XIIIHet Meer en zijne BoordenHet Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in ’t midden van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien der Adriatische zee.Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte bedraagt weinig minder dan die van België.Eene ontzaglijke menigte afvloeiingenbrengener hun water heen: meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van ’t meer vloeit dan weg langs de Loekoega.Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene overgroote hoeveelheid vlottendeeilandjes, bestaande uit planten, en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van ’t meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.De diepte van ’t meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den bodem te raken.Als het weder kalm is, is zijne rust merkwaardig. Maar wanneer de wind het voortzweept en onstuimig maakt, dan heeft het, zooals alle smalle en diep ingesloten zeeën, plotselinge stormen van eene ongeloofelijke hevigheid. Ook wagen de visschers zich niet gemakkelijk in ’t midden van het meer. Gewoonlijk volgen zij de kust, om, bij het minste kwaad voorteeken, eene wijkplaats te zoeken binnen de menigvuldige inhammen, die er de lijn van breken.De oevers leveren overal den schilderachtigsten aanblik op. «Om, zegt Cameron, aan al de schoonheid der boorden van het Tanganika te gelooven, moet men ze gezien hebben. Het schitterend en afwisselend groen van het gebladerte, het lichtrood van den zandsteen der kusten, het blauw van ’t water, dit alles maakt eene kleurenmengeling uit,welke bij de beschrijving schreeuwend schijnt, doch in de werkelijkheid eene volmaakte harmonie vertoont.»De heerlijkste geuren zweven boven een ondoordringbaar woud, waarvan de planten eene wonderbare verscheidenheid aanbieden. Hier is ’t de reusachtige baobab, de prachtige mvoelee, waar men den stam vanuitholtvoor de prauwen van het Tanganika; de borassus, de bauhinia en het bevallige, welriekende kruidje-roer-mij-niet, dat onmetelijke oppervlakten bedekt.Verder spreiden zich uit als een waaier over de hellingen der heuvels de majestatische mkora, de kostelijke elaïs, wiens gouden vrucht de palmolie schenkt, de msandaroesi, die het kopalhars voortbrengt, de takkige tamar, de teek, de moerbezie-vijgeboom en de bevallige payaboom met zijne lange bloementrossen. Langsheen de oevers, in alle mogelijke hoeken, staan dichte boschjes van loofrijke wortelboomen, van rotangs met hangend gebladerte, van papyrussen en riet, ongenaakbaar gebied der witte ibissen en rozekleurige flamingo’s. Bovendien, op het water, bij de riviermonden, tapijten van eschinomena’s, lotussen en verschillige nymphia’s, door de roodpootige meeuwen, de eenden en gekuifde kraanvogels, de groote gewapende ganzen en breed gevleugelde pelikanen in hunne vlucht eventjes aangeraakt.Op verscheidene plaatsen, tusschen het groen gordijn van ’t kreupelhout, vertoont de reusachtige rotskuip, die het water van ’t meer bevat, hare ruwe wanden. Te Mpimboeë springt eene landtong in het Tanganika vooruit, hetwelk zij schijnt te willen afsluiten; het is eene reuzenmassa granietblokken, verward dooreengeworpen, eene zeer eigenaardige opeenstapeling, die men zou kunnen nemen voor het begin van eenen barenbreker, gemaakt door een geslacht van Titans.Te Poloengo verheffen zulke reuzenmassa’s zich afgezonderd en vertoonen de wonderlijkste vormen: vooroverhellende blokken, schuinshangende steenen, obelisken en pyramiden. Uit alle spleten, uit alle holten, uit alle hoeken, overal waar zich een weinig aarde heeft kunnen vastzetten, rijzen