XIIDe eerste onderzoekers van het TanganikameerWanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz, Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in deXVIeeeuw op eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala, te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van deTerra incognita.Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen, wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden, gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier en daar nogal ver in ’t binnenland doorgedrongen waren.Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls slechtgegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan ’t licht, hoewel door een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van ’t nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek, geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met talrijke rivieren, en van ’t éen eind naar ’t ander doorsneden van machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen naar den geest des tijds te overdrijven.Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen inRuggegraat der Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen, het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud- en zilvermijnen, de ellendige negerhutten involkrijke en prachtige steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd Monomotapa.Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde, verzameld door de eerste onderzoekers.Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt, dat tot in deXIXeeeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger gelukt is, door te dringen tot in ’t binnenste van dit geheimzinnig gedeelte van ’t vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren: de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald hadden opgegeven.Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen, die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant, en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf … en dadelijk is de sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika met hunne daden vervullen!Het is den 13denFebruari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo), waarvan hij denmajesteitvollen loop in het hart van Afrika het eerst begroette.Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger, uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in ’t dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als eenDeus ex machina, de onverschrokken Stanley.Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10denNovember 1871. Hoor Stanley zelf.«—Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.—Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.—Eén, twee, drie!…Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van ’t kanon, blijft in ’t dorp niet zonder uitwerksel.—Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene lange rust wachten u. Voorwaarts!Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde ons te gemoet …Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan ’t hoofd, zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.—Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren: in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde, die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid van mijn ras te benadeelen.Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen baard vóor stond.Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman, en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed, naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:—Doctor Livingstone, naar ik vermoed?—Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend glimlachje.Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.—Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.—Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunneyambo’stoestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen, die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid, die, welke deherinnering bevat van den heuglijken tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk van hunnen hooggeachten meester.Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder gids in ’t hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de schoonste daden.De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega, welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom vanhet meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg, met den Atlantischen oceaan.Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben, landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche Vereeniging den 12denAugustus 1879 bij het dorp Karema aan.
XIIDe eerste onderzoekers van het TanganikameerWanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz, Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in deXVIeeeuw op eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala, te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van deTerra incognita.Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen, wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden, gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier en daar nogal ver in ’t binnenland doorgedrongen waren.Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls slechtgegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan ’t licht, hoewel door een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van ’t nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek, geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met talrijke rivieren, en van ’t éen eind naar ’t ander doorsneden van machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen naar den geest des tijds te overdrijven.Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen inRuggegraat der Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen, het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud- en zilvermijnen, de ellendige negerhutten involkrijke en prachtige steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd Monomotapa.Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde, verzameld door de eerste onderzoekers.Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt, dat tot in deXIXeeeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger gelukt is, door te dringen tot in ’t binnenste van dit geheimzinnig gedeelte van ’t vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren: de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald hadden opgegeven.Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen, die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant, en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf … en dadelijk is de sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika met hunne daden vervullen!Het is den 13denFebruari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo), waarvan hij denmajesteitvollen loop in het hart van Afrika het eerst begroette.Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger, uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in ’t dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als eenDeus ex machina, de onverschrokken Stanley.Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10denNovember 1871. Hoor Stanley zelf.«—Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.—Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.—Eén, twee, drie!…Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van ’t kanon, blijft in ’t dorp niet zonder uitwerksel.—Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene lange rust wachten u. Voorwaarts!Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde ons te gemoet …Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan ’t hoofd, zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.—Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren: in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde, die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid van mijn ras te benadeelen.Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen baard vóor stond.Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman, en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed, naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:—Doctor Livingstone, naar ik vermoed?—Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend glimlachje.Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.—Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.—Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunneyambo’stoestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen, die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid, die, welke deherinnering bevat van den heuglijken tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk van hunnen hooggeachten meester.Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder gids in ’t hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de schoonste daden.De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega, welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom vanhet meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg, met den Atlantischen oceaan.Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben, landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche Vereeniging den 12denAugustus 1879 bij het dorp Karema aan.
