Elfde Hoofdstuk.

“Leg op deze plaats ten spoedigste tienduizend gulden neer. Tracht niet een onderzoek in te stellen of mij te hulp te komen.Nof.”

“Leg op deze plaats ten spoedigste tienduizend gulden neer. Tracht niet een onderzoek in te stellen of mij te hulp te komen.

Nof.”

Het leed geen twijfel, dit briefje was van Nof. En er zat niets anders op, dan het gevraagde geld te deponeeren, daar alleen dan Nof tot hen zou kunnen terugkeeren.

’t Was een geheimzinnige kwestie. Vermoedelijk was Nof in handen van roovers geraakt, maar hoe dit zij, het was ’t beste rustig af te wachten welke uitwerking het neerleggen van ’t geld zou hebben, om daarna te besluiten wat er nader te doen stond. Het spoor van den man in ’t bootje te volgen, of andere maatregelen te nemen, zou tegen den wensch van Nof en dus gevaarlijk zijn.

Tienduizend gulden was een behoorlijke som, maar het leven van Nof was die som wel waard, en gelukkig was er een zeer aanzienlijke hoeveelheid geld aan boord, daar de mannen bij hun eerste opstijging daarvoor gezorgd hadden, voorziende dat de proef met De Vogel mislukken kon, en zij dan bij het neerdalen in een misschien onbekende streek dankbaar zouden zijn over het noodige geld te kunnen beschikken.

De gevraagde som werd dus gedeponeerd, en men wachtte, op eenigen afstand achter de rotsen verborgen, den uitslag af.

Tegen den morgen kwam dezelfde man met het bootje, stapte aan land, zag behoedzaam om zich heen, en stelde zich daarna in het bezit van ’t geld. Toen verdween hij weer op de zelfde manier waarop hij gekomen was.

Men wachtte nu weer eenige uren in angstige spanning, brandend van verlangen om den man na te gaan, totdat ongeveer tegen vier uur het bootje weer zichtbaar werd. Dezen keer zaten er twee mannen in, en toen men het bootje zag teruggaan, nadat een der mannen aan land gestapt was, herkenden allen in dien laatste Nof!

Nu zette Mu De Vogel in beweging; het schip daalde bij de palmen, en Nof was weer bij zijn vrienden terug!

Nadat van weerszijden de blijdschap zich in handdrukken en gelukwenschen had geuit, moest Nof vertellen wat er toch eigenlijk gebeurd was.

“Er stond nog al wind in de Middellandsche Zee,” vertelde Nof, “en daarom moest ik ’s nachts nu en dan aan de kust neerdalen om me niet te veel aan gevaar bloot te stellen.

“Dergelijke dalingen liepen altijd goed af. Een enkele maal bemerkte ik menschen in de nabijheid, maar meestal zagen ze mij niet of kon ik me tijdig uit de voeten maken. Acht dagen geleden ben ik echter de dupe geworden van mijn te groote vertrouwen in de omstandigheden. Ik had me eenige mijlen westelijk van hier met mijn toestel op de kust neergelaten en me daar te slapen gelegd, ofschoon ik voetstappen in ’t zand had gezien, en een uitgedoofd vuur eveneens op de nabijheid van menschen wees.

“Tegen den ochtend werd ik wakker doordat ik om me heen hoorde praten. Tot mijn schrik zag ik een zestal mannen met wijde mantels en groote hoeden voor me staan, waarvan er vier me vastgrepen toen ik een beweging maakte om naar den vliegtoestel tesnellen, en twee dien toestel geheel vernielden, zonder blijkbaar te weten waarmee ze te doen hadden.

“Ik bood hevigen weerstand, maar kon mijn handen niet vrij krijgen om van mijn pistool gebruik te maken, en zoo werd ik ten slotte overmand en vastgebonden.

“Men leidde me door een woeste, onbewoonde streek, door eenzame, sombere bosschen en over kale, door de zon geroosterde rotsen. Er wonen in dat kustland enkele schaapherders en een paar houthakkers, maar men komt ze slechts zelden tegen langs de smalle, door muilezelhoeven gevormde paden. Op mijn vraag, waar men me heenbracht, antwoordde een der mannen: “naar Quebranta!”

“Wat!” riep La, toen Nofs verhaal zoover gevorderd was. “Woont die schurk tegenwoordig daar?”

“Ken je hem dan?” zei Nof verwonderd.

“’t Is een speciale vriend van hem!” spotte Li.

“Ik heb wel van hem gelezen,” zei La. “Hij maakte jaren lang het Andalusische hoogland, tusschen Jerez en Almeria, onveilig, maar de Spaansche Regeering heeft hem ten slotte zoo weten op te jagen, dat hij de zee overgestoken is. Niemand wist waarheen hij verdwenen was, maar Nof heeft dus zijn schuilplaats ontdekt.”

“Helaas ja!” zei Nof. “Ik zou gaarne een ander de eer hebben gegund. Maar om verder te gaan. Men bracht me dan bij Quebranta, een man met een geel, mager gezicht, scherpe gelaatstrekken, een merkwaardig spitsen neus en doordringende oogen. Ik hoorde later dat er een soort van geheimzinnig waas over hem hangt, weinigen uit den omtrek hebben hem ooit gezien, maar tot in de verafgelegen stedenkent en vreest men hem. En de meesten hebben zijn macht gevoeld; hij weet alles wat er gezegd, gedaan, ja gedacht wordt in het geheele uitgestrekt gebied waarover hij heerscht. Hij deelt belooningen en straf uit met dezelfde vrijgevige hand. Als een geitenhoeder iets doet dat naar zijn zin is, maakt hij den man rijk voor zijn leven; maar niemand leeft lang genoeg om hem tweemaal valsche inlichtingen te verschaffen.