groote boomen omhoog, vanwaar lianen van twintig tot dertig meters lengte nederdalen, door wier dun loovernet heen men diepe aardkloven bespeurt.Het zuidelijk uiteinde van ’t meer ligt schilderachtig genesteld tusschen de bochten eener bergvlakte, die het uit eene hoogte van twaalf tot vijftien honderd meters beheerscht. Deze steile kustrotsen worden tot de meest grootsche der wereld gerekend.Talrijke rivieren besproeien het hoogland dier bergvlakte tot aan de plaats, waar hun eensklaps de bodem ontbreekt en zij in den afgrond nederstorten. Er is daar eene heele reeks bekoorlijkewatervallen, van de hooge toppen afbruisend in de verborgenheden van een immer groen loof. Alles is stilte in die diepe engten, eene stilte, slechts gebroken door het rythmisch geluid der watervallen.De boomen zijn beweegloos, gelijk ingeslapen door die eeuwige cadans, en ’t meer wacht kalm en rustig het woeste kind der bergen af, dat, bij elk zijner sprongen met een levendigeren glans schittert en op den duur onder de gedaante van zilveren stralen in het smaragdgroene water van het Tanganika verdwijnt.Elders is de oever samengesteld uit eene rij hooge bergen, vaneengescheurd door diepe openingen, kloven en engten van den treffendsten aanblik. Ofwel is de oever lang en moerassig, gansch uitgesneden met baaien en riviermonden, belemmerd door waterplanten. Hier en daar spreidt zich een groen laar uit, waarvan de boorden uit geel zand of uit lichtroode rotsen bestaan.De dorpen, omringd van boschjes borassen en bananen, of van eindelooze dichtbewassen plekken mimosa’s, breiden zich uit tot omlaag bij den rand van ’t water. Op den westelijken oever bespeurt men hunne uiteengespreide kegelvormige hutten, te midden van uitgestrekte velden. Men vermoedt, dat het eene vreedzame streek is, en de bewoners voor geene aanvallen van buren vreezen.Maar op den oostelijken oever zijn de meeste gehuchten beschut door stevige paalwerken. Eene breede gracht, waarover meestendeels niet anders dan eene gladde plank als brug ligt, gaat deze insluiting vooraf, welke, versterkt door waterpas geplaatste boomstammen, het musket trotseert. Boven de poort van dit paalwerk en aan elken hoek rijzen somtijds forten omhoog, wel voorzien van zware steenen, gansch gereed om naar den vijand te worden geslingerd.Die vijand is niemand anders dan deRoegas-Roegas, namelijk gewapende stroopers, welke de streek afloopen, de karavanen uitplunderen, de dorpen verrassen, do mannen dooden en de vrouwen en kinderen gevangen meenemen. Cameron en Stanley hebben op hunne omreis langs het meer bij elken stap dorpen ontmoet, verwoest of neergebrand door die stoutmoedige stroopers, de schrik der streek.De vernieling moet reeds lang op groote schaal gebeurd zijn, en Livingstone stelt vast, op zijnen tocht door het oostelijk bekken van het meer, dat de bevolking eertijds buitengewoon sterk moet zijn geweest: al de steenen waren uit de velden weggenomen en er was geen duim akkergrond onbebouwd gebleven.De oeverbewoners van Tanganika, vooral die van’t zuidelijk gedeelte, zijn over ’t algemeen argeloos en zelfs welwillend. De mannen dragen bijna nooit hunne wapens en hebben de Arabische reizigers, die vreedzaam met hen kwamen handeldrijven, altoos goed onthaald.Het is eene echte weldaad voor de streek, de vestiging, langs de oevers van ’t meer, van Europeesche volksplantingen, welke, meer nog door hun zedelijk gezag dan door hunne stoffelijke macht, de verdelgers uit de verte schrik inboezemen en eindigen zullen met de kom van Tanganika te behoeden voor de invallen der Roegas-Roegas.
