Chapter 2

Het overgaan van een oude chineesche brug aan de uitloopers van de Sian-ya-miao.Het overgaan van een oude chineesche brug aan de uitloopers van de Sian-ya-miao.

Het overgaan van een oude chineesche brug aan de uitloopers van de Sian-ya-miao.

Het overgaan van een oude chineesche brug aan de uitloopers van de Sian-ya-miao.

De oude chef zwaaide de vlag heen en weer en blies met alle kracht op het fluitje. Dat signaal beduidde: klaar!

Ettore bond de dikke touwen vast aan de voorstukken van het chassis en de twee armen, die bij elke auto uitsteken om de veeren aan vast te schroeven. Een minuut later trok een lange rij van gebogen mannen in langzaam tempo de zware machine vooruit, terwijl andere mannen achteraan opduwden.

Ontmoeting met een karavaan ossewagens in de Mongoolsche hoogvlakte.Ontmoeting met een karavaan ossewagens in de Mongoolsche hoogvlakte.

Ontmoeting met een karavaan ossewagens in de Mongoolsche hoogvlakte.

Ontmoeting met een karavaan ossewagens in de Mongoolsche hoogvlakte.

Het regende maar steeds door.

Nu en dan bleef de auto voor groote steenen onverwacht staan; ze steigerde als een koppig dier en de koelies, die dan bijna het evenwicht verloren, gingen met vernieuwde kracht weer aan het trekken; ze begonnen te zingen, om beter met elkaar in de maat te blijven.

De oude man zette met de stem van een biddenden bonze (chineeschen priester) een wijs in, en al de anderen vielen in bij het refrein: “Laè, laè-la!” “Vooruit, vooruit!” en ze trokken. De chef improviseerde zijn liederen, hij zong alles wat maar in zijn brein opkwam, het was om de melodie te doen, niet om de woorden. Hij zong de komiekste dingen, die zijn mannen opvroolijkten, wat wel noodig was, want in het refrein “laè, laè-la” klonk zoowel moeheid als vroolijkheid. Wanneer de auto over een kleine hindernis was heengetrokken, kreeg ze door het opduwen plotseling een grootere vaart. Het was, alsof ze in verzet kwam tegen die manier van reizen en alsof ze al die trekkende mannen wilde vervolgen;de touwen werden losser, en de verheugde Chineezen liepen en sprongen bedrijvig heen en weer, schreeuwend en lachend. Zij amuseerden zich, als was het een spelletje. Ze liepen zoo een eind door, tot de strakke touwen hen weer aan den arbeid zetten. Dat groepje mannen interesseerde ons, het waren geen geregelde arbeiders, maar een bijeengeraapt zoodje arme kerels; zij vertegenwoordigden geen bepaalde klasse, maar een geheel volk. Het was het groote chineesche volk met zijn armoede en zijn deugden, dat wij aan het werk zagen. Het gebrek, de onbedachtzaamheid, de eenvoud, het geduld, de werkzaamheid, alle deugden en ondeugden van een ras waren aan onze machine vastgekoppeld.

De oude man met zijn vlag liep statig aan het hoofd van de karavaan.

De steile bergen van Nan-Kow verhieven zich boven onze hoofden bij den ingang van den bergpas. Het dorp leunt tegen den Nan-Shan, den Zuid-Berg aan, die loodzwaar op de huizen schijnt te drukken; het lijkt net, of hij onderzoekend ziet naar wat daar beneden in het dal voorbij gaat. Tot op den top ziet men groote gekanteelde muren, verdedigingswerken, overblijfselen van den grooten muur en nog in goeden staat, omdat de menschen ze niet bereiken kunnen. De Tijd alleen mag ze vernielen en de Tijd is veel minder hardvochtig dan de mensch tegenover groote werken.

Het dorp van Nan-Kow ziet er uit als een steenhoop; de lage en ruwgebouwde huizen zijn van steen en langs hun gevel loopen hooge trottoirs van hardsteen, wat niet overbodig is, daar het midden van de straat dikwijls geheel onder water staat. Een muur als van een oude vesting omringt de bebouwde kom van het dorp. Wij rijden door een lage poort de diepe, sombere en eenige straat van het dorp in. Het regent niet meer, de zon breekt even door de wolken en doet de natte steenen glinsteren. De dorpelingen staan voor hunne deuren naar ons te kijken. Het schijnen menschen van een ander ras. Het zijn de groote en sterke bergbewoners van China. Hun gelaat draagt den stempel van den trotschen tartaarschen stam. Deze kleine bevolking, in afzondering levende te midden van de onherbergzame woeste rotsen, doet denken aan een garnizoen, daar geplaatst in vroegere tijden om den pas te bewaken, en later vergeten.

Het is inderdaad niet onmogelijk, dat ze afstammen van tartaarsche soldaten, die zich daar na de overwinning hebben gevestigd en die wel gaandeweg de wapens hebben neergelegd, doch trouw aan het consigne hun post niet hebben verlaten.

Tusschen de rotsen bij Sian-ya-miao.Tusschen de rotsen bij Sian-ya-miao.

Tusschen de rotsen bij Sian-ya-miao.

Tusschen de rotsen bij Sian-ya-miao.

De eerste dagmarsch is volbracht. Om kwart voor drie komen wij aan in het kleine chineesche hotel, dat Piëtro, de “Ma fu,” voor ons heeft uitgekozen. Wij hebben niet meer dan 60 K.M. gereden. Onze matrozen komen ons in opgewekte stemming tegemoet, zij melden ons dat de bagage behouden is aangekomen, dat een goed vuurtje ons in de mooiste kamer van het hotel wacht, en dat men bezig is kippen voor ons te braden; allemaal aanmoedigende, opwekkende berichten.

De Itala vindt een plaats tusschen de karren, muilezels, paarden en vrachtlieden, die de binnenplaatsvan het hotel vullen, den karakteristieken warboel van elk chineesch hotel.