“Van uit zijn verborgen schuilplaats in de rots, honderd voet boven het kamp van zijn volgelingen, gedraagt hij zich tegenover het omringende land als een havik tegenover een vlucht patrijzen.

“Dikwijls genoeg zijn er expedities tegen hem uitgezonden, maar steeds zonder resultaat; hij verschanst zich in de rotsen, en schijnt onderaardsche wegen te weten, die in dit land zoo talrijk voorkomen, en waarin een oningewijde niet gemakkelijk den weg vindt.”

“Nu—dat hebben wij ondervonden,” lachte Li.

“Quebranta vindt zichzelf allesbehalve een gewonen roover; hij is een heerscher. En bovendien is hij er trotsch op een goed koopman te zijn. Wie zonder behoorlijke papieren (en die zijn natuurlijk in zijn oogen nooit behoorlijk) zijn gebied betreedt, is zijn eigendom. En dat eigendom verkoopt hij daarna tegen den besten prijs dien hij er voor krijgen kan. Dat wil zeggen, hij vermoordt zijn gevangenen slechts zelden, maar vraagt een losprijs voor ze, en laat daarop geen cent afdingen.

“Toen Quebranta me van het hoofd tot de voeten had opgenomen, knikte hij even, en liet me daarna op eenige passen afstand van hem met kettingen aan de rotsen vastmaken.

“Daar lag ik, beproevend mijn lot zoo gelaten mogelijk te ondergaan. Ik bleef kalm voor me uit kijken en zei geen woord.

“Dat scheen Quebranta merkwaardig te vinden. Gewoonlijk, zoo vertelde hij me later, kwam in gevallen als deze het karakter van zijn gevangenen het best uit. Bijna allen smeekten, deden vragen, waren nieuwsgierig wat er met hen gebeuren zou en bleven geen oogenblik rustig. Dat ik daar totaal onbewogen zat, koel, onverschillig en zonder een enkele vraag te doen, maakte indruk op hem.

“Na eenigen tijd liet hij me los maken, blijkbaar overtuigd dat ik me kalm gedragen zou. Hij schoof een stoel bij (zijn hol was heel aardig van meubels voorzien) en noodigde me uit te gaan zitten. Daar hij en de zijnen gelukkig wat Fransch spraken, hoewel zeer gebrekkig, konden we ons verstaanbaar maken.

“Señor,” zei Quebranta. “We moeten eens over het losgeld spreken. Bezit u of uw familie veel vermogen?”

“Ik vertelde hem dat dit maar zeer magertjes was.

“U bent dus niet rijk. U zegt het ten minste. Welnu, ik zal u gelooven en een matige som vaststellen. Daarna zullen we over dit onderwerp, zoolang u mijn gast bent, niet meer spreken.”

“Ik keek eens rond naar de hooge klippen, die dit verblijf omringden, en een ontsnapping zeer onwaarschijnlijk maakten; daarna vestigde ik mijn blikken op het eigenaardige kleine personage, dat daar tegenover me aan den ingang van het hol zat, dat hem tot woonplaats diende.

“Quebranta zat in den zonneschijn, kouwelijk gehuld in een wijden, geplooiden mantel, en met een breeden hoed diep over de oogen gedrukt. Hij rookte een sigaret, en nooit zag ik zoo iets roofdierachtigs als de hand, die als een lange, gele klauw die sigaret vasthield.

“Misschien,” vervolgde hij, “wilt u zoo goed zijn mij eenig begrip van uw werkkring, uw maatschappelijke positie te geven, opdat ik het bedrag van het losgeld met eenige juistheid bepalen kan.”

“Ik werd getroffen door den hoffelijken toon, waarop deze roover sprak, en antwoordde, dat mijn beroep luchtreiziger was, een vak dat niet veel inbracht.

“Zoo,” zei Quebranta langzaam. “En waar is uw ballon?”

“Men heeft hem hedenmorgen bij mijn gevangenname vernietigd.”

“Maar dat kleine ding—men bracht me de overblijfselen zoo even—wilt u toch geen ballon noemen?”

“Het is een moderne uitvinding, die werkt, of liever werkte, door electriciteit.”

“Dat intresseerde den roover, en ik moest hem ’t een en ander van de werking uitleggen.

“Hebt ge hier in de buurt menschen wonen die een losgeld voor u betalen willen?”

“Bij Bengasi bevinden zich vrienden van me, eveneens met een ballon. Die zullen wel geneigd zijn me vrij te koopen.”

“Bij Bengasi,” zei Quebranta peinzend, alsof hij er over dacht of ook dat gezelschap niet ingepikt kon worden.

“Ik liet hem merken, dat ik zijn gedachten raadde, en zei:

“Ze zijn zwaar gewapend en van de nieuwste verdelgingsmiddelen voorzien; er zou dus voor u niets dan nadeel in gelegen zijn ze aan te vallen.”

“Hij antwoordde kort:

“U schijnt niet te weten hoe ver mijn macht reikt.”

“Na even gezwegen te hebben vervolgde hij:

“In elk geval zal ik zorgen, dat ze uw verblijf hier voorloopig niet te weten komen. Zoodra ik het oogenblik gekomen acht, zal er een man naar hen toe gaan om het losgeld op te eischen. Trachten ze de betaling te ontwijken of u met geweld te bevrijden, dan laat ik u onmiddellijk neerschieten. Dat moet u ze zelf in een briefje schrijven—dan hebben zij, u en ik de beste waarborgen.”

“Quebranta liet me nu tot den avond alleen. Toen kwam hij weer bij me zitten en zei:

“Ik ben op éen ding trotsch, señor, en dat is, dat ik nooit verandering breng in wat ik eenmaal bepaald heb. Ik wilde nu namelijk het bedrag van uw losgeld vaststellen.”