XIIIHet Meer en zijne BoordenHet Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in ’t midden van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien der Adriatische zee.Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte bedraagt weinig minder dan die van België.Eene ontzaglijke menigte afvloeiingenbrengener hun water heen: meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van ’t meer vloeit dan weg langs de Loekoega.Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene overgroote hoeveelheid vlottendeeilandjes, bestaande uit planten, en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van ’t meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.De diepte van ’t meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den bodem te raken.Als het weder kalm is, is zijne rust merkwaardig. Maar wanneer de wind het voortzweept en onstuimig maakt, dan heeft het, zooals alle smalle en diep ingesloten zeeën, plotselinge stormen van eene ongeloofelijke hevigheid. Ook wagen de visschers zich niet gemakkelijk in ’t midden van het meer. Gewoonlijk volgen zij de kust, om, bij het minste kwaad voorteeken, eene wijkplaats te zoeken binnen de menigvuldige inhammen, die er de lijn van breken.De oevers leveren overal den schilderachtigsten aanblik op. «Om, zegt Cameron, aan al de schoonheid der boorden van het Tanganika te gelooven, moet men ze gezien hebben. Het schitterend en afwisselend groen van het gebladerte, het lichtrood van den zandsteen der kusten, het blauw van ’t water, dit alles maakt eene kleurenmengeling uit,welke bij de beschrijving schreeuwend schijnt, doch in de werkelijkheid eene volmaakte harmonie vertoont.»De heerlijkste geuren zweven boven een ondoordringbaar woud, waarvan de planten eene wonderbare verscheidenheid aanbieden. Hier is ’t de reusachtige baobab, de prachtige mvoelee, waar men den stam vanuitholtvoor de prauwen van het Tanganika; de borassus, de bauhinia en het bevallige, welriekende kruidje-roer-mij-niet, dat onmetelijke oppervlakten bedekt.Verder spreiden zich uit als een waaier over de hellingen der heuvels de majestatische mkora, de kostelijke elaïs, wiens gouden vrucht de palmolie schenkt, de msandaroesi, die het kopalhars voortbrengt, de takkige tamar, de teek, de moerbezie-vijgeboom en de bevallige payaboom met zijne lange bloementrossen. Langsheen de oevers, in alle mogelijke hoeken, staan dichte boschjes van loofrijke wortelboomen, van rotangs met hangend gebladerte, van papyrussen en riet, ongenaakbaar gebied der witte ibissen en rozekleurige flamingo’s. Bovendien, op het water, bij de riviermonden, tapijten van eschinomena’s, lotussen en verschillige nymphia’s, door de roodpootige meeuwen, de eenden en gekuifde kraanvogels, de groote gewapende ganzen en breed gevleugelde pelikanen in hunne vlucht eventjes aangeraakt.Op verscheidene plaatsen, tusschen het groen gordijn van ’t kreupelhout, vertoont de reusachtige rotskuip, die het water van ’t meer bevat, hare ruwe wanden. Te Mpimboeë springt eene landtong in het Tanganika vooruit, hetwelk zij schijnt te willen afsluiten; het is eene reuzenmassa granietblokken, verward dooreengeworpen, eene zeer eigenaardige opeenstapeling, die men zou kunnen nemen voor het begin van eenen barenbreker, gemaakt door een geslacht van Titans.Te Poloengo verheffen zulke reuzenmassa’s zich afgezonderd en vertoonen de wonderlijkste vormen: vooroverhellende blokken, schuinshangende steenen, obelisken en pyramiden. Uit alle spleten, uit alle holten, uit alle hoeken, overal waar zich een weinig aarde heeft kunnen vastzetten, rijzen groote boomen omhoog, vanwaar lianen van twintig tot dertig meters lengte nederdalen, door wier dun loovernet heen men diepe aardkloven bespeurt.Het zuidelijk uiteinde van ’t meer ligt schilderachtig genesteld tusschen de bochten eener bergvlakte, die het uit eene hoogte van twaalf tot vijftien honderd meters beheerscht. Deze steile kustrotsen worden tot de meest grootsche der wereld gerekend.Talrijke rivieren besproeien het hoogland dier bergvlakte tot aan de plaats, waar hun eensklaps de bodem ontbreekt en zij in den afgrond nederstorten. Er is daar eene heele reeks bekoorlijkewatervallen, van de hooge toppen afbruisend in de verborgenheden van een immer groen loof. Alles is stilte in die diepe engten, eene stilte, slechts gebroken door het rythmisch geluid der watervallen.De boomen zijn beweegloos, gelijk ingeslapen door die eeuwige cadans, en ’t meer wacht kalm en rustig het woeste kind der bergen af, dat, bij elk zijner sprongen met een levendigeren glans schittert en op den duur onder de gedaante van zilveren stralen in het smaragdgroene water van het Tanganika verdwijnt.Elders is de oever samengesteld uit eene rij hooge bergen, vaneengescheurd door diepe