XIIDe eerste onderzoekers van het Tanganikameer
Wanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz, Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in deXVIeeeuw op eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala, te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van deTerra incognita.Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen, wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden, gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier en daar nogal ver in ’t binnenland doorgedrongen waren.Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls slechtgegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan ’t licht, hoewel door een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van ’t nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek, geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met talrijke rivieren, en van ’t éen eind naar ’t ander doorsneden van machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen naar den geest des tijds te overdrijven.Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen inRuggegraat der Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen, het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud- en zilvermijnen, de ellendige negerhutten involkrijke en prachtige steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd Monomotapa.Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde, verzameld door de eerste onderzoekers.Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt, dat tot in deXIXeeeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger gelukt is, door te dringen tot in ’t binnenste van dit geheimzinnig gedeelte van ’t vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren: de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald hadden opgegeven.Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen, die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant, en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf … en dadelijk is de sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika met hunne daden vervullen!Het is den 13denFebruari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo), waarvan hij denmajesteitvollen loop in het hart van Afrika het eerst begroette.Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger, uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in ’t dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als eenDeus ex machina, de onverschrokken Stanley.Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10denNovember 1871. Hoor Stanley zelf.«—Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.—Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.—Eén, twee, drie!…Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van ’t kanon, blijft in ’t dorp niet zonder uitwerksel.—Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene lange rust wachten u. Voorwaarts!Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde ons te gemoet …Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan ’t hoofd, zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.—Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren: in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde, die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid van mijn ras te benadeelen.Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen baard vóor stond.Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman, en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed, naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:—Doctor Livingstone, naar ik vermoed?—Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend glimlachje.Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.—Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.—Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunneyambo’stoestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen, die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid, die, welke deherinnering bevat van den heuglijken tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk van hunnen hooggeachten meester.Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder gids in ’t hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de schoonste daden.De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega, welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom vanhet meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg, met den Atlantischen oceaan.Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben, landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche Vereeniging den 12denAugustus 1879 bij het dorp Karema aan.
Wanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz, Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in deXVIeeeuw op eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala, te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van deTerra incognita.
Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen, wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden, gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier en daar nogal ver in ’t binnenland doorgedrongen waren.
Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls slechtgegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.
Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan ’t licht, hoewel door een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van ’t nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek, geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met talrijke rivieren, en van ’t éen eind naar ’t ander doorsneden van machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.
De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen naar den geest des tijds te overdrijven.
Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen inRuggegraat der Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen, het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud- en zilvermijnen, de ellendige negerhutten involkrijke en prachtige steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd Monomotapa.
Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde, verzameld door de eerste onderzoekers.
Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt, dat tot in deXIXeeeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger gelukt is, door te dringen tot in ’t binnenste van dit geheimzinnig gedeelte van ’t vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.
In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren: de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald hadden opgegeven.
Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen, die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.
Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant, en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf … en dadelijk is de sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika met hunne daden vervullen!
Het is den 13denFebruari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.
Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo), waarvan hij denmajesteitvollen loop in het hart van Afrika het eerst begroette.
Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger, uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in ’t dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als eenDeus ex machina, de onverschrokken Stanley.
Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10denNovember 1871. Hoor Stanley zelf.
«—Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.
—Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.
—Eén, twee, drie!…
Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van ’t kanon, blijft in ’t dorp niet zonder uitwerksel.
—Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene lange rust wachten u. Voorwaarts!
Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde ons te gemoet …
Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan ’t hoofd, zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.
—Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!
Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren: in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde, die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid van mijn ras te benadeelen.
Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen baard vóor stond.
Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman, en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.
Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed, naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:
—Doctor Livingstone, naar ik vermoed?
—Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend glimlachje.
Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.
—Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.
—Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.
Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunneyambo’stoestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen, die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»
Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.
Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid, die, welke deherinnering bevat van den heuglijken tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk van hunnen hooggeachten meester.
Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder gids in ’t hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de schoonste daden.
De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega, welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom vanhet meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg, met den Atlantischen oceaan.
Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben, landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche Vereeniging den 12denAugustus 1879 bij het dorp Karema aan.