“Dat is goed,” zei ik kalm.

“Die kalmte scheen hem belangstelling in te boezemen. Hij keek me aan, of hij zeggen wilde: “je intresseert me.” Maar ik voelde, dat ik hem intresseerde evenals een kikvorsch het een vivisector doet.

“Zullen we dan maar zeventienduizend peseta’s zeggen?” vroeg hij. “Die som heb ik juist noodig.”

“U hebt het gezegd,” antwoordde ik, “en er zal dus weinig aan te veranderen zijn. Maar ik betwijfel zeer of u die som krijgen zal. Zeventienduizend peseta’s—datis ongeveer tienduizend gulden. Zooveel geld is er gewoonlijk niet aan boord van ’n luchtballon. Ik denk dat u niet veel meer dan vijf- of zesduizend zult krijgen.”

“Op deze manier probeerde ik met hem te onderhandelen, en wat afgedongen te krijgen. Maar daar was geen sprake van.

“Ik hoop voor u,” zei Quebranta, “dat de heele som bijeen wordt gebracht, want een teleurstelling in mijn verwachtingen leidt altijd tot zeer onaangename gevolgen. Zeer onaangenaam.”

“Hij schudde het hoofd en ging heen.

“Den volgenden morgen dicteerde hij me het briefje, dat jullie aan den palmboom hebt gevonden. Hij nam het in ontvangst, maar scheen nog niet van plan het af te zenden, want hij hield me nog een paar dagen bij zich zonder dat ik iets van jullie antwoord vernam. Misschien wilde hij eerst nog eens zien of er niet meer van me te halen zou zijn.

“Die dagen waren onaangenaam en spannend. Ik had wel veel hoop, dat ik door jullie losgeld gered zou worden, maar de kans kon ook verkeeren; onder roovers heerschen andere begrippen van eer en eerlijkheid dan bij ons. En zoo zat ik naar de toppen der pijnboomen te kijken, die wuifden in den wind, en wenschte tevergeefs dat ik iets anders doen kon dan zitten en wachten!

“Het is een hard ding om te moeten bedenken, dat je misschien over enkele dagen opgehouden hebt te bestaan, terwijl je hersens nog zoo goed werken, en er in je hoofd nog zooveel onuitgewerkte plannen voor de toekomst liggen. Ik snakte er naar denkleinen rooverhoofdman een poets te spelen, want ik wist dat het niet weinig beteekenen zou zoo iets te doen.

“Des avonds kwam hij weer bij me, en zei:

“Nu beschouw ik u als gast, en u mag om alles vragen wat u wenscht—behalve om uw vrijheid natuurlijk. Ik zal mijn best doen een goed gastheer te zijn en u bij uw vertrek de beste herinneringen aan uw verblijf in ons midden te doen meenemen. Ik heb dus uw woord dat ge niet ontsnappen zult?”

“Ik aarzelde. Het viel me moeielijk mijn woord te geven aan een roover. Maar ten slotte zei ik:

“Ja.”

“Wanneer we bij elkaar zaten te praten, was het eigenaardig te zien, hoe die kleine, kouwelijke, bij het vuur zittende toehoorder belang stelde in de nieuwste berichten uit de beschaafde wereld. Sedert jaren was hij daarmee niet in aanraking geweest, sedert jaren zag hij in zijn eigen klein gebied de wereld. Met zijn geheele aandacht luisterde hij toe, als ik hem van den vooruitgang der wetenschap vertelde, en hij stond verbaasd over het toenemend gebruik der electrische stroomingen.

“Een echte Spanjaard is die Quebranta, en een Spanjaard met al de eigenschappen van zijn ras in zich, maar tot uitersten gedreven. Angst kent hij niet, trotsch is hij boven mate, in hoffelijkheid overtreft niemand hem, en wreed is hij—ongeloofelijk.

“Op een middag liet hij twee van zijn volgelingen, die de orde verstoord hadden, eenvoudig afmaken en voor de gieren werpen. Dit vond ik afschuwelijk, en het leek me of ik achter zijn roofvogelachtigvoorkomen den waanzin zag gluren. Maar hij zei kalm:

“Dit is onvermijdelijk. Ikmoetgehoorzaamd worden. Deze troep volgelingen zijn niet anders dan wolven, ik moet ze met de zweep regeeren. Bovendien zijn er altijd liefhebbers genoeg om me te volgen. Ik kan er dus best een paar missen.”

“Maar dat zal daarmee eindigen, dat ze zich op een goeden dag tegen u keeren,” waagde ik op te merken.

“Daarop heb ik gerekend. Neen—als ik sterf, zal ’t met mijn vrijen wil en op mijn eigen manier zijn.”

“Hij zweeg eenige oogenblikken, en ik begon werkelijk met alle kracht die in me was, te snakken naar het oogenblik waarop de losprijs komen zou. In de nabijheid van zoo’n man werd het me te angstig.

“Quebranta was opgestaan, en had een guitaar te voorschijn gehaald.

“Wat is ons leven eigenlijk ook waard,” zei hij, de snaren beroerend, “dat we er zooveel om geven zouden? Ik leef hier, gevreesd en gehoorzaamd zooveel ik maar wil. Soms heb ik het voorrecht een welopgevoed man tot gezelschap te hebben, zooals nu. Maar soms ook krijg ik er genoeg van, en dwaal ik rusteloos in de bergen rond. Muziek is het eenige dat me niet verveelt.”

“Hij speelde nu eenige melancolieke Andalusische liedjes, en zong zelfs met bevende stem oude Spaansche melodieën van lang vergeten menschen en daden.

