Twaalfde Hoofdstuk.

In het Hotel Czernovië.—Van Stralen ontmoet zijn broer.—Daar komt de Prinses!—Een ontmoeting met den aanstaanden Prins-Gemaal.—Esse quam videri.—Van Stralen doet een duel op.—De tooneelspelen van Aeschylus.—Van avond om zes uur.

In het Hotel Czernovië.—Van Stralen ontmoet zijn broer.—Daar komt de Prinses!—Een ontmoeting met den aanstaanden Prins-Gemaal.—Esse quam videri.—Van Stralen doet een duel op.—De tooneelspelen van Aeschylus.—Van avond om zes uur.

In de eerste dagen van Februari zaten Rob en Li op de veranda van het Hotel Czernovië, het voornaamste in Slavowitz, de schilderachtige hoofdstad van de voormalige Oranje-Republiek. Zij waren overeengekomen, te reizen als gefortuneerde toeristen, die de vele merkwaardigheden der hoofdstad kwamen bezien, en zich overigens van de menschen en dingen om hen heen weinig aantrokken.

Een marmeren tafeltje stond tusschen hen in, en daar ze nu ter wille van den uiterlijken schijn afstand moesten doen van hun sobere Vogelgewoonten, zal het den lezer niet verwonderen, dat op het tafeltje een flesch chartreuse en een kistje sigaren prijkten, alsmede twee koppen voortreffelijke koffie, waarvan ze na een uitstekenden maaltijd—men dineerde inCzernovië algemeen om 1 uur—met welbehagen genoten. Beneden hen stroomde het vroolijke Czernovische leven voorbij, en als luie, voor hun genoegen bestaande toeristen keken ze langs den roezemoezigen boulevard. Toch waren hun gesprekken niet zoo onbezorgd als hun voorkomen zou doen veronderstellen. Telkens vormden de achtergelaten vrienden het onderwerp ervan, en als zij zich vergeefs hadden bezonnen op een middel om hen te bevrijden, was de overtuiging des te treuriger, dat het in veel opzichten misschien beter was wanneer ze voorloopig gevangen bleven. Een ander ding, dat vooral Rob bezig hield, was de vrees, dat men zich nu in Amsterdam, zonder berichten, zeer ongerust over hen zou maken.

Het was twee uur.

De veranda van het hotel was behalve door onze beide vrienden nog slechts door een enkel heer bezet, die met den arm op de balustrade geleund en den rug naar Li en Rob toegekeerd, in gedachten verzonken een cigaret zat te rooken. Terwijl Li met Rob zat te praten, had hij het oog niet van dien heer afgewend; toen deze het hoofd een oogenblik meer naar hun kant draaide, brak Li opeens het gesprek af, en wenkte een kelner, wien hij vroeg:

“Wie is die heer!”

“Dat is de kapitein der artillerie Van Stralen, Particulier Secretaris van Prinses Elizabeth.”

“Zoo,” zei Li onverschillig. “Dank je wel. Ik heb dien heer meer ontmoet, geloof ik. Daarom vroeg ik het.”

Een oogenblik daarna stond Li op, en ging op den heer af. Rob zag met verbazing toe, en begreepheelemaal niet hoe hij het had, toen hij Li de beide handen op de schouders van den ander zag leggen, blijkbaar om hem te verhinderen op te staan.

Daarna hoorde hij Li zeggen:

“Blijf zitten. Toon vooral geen verbazing.”

Toen de aangesprokene, blijkbaar verrast, een beweging maakte om op te springen, hield Li hem tegen, en zei rustig:

“Kom bij ons zitten.”

De Secretaris stond nu op en voegde zich bij Rob en Li. Toen sprak Li:

“Rob—ik stel je mijn broer voor. Hij wist niet dat ik nog leefde—ik wist niet dat hij tegenwoordig zulk een hooge betrekking bekleedde.”

Ofschoon Li’s broer klaarblijkelijk een even koelbloedig man was als Li zelf, kon hij eerst geen woorden vinden om zijn verbazing te uiten en was hij door aandoening geheel van streek. Eindelijk zei hij:

“Het is onbegrijpelijk. Als ik je stem niet duidelijk herkende, zou ik het niet gelooven. Hoe kom je zoo veranderd? Je haar is zwart, je kleur zoo donker... En waarom leef je eigenlijk nog?”

