkig, of brengen ze mij niet op de plaatsen, die het best geschikt zijn voor de jacht? Ik hoor noch zie iets. Een diepe stilte zweeft over het woud, en ik kom druipend van zweet thuis, zonder één schot gelost te hebben.

Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.

Onze roeiers nemen rust. De booten gemeerd aan een zijtak van de Kampar.

Het vertrek den volgenden morgen gaat wat vlugger dan den eersten dag. Wij steken de Kampar over, om dadelijk aan den overkant onzen weg te vervolgen. Er is bij de samenvloeiing zelve eenstroomversnelling of liever een waterval, waar de roeiers niet door willen gaan, zonder dat ze eerst de lading aan wal hebben gebracht. Dus moeten we onze pakken en kisten transporteeren tot beneden aan de watervallen. Wij vinden er een alleraardigst bootje met een dek en met een lichte zonnetent aan de achterzijde. De controleur van Bengkinang heeft het ons toegezonden. De andere booten, met kracht geroeid, schieten als pijlen tusschen de rotsen door, waar het woedende water schuimt en opspringt; ze scharen zich daarna langs den wal en wij zetten den tocht voort. Het is hetzelfde landschap als gisteren; dezelfde opeenvolging van vernauwingen en verwijdingen. Spoedig wordt echter het geheele dal breeder; de stroom krijgt een rustiger karakter; maar er verrijst weer een lijn van heuvels vóór ons, en daarna nog een, en de rivier, die er zich een weg doorheen baant, rijst en schuimt en slaat met kracht tegen de rotsen.

Dit zijn de laatste golven van den oceaan van bergen, die hier dichtbij zijn einde vindt, daar waar de aanvang is der oneindige vlakte. Wij krijgen te Poeloe Gedang andere roeiers. Er was daar bij het dorp een post, die er gevestigd werd ten tijde van de expeditie tegen de Lima Kota, en dien men opgegeven heeft na de stichting van Bengkinang. Er is niets van over dan enkele ellendige hutten en aan den oever der rivier een koepeltje, waar de commandant waarschijnlijk des avonds een hypothetisch koeltje ging opvangen. Dichtbij Poeloe Gedang woonde de Europeaan, dien de menschen uit Lima Kota verleden jaar hebben vermoord. Hij was prospector en werd uitgezonden, om te onderzoeken of er goudmijnen waren. Hij gedroeg zich, naar het schijnt, wreedaardig en leidde een losbandig leven, hetgeen de Hollanders eenvoudig hieraan toeschrijven, dat hij een Engelschman was. In zijn woning werd hij ’s nachts overvallen en met bijlslagen letterlijk doodgehakt.

Boven Poeloe Gedang volgen wij nog één of twee kilometers ver den voet der heuvels en komen dan op de vlakte uit. Ik wacht noch voortdurend op het echte oerwoud, dat woeste, majestueuse, dat mijn voorkeur heeft; maar ik vind langs de oevers slechts kleine, grazige hoogten en de grens van het bosch wijkt aan beide zijden ver terug, zoodat men maar nauwelijks hier en daar de toppen van de boomen kan onderscheiden. Wij overschrijden de grenzen van de Lima Kota, en bereiken het eerste dorp.

De Lima Kota zijn een samenvoeging van vijf districten, Koeok, Salo, Bengkinang, Air Tiris en Roembio. Het grootste van die districten, dat van Bengkinang, wordt bewoond door ongeveer 4 à 5000 inwoners. In ieder gehucht zijn de huizen geplaatst langs de rivier en liggen verspreid over een smalle strook gronds, die met kokospalmen beplant is. Daarachter verbouwen de Maleiers rijst op hun niet al te goed verzorgde rijstvelden, en verderop strekt zicht eindeloos ver het bosch uit. Er zijn in ieder dorp een zeker aantal datoes of edelen, die maar over betrekkelijk weinig invloed beschikken, en als er niet voortdurend strijd was tusschen de naburige kota’s, zouden de menschen hier in een staat van zorgelooze anarchie kunnen leven.

Te Salo ontmoeten we den controleur en den kapitein van de troepen te Bengkinang, die ons te gemoet zijn gereisd, en om één uur komen we bij den post aan. Op den oever staan, op een rij, het huis van den controleur, dan dat van den dokter, den kapitein, den luitenant. Alle woningen, op palen gebouwd, twee meter ongeveer boven den grond, zijn vrij geriefelijk ingericht, maar de soldaten zijn in zeer treurige hutjes ondergebracht. De inlandsche soldaten wonen in maleische hutten, en daar er onder hen getrouwden zijn, heeft men voor hen onder de woningen op den grond kleine verblijven ingericht, afschuwelijk laag en nauw, waar zij toch met genoegen schijnen te huizen; maar die verscheiden dieren hardnekkig zouden weigeren te betrekken. Het is echter slechts een voorloopige maatregel, en men gaat er weldra verbetering in brengen.