“Zoo gingen enkele dagen voorbij, totdat er op een avond iets bizonders gebeurde.

“Alleen door mijn woord gebonden, wandelde ik door de rotsen, toen ik op een gegeven oogenblikvan uit het struikgewas mijn naam hoorde noemen. Natuurlijk was dit de een of andere verborgen schildwacht, maar ’t verwonderde me, dat deze nog een paar maal, op een zachten, geheimzinnigen toon mijn naam noemde.

“Wat is er?” vroeg ik.

“Wat ik u zeggen wil, moet tusschen ons beiden blijven. U kunt ons helpen, en wij u. Blijf staan waar ge staat. Als u belooft ons te helpen, zal ik u mijn gezicht laten zien.”

“Ik beloof niets.”

“Omdat ge niet weet wat ik zeggen wil. Quebranta wil u al uw geld ontnemen, niet waar?”

“Ja.”

“En u zou het liever willen behouden, evenals wij, is het niet zoo?”

“Dat kan wel.”

“Doe ’t dan. ’t Kost maar weinig moeite. U zult me niet verraden?”

“Dat kan ik niet, want ik weet niet wie u bent.”

“Maar ge zult het niet doen?”

“Neen.”

“Neem dit dan.”

“Ik stak de hand in het gebladerte, en voelde me een revolver in de hand drukken.

“Je wilt dus dat ik hem vermoord?”

Er volgde een onderdrukt gelach, en daarna zei de stem:

“Natuurlijk. Je hebt er de gelegenheid voor. Dan zijn we allen vrij, want we haten hem.”

“Toen verdween de spreker.

“De verzoeking was sterk. Door éen schot kon ikmijzelf en velen anderen een dienst bewijzen. Ik stak de revolver in mijn zak en ging naar het hol. Quebranta zat met zijn rug naar mij toe bij het vuur te schrijven. Hoe gemakkelijk zou het nu zijn, den trekker over te halen...

“Quebranta had me hooren aankomen, en wendde zich om. Hij keek me scherp aan, als vermoedde hij dat er iets bizonders in me omging.

“Toen zei hij:

“Er is een belangrijk bericht voor u.”

“Wat dan?”

“Het losgeld.”

“En—-?”

Hij haalde de schouders op.

“Negenduizend gulden,” zei hij. “Ik heb tienduizend gevraagd.”

Op dit oogenblik viel Li den spreker in de rede:

“Maar we hebben toch de volle som meegegeven.”

“Dat weet ik,” vervolgde Nof. “Hij noemde opzettelijk duizend gulden te weinig. Straks zult ge begrijpen waarom.”

“En dus?” vroeg ik.

“En dus,” zei Quebranto, “ben ik bereid mijn belofte te houden. Dat wil zeggen: voor negen tienden.”

“Hoe bedoelt ge dat?”

“Wel—men heeft slechts negen tienden van het losgeld betaald. Ik zal u dus morgen, vóor de zon opgaat, voor negen tienden in vrijheid stellen.”

“Ik begreep hem nog niet recht.

“Moet ik daar dankbaar voor zijn?” vroeg ik.

“Wel—u hebt me aangenaam bezig gehouden. U intresseert me. Ik zal u daarom de vrijheid latenzelf te kiezen welk tiende gedeelte van uw lichaam ge achterlaten wilt als herinnering aan uw bezoek.”

“Quebranto maakte een buiging, en vervolgde:

“Het doet me oprecht leed, dat het hiertoe gekomen is. Maar ik zie geen anderen uitweg. U kunt wel wat missen, u bent zwaar gebouwd. Ik raad u dus sterk aan, een uwer ledematen achter te laten. Men kan ook zonder een voet of een hand leven.”

“Een koude rilling ging door mijn lichaam. Dit was verschrikkelijk.

“Opnieuw kwam de verzoeking over me, van mijn wapen gebruik te maken, dat zoo te rechter tijd mijn pistool was komen vervangen, dat men me, evenals mijn overige uitrusting, had afgenomen. Een geladen revolver was onder mijn hand, waarom zou ik niet elk gewetensbezwaar op zij zetten tegenover het ongehoord wreede gedrag van dien man?

“Maar ik had mijn woord gegeven, en ik voelde nu opnieuw hoe ons eergevoel dikwijls een lastige bezitting blijkt te zijn.

“In elk ander geval had ik misschien geen bezwaar gehad zulk een tegenstander neer te schieten, ja, ik zou blij zijn geweest er een verontschuldiging voor te hebben.

“Maar in dit bizondere geval aarzelde ik.

“Nog een uur—en ik zou aan zijn helpers overgegeven worden, om voor mijn leven verminkt te worden, en als ze wisten dat ik van het mij gegeven middel om hen te bevrijden geen gebruik gemaakt had, zou dat er zeker niet toe bijdragen om hun wijze van behandeling te verzachten.

“Quebranto zat naar me te kijken met knippendeoogen. Hij scheen met genoegen te constateeren dat mijn onverschilligheid geweken was.

“En dat was zoo.

“Toen de bandiet nogmaals zei:

“Werkelijk, ik zou u raden een voet of een hand als souvenir achter te laten,” toen verliet mijn kalmte me, en ik riep: “Lage, gemeene roover! Schooier!”

“Quebranto sprong op en greep naar zijn mes, terwijl hij me strak aankeek.

“Weet je, wat me alleen spijt?” ging ik woedend voort, “dat ik je gepermitteerd heb zoo gemoedelijk met me om te gaan. Als ik geweten had wat ’n bandiet je was, had ik nooit een woord met je gepraat. Nu weet je wat ik van je denk, en ik verzeker je, dat ik graag de prijs betalen zal, die ik weet dat je voor deze woorden vragen zult!”