Nu moest Li hartelijk lachen. Hij antwoordde:

“De hoofdzaak is,datik leef. Laten we voorloopig daarmee tevreden zijn. Ik leg je later alles uit. Ik herkende je dadelijk, en toen ik hoorde dat je Secretaris van Prinses Elizabeth was, vond ik daarin een reden om mijn incognito voor deze eerste en laatste maal op te heffen. Je kunt me onschatbare diensten bewijzen. Maar laten we beginnen met naar mijn kamer te gaan, daar kunnen we rustiger en veiliger spreken.”

Ze gingen nu met hun drieën naar binnen, en weldra werd er over en weer over het gebeurde van den laatsten tijd druk gepraat. Li vertelde in groote trekken zijn lotgevallen, en zijn broer beloofde natuurlijk in alle opzichten de stiptste geheimhouding.

Toen de eerste vreugde van het ongedachte en onverwachte weerzien voorbij was, begon men wederzijds te vragen en te antwoorden in verband met Li’s plannen, en de hulp die hij daarbij van zijn broer Paul meende te kunnen hebben.

Paul vertelde, dat men in geheel Czernovië van den dood der zeven mannen overtuigd was, temeerdaar het geheele eiland Riva immers met al wat er op was, in de golven was verdwenen. En Li zei:

“Ik had je dadelijk herkend, maar was eerst niet van plan je aan te spreken. Toen de kelner me echter vertelde, dat je Particuliere Secretaris van Elizabeth was geworden, begreep ik van die omstandigheid te kunnen partij trekken. Vertel eens, waarom sprak die man van “Prinses” Elizabeth?”

“Wel, sedert een maand heeft de Czaar bij wijze van vorstelijke beleefdheid aan Elizabeth den titel van Prinses gegeven; je weet dat de Russen daarmee nog al vrijgevig zijn—van welk denkbeeldig Russisch bezit ze Prinses is, weet ze geloof ik zelf niet goed. Maar de bedoeling van het cadeau is duidelijk genoeg. Als Elizabeth Prinses genoemd kan worden, is het voor den Czaar gemakkelijker Hertog Alexander aan haar uit te huwelijken, en dat is dan toch ten slotte de bedoeling. We worden trouwens langzaam maar zeker gerussificeerd. Allerlei veranderingen in den regeeringsvorm hebben we ons moetenlaten welgevallen, en ik weet niet hoe dit eindigen moet.”

“Is er niets van verzet te merken? Geloof je niet dat er geheime plannen gevormd worden om een omwenteling te weeg te brengen?”

Paul haalde de schouders op.

“Wat willen wij tegen het machtige Rusland beginnen? Elk verzet is in beginsel een dwaasheid. Het volk protesteert met waardigheid; het begroet elke nieuwe Russische hervorming met rouwbetoon. Maar wat geeft dat? We zullen wel moeten berusten.”

Li zweeg eenige oogenblikken en zag voor zich uit.

“Elizabeth gelooft natuurlijk ook aan mijn dood?” vroeg hij toen, echter zoo rustig, dat Rob er verwonderd van opzag. Het leek wel alsof er een diepere bedoeling achter lag, hetgeen trouwens ook, naar hij later zien zou, het geval was.

“Natuurlijk. Ze heeft er vreeselijk onder geleden, maar haar groote geestkracht stelde haar in staat haar verdriet te beheerschen en zich met alle toewijding aan het welzijn van den Staat te geven. Ik ben de eenige met wien ze over je spreekt.”

“Denk je, dat ze dien Hertog van Bora trouwen zal?”

“Ze roert dat onderwerp wijselijk zelden aan,” zei Paul ontwijkend; “ze wil, en kan trouwens ook niet, de eerste zijn die dat ter sprake brengt. Maar het zou me verwonderen als men haar daartoe brengen kon.”

Op dit oogenblik hoorde men beneden in de straat een verward gegons van stemmen. Paul was naar het venster gegaan en zei:

“Daar komt de Prinses!”

Li voelde zijn hart kloppen alsof het wilde bersten, toen hij de oogen naar den naderenden stoet wendde. Het juichen der langs de boulevards geschaarde menschenmenigte kwam nader en nader.

Een detachement ulanen opende den stoet, hun lansen glinsterden in den zonneschijn, aan de punten fladderden groene vaantjes. Daarna volgde de Prinses in een open landauer. Nog een oogenblik en het rijtuig bereikte het hotel, en alsof het geluk Li gunstig was, kwam het juist tegenover het balcon waarop hij stond, tot stilstand.