’s Middags gaan wij meermalen de straat op, in de hoop de andere automobielen te zien arriveeren. Wij klimmen op den gekanteelden muur, van waar men ver in de vlakte kan zien. Maar zoo ver als wij zien kunnen, is ze geheel verlaten. Om vier uur zien wij een groep menschen van het station van Nan-Kow, twee kilometer van hier, naar het dorp komen; ze trekken iets: de tricycle Contal. Pons en zijn chauffeur, buiten adem, met bezweet gelaat, trekken dapper mee. Het gezicht van Pons drukt pijnlijke bezorgdheid uit. Zoodra hij Peking had verlaten, zag hij de onmogelijkheid in om met de tricycle den tocht te vervolgen. Dat soort machines is misschien uitstekend op mooie gladde wegen, maar op slechte heeft men er niets aan. De tricycle heeft twee wielen om te sturen en een, waar de motor op werkt; op de eerstgenoemde drukt dus het volle gewicht van den geheel en wagen; ze moeten dus zeer sterk zijn om het stooten op slechte, oneffen wegen te kunnen doorstaan. Bovendien wordt bij elke oneffenheid het wiel, waar de motor op werkt, van den grond opgelicht en draait dan in dolle vaart rond. Pons was genoodzaakt terug te keeren en zijn machine op den trein te zetten, daar hij besloten was toch, het mocht kosten wat het wou, Mongolië te bereiken, waar hij een beteren weg hoopte te vinden.

Kort na zonsondergang was Nan-Kow in diepen slaap gedompeld. In een deken gewikkeld, lang uitgestrekt op den “kang”, lag ik wakker en zette in gedachten de groote reis voort en verkende den weg. In de verte ruischte de rivier, die we zouden moeten oversteken tusschen de steile afgronden. Later werd dit geluid overstemd door het kletteren van den regen, die weer in stroomen neer begon te vallen.

En groote druppels, door den wind voortgejaagd, zwiepten tegen de papieren luiken.

Het regende nog, toen Piëtro ons met het aanbreken van den dag, een kleine papieren lantaarn in de hand, kwam wekken; het regende nog toen we besloten te vertrekken na tevergeefs op mooi weer gewacht te hebben. De koelies waren om drie uur ’s ochtends al gereed. Om 7 uur 25 verlieten wij Nan-Kow. De Prinses was in het hotel gebleven, om met den trein naar Peking terug te keeren. Don Livio zou ons tot aan den grooten muur vergezellen.

De troep Chineezen was weer voor de auto gespannen, alsook drie dieren. Het agentschap van de transportonderneming te Peking had ons vier muilezels beloofd en wij vonden te Nan-Kow een muilezel, een oud paard en een kleinen witten ezel. De Prins was hierover alles behalve gesticht, maar een vertegenwoordiger van het agentschap verzekerde hem, de goden aanroepend tot getuigen, dat de drie beesten in staat waren om geheel alleen de Chi-Cho naar het andere eind van de wereld te trekken, en aangezien de auto niet verder behoefde te worden getrokken dan tot Kalgan, legde de Prins zich bij het gebeurde neer.

De brave bewoners van Nan-Kow schoten bij ons vertrek als afscheidsgroet voetzoekers af; dat is zoo de gewoonte. Ook bij feestelijkheden toont de Chinees zijn vreugde door het afsteken van lawaaimakende vuurwerken, en als hij iemand eerbetoon wil bewijzen, laat hij een paar kleine kanonnen bij zijn deur plaatsen en op een gegeven oogenblik brandt hij los: “pang! pang!” Dat is het hoogste eerbewijs.

Eenige minuten later was het dorp bij een bocht van den weg verdwenen.”

Langs het groote dorp Ku-Yung-Kwan en door Pataling was het een vermoeiende bergbestijging voor de reizigers, die nog dienzelfden dag de profielen en kanteelen en de onafzienbare rij van torens aanschouwden van den Grooten Muur. De tweede pleisterplaats was Cha-tau-Chung, waar in een kleine chineesche herberg werd overnacht. De regen had de wegen buitengewoon slecht gemaakt, maar welgemoed en lachend en zingend trokken de koelies de auto door de modder. “Wij zijn nu een zandvlakte binnengereden,” schrijft Barzini. “Langs onzen weg armoedige dorpen, omringd door groote vervallen bolwerken, dorpen die eens rijke stadjes waren geweest, zooals: Paoshan, een groep leemen hutten rondom een kleinen tempel, die wij door de scheuren der muren konden zien: Shi-ga-li, beschaduwd door wilgen, Hulipa, omringd door aarden bastions, Sha-hao, dat herinnert aan de dorpen van Mandsjoerije, Pien-kia-pu, dat nergens aan herinnert.

De zon stond hoog aan den hemel, verbrandde onze nekken en benevelde onze gedachten. De uren sleepten zich in drukkende eentonigheid voort. En wij liepen maar door; de ezeltjes waren te Nan-Kow teruggekeerd.

Onze gedachten en verborgen verlangens gingen uit naar een bewoond plekje, dat we weldra zouden moeten bereiken; we hadden een groot vertrouwen in dat dorp, dat zeker dichtbij was; wij zochten het met verlangenden blik en wij haastten ons om er te komen, alsof daar geen hitte en geen treurigheid was en niet dat schelle verblindende licht, waarin wij ons voelden oplossen, wegsmelten, als het ware.

De vroolijkheid van de koelies was verdwenen; men hoorde slechts het geluid der voetstappen, het hijgen der ademhalingen, het knarsen van het zand onder de banden der auto, den regelmatigen tred van de drie beesten. Nu en dan een geroep van Ettore, een onverwacht getoeter van den hoorn: Halt! hier is een moeilijk punt.

Wij verlangden haast naar moeilijkheden, het was een afleiding, die rumoerige bedrijvigheid schudde ons wakker. “Hier de schop en het houweel, want het rechter wiel moet worden uitgegraven; kom, alle krachten ingespannen, die steenklomp moet op zij. Vlug de hefboomen hier! opgelet, een, twee, drie...!”