“Het was uiterst onvoorzichtig van me, zoo te spreken, want het stond gelijk met het onderteekenen van mijn doodvonnis. Maar ik was mezelf niet meer meester.

“Quebranto’s gezicht was geel geworden. Zijn lichaam schokte. Elk woord had doel getroffen. Zijn bloedelooze oogleden knipten.

“Señor, u hebt tegen me gesproken, zooals niemand te voren ooit heeft durven doen,” zei hij. “Ik heb mijn woord gegeven, en u zult uw vrijheid hebben. Maar bedenk, dat ik recht heb op het tiende deel van uw lichaam. En ik verzeker u,dat ik niet één tiende, maar tien honderdste deelen zal nemen! Als ge vertrekt, zal niemand u meer herkennen!”

“Het waren afschuwelijke woorden, deze laatsten. Maar ik was zoo woedend, dat ze geen indruk op me maakten.

“Jij lafaard!” zei ik, “beul! Je mag alles doen wat je wilt, als ik je afschuwelijke gezicht maar niet hoef te zien.”

“En ik keerde me om en keek naar buiten. Maar mijn mond was droog, het zweet stond op mijn voorhoofd. Daar beneden brandden de vuren, daar wachtte men op me, wachtte op het bevrijdend schot dat ik niet wilde, niet kon afvuren.

“Na eenige oogenblikken zei Quebranta:

“U hebt een geladen revolver in uw zak. Waarom gebruikt u die niet?”

“Ik gaf geen antwoord, hoewel verwonderd dat hij dit wist.

“Bent u niet bang voor wat er gebeuren zal?”

“Ik antwoordde ook nu niet. Ik voerde een inwendigen strijd met mezelf.

“Waarom schiet u me niet neer, señor?” vroeg hij weer.

Ik wendde me om en stak hem de revolver toe.

“U weet wel dat ik u niet neerschieten kan,” zei ik ernstig.

“Quebranta nam het wapen niet aan, maar vroeg:

“Omdat u je woord gegeven had?”

“Natuurlijk,” antwoordde ik.

“Het was even stil. Toen vroeg ik:

“Hoe wist u dat ik een revolver had?”

“Ik gelastte dien man ze u te geven. Ik wilde zien of ik u karakter goed beoordeeld had. Maar het spijt u toch dat u me niet dood kon schieten. Is het niet zoo?”

“Ik wilde dat ik het nu nog doen kon!” zei ik. “Maar wat behoeft er verder tusschen ons gepraatte worden. Neem een tiende van me, en laat me vrij. Of dood me!”

“Toen gebeurde er iets zeer merkwaardigs.

“Señor,” zei Quebranta, “wanneer ik iemand als u ontmoet, laat ik hem het liefst zooals hij is. U hoort niet tot het soort menschen dat van mij kwaad zal ondervinden. Een man, die zijn eer weet te bewaren zooals u dat gedaan hebt,ook tegenover een bandiet, is waard te leven. Had u me doodgeschoten, dan zou uw naam in Spanje en Afrika als dien van een verlosser genoemd worden. Maar nu—neem uw leven uit mijn handen aan. En wat het losgeld betreft, wees gerust: de volle som is er.

“Na morgen zullen we elkaar nooit meer zien; maar herinner u altijd, dat ge eens een man hebt ontmoet, die, evenals gij, voor niets bang was. Die, evenals gij, zijn woord gestand deed. Vaarwel, Señor!”

Hiermee wasNofsverhaal geëindigd. We weten, dat hij den volgenden dag behouden op De Vogel terug was.

Allen hadden ademloos zijn verhaal aangehoord, en Nof was niet weinig verrast, toen hij hoorde dat de anderen in dien tusschentijd ook zulke spannende avonturen hadden beleefd.

Gelukkig waren ze nu weer vereenigd, en ze beloofden elkaar plechtig nooit weer zulke waagstukken uit te halen.

Met een en ander was intusschen veel tijd verloren gegaan, en men maakte zich gereed om met de meeste snelheid de onderbroken reis voort te zetten.

“Naar Czernovië!” was nu het wachtwoord.

De reis wordt door stormen vertraagd.—De nederdaling bij Midia.—Er ontploft een mijn en De Vogel vliegt in de lucht.—In Turksche gevangenschap—De Dardanellen-Oorlog.—Li en Rob herkrijgen hun vrijheid.—De Engelsche spionnen gaan de doos in.—Naar Slavowitz!

De reis wordt door stormen vertraagd.—De nederdaling bij Midia.—Er ontploft een mijn en De Vogel vliegt in de lucht.—In Turksche gevangenschap—De Dardanellen-Oorlog.—Li en Rob herkrijgen hun vrijheid.—De Engelsche spionnen gaan de doos in.—Naar Slavowitz!

Het was 1 Januari 1902 geworden. De eigenlijke reis had zoo lang niet geduurd, maar twee omstandigheden waren van nadeeligen invloed geweest. Ten eerste kenmerkte de geheele maand December van het jaar 1901 zich door hevige stormen en onweders, die—hoezeer ook De Vogel onafhankelijk was van atmosferische storingen—de snelheid van het luchtschip aanmerkelijk vertraagden. Het kostte Mu de grootste moeite de juiste richting te bewaren, en om de motoren niet aan al te groote inspanning te onderwerpen, was men soms dagen achtereen genoodzaakt voorzichtig te laveeren, of, tegen den storm in, juist genoeg snelheid te ontwikkelen om De Vogel op eenzelfde punt drijvende te houden. Ten tweede trof bij een zwaar onweer de bliksem een der veleafleiders, die zich op het dek verhieven, en ontstond er door een tot dusver onopgemerkt gebrek aan isoleering een begin van brand in de stuurkamer, waardoor de kinematografische plaat werd beschadigd, en La geruimen tijd in de weer was om het ongeluk te herstellen. Daar men er op De Vogel niet van hield los over dergelijke storingen, die trouwens wel meer voorkwamen, heen te loopen, gaf een en ander aanleiding tot langer oponthoud dan men wel gewenscht had.