De equipage zag er zeer sierlijk uit, met blauwe zijde bekleed, en het Czernovische wapen in goud op de portieren. De mooie zwarte paarden, wier huid als satijn glom, hadden lichtbruin met zilver beslagen tuig.

Maar Li zag niets van dat alles, zijn oogen waren op haar gericht, die in het rijtuig zat.

Ja, zij die daar met vriendelijken glimlach en hoffelijke buiging het juichende volk dankend groette—die jonge en schoone vrouw was Elizabeth! Voor een oogenblik werd alles, de straat, de huizen, de menschen, tot een verward visioen; het gonsde in zijn ooren als het stroomen van een geweldige rivier. Met inspanning bedwong hij zijn eerste opwelling om het hotel uit te snellen, en haar tegemoet; hij trad iets terug en verborg zich achter eenige aloë-planten, opdat hij kon blijven zien zonder opgemerkt te worden. Het was verbazend, neen het was een verrukking voor hem, te zien met welk een waardigheid en een gemak Elizabeth haar nieuwen staat wist te dragen.

De landauer van de Prinses had stilgestaan, omdat zij twee voetgangers wenschte aan te spreken, die, te oordeelen naar den eerbied, hun door de menigte bewezen, personen van aanzien in Czernovië waren.

De eerste was een bejaard, zilverharig man van een statig voorkomen, en die zich onderscheidde door een ouderwetsche hoffelijkheid.

“Graaf Radzivil,” antwoordde Paul op Li’s vraag, “de Eerste-Minister van Czernovië.”

De ander was iemand van breeden, stevigen lichaamsbouw, met een donkergetint, niet onknap gelaat, zwarte oogen en een zwarten puntbaard. De zonnestralen speelden met den zilveren adelaar op zijn helm; zijn prachtige uniform glinsterde van goud galon, sterren en orden. Hij liep rechtop, met de linkerhand op het gevest van zijn sabel, en het was duidelijk dat hij zoowel in eigen oogen als in die van zijn omgeving, een zeer gewichtig personage was.

“Wie is dat?” vroeg Li.

“Alexander, Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger, lid van het kabinet, neef van den Czaar en vermoedelijk troonopvolger.”

“Dat is dus de man, die zijn intocht deed, toen ik met De Vogel vertrok, het plan vormend hem in mijn macht te krijgen,” zei Li; en na een oogenblik voegde hij er bitter aan toe: “zooals de zaken nu staan, zal ik duchtig moeten oppassen dat het omgekeerde niet plaats heeft.”

Hij zag nu hoe Elizabeth zich in haar rijtuig vooroverboog, vroolijk lachend, en klaarblijkelijk in druk gesprek met den Prins. Hij kreeg zelfs den indruk dat ze alles in het werk stelde om hem te behagen.Onwillekeurig vormde hij zich een oordeel over den Prins: iemand met een niet al te vlug verstand, maar eerzuchtig; een ruw, door de uiterlijke voorschriften der etiquette slechts met moeite in bedwang gehouden karakter. Wat kon Elizabeth in dien man zien, dat haar belangstelling inboezemde?

“De Prins schijnt op zeer goeden voet met Elizabeth,” merkte hij op.

“Natuurlijk—zijn aanstaande vrouw,” sprak Paul met een zucht.

Li antwoordde niet. Hij zag hoe de Prinses, die haar gesprek geëindigd had, den rechterhandschoen uittrok, en de blanke bejuweelde hand den Hertog toestak, met een glimlach en een sierlijkheid van gebaar, die den verborgen toeschouwer door de ziel sneden.

“Ze heeft me vergeten,” sprak hij bij zichzelf. “En dat is eigenlijk wel te begrijpen—ze moet wel denken dat ik niet meer terug kom....”

Bora bracht Elizabeth’s hand aan de lippen, en Graaf Radzivil nam den hoed af. Toen gleed het rijtuig weer voort langs den boulevard, gevolgd door een detachement ulanen in dezelfde uniform als zij die er aan voorafgegaan waren.

Toen het rijtuig uit het gezicht verdwenen was, zei Paul:

“Ik moet tot mijn spijt weg. De Prinses heeft ’s middags na den maaltijd mijn diensten noodig. Het kan ook zijn, dat mijn tegenwoordigheid slechts kort of in ’t geheel niet vereischt wordt—in dat geval kom ik dadelijk terug.”