En te midden van het woeste en verlaten landschap was ons troepje met koortsachtigen ijver aan het werk. Dan grepen de koelies opnieuw de touwen en ging het weer vooruit: “laè laè-la.”

“Deutscher Feldtelegraph” lazen we op de deur van een alleenstaande hut. Dat herinnert nog aan de bekende internationale expeditie, en wordt geëerbiedigd door de bevolking, die misschien die woorden houden voor een geheimzinnig, heilig teeken van het Westen. Dat is alles wat hier is overgebleven van den rumoerigen inval der Mogendheden.

Wij waren nu onder de muren van een stad, Huai-lai, zuidelijk begrensd door een alleenstaanden heuvel, waarop een tempel zich verheft; die tempel is gedurende eenige weken tot kazerne voor de europeesche soldaten ingericht geweest. Wij hielden hier halt om de koelies een uurtje rust te verschaffen; zij gingen de stad in om zich te amuseeren en aan de bevolking onze komst aan te kondigen.

De bewoners van Huai-lai willen ons dadelijk zien; groote drukte en lawaai bij de deur van de hut, eerst arriveeren de jongens, altijd bij oploopjes vooraan. Na eenige minuten zijn wij door een paar honderd menschen omringd, die zich glimlachend, eerbiedig om de auto verdringen. Ze bekijken de machine, raken haar even aan, verlegen, stoutmoediger, spreken ons aan, groeten ons, bewonderen ons. Velen hebben kooien met zangvogels bij zich. Als het mooi weer is, loopt elk fatsoenlijk Chinees met zijn kooi te wandelen—dat is zijn belangrijkste bezigheid, een aangenaam, onschuldig, traditioneel tijdverdrijf.

Ondertusschen gebruiken wij het ontbijt: een stukje kaas en wat “corned beef”. Ons te zien eten schijnt een amusement te zijn voor de bevolking van Huai-lai. Ze houden beschouwingen over ons maal. Een oude man geeft ons te kennen, dat hij het eten wil proeven; hij spuwt de kaas uit, verslindt het vleesch en deelt aan de anderen zijn oordeel mee. De oude man wil ook weten, wat wij drinken en wij reiken hem de wijnflesch over, die hij aan zijn lippen zet; een glas heeft hij niet noodig.

Hij drinkt een slokje, proeft, drinkt weer een slokje en doet zoo zijn best, dat de geheele inhoud verdwijnt in zijn eerwaardig keelgat. Hij toont zich nu zeer vroolijk met zijn glinsterende oogjes, spreekt druk en gaat in de auto zitten onder luide bijvalsbetuigingen van zijn stadgenooten, hij speelt met den hoorn en is volmaakt gelukkig. Wij hadden heel wat moeite, om hem uit de auto te krijgen, toen de koelies terug kwamen. Daarna vervolgden wij onzen weg.

Wij kwamen nog meer dorpen, bestaande uit armoedige leemen woningen, voorbij, we passeerden ruïnen van tempels, eenzame hutjes, armoedige huizen langs den weg, alsof een reizende stad ze verloren had. Een roode lap als uithangbord wees die huizen aan als halten voor vermoeide reizigers. Het waren kleine kroegjes voor geleiders van muilezels; onze mannen gingen naar binnen om een kopje thee te gebruiken en kochten voor een paar “sapeka” (Chineesch muntstuk) wat stukjes suiker, voor zoover de vliegen nog wat over hadden gelaten.

Vele streken schenen onbewoond; men zag geen sterveling en hoorde geen geluid. Het was, alsof de menschen zich voor ons schuil hielden, om ons te beduiden op een afstand te blijven! Ta-tu-mu, een stad met hooge, niet versterkte muren, had het uiterlijk van sedert eeuwen verlaten te zijn. De weg werd smaller en we liepen dikwijls door een stroombedding of door diepe geulen, die het water in het zand en tusschen de steenen had uitgegraven.

Om ons heen verhieven zich, als reuzen, de kale, helgeel gekleurde bergen, die wij ’s ochtends gezien hadden.

We waren nu op de tweede trede van de trap, die van Peking naar de Mongoolsche hoogvlakte voert en die in ’t geheel bestaat uit drie treden. Men stijgt naar het midden van Azië, alsof men den drempel van een tempel opgaat.

Af en toe was er nauwelijks ruimte voor de automobiel om te passeeren en moesten wij heel voorzichtig doorgaan.

Hier en daar moest het houweel gebruikt worden, met het oog de afstand worden geschat; het was dikwijls een waagstuk door te rijden, den blik op de wielen gevestigd, de bestuurder altijd klaar om de machine te remmen. Bij het dorp Tu-mu-Gru, op 45 K.M. afstand van Cha-tau-Chung, eindigde plotseling de bergweg; we stonden voor een groen dal, dat ons tot binnenrijden uitnoodigde, en wij namen de uitnoodiging gaarne aan.

“Halt!”

De vermoeidheid is als bij tooverslag verdwenen, de koelies worden onder kommando van Pietro gesteld en de drie trekdieren afgespannen. We wikkelen haastig de touwen om de lantaarndragers, we ontplooien de vlag, we zetten den motor aan, die lustig gaat brommen, springen op de machine en vooruit gaat het! Wij vliegen langs den kronkelenden en onregelmatigen weg, zonder op het horten en stooten te letten, als het maar hard gaat. De auto loopt nog maar op de tweede versnelling en toch is het, of we vliegen. Wij komen bij groote plassen. Vooruit! wij vliegen er door, een fontein van water en modder spuit op! Het water spat tegen het chassis en ook wij worden kletsnat. Wij lachen, spreken met luide stemmen, aangegrepen door een overweldigende vreugde. Het is de reactie na het lange stilzwijgen en het vernederende langzaam rijden van de vorige dagen. Wij genieten ook met onuitsprekelijke genoegdoening van het feit, dat we weer actief mogen en kunnen optreden en dat we iets volbrengen, wat vóór ons nog niemand heeft gedaan. Het is de wellust van de overwinning, de roes van den triumf en tegelijk een verrassende droom over de fantastische ongewoonte van zulk een rit in dit wondervolle land.