Dien 1enJanuari, toen de dikke nevels die tot dusver boven de aarde hadden gehangen, wat opgetrokken waren, meldde Mu tegen het vallen van den avond, dat men eenigszins oostelijk van de koers was afgeweken en zich nu boven Midia bleek te bevinden, aan de Oostkust van Turkije.

Het kwam Li wenschelijk voor, nu eenigen tijd zwevende te blijven, ten einde het operatieplan, dat nu weldra zou uitgevoerd worden, nog eens onderling te bespreken. Ook leek het hem gewenscht zich wat nauwkeuriger omtrent den toestand op aarde te doen inlichten eer men tot beslissende stappen overging. Tot nu toe was dat steeds gebeurd door een van de leden der bemanning met een vliegtoestel omlaag te zenden, van welke reis hij dan met de noodige nieuwsbladen terugkwam. Daartoe werd dan gewoonlijk tegen den avond ergens op een afgelegen plek geland; de vliegtoestel werd verborgen, en in de een of andere vermomming, gewoonlijk die van een onschadelijk toerist, ging men de nabijgelegen stad binnen, hoorde naar de gesprekken in koffiehuizen en trachtte zoo het noodige te weten te komen.

Door het noodweer van de laatste weken was daarvoor in langen tijd geen gelegenheid geweest; Li stelde daarom voor Midia te bezoeken, en gaf zijn voornemen te kennen dit persoonlijk te doen.

Bij deze gelegenheid wachtte Rob een verrassing. Een half uur vóor De Vogel op de eenzame kust zou neerdalen om Li aan land te zetten, vroeg deze hem of hij lust had mee te gaan. Natuurlijk was Rob hiermee zeer ingenomen, en op aanwijzing van Li kleedde hij zich even als deze in een eenvoudig maar smaakvol reiscostuum.

“Zoo zien we er uit als Hollanders,” zei Li. “Die vermomming is me altijd het beste voorgekomen, want men mag over ’t algemeen de Hollanders op reis nog al lijden. En voor overmaat van voorzichtigheid zullen we ons nog wat grimeeren ook; vooral jou kan dat te pas komen, want ze zullen je wel overal zoeken, en wie weet of we in Midia jouw portret niet voor de winkels zien hangen.”

Met een door La uitgevonden onschadelijk kleurmiddel werden de beide vrienden van blond in zwart herschapen, en het was verwonderlijk te zien hoe onherkenbaar ze nu waren geworden.

“Wees maar niet bang dat je zoo zult blijven,” zei Li lachend, “La heeft een uitstekend middeltje waarmee je de kleurstof weer kunt verwijderen, en je zult er volstrekt geen nadeelige gevolgen van ondervinden. Nu nog een paar biljetten op de Czernovische Bank meenemen, die zijn in Turkije wel in te wisselen.”

Met verbazing zag Rob hoe Li voor een enorme waarde aan papieren geld bij zich stak.

“Je kan nooit weten,” verklaarde Li. “Je moet opalles voorbereid zijn. Geen kleeren, geen eten—dat hindert niet. Geen geld—dan ben je verloren.”

Er was besloten niet met een der vliegtoestellen aan land te gaan, doch met Vogel en al de aarde te bereiken. Li kende de kust bij Midia als zeer eenzaam en woest, en er was bij een daling volstrekt geen gevaar, vooral niet wanneer men zorgde alle lichten te dooven.

Behoedzaam daalde het luchtschip neer. De avond was zeer donker, het weer vrij onstuimig; men hoorde niets dan de branding die tegen de rotsen sloeg.

Even vóor men den bodem zou bereiken, gaf La opeens een teeken aan Mu, deze bracht het schip tot stilstand, en vroeg wat er was.

“Wanneer we eens allemaal aan land gingen?” zei La. “Ik geloof dat daar geen bezwaar tegen is voor enkele uren; we komen in een beschaafde streek, en niet bij kannibalen ditmaal. Mu houdt het schip op een flinke hoogte drijvend en we vinden hem vanavond hier weer terug.”

Li vond het voorstel aanvankelijk wat onvoorzichtig, maar allen hadden in zoo lang geen vasten grond onder de voeten gehad, en de ondervinding had bovendien zoo dikwijls geleerd dat men voor enkele uren zoo’n uitstapje wel kon wagen—dat Li ten slotte geen bezwaren meer had, en besloten werd gezamenlijk aan wal te gaan.

Ook de andere vijf bewoners van De Vogel staken zich dus vlug in een reiscostuum, en daarna legde de ballon de enkele meters af, die hen van de aarde scheidde. Het trapje werd neergelaten, en behalve Mu stapten allen aan land.

Men sloeg nu gezamenlijk den weg naar Midia in. Nauwelijks had men eenige honderden meters afgelegd, of men hoorde snelle voetstappen achter zich en Mu kwam aanhollen met een portefeuille, die La had laten liggen.

“Je legitimatiepapieren,” hijgde hij.

“O juist, goed dat je er aan dacht,” zei La. “Dankjewel. Die kunnen altijd wel te pas komen.”

Mu plaagde La wat met z’n verstrooidheid, omdat hij alweer wat had laten liggen, en legde Rob uit dat men nooit zonder de noodige papieren aan wal ging.

“Maar hoe kom je daar dan aan?” vroeg Rob.