openingen, kloven en engten van den treffendsten aanblik. Ofwel is de oever lang en moerassig, gansch uitgesneden met baaien en riviermonden, belemmerd door waterplanten. Hier en daar spreidt zich een groen laar uit, waarvan de boorden uit geel zand of uit lichtroode rotsen bestaan.De dorpen, omringd van boschjes borassen en bananen, of van eindelooze dichtbewassen plekken mimosa’s, breiden zich uit tot omlaag bij den rand van ’t water. Op den westelijken oever bespeurt men hunne uiteengespreide kegelvormige hutten, te midden van uitgestrekte velden. Men vermoedt, dat het eene vreedzame streek is, en de bewoners voor geene aanvallen van buren vreezen.Maar op den oostelijken oever zijn de meeste gehuchten beschut door stevige paalwerken. Eene breede gracht, waarover meestendeels niet anders dan eene gladde plank als brug ligt, gaat deze insluiting vooraf, welke, versterkt door waterpas geplaatste boomstammen, het musket trotseert. Boven de poort van dit paalwerk en aan elken hoek rijzen somtijds forten omhoog, wel voorzien van zware steenen, gansch gereed om naar den vijand te worden geslingerd.Die vijand is niemand anders dan deRoegas-Roegas, namelijk gewapende stroopers, welke de streek afloopen, de karavanen uitplunderen, de dorpen verrassen, do mannen dooden en de vrouwen en kinderen gevangen meenemen. Cameron en Stanley hebben op hunne omreis langs het meer bij elken stap dorpen ontmoet, verwoest of neergebrand door die stoutmoedige stroopers, de schrik der streek.De vernieling moet reeds lang op groote schaal gebeurd zijn, en Livingstone stelt vast, op zijnen tocht door het oostelijk bekken van het meer, dat de bevolking eertijds buitengewoon sterk moet zijn geweest: al de steenen waren uit de velden weggenomen en er was geen duim akkergrond onbebouwd gebleven.De oeverbewoners van Tanganika, vooral die van’t zuidelijk gedeelte, zijn over ’t algemeen argeloos en zelfs welwillend. De mannen dragen bijna nooit hunne wapens en hebben de Arabische reizigers, die vreedzaam met hen kwamen handeldrijven, altoos goed onthaald.Het is eene echte weldaad voor de streek, de vestiging, langs de oevers van ’t meer, van Europeesche volksplantingen, welke, meer nog door hun zedelijk gezag dan door hunne stoffelijke macht, de verdelgers uit de verte schrik inboezemen en eindigen zullen met de kom van Tanganika te behoeden voor de invallen der Roegas-Roegas.
XIIIHet Meer en zijne Boorden
Het Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in ’t midden van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien der Adriatische zee.Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte bedraagt weinig minder dan die van België.Eene ontzaglijke menigte afvloeiingenbrengener hun water heen: meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van ’t meer vloeit dan weg langs de Loekoega.Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene overgroote hoeveelheid vlottendeeilandjes, bestaande uit planten, en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van ’t meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.De diepte van ’t meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den bodem te raken.Als het weder kalm is, is zijne rust merkwaardig. Maar wanneer de wind het voortzweept en onstuimig maakt, dan heeft het, zooals alle smalle en diep ingesloten zeeën, plotselinge stormen van eene ongeloofelijke hevigheid. Ook wagen de visschers zich niet gemakkelijk in ’t midden van het meer. Gewoonlijk volgen zij de kust, om, bij het minste kwaad voorteeken, eene wijkplaats te zoeken binnen de menigvuldige inhammen, die er de lijn van breken.De oevers leveren overal den schilderachtigsten aanblik op. «Om, zegt Cameron, aan al de schoonheid der boorden van het Tanganika te gelooven, moet men ze gezien hebben. Het schitterend en afwisselend groen van het gebladerte, het lichtrood van den zandsteen der kusten, het blauw van ’t water, dit alles maakt eene kleurenmengeling uit,welke bij de beschrijving schreeuwend schijnt, doch in de werkelijkheid eene volmaakte harmonie vertoont.»De heerlijkste geuren zweven boven een ondoordringbaar woud, waarvan de planten eene wonderbare verscheidenheid aanbieden. Hier is ’t de reusachtige baobab, de prachtige mvoelee, waar men den stam vanuitholtvoor de prauwen van het Tanganika; de borassus, de bauhinia en het bevallige, welriekende kruidje-roer-mij-niet, dat onmetelijke oppervlakten bedekt.Verder spreiden zich uit als een waaier over de hellingen der heuvels de majestatische mkora, de kostelijke elaïs, wiens gouden vrucht de palmolie schenkt, de msandaroesi, die het kopalhars voortbrengt, de takkige tamar, de teek, de moerbezie-vijgeboom en de bevallige payaboom met zijne lange bloementrossen. Langsheen de oevers, in alle mogelijke hoeken, staan