Bijna alle officieren zijn getrouwd, en ondanks de eenzaamheid van dezen post en den primitieven toestand van het land, hebben hun vrouwen hen vol heldenmoed gevolgd. Het leven is er niet vroolijk, dat is waar; maar ieder aanvaardt het zonder zich te beklagen, en daar men er goede, moreele toestanden heeft, is de gezondheidstoestand ook voldoende.

Onze komst is nog al een gewichtige gebeurtenis. Men heeft ons huisvesting aangeboden, zoo goed en zoo kwaad als het ging in een klein vertrekje, en te recht heeft men ons geen geriefelijker, prettiger kamers afgestaan, want wij zijn slechts doortrekkende reizigers, terwijl de anderen hier blijvend zijn. Onze beide bedden, geplakt tegen den wand van boomschors, vullen onze geheele ruimte, en de zon, die door breede spleten binnenschijnt, maakt er een gloeienden oven van, waar wij bij de siësta op de matten liggen met brandend hoofd en kloppende aderen, door ons oververhitte bloed.

Des avonds brak er gelukkig een onweêr los van ongehoorde hevigheid; de wolken, door den stormwind voortgedreven,barsttenen goten een waren zondvloed uit. De door de bui verlaagde temperatuur staat ons dan toe, zonder al te groote vermoeidheid deel te nemen aan den copieusen maaltijd, ons door het garnizoen van Bengkinang aangeboden.

Den volgenden en den daarop volgenden dag gaan wij verder de Kampar af. De rivier beschrijft veel bochten door een vlakke streek van hopelooze eentonigheid. Yan tijd tot tijd beschut een boschje van palmen op den oever eenige verspreide hutten, en dan volgt het bosch, niet dicht hier, maar nogal schraal en afgebroken door moerassige vlakten, waar buffelkudden grazen. Het traagvloeiende water loopt om zandbanken heen, waar krokodillen lange sporen hebben achtergelaten; maar te vergeefs tracht ik die leelijke dieren te zien te krijgen en te schieten. Toen de roeiers vroegen, of ze een weinig rust mochten nemen, legden wij aan bij een dorp. De Maleiers zien ons nieuwsgierig aan, maar leggen in het minst geen vijandelijke stemming aan den dag.

Het is ons intusschen niet mogelijk, levensmiddelen te koopen. Wij hadden gehoopt kippen en eieren te krijgen; maar wij moeten ons tevredenstellen met rijst en ingemaakte dingen. Onze bedienden maken een afschuwelijk smakend maal gereed, waarvan rijst en kokosolie hoofdbestanddeelen zijn en dat wij toch maar inzwelgen, gekruid met een massa specerijen. Zoo geeft iedere maaltijd aanleiding tot hevigen dorst, dien wij niet durven lesschen met het slijkerige water der rivier.

Wij hebben den nacht van den 5den Mei gesleten in de woning van den radja van Tambang. Dat hooge personnage is afwezig; hij is sinds eenige dagen op reis naar Siak; maar te oordeelen naar het paleis, dat hij bewoont, is hij niet een van die pompeuze opperhoofden, waarmee de verhalen uit het Oosten opgesmukt zijn. Zijn huis is in niets verschillend van die zijner onderdanen. Het is een nauwe en vuile hut. Onze vier legersteden, want de controleur van Bengkinang is met ons gegaan, staan in het eenige vertrek, dat er geheel door wordt ingenomen, zoodat wij om beurten naar bed moeten gaan en opstaan. Vóór het huis staat de baleh-baleh, een lange bank, waar, op de dagen van den Grooten Raad, de datoes van Tambang voor hun beraadslagingen samenkomen. Op den oever staan op een plank, tegen een kokospalm gespijkerd, in ’t Maleisch de naam en de titel van dit oord te lezen.

Houtbestrating te Pekan Baroe.Houtbestrating te Pekan Baroe.

Houtbestrating te Pekan Baroe.

Den 6den Mei, om één uur in den namiddag, zijn we te Teratak Batoe gekomen. Van dat dorp gaan alle booten uit, die de Lima Kota en de Goenong Sahilan van levensmiddelen moeten voorzien. Het binnenvaren van de Kampar is zeer moeilijk voor de jonken, komend uit Singapore. De rivier ligt vol zandbanken, die bewegelijk zijn en zich snel verplaatsen en bij vloed is het er een zeer gevaarlijk vaarwater. Zelden waagt een boot het, de bank over te varen. Alle handel gaat langs de rivier de Siak, die beter bevaarbaar is en wel tot aan de samenvloeiing van de beide Taboengs.