Rob en Li—of laten we hem nu liever weerbij zijn eigenlijken naam noemen—Rob en de ingenieur Van Stralen begaven zich na Paul’s vertrek weer naar de veranda, de eerste zonder eenigszins te beseffen hoe deze verwikkelingen zich ontwarren zouden, de ander vol vertrouwen op de toekomst en bezield met den vasten wil tot slagen, maar op het oogenblik toch zonder een juist en duidelijk overzicht van de komende dingen.

Van Stralen sprak geen woord, en leunde over de balustrade, zonder te zien keek hij peinzend langs den boulevard. Rob, hem niet willende storen, zweeg eveneens.

Ze hadden eenige oogenblikken zoo gezeten, en Rob was juist van plan zijn reisgenoot een wandeling door de stad voor te stellen, toen hij naast zich het gekletter van een sabel en het rinkelen van gespoorde voeten hoorde, terwijl een ruw verschoven stoel onzacht zijn arm raakte. Hij keek op, en zag twee heeren, die hij onmiddellijk als den Hertog van Bora en Graaf Radzivil herkende. Reeds had de antipathie, die Van Stralen voor den Hertog voelde, zich ook aan hem zoo meegedeeld, dat hij een oogenblik de drift in zich voelde opbruisen over de onbeleefde wijze waarop die man hem, zonder eenig woord van verontschuldiging, letterlijk op zij drong om gemakkelijker te kunnen zitten. Ook de toon, waarop hij den toeschietenden kelner wijn bestelde, en hem daarna afsnauwde, omdat de man hem niet dadelijk begreep, klonk Rob zeer afstootend in de ooren. Toen de Hertog dan ook, een oogenblik daarna, ongedurig weer opstond, en, naar een gemakkelijker zetel omziend, zonder veel complimenten den stoel greep,waarop Van Stralen en Rob hun hoeden hadden uit de hand gelegd, sprong ook Rob op, nam den Hertog snel den stoel weer uit de hand, en legde de op den grond gevallen hoofddeksels weer op hun vorige plaats.

De Hertog, gewoon te doen en te laten wat hij wilde, stond een oogenblik verstomd. Zijn oogen glinsterden van toorn, hij sloeg onwillekeurig de hand aan het gevest van zijn zwaard, en bulderde:

“Hoe durft u, meneer! Weet u niet wie ik ben?”

Daar deze woorden in het Russisch werden uitgesproken, dat Rob niet verstond, gaf deze geen onmiddellijk antwoord; Van Stralen, uit zijn droomerij ontwaakt, had zich intusschen tot den Hertog gewend, en zei in het Hollandsch:

“Wij weten zeer goed, wie u is, meneer. Daarom verbaast uw onbeleefdheid ons des te minder.”

De zwarte oogen van den Hertog flikkerden woest; hij had gedurende zijn verblijf in Czernovië de landstaal te goed geleerd, om te kunnen veinzen dat hij Van Stralen’s woorden niet verstond. Zijn gezicht werd dreigend en donker van uitdrukking, en hij riep uit:

“Bent u gek of dronken? Is het al niet erg genoeg dat u niet opstond en mij niet groette toen ik binnenkwam, zooals elk Czernoviër gewoon is? Wees zoo goed, Graaf Radzivil, de namen dezer heeren te noteeren; ze zullen hun onbeleefdheid boeten.”

Graaf Radzivil fluisterde den Hertog iets toe, waarop deze eenigszins scheen te kalmeeren; daarna naderde hij Van Stralen met een hoffelijke buiging en stelde zich voor:

“Graaf Radzivil, Premier van Czernovië. Mag ik weten, met wien....”

“Ik ben Hollander, mijn naam is Van Heelstra,” antwoordde Van Stralen, opzettelijk Rob buiten de kwestie houdend. “Mag ik vragen wie deze—eh—heer is?”

De Hertog zag nu, dat hij met vreemdelingen te doen had, en dus wijzer deed geen twist met hen te beginnen. Hij antwoordde kort:

“Ik ben de Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger. Ik had u voor Czernoviërs aangezien.”

Met die woorden draaide hij zich om, meenend nu voldoende excuses gemaakt te hebben, en Van Stralen zou er zich op hebben kunnen verheffen, dat hij de eenige man was, aan wien ooit de Hertog op zijn manier verontschuldigingen had aangeboden.

Graaf Radzivil echter, wiens hoffelijke aard niet gedoogde, dat een vreemdeling zou heengaan met een onaangename herinnering aan Czernovië en zijn hooggeplaatste inwoners, vond het noodig Van Stralen nog eenige vriendelijkheden te zeggen.

“U zult als Hollander zeker veel zien in deze stad, waardoor u aan uw eigen land wordt herinnerd?”

