XI

XILaatste BaangedeelteKapitein Cambier verliet Tabora den 7denMei, met omtrent 175 man, nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens zijne reis op zoek naar Livingstone.De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever van het meer, ten zuiden van Oejiji.Hij sloeg dus den weg van ’t zuiden in, langs Simba, minder kostelijk dan degene van ’t westen langs Kaoeëlee, waar de hongo’s buitensporig zijn.Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger is bepaald de slechtste derlastdieren, en het is meer dan tijd om aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen te gebruiken.Simba, waar de reiziger den 17denJuli aankwam, is een groot dorp van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan vriendelijkontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd eener bende van 300 olifantenjagers.Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema, gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest, had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven, verbannen lid der «oude regeerende familie».Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was, verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken, en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen, ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie, die men het bevel over eenen troep pagazis heet.Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben, en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29stenJuli op, om deligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.Den 12denAugustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van ’t dorp Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit, zoover het oog reikte.Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten, van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van ’t meer; hij sloot eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen, bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot van zijn materieel, en reeds den 17denlegde hij de eerste grondslagen van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne zending was te stichten.

XILaatste BaangedeelteKapitein Cambier verliet Tabora den 7denMei, met omtrent 175 man, nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens zijne reis op zoek naar Livingstone.De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever van het meer, ten zuiden van Oejiji.Hij sloeg dus den weg van ’t zuiden in, langs Simba, minder kostelijk dan degene van ’t westen langs Kaoeëlee, waar de hongo’s buitensporig zijn.Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger is bepaald de slechtste derlastdieren, en het is meer dan tijd om aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen te gebruiken.Simba, waar de reiziger den 17denJuli aankwam, is een groot dorp van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan vriendelijkontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd eener bende van 300 olifantenjagers.Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema, gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest, had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven, verbannen lid der «oude regeerende familie».Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was, verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken, en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen, ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie, die men het bevel over eenen troep pagazis heet.Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben, en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29stenJuli op, om deligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.Den 12denAugustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van ’t dorp Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit, zoover het oog reikte.Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten, van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van ’t meer; hij sloot eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen, bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot van zijn materieel, en reeds den 17denlegde hij de eerste grondslagen van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne zending was te stichten.

XILaatste Baangedeelte

Kapitein Cambier verliet Tabora den 7denMei, met omtrent 175 man, nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens zijne reis op zoek naar Livingstone.De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever van het meer, ten zuiden van Oejiji.Hij sloeg dus den weg van ’t zuiden in, langs Simba, minder kostelijk dan degene van ’t westen langs Kaoeëlee, waar de hongo’s buitensporig zijn.Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger is bepaald de slechtste derlastdieren, en het is meer dan tijd om aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen te gebruiken.Simba, waar de reiziger den 17denJuli aankwam, is een groot dorp van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan vriendelijkontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd eener bende van 300 olifantenjagers.Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema, gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest, had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven, verbannen lid der «oude regeerende familie».Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was, verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken, en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen, ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie, die men het bevel over eenen troep pagazis heet.Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben, en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29stenJuli op, om deligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.Den 12denAugustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van ’t dorp Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit, zoover het oog reikte.Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten, van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van ’t meer; hij sloot eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen, bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot van zijn materieel, en reeds den 17denlegde hij de eerste grondslagen van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne zending was te stichten.

Kapitein Cambier verliet Tabora den 7denMei, met omtrent 175 man, nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens zijne reis op zoek naar Livingstone.

De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever van het meer, ten zuiden van Oejiji.

Hij sloeg dus den weg van ’t zuiden in, langs Simba, minder kostelijk dan degene van ’t westen langs Kaoeëlee, waar de hongo’s buitensporig zijn.

Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger is bepaald de slechtste derlastdieren, en het is meer dan tijd om aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen te gebruiken.

Simba, waar de reiziger den 17denJuli aankwam, is een groot dorp van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan vriendelijkontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd eener bende van 300 olifantenjagers.

Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema, gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest, had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven, verbannen lid der «oude regeerende familie».

Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was, verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken, en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen, ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie, die men het bevel over eenen troep pagazis heet.

Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben, en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29stenJuli op, om deligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.

Den 12denAugustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van ’t dorp Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit, zoover het oog reikte.

Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten, van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van ’t meer; hij sloot eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen, bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.

Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot van zijn materieel, en reeds den 17denlegde hij de eerste grondslagen van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne zending was te stichten.


Back to IndexNext