Gewoonlijk worden de goederen ontscheept te Pekan Baroe en daarna op den rug van koelies naar Teratak Batoe gebracht. Wij zullen morgen denzelfden weg in tegenovergestelde richting volgen. Het is een vrij druk dorp en wij kunnen er zonder bezwaar ons van dragers voorzien. Den 7den nemen wij bij het aanbreken van den dag afscheid van den controleur van Bengkinang, die weer naar zijn post terugkeert en wij maken ons tot het vertrek gereed. Deetappeis niet bijzonder lang, slechts 20 KM., maar wij willen graag ter plaatse zijn vóór het te warm is. Wij doen ons best, de koelies bijeen te krijgen. Ze komen één voor één aanzetten, zonder zich te haasten, en ieder kiest zijn pak. Er komen daar eindelooze twistgesprekken uit voort, en niet eerder dan acht uur zijn ze er mee gereed.

Huis van den controleur in Siak.Huis van den controleur in Siak.

Huis van den controleur in Siak.

Eindelijk zien wij den laatsten man verdwijnen, die op zijn hoofd al pruttelend het zwaarste van onze valiezen draagt, hem door de anderen overgelaten. Wij gaan op onze beurt uit Teratak Batoe. Om wat tijd te winnen, gaan we eerst per boot op weg. Wij volgen in zeer kleine bootjes een arroyo, dat is een soort van smal kanaaltje, dat zich in het onder water staande woud verliest. Zoo varen wij vijf kilometer ver door een berceau van boomen en slingerplanten. De doorgang is nauwelijks drie of vier meter breed. Knoestige stammen reiken over het water, en wij buigen de hoofden en de ruggen, om ons niet te stooten.

De roeiers bewegen kalmpjes de pagaaien naar rechts en links; het oog dringt door onder een donker gewelf, waarin dicht opeenstaande zuilen van allerlei afmeting en allerlei vorm uit den grond oprijzen, waar een vaal, rottend plantenkleed gespreid ligt. Een volkomen stilte heerscht in het woud. Men hoort noch het lied van een vogel, noch ’t geluid van een insect. De boot glijdt zonder moeite over het zwarte water. Bijwijlen verlicht een plotselinge helderheid de veelkleurige kleedingstukken van de roeiers der eerste boot, en de bedding der arroyo, met groen mos bedekt, verspreidt glanzen als van fluweel. Dan op eens zijn we weer in de schaduw. Dezelfde fantastische omgeving volgt ons een heelen tijd en ’t is, of we in een tooverwereld zijn, waar alle echte leven ontbreekt. Het komt ons voor, dat het dorp, dat we nog zoo kort geleden hebben verlaten, nu van ons gescheiden is door een onmetelijk wijde vlakte. Dit is een wereld buiten ons; domein der plant, en de menschen, eenzaam en alleen in deze groenewereld, komen zwijgend onder den indruk der souvereiniteit van het woud.

Nu gaan wij in den brandenden zonneschijn verder. Het harde gras breekt bros af onder onze schreden en slaat ons nu en dan in het gezicht. Aan beide kanten hebben herhaalde branden den grond bedekt met zwarte resten van boomen. De vlammen hebben hun verwoestingen niet zeer ver uitgestrekt. Zij hebben hun eind gevonden aan den voet van den groenen muur in de laagte, daar, waar de sappen door de takken dringen en van de groene twijgen in lange slingers de lianen afhangen. Het voetpad, dat zachte golvingen vertoont, stijgt over een heuvel en loopt dan verder ’t woud in. Omgevallen boomstammen liggen op den weg, half ondergedompeld in het dikke, vuile slib. Men loopt hier angstig en aarzelend en zoekt van boom tot boom naar vaste steunsels voor den voet. Het is zwaar werk, zulk een tocht in de overweldigende hitte. Geen enkel zuchtje beweegt de bladeren en een warme wolk hangt boven den grond.

Inboorlingen komen ons tegen, moeilijk loopend met zware lasten op het hoofd. Wij nemen wat rust bij een hut aan den rand van het bosch, onder hooge palmen. Onze gidsen brengen ons kokosnoten. Met een enkelen slag van hun mes slaan zij er een stuk van de groene schil af, ontblooten het hout en in het inwendige doet zich het doorschijnende vocht nog helderder voor, doordat het witte ivoor van ’t vruchtvleesch zich er in spiegelt, en wij drinken met lange teugen den heerlijken, frisschen drank.

Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.

Kristallen meubels in den salon van den sultan van Siak.

Wij vertrekken; bij een bocht van het pad zien we tusschen ’t hooge gras een troep reizigers haastig op ons afkomen. Een van hen draagt den witten helmhoed van de Europeanen, ’t Is de controleur van Siak, die ons tegemoet komt. Wij zijn dichtbij het doel, en van een kleine hoogte overzien we de rijstvelden rondom Pekan Baroe. Het dorp is niet anders dan een straat, die loodrecht op de rivier staat. De palen, die de laatste huizen schragen, staan met hun voeten in het natte slijk, dat bij hoog water overstroomd is; de straat zelve is met een houten vloer bedekt, die tot de aanlegplaats door loopt.

Pekan Baroe is een belangrijke marktplaats. Er wordt een vrij levendige handel gedreven in boschproducten, en die handel is bijna geheel in handen der Chineezen. Men vindt die menschen overal, in alle huizen, sommigen rustig hun lange pijp rookend, anderen druk, bewegelijk en met duizend kleinigheden bezig. Enkelen van hen zijn aan de rivier bezig, met hun hielen ballen guttah percha te kneden; ze houden zich met beide handen vast aan touwen, bevestigd aan de zoldering van een loodsje en balanceeren op lachwekkende, gehaaste manier.

Een stoomsloep brengt ons naar Siak. De vloed komt op, en wij varen langzaam tegen den stroom. De rivier biedt een treffende tegenstelling aan met de Kampar; zij heeft niet de grillige bochten en zandbanken en de gele leemen wanden van de bedding, aanhoudend ondermijnd door den stroom. Neen, de rivier, de Siak, vloeit recht naar zee; het zeer diepe water is sterk bruin gekleurd door de tannine van de vele wortels, die erin ondergedompeld zijn. Bosch bedekt de oevers en daalt tot het water af, waar het zich even in waagt, en een lijn van rietstengels en pandanen is vooruitgeschoven, half onder water staande. De onvruchtbare en gele grond is nergens te zien; er is geen rots, geen eiland te bespeuren; de rivier opent door het bosch een statigen weg.

De boomen spiegelen zich in het kalme water met verrassende duidelijkheid. Het geheele landschap vertoont slechts drie kleuren, ’t roodachtig bruin van ’t water, het donkergroen van ’t woud, het diepe blauw van de lucht. Het is zeer helder weder. De zon gaat snel onder; de maan komt op; een streep van vlammend licht loopt over de rivier, waar wij een spoor doorsnijden, dat met vreemde lichtsprankels flikkert. In den maneschijn dreef de rivier zilveren golfjes voort; er hangt een lichte nevel, die de boomen teeder omhult, terwijl die laatste even huiveren onder het lauwe koeltje, dat uit zee komt. Tegen elf uur worden in de verte enkele lichten zichtbaar, roode punten op de hoogte van het water. Wij gaan in een wit, eentonig licht verder, dat rustig de stad, de rivier en het slapende woud beschijnt.

De sultan van Siak was oudtijds een machtig souverein. Twee eeuwen geleden strekte zijn gezag zich uit over Asahan, Langkat en Deli. De afstammeling van die doorluchtige vorsten heeft ons onder een soort van loods de graven van zijn voorouders laten zien, van wie één, Achmed de Groote, zelfs het machtige koninkrijk Atjeh onderworpen heeft. Hij bestuurt tegenwoordig niet anders dan de armoedige, bijna verlaten streek, die besproeid wordt door de beide Taboengs.

Hij woont in een paleis, dat in moorschen stijl is gebouwd en op eenigen afstand der rivier in een tuin staat. De meubels, door de eene of andere duitsche firma geleverd, zijn van een formidabel slechten smaak; in den grooten salon ziet men kristallen fauteuils met kussens van rood fluweel, en alles weerkaatst het felle licht, dat binnenstroomt door breede vensters, waar zware gordijnen naast hangen. Portretten van den sultan hangen aan de muren; hij is in europeesche costumes voorgesteld. Op deftige ontvangdagen draagt hij de uniform van generaal met zeer veel goudborduursel. Hij is eenige jaren geleden naar Europa gegaan en heeft zijn portret laten maken in elke hoofdstad, die hij met een bezoek vereerde.

Chineesche koelies aan het werk.Chineesche koelies aan het werk.

Chineesche koelies aan het werk.