Tusschen de boomen zien wij de daken van pagoden. Het is net, of wij een duizendjarige rust komen verstoren, of wij de eersten zijn die, voorbij vliegend met groote snelheid, een signaal doen weerklinken om de inwoners te wekken uit den langen slaap.

Wij gevoelen in ons den trots van een ras van hooge beschaving; we gevoelen ons meer dan louter individuen, we zijn de vertegenwoordigers van een gansch werelddeel—het is Europa, dat hier voorbijgaat. En onze snelheid is het zinnebeeld van onze beschaving. Want het machtige streven van den geest van het Westen, en tevens zijn kracht, het geheim van zijn groote ontwikkeling, ligt opgesloten in twee woorden “più presto”: steeds sneller. Ons leven wordt voortgezweept door dit dringende verlangen, door deze pijnigende onverzadelijkheid, door deze machtige obsessie: “Sneller, nog sneller!” En zeker zullen wij onze hevige koorts overstorten in het langzaam stroomende, bijna stilstaande chineesche bloed.”

Dien avond werd halt gehouden bij het schilderachtige, zeer oude dorp Shin-Pao-Wan. Kort vóórKalgan was weer het manoeuvreeren met de auto moeilijk en vermoeiend. “Wij hielpen de Chineezen, nu eens bij de wielen, ze met den schouder voortduwend, en dan weer bij de touwen, om zooveel mogelijk kracht te kunnen bijzetten.

Aan ’t werk om een voorwiel, dat is vastgeloopen in een diepe voor, er uit te lichten. Een koelie duwt het met den voet vooruit, terwijl prins Borghese het trekken aan touwen dirigeert.Aan ’t werk om een voorwiel, dat is vastgeloopen in een diepe voor, er uit te lichten. Een koelie duwt het met den voet vooruit, terwijl prins Borghese het trekken aan touwen dirigeert.

Aan ’t werk om een voorwiel, dat is vastgeloopen in een diepe voor, er uit te lichten. Een koelie duwt het met den voet vooruit, terwijl prins Borghese het trekken aan touwen dirigeert.

Aan ’t werk om een voorwiel, dat is vastgeloopen in een diepe voor, er uit te lichten. Een koelie duwt het met den voet vooruit, terwijl prins Borghese het trekken aan touwen dirigeert.

De koelies verrichtten wonderen, iets van onzen angst en ons enthousiasme was op hen overgegaan; ze spanden al hun krachten in en al hun verstand. Hun eigenliefde was er mee gemoeid. Zij hadden de manier geleerd, om sommige hindernissen te overwinnen en zij deden het zonder kommando af te wachten. Ze letten nauwkeurig op onze gebaren en trachtten onze bedoelingen te raden. Ze hadden het mechanisme van de auto heel goed begrepen en wanneer de voorwielen niet verder konden, vlogen ze toe om ze uit de steenen en scheuren te bevrijden, en zoodoende kwamen ze met hun handigheid tegemoet aan de bedoelingen van Ettore, die met vaste hand het stuur hanteerde. Sommige italiaansche woorden, als “forza” “avanti” “fermi” “piano” “attenti” (kracht, vooruit, halt, zachtjes, opgelet) waren geen geheim meer voor hen. En onder alle omstandigheden toonden ze een onverstoorbaar goed humeur en waren vroolijk onder alle tegenspoeden. Na elken moeilijken pas, na elke hevige krachtsinspanning klonk hun vroolijk gejuich en begonnen ze met schorre stemmen te zingen. Ze vonden voortdurend een aanleiding om te lachen en te babbelen, totdat het geroep “attenti” hen deed zwijgen en het werk deed hervatten. Zij waren er trotsch op, te zien dat wij, wanneer dat noodig was, onze krachten vereenigden met de hunne. Ons mede te zien werken met bloote armen, half ontkleed, aan de touwen trekkend, vuurde hun ijver nog meer aan. Ze wisten nooit, hoe laat het was, ze wilden het niet weten en daarin hadden ze gelijk. Bij sommige reizen zou het veel beter zijn, het horloge thuis te laten. Te zien, dat dan de tijd zoo langzaam gaat, werkt zoo ontmoedigend. Onze levenswijze van thans hield geen rekening met den tijd; de dag scheen oneindig, en het was of wij al sedert langen tijd door de bergen liepen.

De zon was gloeiend heet en blakerde de rotsen; wanneer wij de steenen aanraakten, was het, of wij onze handen brandden. Er was volkomen windstilte, de heette lucht trilde, men zou gezegd hebben dat de berg adem haalde als een slapende reus. Eenige koelies hadden zich het gebronsde bovenlijf ontbloot; het touw groefde diepe moeten in de schouders, het vel bolde rimpelend op, maar het waren dragers van beroep en hun vleesch was verhard door het dragen van palankijnen en jukken. Ze schenen ongevoelig te zijn voor de schrijnende pijn, veroorzaakt door de wrijving van de touwen; ze verwisselden zelden van schouder, het scheen voldoende het touw een eindje te verschuiven.

In de rotsen van de Sian-ya-miao. Onze koelies aan het werk.In de rotsen van de Sian-ya-miao. Onze koelies aan het werk.

In de rotsen van de Sian-ya-miao. Onze koelies aan het werk.

In de rotsen van de Sian-ya-miao. Onze koelies aan het werk.

We waren nu op het hoogste punt gekomen en moesten weer neerdalen. De weg naar beneden was nog steiler dan die naar boven en stortte zich als het ware in de diepte. We spanden de beesten uit en maakten de touwen los en bonden die aan de voorste veeren vast, want alle krachten moesten ingespannen worden om de auto tegen te houden op de steile helling. De mannen werden op twee rijen gezet, als voor een “tug of war”. Ettore zette den hefboom op de eerste versnelling, zoodat, mochten de touwen breken en de remmen weigeren, de val van de auto niet zoo vreeselijk zou zijn en men haar in ieder geval zou kunnen besturen.