“O, heel eenvoudig. Ik heb de papieren van ’n Hollandsch koopvaardijkapitein, dien we eens in zee drijvende vonden, vastgesjord op een vlot van planken en tonnen—wie weet wat de arme man had doorgemaakt. We legden het lijk op het strand bij een klein visschersdorp, met een briefje, zijn herkomst behelzende, er bij. Jij hebt in je binnenzak—heb je dat nog niet eens gemerkt?—dergelijke papieren, op een van onze tochten gevonden, en de anderen zijn allen van Engelsche documenten voorzien die we op het jacht van Lane inpikten. Zooals je ziet, rekenen we op alles.”

Mu was intusschen weer in de richting van De Vogel gegaan, die hij niet gaarne langer dan hoog noodig was onbeheerd wilde laten. Toen hij er nog ongeveer tweehonderd meter van verwijderd was, voelden allen plotseling den grond onder hun voeten trillen; een geweldige slag weerklonk, die lang nadreunde, en een metershooge vlam verlichtte gedurende enkele seconden de omgeving. Toen hoorde menhet ruischen van neervallend stof en het kletteren van omlaag komende steenen.

Eenige oogenblikken stonden allen als bedwelmd; toen volgde men het voorbeeld van Li en snelde in de richting van De Vogel, vanwaar men de slag gehoord meende te hebben.

Bij de plaats aangekomen, waar men kort te voren geland was, bleven allen als vastgenageld aan den grond staan. De groote donkere vorm van De Vogel teekende zich niet langer tegen de lucht af. Het rotsblok, waarachter hij verborgen had gelegen, was tot op zijn grondvlak afgebrokkeld, het strand lag met gruis en steenen als bezaaid. De zee sloeg met geweldige golven over den oever, de laatste overblijfselen met zich voerend van het vernielingswerk dat hier had plaatsgegrepen.

Enkele seconden heerschte er een verschikkelijke stilte; allen stonden sprakeloos, nog niet goed beseffend wat er eigenlijk gebeurd was.

La was de eerste die tot bezinning kwam. Hij ging naar Mu toe, en zei rustig:

“Hoe dankbaar ben ik, dat ik mijn portefeuille liet liggen.”

Toen drukte hij Mu de hand en gaf overigens door geen woord of beweging de ontroering te kennen, die zich ongetwijfeld van hem meester gemaakt moest hebben. Want nu begrepen allen het gebeurde: door een tot dusver onverklaarde oorzaak was De Vogel, met al wat er zich op bevond, in de lucht gevlogen—en daarmee al het werk vernietigd, waaraan La sedert jaren onbaatzuchtig zijn leven, zijn kunde en zijn fortuin gegeven had.

De Vogel-bewoners waren geen menschen die luide aan hun emoties lucht gaven; ook nu wisten ze hun ontroering te verbergen. Maar Rob voelde hoe Li hem krampachtig de hand drukte, en hoe een snik het krachtige lichaam van dezen nooit ontmoedigden, onwrikbaren man doorschokte. Vernietigd, het werk, de hoop, de illusie van jaren!

Er was geen lange tijd tot nadenken of treuren. Want opeens bemerkte men, dat het in den omtrek levendig begon te worden. In de verte hoorde men dof tromgeroffel en geschetter van signaalhoorns, het gestamp van talrijke regelmatige voetstappen kwam naderbij en aan alle zijden zag men flambouwen het duister doorvlammen. Bij instinct begrepen allen hier tegenover een vijandige beweging te staan. Reeds grepen enkelen naar hun wapenen, maar Li hield hen terug.

“Kalmte—dat is op ’t oogenblik het eenige noodige. Ons verweren tegen overmacht kunnen we niet. Het is trouwens de vraag, waarom en of we ons zouden moeten verweren. Ik weet in ’t minst niet wat er gaande is—een reden echter te meer om rustig af te wachten.”

De voetstappen naderden snel; wapengekletter werd verneembaar. Nog enkele minuten, en de zeven mannen waren door talrijke Turksche troepen omringd; een officier sommeerde hen zonder verzet mee te gaan, en te midden der soldaten werden allen naar Midia geleid.

Daar voerde men hen dadelijk voor een hooggeplaatst officier, die vroeg of een der gevangenen Turksch verstond. Daar alle Czernoviërs, door de veelvuldigeaanraking met het naburige volk, die taal min of meer machtig zijn, hadden allen behalve Rob die vraag kunnen beantwoorden. Li trad echter snel naar voren en zei in het Turksch:

“Ik spreek die taal vrij goed. Mijn metgezel”—hij wees op Rob—“kent geheel geen Turksch. Van de andere heeren zou ik het u niet kunnen zeggen; ik zie hen heden avond voor het eerst.”

“U bent allen Engelschen, niet waar?” vroeg de officier verder.

“Deze heer en ik zijn Hollanders,” antwoordde Li. “Wij zijn enkele uren geleden hier aangekomen, om de stad te zien. Die andere heeren ken ik niet.”

“Dus u gaat een stad zien, die op ’t punt is gebombardeerd te worden, en u bereist een land, waar binnen enkele uren een oorlog zal losbarsten? Dat lijkt mij een vreemde onderneming.”

“Wij reizen als dagbladcorrespondenten,” antwoordde Li gevat, “vandaar dat we het gevaar eer zoeken dan vermijden.”

“Bent u in het bezit van papieren?”

Li gaf het gevraagde over, en beduidde Rob hetzelfde te doen.

De officier zag de stukken in, begreep er klaarblijkelijk niet veel van, en vroeg nog:

“Hoe kwam u daar aan het strand?”

“We waren verdwaald, en door de duisternis overvallen.”