Aan Parijs heeft hij een ontroerende herinnering behouden. Hij vertelt mij van de wandelingen en rijtoeren, die hij er gedaan heeft en van de mooie vrouwen, die hij er heeft ontmoet, en zonder twijfel zijn de vrouwelijke bekenden, die hij er heeft gekregen, door zijn raadgevers in groote naïveteit gekozen, want hij beklaagt zich erover, dat hij ze niet altijd belangeloos heeft bevonden. Ik vraag den sultan, of hij niet binnen kort weer een reis naar ’t Westen gaat ondernemen, maar hij zucht eens en legt mij uit, in hoe slechten staat zijn financiën zijn, die hij vergelijkt met de verbazend hooge inkomsten zijner neven, de vorsten van Langkat en Deli. Hij hoopt, dat eens een paar op avonturen uitgaande kolonisten uit den ondankbaren grond, dien hij bezit, heerlijke plantages zullen tooveren of ongehoord rijke mijnen, en op dien dag zullen zijn opgestapelde schatten hem vergunnen het leven te leiden, dat hij wenscht. Hij begunstigt dan ook uit al zijn macht de ondernemingen en de proeven der nederlandsche regeering.

Siak viert op dit oogenblik feest. De sultan huwt twee zijner nichtjes uit, en talrijke bezoekers zijn gekomen uit alle kleine staten, die verspreid zijn langs de kusten van Malakka en Sumatra. De stad is gebouwd op den linkeroever der rivier; het is een groot dorp, welks bewoners enkel leven van de boschproducten en de mildheid van den vorst. De controleur en de luitenant die bevel voert over het kleine garnizoen, zijn gevestigd op den rechteroever, en de rivier stuwt haar golven tegen de smalle reeks van woningen.

Wij hebben bij den controleur de vriendelijkste ontvangst gevonden, en na de dagen van onze bezwaarlijke reis zijn de beleefdheden en attenties der lieve, jonge vrouw des huizes een verkwikking en doen ons de rust, die wij zoo noodig hebben, nog te meer waardeeren. Wij moeten hier drie dagen blijven en zijn letterlijk gevangenen; er is geen andere weg dan de rivier en wij moeten op de eerstvolgende boot wachten, die ons naar Bengkalis en naar Singapore zal brengen.

Onze drie dagen worden gebruikt voor het in orde brengen van onze reisnotities. We gaan ’s avonds naar den schouwburg van den sultan. Een troep, uit Penang gekomen, speelt perzische stukken, waarin peri’s strijden om de liefde van een vorst. De woorden worden in ’t Maleisch gezegd; maar de muziek is voor een groot deel ontleend aan hetzigeuner-répertoire, en het is verrassend, hier, in dit achterafhoekje van Sumatra, te luisteren naar walsen, welke wij den vorigen zomer maar al te dikwijls hoorden in de cafés op den boulevard en in de tenten van het Bois de Boulogne.

Het orkest, bestaande uit één piano en twee violen, wordt gedirigeerd door een Pers, gekleed in witte broek en lange jas, karikatuurachtige persoonlijkheid van zeer bijzondere magerheid. Hoewel wij nu nog maar vijf maanden in Indië hebben vertoefd, kunnen wij gemakkelijk de ontwikkeling der intrige volgen; zoo gemakkelijk leert men het Maleisch. Het publiek is mild met zijn toejuichingen voor de min of meer onkiesche grappen van den eersten acteur. Dicht in onze buurt lacht de radja van Tambang, bij wien wij gisteren gelogeerd hebben, dat hem de tranen over de wangen vloeien, en neemt op den grooten stoel, waarop hij gehurkt zit, houdingen aan van een oestiti. De vorst van Goenong Sahilan, een nog zeer jonge man met een ziekelijk uiterlijk, kijkt met een begeerigen blik naar de blijken van een weelde, die hij ook spoedig zal leeren kennen, als zijn onderdanen de bewondering deelen, die hij gevoelt voor de administratie der Hollanders.

Morgen vroeg verlaten wij Siak; de boot, die ons zal meenemen, is zoo juist gepasseerd, stroomopvarend naar Pekan Baroe. ’t Is een chineesche stoomboot, dePekang, akelig vuil. Wij zullen het er niet te best hebben; maar wij moeten wel besluiten, er toch maar gebruik van te maken, om niet nog weer vier dagen hier te blijven wachten.

Penang, 2 Juni.

Nu loopt onze reis op het eind. Wij zijn gisteren te Penang aangekomen uit Olehleh, en wij zullen naar Singapore terugkeeren, om daar op de paketboot te gaan, die ons naar Frankrijk moet terugbrengen.