Toen alles klaar was, werd het sein gegeven: “Avanti”! En het grijze monster daalde in den afgrond neer.

De auto wordt door een groote rivier getrokken.De auto wordt door een groote rivier getrokken.

De auto wordt door een groote rivier getrokken.

De auto wordt door een groote rivier getrokken.

Het was alsof de auto zich er over wilde wreken, dat zij tot nu toe maar al voortgetrokken was; nu wilde ze zich voortbewegen door eigen kracht en, van plan gebruik te maken van het eerste oogenblik van onachtzaamheid der mannen, was ze gereed om weg te vliegen bij het geringste verslappen van de touwen; men zou gezegd hebben, dat ze het oogenblik afwachtte om in opstand te komen tegen de voortdurende overheersching. De geringste mispas van een onzer zou de samenwerking onzer krachten hebben verstoord; de krachtsinspanning behoefde slechts één oogenblik te verslappen en het monster zou zich in den afgrond hebben gestort, ons allen in haren val meesleepende. Een oogenblik scheen het, of ze niet aan de remmen zou gehoorzamen; achterover gebogen, de voeten stevig op den grond geplant, met gestrekte beenen en armen, de tanden op elkaar geklemd, met ingehouden adem, worstelden de Chineezen en wij samen als één man tegen de woeste neigingen van de auto. Gelukkig duurde het maar kort. De pas gesmeerde remmen pakten eerst niet, maar eindelijk gelukte het. Ettore kende zijn beestje en verloor den moed niet; hij wist het bijtijds te temmen.

Als we even wilden uitblazen, legden we groote steenen voor de wielen, met een haast als van soldaten, die vluchtende een barrikade opwerpen om den vijand tegen te houden. Wij namen dan een oogenblik rust; de auto helde schuin naar voren als een koppig dier, de touwen hingen achter haar aan als twee groote staarten.

Gelukkig bereikten wij spoedig de vlakte en gingen vroolijk op marsch langs den weg, die tusschen den berg en de rivier inloopt. Het pad voerde naar het dorp Shao-huai-huen, half verscholen achter wilgen en omringd door rijstvelden. De weg was modderig, de grond glibberig en zwart door den regen. De wielen zakten er halverwege de spaken in en de banden werden onzichtbaar door de modder; het was of de auto op rollen van modder liep. En onze schoenen werden ook zwaar door de klei, die er aan bleef kleven en die wij er nu en dan moesten afstampen. Wij gleden telkens uit, en het loopen begon moeilijk te vallen. De koelies moesten elk oogenblik stil houden om uit te rusten.

Wij ontmoetten een karavaan van muilezels, met mongoolsche pelterijen beladen. Twee muilezels, die voor de auto schrikten, sprongen naast het pad en zakten tot den buik in de modder.

In het dorp stond de straat onder water en zelfs de door hooge dijken omringde rijstvelden waren overstroomd. Er was geen keus, wij moesten passeeren. Onze mannen ontblootten de beenen en stapten in den modderpoel; dat scheen te gaan en onze blikken vestigden zich hoopvol op de droge plekken grond verderop en we berekenden den afstand. Nog twee minuten, en we waren gered. Het water borrelde onder onze voeten op.

Plotseling stond de auto stil.

“Avanti! Avanti!” schreeuwde Ettore.

“Stommeriken,” riepen wij uit—“nu gaan ze rusten! juist op dit kritieke oogenblik!”

Torza! Een oponthoud is juist nu uiterst gevaarlijk; men zinkt!

Maar de arme Chineezen hadden niet expres halt gehouden. Ze begrepen het gevaar. Ze trokken zoo hard ze konden, en ze schreeuwden van angst. De drie beesten strekten de pooten strak onder een hagelbuivan zweepslagen en rekten de lange magere halzen uit. De touwen waren tot het uiterste gespannen, het chassis kraakte. Tevergeefs. De machine leek vastgespijkerd aan den grond, men trachtte meerdere malen haar in beweging te krijgen, het hielp niet, we moesten het op een andere manier probeeren; we waren van plan kettingen om de boomen te slaan en dan uit alle macht met behulp van takels te trekken. Op dat oogenblik voelden de Chineezen met hun bloote voeten, dat de wielen iets hadden aangeraakt en Pietro riep:

“Een groote steen!”

Een groote steen? Gauw dan hier met de ijzeren hefboomen. Wij zouden een berg hebben kunnen verzetten! Maar de koelies ontdekten al spoedig dat het geen steen was, maar dat het boomwortels waren, en Pietro riep weer:

“Het zijn groote wortels!”

Het waren inderdaad de groote wortels van een reusachtigen wilg, die niet ver vandaar, onverstoorbaar, alsof hij niet de oorzaak was van het oponthoud, zijn groene bladerenweelde ten toon spreidde. Er zat niets anders op, dan de wortels af te kappen; een nieuw vreemd werk voor automobilisten. Na langen tijd gekapt te hebben, gingen we aan de wortels trekken; ze werden eindelijk uitgerukt om de wielen geheel te bevrijden. Zoo kwamen we ten slotte uit den modderpoel en konden eenige K.M. zonder ophouden doorgaan, en al was de weg ook nog zoo slecht, we waren reeds danig in onzen schik dat zich geen nieuwe hindernissen opdeden.”

Eindelijk, na een lastige passage tusschen nauwe doorgangen tusschen de rotsen, vertoonde zich de Mongoolsche vlakte als een onmetelijke, rustelooze, blauwe zee. Na een daling langs de steile duinen bereikten ze de zandvlakte van Hsin-wa-fu, welke naam ook die is van de hoofdplaats van de provincie, in het bezit van een garnizoen, een klein fort en een postkantoor. Het telegraafkantoor van Hsin-wa-fu zal ik nooit vergeten.