dichte boschjes van loofrijke wortelboomen, van rotangs met hangend gebladerte, van papyrussen en riet, ongenaakbaar gebied der witte ibissen en rozekleurige flamingo’s. Bovendien, op het water, bij de riviermonden, tapijten van eschinomena’s, lotussen en verschillige nymphia’s, door de roodpootige meeuwen, de eenden en gekuifde kraanvogels, de groote gewapende ganzen en breed gevleugelde pelikanen in hunne vlucht eventjes aangeraakt.Op verscheidene plaatsen, tusschen het groen gordijn van ’t kreupelhout, vertoont de reusachtige rotskuip, die het water van ’t meer bevat, hare ruwe wanden. Te Mpimboeë springt eene landtong in het Tanganika vooruit, hetwelk zij schijnt te willen afsluiten; het is eene reuzenmassa granietblokken, verward dooreengeworpen, eene zeer eigenaardige opeenstapeling, die men zou kunnen nemen voor het begin van eenen barenbreker, gemaakt door een geslacht van Titans.Te Poloengo verheffen zulke reuzenmassa’s zich afgezonderd en vertoonen de wonderlijkste vormen: vooroverhellende blokken, schuinshangende steenen, obelisken en pyramiden. Uit alle spleten, uit alle holten, uit alle hoeken, overal waar zich een weinig aarde heeft kunnen vastzetten, rijzen groote boomen omhoog, vanwaar lianen van twintig tot dertig meters lengte nederdalen, door wier dun loovernet heen men diepe aardkloven bespeurt.Het zuidelijk uiteinde van ’t meer ligt schilderachtig genesteld tusschen de bochten eener bergvlakte, die het uit eene hoogte van twaalf tot vijftien honderd meters beheerscht. Deze steile kustrotsen worden tot de meest grootsche der wereld gerekend.Talrijke rivieren besproeien het hoogland dier bergvlakte tot aan de plaats, waar hun eensklaps de bodem ontbreekt en zij in den afgrond nederstorten. Er is daar eene heele reeks bekoorlijkewatervallen, van de hooge toppen afbruisend in de verborgenheden van een immer groen loof. Alles is stilte in die diepe engten, eene stilte, slechts gebroken door het rythmisch geluid der watervallen.De boomen zijn beweegloos, gelijk ingeslapen door die eeuwige cadans, en ’t meer wacht kalm en rustig het woeste kind der bergen af, dat, bij elk zijner sprongen met een levendigeren glans schittert en op den duur onder de gedaante van zilveren stralen in het smaragdgroene water van het Tanganika verdwijnt.Elders is de oever samengesteld uit eene rij hooge bergen, vaneengescheurd door diepe openingen, kloven en engten van den treffendsten aanblik. Ofwel is de oever lang en moerassig, gansch uitgesneden met baaien en riviermonden, belemmerd door waterplanten. Hier en daar spreidt zich een groen laar uit, waarvan de boorden uit geel zand of uit lichtroode rotsen bestaan.De dorpen, omringd van boschjes borassen en bananen, of van eindelooze dichtbewassen plekken mimosa’s, breiden zich uit tot omlaag bij den rand van ’t water. Op den westelijken oever bespeurt men hunne uiteengespreide kegelvormige hutten, te midden van uitgestrekte velden. Men vermoedt, dat het eene vreedzame streek is, en de bewoners voor geene aanvallen van buren vreezen.Maar op den oostelijken oever zijn de meeste gehuchten beschut door stevige paalwerken. Eene breede gracht, waarover meestendeels niet anders dan eene gladde plank als brug ligt, gaat deze insluiting vooraf, welke, versterkt door waterpas geplaatste boomstammen, het musket trotseert. Boven de poort van dit paalwerk en aan elken hoek rijzen somtijds forten omhoog, wel voorzien van zware steenen, gansch gereed om naar den vijand te worden geslingerd.Die vijand is niemand anders dan deRoegas-Roegas, namelijk gewapende stroopers, welke de streek afloopen, de karavanen uitplunderen, de dorpen verrassen, do mannen dooden en de vrouwen en kinderen gevangen meenemen. Cameron en Stanley hebben op hunne omreis langs het meer bij elken stap dorpen ontmoet, verwoest of neergebrand door die stoutmoedige stroopers, de schrik der streek.De vernieling moet reeds lang op groote schaal gebeurd zijn, en Livingstone stelt vast, op zijnen tocht door het oostelijk bekken van het meer, dat de bevolking eertijds buitengewoon sterk moet zijn geweest: al de steenen waren uit de velden weggenomen en er was geen duim akkergrond onbebouwd gebleven.De oeverbewoners van Tanganika, vooral die van’t zuidelijk gedeelte, zijn over ’t algemeen argeloos en zelfs welwillend. De mannen dragen bijna nooit hunne wapens en hebben de Arabische reizigers, die vreedzaam met hen kwamen handeldrijven, altoos goed onthaald.Het is eene echte weldaad voor de streek, de vestiging, langs de oevers van ’t meer, van Europeesche volksplantingen, welke, meer nog door hun zedelijk gezag dan door hunne stoffelijke macht, de verdelgers uit de verte schrik inboezemen en eindigen zullen met de kom van Tanganika te behoeden voor de invallen der Roegas-Roegas.