De ondervrager gaf een wenk, en eenige soldaten voerden Li en Rob in een zijvertrek, waar men hen ongeveer twee uren in het onzekere liet omtrent hun lot. Daarna verscheen een officier, die hen in eengesloten rijtuig naar een hoog, somber gebouw bracht, waar hun ieder een zeer eenvoudig gemeubeld, hoewel zindelijk vertrek werd aangewezen. Op hun vraag, wat men met hen en de andere gevangenen van plan was, ontvingen ze geen antwoord. Tegen tien uur werden in elke cel een matras, een kussen en twee dekens gebracht, benevens een stuk brood, wat boter en een kop koffie. De soldaat die een en ander bracht, vertelde dat zij morgenochtend wel nadere berichten zouden ontvangen, liet een kaars achter en ging heen. Van binnen hoorde men hem de zware grendels voor de deur schuiven.

Rob had op De Vogel geleerd zich wijsgeerig in zijn lot te schikken, en hij deed dat ook nu. Wel had hij weinig gedroomd dat hij nog eenmaal in Turksche gevangenschap zou komen, maar de behandeling was naar omstandigheden niet onvriendelijk, het brood en de koffie smaakten goed, en Rob was zoo moe, dat hij weldra in gerusten slaap viel.

Li kon zich minder gemakkelijk schikken. Ook hem verlieten zijn gewone kalmte en zijn hoop op de toekomst niet, maar de vreeselijke gebeurtenissen der laatste uren, het in de lucht vliegen van De Vogel en zijn daarop gevolgde arrestatie stemden hem toch somber, en hij begreep, dat op het oogenblik bijna alle hulpmiddelen om zijn doel te bereiken, hem uit de handen waren geslagen, dat er hem slechts éen ding was gebleven om op te blijven vertrouwen: eigen kracht. Vol onrustige gedachten zocht hij zijn eenvoudig bed op.

Den volgenden morgen werd Li voor den zelfden officier gebracht, die hem tevoren in verhoor hadgenomen, en die zich nu bekend maakte als generaal Iradin Effendi, gouverneur der vesting Midia. Li vernam nu met groote verbazing, dat op 1 Januari de oorlog tusschen Engeland en Turkije was uitgebroken, de oorlog dien wij kennen als den Dardanellen-Oorlog, omdat hij ontstond doordat Turkije, tegen de bestaande verdragen in, aan Russische bewapende oorlogsschepen toegestaan had de Dardanellen te passeeren. We weten ook, dat die oorlog door de tusschenkomst van Rusland, welks belangen meebrachten, dat Engeland geen invloed zou krijgen op het Balkan-schiereiland, vrij spoedig werd gestuit; op dat oogenblik was die snelle afloop echter nog niet te verwachten. Daar men berichten had ontvangen, dat Engelsche oorlogsvaartuigen op de Zwarte-Zeekust bij Midia zouden trachten te landen, was deze plaats in staat van beleg gebracht, en had men, onder meer veiligheidsmaatregelen, eenige zware mijnen langs de kuststrook aangelegd, die electrisch met de vesting waren verbonden, zoodat men ze van daar uit kon doen ontploffen, zoodra de landingstroepen aan wal zouden komen. Li begreep nu ook, dat De Vogel het ongeluk had gehad op zulk een mijn terecht te komen; dadelijk daarop was een electrische bel in het fort in beweging gekomen, en enkele minuten daarna had men de ontploffing bewerkstelligd. Tegelijkertijd zag Li in, dat, gaven de Hollandsche papieren Rob en hem groote kans om hun vrijheid te herwinnen, de Engelsche passen, waarvan de anderen door een ongelukkige speling van het toeval waren voorzien, hen van den wal in den sloot zouden helpen. Ontkenden ze Engelschen te zijn, dan zou men hun eigenlijkenationaliteit willen weten; hielden ze vol inderdaad Britsche onderdanen te zijn, dan zouden ze onder vermoeden van vijandelijke bedoelingen worden gevangen gehouden. Alles in aanmerking nemende, begreep Li dat het laatste, hoe hard ook voor de slachtoffers, toch nog het beste zou zijn. Rob en hij zouden misschien ongehinderd Czernovië kunnen binnendringen, om dan te overwegen in hoever ze hun plan konden doorzetten; kwamen ze echter allen gezamenlijk in hun land terug, dan zou de kans op herkenning sterk vergroot worden, en daarmee die op mislukking.

De generaal deelde Li mede, dat hij diens papieren had onderzocht, en door een tolk doen vertalen, en dat ze hem voorkwamen in orde te zijn. Li moest echter nog een aantal vragen beantwoorden, zijn aanwezigheid op het strand nader verklaren en een berisping aanhooren over zijn onvoorzichtigheid. Daarna werd hij naar zijn cel teruggebracht, en onderging Rob een gelijkluidend verhoor. Daar Li den vorigen avond met hen besproken had wat zij zouden antwoorden, kon de gouverneur over het resultaat tevreden zijn.

Nog drie weken brachten de beide vrienden in hun gevangenschap door; in dien tijd werden ze nog eenige malen verhoord, en ten slotte vernamen ze, dat door voorspraak van den Nederlandschen Consul in Konstantinopel hun invrijheidstelling was bewerkt.

En zoo stonden Rob en Li in ’t laatst van Januari als vrije mannen op de stoep van het grijze gebouw, dat hen zoo lang tegen hun wil had geherbergd, en lag de toekomst weer voor hen open. Vóor hun vertrekvernamen ze nog, dat de Engelschen, die men tegelijk met hen gevangen had genomen, van spionnage verdacht werden, en voorloopig wel in krijgsgevangenschap zouden blijven.

“Ziezoo,” zei Li, die in zijn cel genoeg gelegenheid had gehad om te overdenken wat hem tedoenstond, “nu naar Slavowitz!”


Back to IndexNext