Ten eerste omdat ik 4 K.M. moest loopen om er te komen en natuurlijk 4 K.M. terug. En wij hadden dien dag al 50 K.M. afgelegd!

De telegraafdraden loopen langs een eenzamen weg naar een klein huisje, rustig en stil als een tempel.

In den tempel vond ik twee telegrafisten, druk aan het opiumschuiven, hoewel dit sedert korten tijd door de chineesche wet streng verboden was. Uitgestrekt op de kang, hun pijpen in de hand, waren ze omringd door den vetten, scherpen, dikken rook van het heulsap.

“Kan ik een telegram verzenden?” vroeg ik beleefd, nadat ik op de gebruikelijke wijze had gegroet.

Stilte.

Ik ging zitten. Na eenige minuten hernam ik:

“Ik zou gaarne een telegram willen verzenden..”

Een der rookers kwam naar mij toe en verrichtte eenige bezigheden aan zijn bureau, ging daarna naar de deur en gaf order om thee te brengen.

“Wilt u een telegram verzenden?” riep ik opnieuw.

Eindelijk drong mijn vraag door tot de hersenen van den keizerlijken functionaris en hij zei mij in betrekkelijk goed Engelsch:

“Wij zijn in directe verbinding met Kalgan en Peking. Drie uur per dag met Kalgan, drie uur met Peking; van zeven tot elf met Kalgan en...”

“Uitstekend. Mijn telegram is voor Europa bestemd, neemt U telegrammen voor Europa aan?”

Stilte. De thee werd binnen gebracht. Ik gebruikte een kopje, terwijl ik mijn telegram opschreef. Daarna zei ik weer:

“Neemt U telegrammen voor Europa aan, ja of neen?”

De ambtenaar zag mij kalm aan, alsof hij me nu eerst opmerkte en herhaalde langzaam:

“Europa? Wij zijn in directe verbinding met Kalgan en met....”

“Met Peking, dat weet ik ... maar...”

“Drie uur per dag met Kalgan en drie...”

“En drie uur met Peking, ik weet het al...”

“Van zeven tot elf met...”

“Met Kalgan, ik weet het al... genoeg! Dank U. Tot ziens!” En ik liep woedend weg, terwijl ik mij eenige krachtige uitdrukkingen liet ontvallen, die minder geschikt zijn om hier te worden weergegeven.

Wij waren van plan om den geheelen weg van Hsin-wa-fu naar Kalgan per auto af te leggen—ongeveer 40 K.M.—behalve door den pas bij Yu-pao-tung, een pas tusschen twee heuvelen, kort maar zeer steil. Eenige van onze mannen waren al naar Yu-pao-Tung vertrokken; te middernacht hadden ze het hotel verlaten.

De weg bleek echter zóó slecht, zóó modderig, zóó steenachtig en zanderig, dat we toch genoodzaakt zijn geweest de auto een 15 K.M. op de oude manier te laten trekken.”

Den 15den Juni was Kalgan bereikt, waar de heer Dorliac, directeur van de Russisch-Chineesche Bank hun gastvrijheid aanbood.

Na Kalgan lag het centrum van Azië vóór hen.

“Wij werden tusschen Kalgan en Oerga bij den put van Pong-Kiong verwacht. De kleine telegrafist, aan wien dat telegraafstation is toevertrouwd, kwam ons met groot vreugdebetoon tegemoet.

Het spijt me dat ik mij den naam niet meer kan herinneren van dien held, die in de woestijn leeft om een telegraphische verbinding van het westen met het oosten mogelijk te maken. Tusschen dat station en Kalgan, de stad die het dichtstbij gelegen is, ligt een afstand van 300 K.M.; tot Oerga bedraagt de afstand 800 K.M. En die man kan niet vluchten, wat hem ook overkomt. Daardoor wordt die wijde uitgestrekte vlakte voor hem een gevangenis.

Om andere menschen te ontmoeten, moet hij acht dagen reizen van den eenen put naar den anderen. Niemand kan hem ter hulp komen. De afzondering van een gevangene, eenzaam opgesloten in een fort, is niet zoo volstrekt en niet zoo verschrikkelijk; de gevangene houdt nog op zekere hoogte voeling met de wereld; hij hoort klanken, hij ziet dingen die aan zijn gedachten afleiding kunnen geven.

Het meest verschrikkelijke in de woestijn is de stilte.

Toch zijn er nog twee oorzaken tot vreugde voor den kleinen Chinees van Pong-Kiong en tot troostin zijn eenzaamheid, n.l. een klein meisje en het telegraaf-toestel. Dat zijn de twee genegenheden die zijn leven vervullen. Het kleine meisje is zijn dochter, en het telegraaf-toestel is zijn vriend. Uren lang zit hij in het getik van de toestellen en hoort daarin stemmen van verre landen: Petersburg seint, dan Londen, dan Tokio. Hij geeft aansluiting; berichten gaan voorbij, orders, geheimzinnige diplomatieke communicaties, woorden van hartstocht. Wanneer het gesprek tusschen de werelddeelen is afgeloopen, beginnen de meer eenvoudige gesprekken. De kantoren van de woestijn zeggen elkaar goeden dag, vertellen elkaar de kleine dagelijksche gebeurtenissen, hunne zorgen, hun hoop. Die gesprekken zijn voor die eenzamen, wat de courant is voor ons.

Het telegraafstation van Pong-Kiong lijkt op een chineesche boerenwoning; drie kleine lage gebouwen van vastgestampte leem, van binnen door breede, met papier overtrokken getraliede vensters verlicht, die den geheelen wand beslaan. Ze vormen de drie zijden van een kwadraat, omringd door een muur, die slechts een uitgang heeft aan den zuidkant, waarboven een kroon van telegraaf-isolatoren staat, vreemdsoortige versiering, die veel weg heeft van een lange rij witte tanden in een doodshoofd.