“Zeker,” antwoordde de ingenieur. “Maar helaas ook veel, wat mij den Russischen invloed in herinnering brengt.”

De Prins had zich bij deze woorden wrevelig afgewend, en deed alsof hij aan het verdere gesprek geen aandacht schonk.

“Een gesprek daarover,” zei graaf Radzivil glimlachend, “zou ons op het gevaarlijk terrein der politiekbrengen. Zeker is, dat Czernovië de laatste jaren veel van haar oorspronkelijk karakter verloren heeft. Men leert zich in het onvermijdelijke schikken.”

“Ook de Prinses?” vroeg Van Stralen scherp.

“De persoonlijke gevoelens der Prinses heb ik niet de eer te kennen,” antwoordde Radzivil diplomatiek. “Wel staat vast, dat zij—zelf van Hollandschen oorsprong—haar genegenheid voor den Hollandschen stam niet verbergt. Meerdere personen uit haar omgeving zijn afstammelingen van Hollandsche geslachten; ik zelf ben het van de zijde mijner moeder; de Particuliere Secretaris der Prinses, de heer Van Stralen, is volbloed Hollander. Waarschijnlijk hebt u, zonder het te weten, dien heer dezen middag hier ontmoet; hij gebruikt geregeld zijn diner in dit hotel.”

“Ik had zelfs het genoegen door een toeval met hem kennis te maken,” zei Van Stralen.

“Wel, dat is zeker toevallig,” vervolgde de Graaf, en, zich tot den Hertog wendend, sprak hij:

“De heer Van Heelstra maakte dezen middag met onzen vriend den Secretaris der Prinses kennis, Hoogheid; gelooft u niet, dat...”

Maar de Hertog veinsde hem niet te hooren. Hij haatte den Secretaris, en alleen daarom den onbekenden Hollander des te meer.

“Van Stralen is een uitnemend man,” vervolgde de goedpraatsche Radzivil; “hij bewees ons menigen goeden dienst. Een belangrijk cijfertelegram dat ons onlangs in handen viel, en waarmee de deskundigen geen raad wisten, pluisde hij uit. Hij heeft een belangrijk werk over raadselschrift geschreven, ofschoonik tot mijn schande bekennen moet het nooit gelezen te hebben. Hij strekt onzen kleinen Staat tot eer. We mogen niet veel beteekenen onder degrootmachten, maar door de voortreffelijke eigenschappen van vele Czernoviërs zijn we toch sterker dan velen denken.”

“Esse quam videri1,” glimlachte Van Stralen.

Nauwelijks had hij deze woorden geuit, of het bleek dat de Hertog het gesprek zeer goed gevolgd had. Hij keerde zich plotseling om, zijn gezicht teekende verbazing en toorn, en hij vroeg ruw:

“Wat meent u daarmee?”

“Gaarne wil ik het voor u vertalen, Hoogheid, daar u klaarblijkelijk geen latijn kent. Esse quam videri wil zeggen...”

“Beleedig me niet langer!” riep de opgewonden Hertog. “Ik weet zeer goed wat het zeggen wil. Ik vraag alleen, waar u die woorden gelezen hebt, hoe u....”

Buiten zichzelf van woede, kon hij geen woorden vinden om zich juist uit te drukken, en terwijl hij daarnaar nog zocht, vervolgde Van Stralen:

“Uwe Hoogheid heeft een eigenaardige manier om iemand een uitlegging te vragen. Waar ik die woorden las? Waarschijnlijk waar ook u ze las, daar u ze immers ook blijkt te kennen.”

“Dat is een leugen!” riep de Hertog.

“Voorzichtig, Hoogheid,” wierp Radzivil in ’t midden, terwijl hij om zich heen zag, “laten we geen publiek schandaal uitlokken.”

Van Stralen had moeite zich deze beleediging te laten aanleunen, maar daar hij met zijn handelwijze een bepaald plan had, hield hij zich kalm, en zei:

“Uwe Hoogheid laat zich zeer kwetsend over mij uit, doch ik ben bereid die woorden als niet gesproken te beschouwen. U zult mij echter ten goede houden, dat ik nu ook op uw vragen geen nader antwoord kan geven.”

Met deze woorden ging Van Stralen weer kalm aan zijn tafeltje zitten en stak een nieuwe sigaar op.

De Hertog was echter volstrekt niet van plan het hierbij te laten. Hij ging naar den ingenieur toe, wiens terugtrekkende beweging hij voor lafheid hield, en vroeg:

“U wenscht mij dus niet te antwoorden?”