Den 11den Mei zijn we uit Siak vertrokken, om tien uur ’s morgens en we zijn allereerst naar Bengkalis gegaan. De rivier biedt tot aan haar monding denzelfden aanblik aan als boven Siak. Het woud blijft overal de oevers volgen in doodsche, sombererust, en ’t bruine water golft en trilt bij het voorbijvaren van onze boot tot aan het zwaar gebladerte, dat zich spiegelt in het water, waar het door bespoeld wordt.

Wij bespeuren intusschen hier en daar enkele vrij uitgestrekte ontgonnen gebieden; het zijn nieuw aangelegde aanplantingen van sagoboomen. Booten liggen aan de oevers gemeerd en langs lichte ladders worden ze bestegen. Kinderen schreeuwen en vermaken zich aan den waterkant, zonder zich om de kaaimannen te bekommeren, of zitten in hun primitief costuum op ’t eind van de planken bruggen ons verwonderd aan te kijken.

Wij hebben ons twee uren te Bengkalis opgehouden; de stad is gebouwd op de westkust van het eilandje en kijkt dus in de richting van het groote eiland. De chineesche wijk is nog al uitgestrekt, en enkele fraaie huizen toonen aan, dat de handel er nog belangrijk is. Het eiland ligt geheel in een wieg van groen. In het binnenland heeft men enkele aanplantingen van gutta-perchaboomen, en rondom de woningen staan langs den weg, dien wij volgen, reusachtige sagopalmen. Die zijn een kenmerk voor het eiland, en nergens hebben wij die palmen zulke afmetingen zien aannemen.

Onze overtocht over de straat van Malakka is hoogst onaangenaam geweest. Wij hebben er een hevige bui gehad. Onze boot, die ingericht is voor ’t varen op rivieren, meet slechts 90 ton, en den geheelen nacht wordt zij hevig geslingerd door de golven; zij helt onder den aanval van den wind onrustbarend over en richt zich met moeite weer op, zoodat men elk oogenblik bang moet zijn voor een kanteling. Er zijn geen hutten, en wij brengen den nacht op het dek door, terwijl beneden de Chineezen en Maleiers, opeengehoopt in de drie rijen boven elkaâr gelegen kooien, den ellendigen strijd tegen zeeziekte voeren.

Wij nemen te Singapore de boot, die de oostkust van Sumatra bedient, en den 18den Mei om vijf uur ’s morgens leggen we aan te Belawan, in de baai van Deli.

De staten Serdang, Langkat en Deli hebben zich in de laatste dertig jaar buitengewoon snel ontwikkeld en hebben dien bloei alleen aan de tabakscultuur te danken. De plantages beslaan tegenwoordig meer dan 300 000 hectaren. Degenen, die het initiatief hebben genomen voor deze cultuur, waren Franschen, de gebroeders Guigné, zooals ook aan den overkant van de straat van Malakka Franschen in den staat Perak de eerste tinmijnen hebben ontdekt en geëxploiteerd. Het voorbeeld, door onze landgenooten gegeven, heeft bij ons geen navolgers gevonden; maar het heeft voor de Nederlanders als voorbeeld wonderen gedaan. Bijna alle ondernemingen behooren aan maatschappijen, die te Amsterdam gevestigd zijn, en waarvan één, de Delimaatschappij, reusachtige winsten heeft gemaakt. Het woud bedekte vroeger de geheele streek; het beslaat nog heel wat ruimte in de buurt der zee, waar de bodem te laag is, om in cultuur te worden gebracht. De aanlegplaatsen en entrepôts van Belawan zijn gebouwd aan den rechteroever van een breede rivier, welker oevers onder een dichten plantengroei verdwijnen.

Achter de magazijnen staat het station van den spoorweg. Wij nemen den trein van negen uur en zijn om tien uur te Medan, hoofdstad van den staat Deli en zetel van de regeering van ’t Gouvernement van Sumatra’s Oostkust.

De stad gelijkt op alle andere, die wij reeds op Java en Sumatra hebben gezien. De huizen, bijna alle van hout, staan op ongeveer twee meter hooge massieve en gemetselde palen; de straten zijn breed, met mooie boomen beplant, en, wat iets bijzonders is in Indië, hebben electrisch licht. Maar zoo al de aanblik van buiten af dezelfde is als in die steden van luiheid en ledigheid, het voorkomen van de bewoners en de wijze van leven zijn totaal verschillend.