Aan den westkant heeft de wind het zand tegen den muur opgehoopt. Als het waait, dringt het zand overal door de luiken, komt in alle kamers; de hemel verduistert, het wordt donker, buiten is het onmogelijk op twee passen afstands voor zich uit te zien, de telegraafdraden brommen en huilen, en het is zóó donker, dat men het licht moet aansteken. Vier dagen voor onze komst had nog een vreeselijke storm gewoed.

Behalve de telegrafist wonen dan nog drie mannen op dat plekje, twee Chineezen en een Mongool, die belast zijn met de werkzaamheden op de telegraaflijn; ze herstellen de door den wind gebroken draden en zetten de palen, die omgevallen zijn overeind. Ze hebben drie kameelen in hun dienst, die in de omgeving grazen. Wij hadden de drie beesten gezien, toen we aankwamen; ze hadden een komiek, kalm en tevreden uiterlijk.

De mooiste kamer was voor ons in gereedheid gebracht. Op de “Kang’s” lagen kleeden en schitterend roode kussens en op een tafel (heerlijk gezicht!) lag een prachtige, geurige ananas van Singapore, juist uit zijn kist gehaald. Wij wierpen ons eerst op de ananas en daarna op de kussens, en toen ik daar lag, schreef ik vluchtig de indrukken van dien dag op. Toen gaf ik onzen gastheer het telegram om over te seinen en ik ging naast hem voor de toestellen zitten. Hij scheen met de zaak verlegen, raadpleegde chineesche reglementen, keek lijsten in, telde en telde nog eens de woorden van het telegram na en schreef daarna zorgvuldig op het formulier boven aan: nº. 1.

“Is dit het eerste telegram vandaag?”

“Neen mijnheer,” antwoordde hij, “het is het eerste van het bureau.”

“Wat bedoelt u?”

“Ik zeg, dat uw telegram het eerste is, dat uit het kantoor van Pong-Kiong wordt verzonden.”

“Dit jaar?”

“Neen mijnheer, zoo lang het kantoor bestaat. Zes jaar.”

“In den tijd van zes jaar niet één telegram?” vroeg ik verwonderd na een oogenblik zwijgens.

“Geen een.”

“Maar waarom is er dan een telegraafkantoor?”

“Omdat de afstanden te groot zijn, zoodat er tusschenstations moeten zijn.”

Ons gesprek werd door het getik van het toestel onderbroken; Kalgan, dat was opgeroepen, gaf antwoord. Mijn telegram aanvaardde de reis. Kalgan nam het aan, om het naar Peking over te seinen. Peking zou het naar Shang-hai zenden. Shang-hai naar Hong-kong, Hong-kong naar Singapore, Singapore naar Aden, Aden naar Malta, Malta naar Gibraltar, Gibraltar naar Londen.

Het zou acht à tien uur onderweg blijven, voordat het op de plaats van zijn bestemming zou zijn aangekomen. Maar de tijd van Pong-Kiong is acht uur vóór bij den midden-europeeschen tijd, en het telegram zou dus eigenlijk twee uur na het vertrek arriveeren. Het was 4.15; tusschen zes en zeven ’s avonds zou mijn verslag op de redactiebureaux van deDaily Telegraphen van deCorriere della Serazijn aangekomen, en reeds den volgenden morgen zouden de engelsche en italiaansche lezers weten, wat aan de automobilisten den dag te voren was overkomen in de woestijn van Mongolië.

Er is zoo iets grootsch in de overwinning, door draden en vonken behaald op tijd en afstand, dat zelfs de ziel van een journalist, die het meest gewend is aan de wonderen der snelheid, op sommige oogenblikken met bewondering en trots is vervuld.

Tegen zes uur zagen wij de andere auto’s aankomen. In de verte leken het kleine stipjes op de uitgestrekte vlakte, onbewegelijk als booten op den Oceaan. De Spijker kwam het eerst aan in de omheining van het telegraaf kantoor, waar Ettore onze auto in orde maakte en ik volhardend bezig was, een stuk van een schaap, harder dan een gummiband, gaar te koken.

Du Taillis sprong van de auto, en een grijze tasch in de hoogte houdend, riep hij luid:

“Van wie is dit?”

Het was de bagage van Borghese! Dat was het toppunt van geluk, eerst Pong-Kiong gevonden en daarna het valies! En dan zijn er nog menschen, die in de woestijn verloren gaan!

“Hebt U het lang geleden gevonden?” vroeg ik.

“O ja, vele uren geleden. We waren nog in de grasvlakten.”

“Was het op straat blijven liggen?”

“Wel neen! Eenige Mongolen gaven ons seinen, toen we voorbij reden. Wij bleven stilstaan. Toen hebben ze ons deze bagage ter hand gesteld en beduidden ons, dat U het verloren moest hebben.”

Mongolen? Barbaren, die eerlijk zijn? Barbaren, die in armoede leven en die zich de weelde gunnen, van terug te geven wat ze gevonden hebben?

En zonder een belooning te vragen!

Waar zijn dan, mijn waarde vriend, de roovers der prairieën, die ons zouden overvallen?

Misschien wel in Europa.

De reisavonturen verliezen dus geheel en al hunneaantrekkelijkheid! Daarvoor behoefde men toch niet naar dit ver verwijderd land te komen, om zich melk te laten presenteeren en verloren valiezen terug te krijgen!

“Oui, c’est triste.”

Wij wachtten te vergeefs de aankomst van de tricycle. Onze reisgenooten gaven als hun vaste meening te kennen, dat Pons was teruggekeerd. Wij verkeerden omtrent het lot van Pons en zijn metgezel niet in de minste ongerustheid. Ze bevonden zich nog in bewoonde streken en zouden gemakkelijk een gastvrij dak en hulp vinden.

Na eenige uren was het schaap even hard om te bijten, als het hard was geweest om te koken. De telegrafist, die het ons bezorgd had, was er verlegen over; wij troostten hem door hem te laten zien, hoe een verhongerd Europeaan zelfs niet voor een schotel perkament terugdeinst, en daarna strekten wij ons op de “kang’s” uit.