Het Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in ’t midden van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien der Adriatische zee.
Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte bedraagt weinig minder dan die van België.
Eene ontzaglijke menigte afvloeiingenbrengener hun water heen: meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van ’t meer vloeit dan weg langs de Loekoega.
Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene overgroote hoeveelheid vlottendeeilandjes, bestaande uit planten, en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van ’t meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.
De diepte van ’t meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den bodem te raken.
Als het weder kalm is, is zijne rust merkwaardig. Maar wanneer de wind het voortzweept en onstuimig maakt, dan heeft het, zooals alle smalle en diep ingesloten zeeën, plotselinge stormen van eene ongeloofelijke hevigheid. Ook wagen de visschers zich niet gemakkelijk in ’t midden van het meer. Gewoonlijk volgen zij de kust, om, bij het minste kwaad voorteeken, eene wijkplaats te zoeken binnen de menigvuldige inhammen, die er de lijn van breken.
De oevers leveren overal den schilderachtigsten aanblik op. «Om, zegt Cameron, aan al de schoonheid der boorden van het Tanganika te gelooven, moet men ze gezien hebben. Het schitterend en afwisselend groen van het gebladerte, het lichtrood van den zandsteen der kusten, het blauw van ’t water, dit alles maakt eene kleurenmengeling uit,welke bij de beschrijving schreeuwend schijnt, doch in de werkelijkheid eene volmaakte harmonie vertoont.»
De heerlijkste geuren zweven boven een ondoordringbaar woud, waarvan de planten eene wonderbare verscheidenheid aanbieden. Hier is ’t de reusachtige baobab, de prachtige mvoelee, waar men den stam vanuitholtvoor de prauwen van het Tanganika; de borassus, de bauhinia en het bevallige, welriekende kruidje-roer-mij-niet, dat onmetelijke oppervlakten bedekt.
Verder spreiden zich uit als een waaier over de hellingen der heuvels de majestatische mkora, de kostelijke elaïs, wiens gouden vrucht de palmolie schenkt, de msandaroesi, die het kopalhars voortbrengt, de takkige tamar, de teek, de moerbezie-vijgeboom en de bevallige payaboom met zijne lange bloementrossen. Langsheen de oevers, in alle mogelijke hoeken, staan dichte boschjes van loofrijke wortelboomen, van rotangs met hangend gebladerte, van papyrussen en riet, ongenaakbaar gebied der witte ibissen en rozekleurige flamingo’s. Bovendien, op het water, bij de riviermonden, tapijten van eschinomena’s, lotussen en verschillige nymphia’s, door de roodpootige meeuwen, de eenden en gekuifde kraanvogels, de groote gewapende ganzen en breed gevleugelde pelikanen in hunne vlucht eventjes aangeraakt.
Op verscheidene plaatsen, tusschen het groen gordijn van ’t kreupelhout, vertoont de reusachtige rotskuip, die het water van ’t meer bevat, hare ruwe wanden. Te Mpimboeë springt eene landtong in het Tanganika vooruit, hetwelk zij schijnt te willen afsluiten; het is eene reuzenmassa granietblokken, verward dooreengeworpen, eene zeer eigenaardige opeenstapeling, die men zou kunnen nemen voor het begin van eenen barenbreker, gemaakt door een geslacht van Titans.