In het hôtel, dat het meest in trek is bij kolonisten en reizigers van allerlei nationaliteiten, heeft men engelsche gewoonten aangenomen. Geen “rijsttafel”, geen lange siësta’s na den middag; de Europeanen zijn altijd bezig, verteerd van ijver; de energieke gezichten zijn verbrand van de zon, de koortsig haastige bewegingen wijzen op een leven vol ambitie. Hier niets van de zachte traagheid, de vreedzame kalmte der kleurlingen van Batavia. Op enkele terreinen ziet men tennis spelen, en groote velden vereenigen des avonds bij lamplicht de jongelui, die zich in ’t voetbalspel oefenen. In de straten ontmoet men inboorlingen uit aller heeren landen, Maleiers, Javanen, Chineezen, Tamilen, Bengalen, allen druk bezig, lasten dragend of zware wagens geleidend.

Het stelsel, waarnaar men hier te werk gaat bij het exploiteeren en kolonizeeren van provincies, die armoedig en verlaten waren, is niet hetzelfde als dat, waarvan ik op Java de uitwerking heb kunnen gadeslaan. Op Java maakten de dichtheid der bevolking en de snelle toeneming bijzondere maatregelen noodig. Na de treurige periode der gedwongen cultures hebben de Hollanders onder den edelmoedigen invloed van de liberale partij vóór alle dingen den inboorlingen zijn eigendom willen waarborgen en zijn bestaan willen verzekeren, door ook voor toekomstige geslachten grond beschikbaar te houden, waar de nieuwe dorpen later kunnen worden gebouwd. De rijstcultuur is op Java, als in het uiterste Oosten overal, de hoofdcultuur, en men heeft die niet willen bemoeilijken, noch tusschen den grond, die het kostbaar graangewas voortbrengt, en den inboorling, die oogst en eet, een parasietisch tusschenpersoon plaatsen.

Het systeem der vrije concessies, in onze koloniën zoo algemeen verspreid, bestaat nergens in Nederlandsch-Indië. De Europeanen kunnen alleen gronden in huur krijgen, en die gronden worden alleen verstrekt in erfpacht voor ten hoogste 75 jaren. Er zijn buitendien nog op Java belangrijke restricties in het stelsel aan te wijzen; zoo bijvoorbeeld, dat alle landen in de vlakte en alle, die zich uitstrekken langs de zachte hellingen der bergen, alle, die onder water gezet kunnen worden, in één woord alle, waarop rijst kan worden verbouwd, voor Javanen beschikbaar blijven en nooit door een Europeaan bezet kunnen worden. De kolonist kan alleen eenconcessie krijgen voor de hooggelegen landen, de met bosch begroeide bergen en kloven, de districten, waar de maagdelijke bodem geschikt is voor de ontwikkeling van speciale gewassen, als de koffie-,de thee- en de kinaplant.

Toch zijn er culturen, die enkel in het laagland kunnen worden ondernomen, en die de Javaan alleen niet in staat zou zijn, op rationeele wijze te bebouwen, die van suikerriet bij voorbeeld en van tabak en indigo. De Hollanders hebben dit probleem op zeer vindingrijke en besliste wijze opgelost, zonder van hun beginselen iets te laten varen en zonder de belangen der inlanders te schaden, noch afbreuk te doen aan die der Europeanen. De kolonisten sluiten overeenkomsten met de javaansche eigenaars, die beloven om gedurende één of meer seizoenen suikerriet of tabak te verbouwen onder toezicht van den industriëel, die het geoogste product in zijn fabriek verwerkt. Gewoonlijk ontvangt de Javaan een vaste som, die de huur voor zijn gronden voorstelt en verkoopt zijn oogst aan den hollandschen planter tegen een vastgesteld tarief, dat bij contract geregeld wordt. Het is dan een soort van commanditaire vennootschap, en het stelsel biedt het voordeel, dat het tegelijk den inboorling iets leert en hem behoedt voor verarming.

In die omstandigheden heeft de Europeaan, zooals men ziet, zich niet te bekommeren om de ontginning van den maagdelijken grond, noch om de indienstneming van arbeiders. Het is echter niet overal op Java aldus. Bij de boschexploitatie bij voorbeeld, moet men arbeiders in daghuur nemen, en in streken, waar een dichte bevolking woont, kan daar nooit moeilijkheid mee komen, op voorwaarde dat de werklieden goed worden behandeld en behoorlijk worden betaald. Ik heb bij Blora groote djatibosschen gezien, die teakhout leveren, waar de koelies allen Chineezen waren, die zonder moeite te Semarang waren te krijgen.