19 Juni ’s ochtends. Bij het opgaan der zon waren wij al onderweg. Wij haalden de Spijker in, die kort van te voren vertrokken was, en wij renden voort naar het noorden. De nieuwe samenkomst zou ’s avonds te Udde zijn, het naastbijgelegen telegraafstation, dicht bij een anderen put, volgens onze berekening 250 KM. van Pong-Kiong.

De lucht was koel, en de eerste zonnestralen gaven bijna geen warmte. De automobiel wierp een lange, zonderlinge schaduw op den weg en slingerde heen en weer, alsof het de schaduw was van een grooten vogel die voorbijvloog.

De weg was goed, en de motor liet nu en dan, tot de grootste snelheid opgevoerd, in de kalmte rondom haar hijgend gebrom hooren. Eenige kilometers van Pong-Kiong vonden wij de groene, zacht hellende weide terug.

“Wat vlucht daar? daar, daar!” riep onverwachts Ettore, met zijn uitgestrekte hand rechts van ons wijzend.

Het was een antiloop. Een honderd meter van ons af vluchtte ze in sierlijken, karakteristieken draf, vlugger dan elk ander dier.

Willen wij haar vervolgen? riep ik uit. Het denkbeeld om per auto op antilopen te jagen met een snelheid van 90 KM. per uur leek ons zeer aanlokkelijk, maar de Prins maakte ons opmerkzaam, dat de jachtpartij ons te ver zou kunnen af brengen van onze route en we hadden nog een heelen afstand af te leggen. Er was trouwens nog een alles afdoende reden, waardoor de vrijheid van het wild gewaarborgd was, we bezaten n.l. geen geweer.

Een oogenblik later troffen wij een kleine kudde gazellen aan met grijzen rug en witte pooten, vlug als veulens, zeer gracieus in hun bewegingen. Ze vluchtten de een na de andere verschrikt weg; ze bleven in de verte stilstaan en draaiden op den lenigen hals hun fijnen kop naar dat nieuwe vreemde wezen, dat den vrede van hun weiland verstoorde. Wat ze zagen scheen hen niet erg gerust te stellen. Tenminste ze namen onmiddellijk weer de vlucht.

Hoogst zelden ontmoetten wij menschen.

Vijf of zes Mongolen te paard trachtten ons bij te houden; ze waren een halven KM. op zij van ons en maakten heftige gebaren.

Onverwachts zagen wij op de geheel verlaten prairie iets wits, dat we uit de verte voor een paleis aanzagen, omringd door kleine witte gebouwen. We reden in die richting en werden verrast door een visioen uit ver verwijderde tijden.

In de woestijn Gobi. De halte bij een post.In de woestijn Gobi. De halte bij een post.

In de woestijn Gobi. De halte bij een post.

In de woestijn Gobi. De halte bij een post.

Ieder kent, door de wederopbouwingen onder wetenschappelijke leiding van de archeologen, den bouwstijl van de aziatische beschavingen. Wanneer men denkt aan het uiterlijk dat Babylon en Ninivé moeten hebben gehad, stelt men zich plompe vierkante gebouwen voor met lichthellende zijmuren in den trant van de pyramiden, met deuren en vensters, van onder breeder dan van boven als deuren en vensters van praalgraven; op het dak een terras, eenvoudig en grootsch als graftomben.

Eenige ruïnen uit de egyptische oudheid geven een voorbeeld van de pyramidale lijn, die aan de muren een soliditeit geeft die eeuwen kon trotseeren en de illusie opwekt van iets reusachtigs. Door den grooten omvang der basis en den spits toeloopenden top ontstaat een prachtig perspectief, dat de gebouwen oneindig veel hooger doet schijnen. Ook te Lhassa, dat we thans kennen door de photographie, blijken de gebouwen volgens denzelfden stijl te zijn opgetrokken. We hebben verbaasd gestaan over de buitengewone, bijbelsche strengheid van deze stad, waarin nog nooit een vreemdeling een voet had gezet; ze openbaarde ons de levende vormen, van verre beschavingen, die niet met den godsdienst uit Indië tot haar waren gekomen, noch uit China door oorzaken van politiek, maar die haar hebben moeten bereiken uit het aziatische westen 20 of 30 eeuwen terug.

De afzondering, de stilstand op ieder gebied, de kalmte en het Boeddhisme hebben van Thibet een heilige plaats gemaakt, die niemand mag betreden en waar de traditie van en het gevoel voor een oude kunst is bewaard gebleven.

In de woestijn Gobi. Een karavaan van karren door kameelen getrokken.In de woestijn Gobi. Een karavaan van karren door kameelen getrokken.

In de woestijn Gobi. Een karavaan van karren door kameelen getrokken.

In de woestijn Gobi. Een karavaan van karren door kameelen getrokken.

En thans bevonden wij ons voor gebouwen, opgetrokken in dien stijl. Maar ze waren niet te vergelijken met de indrukwekkende akropolis van Lhassa. De woestijn verschaft geen bouwmaterialen, en wie weet waar ze die steenen, op de ruggen van kameelen, vandaan hadden gehaald. Het was de vorm, niet de grootschheid, die hun een indrukwekkende strengheid van uiterlijk verleende. Misschien ook, dat onze verbeelding de gebouwen mooier maakte, dan ze inderdaad waren.

Het voornaamste gebouw was een Lamatempel, kalkwit, bovenaan geornamenteerd met een rooden rand van terra-cotta, sierlijk en eenvoudig. Een dergelijke rand was rondom de deur en de driehoekige vensters, elk door een afdakje beschut. Lange bronzen pijpen staken van boven uit, om het regenwater van de terrassen te doen afloopen. De gebouwen om den tempel heen waren veel kleiner, doch hadden denzelfden vorm. Wij dachten, dat het de woningen der monniken waren. We lieten de automobiel buiten staan en liepen de heilige plaats rond. Er was niemand—de huisjes bleken verlaten te zijn—we hoorden geen stem, niet het minste geluid.


Back to IndexNext