Te Poloengo verheffen zulke reuzenmassa’s zich afgezonderd en vertoonen de wonderlijkste vormen: vooroverhellende blokken, schuinshangende steenen, obelisken en pyramiden. Uit alle spleten, uit alle holten, uit alle hoeken, overal waar zich een weinig aarde heeft kunnen vastzetten, rijzen groote boomen omhoog, vanwaar lianen van twintig tot dertig meters lengte nederdalen, door wier dun loovernet heen men diepe aardkloven bespeurt.
Het zuidelijk uiteinde van ’t meer ligt schilderachtig genesteld tusschen de bochten eener bergvlakte, die het uit eene hoogte van twaalf tot vijftien honderd meters beheerscht. Deze steile kustrotsen worden tot de meest grootsche der wereld gerekend.
Talrijke rivieren besproeien het hoogland dier bergvlakte tot aan de plaats, waar hun eensklaps de bodem ontbreekt en zij in den afgrond nederstorten. Er is daar eene heele reeks bekoorlijkewatervallen, van de hooge toppen afbruisend in de verborgenheden van een immer groen loof. Alles is stilte in die diepe engten, eene stilte, slechts gebroken door het rythmisch geluid der watervallen.
De boomen zijn beweegloos, gelijk ingeslapen door die eeuwige cadans, en ’t meer wacht kalm en rustig het woeste kind der bergen af, dat, bij elk zijner sprongen met een levendigeren glans schittert en op den duur onder de gedaante van zilveren stralen in het smaragdgroene water van het Tanganika verdwijnt.
Elders is de oever samengesteld uit eene rij hooge bergen, vaneengescheurd door diepe openingen, kloven en engten van den treffendsten aanblik. Ofwel is de oever lang en moerassig, gansch uitgesneden met baaien en riviermonden, belemmerd door waterplanten. Hier en daar spreidt zich een groen laar uit, waarvan de boorden uit geel zand of uit lichtroode rotsen bestaan.
De dorpen, omringd van boschjes borassen en bananen, of van eindelooze dichtbewassen plekken mimosa’s, breiden zich uit tot omlaag bij den rand van ’t water. Op den westelijken oever bespeurt men hunne uiteengespreide kegelvormige hutten, te midden van uitgestrekte velden. Men vermoedt, dat het eene vreedzame streek is, en de bewoners voor geene aanvallen van buren vreezen.
Maar op den oostelijken oever zijn de meeste gehuchten beschut door stevige paalwerken. Eene breede gracht, waarover meestendeels niet anders dan eene gladde plank als brug ligt, gaat deze insluiting vooraf, welke, versterkt door waterpas geplaatste boomstammen, het musket trotseert. Boven de poort van dit paalwerk en aan elken hoek rijzen somtijds forten omhoog, wel voorzien van zware steenen, gansch gereed om naar den vijand te worden geslingerd.
Die vijand is niemand anders dan deRoegas-Roegas, namelijk gewapende stroopers, welke de streek afloopen, de karavanen uitplunderen, de dorpen verrassen, do mannen dooden en de vrouwen en kinderen gevangen meenemen. Cameron en Stanley hebben op hunne omreis langs het meer bij elken stap dorpen ontmoet, verwoest of neergebrand door die stoutmoedige stroopers, de schrik der streek.
De vernieling moet reeds lang op groote schaal gebeurd zijn, en Livingstone stelt vast, op zijnen tocht door het oostelijk bekken van het meer, dat de bevolking eertijds buitengewoon sterk moet zijn geweest: al de steenen waren uit de velden weggenomen en er was geen duim akkergrond onbebouwd gebleven.
De oeverbewoners van Tanganika, vooral die van’t zuidelijk gedeelte, zijn over ’t algemeen argeloos en zelfs welwillend. De mannen dragen bijna nooit hunne wapens en hebben de Arabische reizigers, die vreedzaam met hen kwamen handeldrijven, altoos goed onthaald.
Het is eene echte weldaad voor de streek, de vestiging, langs de oevers van ’t meer, van Europeesche volksplantingen, welke, meer nog door hun zedelijk gezag dan door hunne stoffelijke macht, de verdelgers uit de verte schrik inboezemen en eindigen zullen met de kom van Tanganika te behoeden voor de invallen der Roegas-Roegas.