Op Deli zouden de planters veel ernstiger bezwaren ontmoeten, en zij hebben die kunnen overwinnen door hun bewonderenswaardige volharding, een associatiegeest, dien men bij ons ver moet zoeken, en door de macht van het geld. De bodem was er van den voet der bergen tot de zee bedekt met moerassige bosschen; hij is bijna overal drooggelegd en in cultuur gebracht. Reusachtige concessies zijn uitgegeven; de sultans van Deli, Langkat en Serdang, hebben de gronden verhuurd tegen een eerste storting van 4 à 5 dollars de bouw en een jaarlijksche pacht van 1 dollar. De regeering bemoeide zich met niets dan met het innen der belasting en de rechtsspraak en liet verder alles over aan het particulier initiatief. Dat laatste heeft er alles in het leven geroepen, wegen, bruggen, aanlegplaatsen en de nog niet voltooide haven van Belawan, den spoorwegen de stad zelve, die gebouwd is op moerassige terreinen, nu ontgonnen en drooggelegd.

De maleische bevolking, die er dun gezaaid was en daarenboven lui was van aard, weigerde te werken. Er is niet aan gedacht, haar daartoe te noodzaken, zooals in zooveel andere koloniën gebeurt; niemand heeft deinvoeringvan een vermomde slavernij voorgesteld; geen heeft de roeping gevoeld, als moralist op te treden en den inboorling te verbeteren, door hem te zetten aan een werk, waarvan de Europeaan de vruchten zou hebben geplukt; omdat er geen arbeiders waren, heeft men ze ingevoerd. De planters hebben zich vereenigd, riepen een bureau van emigratie in het leven en huren nu de koelies in Swatow en in Canton. Vroeger sloten zij daar contracten door tusschenkomst van europeesche agenten, die in genoemde havensteden woonden; nu zenden zij zelf naar China mandoers, vroegere chineesche bedienden, die zich op beter voorwaarden met de recruteering belasten.

De koelies worden bij hun aankomst ingeschreven op de hoofdplaats; hun signalement wordt genoteerd, en de administratie verschaft hun een pas. Eerst worden zij voorloopig gehuisvest in loodsen en later over de plantages verdeeld. Zij teekenen een contract voor den tijd van drie jaren in het bijzijn van den resident of controleur en den chineeschen kapitein. Zij hebben bij ’t vertrek uit China enkele dollars handgeld ontvangen; de planters geven hun nog 15 of 20 gulden en reiken kleederen en gereedschap uit. De werver ontvangt van zijn kant een premie van 12 à 15 dollars per koelie. Neemt men daarbij de kosten van vervoer in aanmerking, dan komt elke chineesche arbeider aldus op 75 dollars. Men sluit zonder moeite zulke contracten af, en de meeste arbeiders blijven op Sumatra en hernieuwen hun verbintenis. Er zijn in dit vrije land geen heeren en slaven, er zijn patroons en arbeiders.

De secretaris-generaal van de Delimaatschappij, de heer de C., heeft ons alle inlichtingen gegeven, die wij hem hebben gevraagd en heeft ons rondgeleid met onuitputtelijke welwillendheid. Wij hebben de magazijnen met hem bezocht en ’t hospitaal en ook het huis voor de koelies die aan ongeneeslijke ziekten lijden, en daarna hebben wij een wandeling over een tabaksplantage gemaakt.

Het goed heette Helvetia. Het ligt op den oever der Delirivier en beslaat een oppervlakte van 6000 bouws, dus van 6000 maal 7091 M2. Aan het hoofd staat een administrateur, die zes europeesche ambtenaren onder zich gesteld ziet. Het terrein is in tien perceelen verdeeld, en jaarlijks wordt één dier perceelen in cultuur gebracht; de andere worden aan hun lot overgelaten en worden weer gebruikt, als ze aan de beurt zijn. Op enkele stukken wordt djati geplant, die na vijf of zes jaar mooie boompjes levert voor den bouw der droogschuren. Een weg doorsnijdt de plantage en loopt door alle perceelen. Elk daarvan is in secties verdeeld, die onder het toezicht van de Europeanen staan.

Men begint eerst met het bosch te kappen één jaar te voren; dan bewerkt men den grond met den stoomploeg en keert de kluiten tweemaal met de spade. Het zoo voorbereide terrein wordt door diepe geulen verdeeld, voor den afvoer van het water en voor een splitsing in stukken van ongeveer 1 bouw. Elk deel wordt aan een Chinees toegewezen, die het zaad ontvangt, het laat uitzaaien, toezicht houdt op de kweekbedden, op het uitplanten en de verzorging, om na zeventig dagen te laten oogsten, blad voor blad, en de administrateur koopt de opbrengsttegen tarieven, die in het arbeidscontract zijn opgenomen.


Back to IndexNext