“Neen.”

“U weigert?”

“Beslist.”

“Dan zult u met mij duelleeren.”

Van Stralen voelde veel lust de uitdaging aan te nemen; zijn tegenstander had hem na de korte kennismaking al genoeg afkeer ingeboezemd. Maar het leek hem toch verstandiger zulk een conflict voorloopig, als ’t eenigszins mogelijk was, te vermijden. Ten eerste zou met het overhoop steken van den Hertog de Czernovische kwestie volstrekt niet opgelost zijn, ten tweede zou het duel aanleiding kunnen geven tot een openbare bespreking daarvan, waardoor Van Stralen zich meer bloot zou geven dan hij op dit oogenblik wel wenschte.

Hij antwoordde dus rustig:

“Neen Hoogheid, ik zal niet duelleeren.”

“Als u niet vechten wilt, kan ik u er niet toe dwingen. Maar ik kan u ten minste als een lafaard brandmerken.”

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen een slag op de wang.

“Hoogheid!” riep Radzivil, en begaf zich, boos en verontwaardigd, naar het andere einde der veranda.

De kleur was uit Van Stralen’s gelaat geweken; alleen een roode streep gloeide op zijn linker wang.

“Zult ge nu vechten?” zei de Hertog met een tartenden glimlach, terwijl hij den stok opnieuw ophief. “Of hebt ge nog een nadere opwekking noodig?”

“Vechten? Ja, waarachtig, dat zal ik!” antwoordde Van Stralen, diep ademhalend. “Zend uw getuigen hierheen; ze zullen de mijnen ontmoeten. Ik heb u verder niets meer te zeggen. Onze sabels zullen het overige doen.”

Een glans van wilde vreugde ging over het gelaat van den Hertog.

“Mijn getuigen zullen binnen een uur hier zijn. Maar eerst een waarschuwing aan Radzivil. Die is te praatziek: en de kwestie behoeft niet aan de groote klok gehangen te worden.”

De Hertog verwijderde zich, en Van Stralen bleef naast den verschrikt zwijgenden Rob zitten, terwijl de enkele gasten van het hotel, die zich op het balcon bevonden, de oogen op hem richtten, en tot elkaar zeiden, dat de Hertog zeker weer een van zijn onderdanen op zijn gewone zachtaardige manier voor een onbeleefdheid had gestraft.

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen ’n slag op de wang. (pag. 182.)En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen ’n slag op de wang. (pag. 182.)

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen ’n slag op de wang. (pag. 182.)

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen ’n slag op de wang. (pag. 182.)

De Hertog, volstrekt niet beschaamd over zijn uitbarsting van woede, alleen geërgerd omdat Radzivilzulke duidelijke teekenen van afkeuring had gegeven, ging naar het tafeltje waar de Premier zich had neergezet.

De laatste dorst niet veel meer dan zwakke tegenwerpingen maken, want hij verkeerde in een moeielijke positie. Het was niet handig zich iemand tot vijand te maken, die bestemd was Prins-Gemaal van Czernovië te worden.

“Uwe Hoogheid vergeet dat het duel bij de wet verboden is.”

“Ik ben de aanstaande Prins-Gemaal en sta boven de wet,” antwoordde de Hertog hooghartig.

“De Prinses zal waarschijnlijk die meening niet deelen. Herinner u hoe ijverig zij gewerkt heeft om de Wet tegen het Tweegevecht er door te krijgen. Als een van haar eigen Ministers die wet overtreedt, zal zij zich daar zeker niet bij neerleggen. U hebt, vergeef mij dat ik het zeg niet zeer voorzichtig gehandeld.”

“Bah, m’n beste Radzivil, zorg maar dat je weet te zwijgen, en ze zal er nooit van hooren. Denk er aan,” voegde hij er dreigend bij, “dat, wanneer Hare Hoogheid de zaak te weten komt, ik niet twijfelen zal aan de herkomst van haar inlichtingen.”

Hij dronk haastig een glas wijn leeg, en wierp een blik vol haat in de richting van den ingenieur.

“Weet ge wel, Radzivil, dat de spreuk, die deze Hollander zooeven uitsprak, gegraveerd staat in de binnenzijde van een ring, welken de Prinses draagt? Slechts eenmaal legde zij dien, doordat een der steenen beschadigd was, in mijn tegenwoordigheid af. Ik had toen de gelegenheid het inschrift te lezen, envroeg wie haar dien ring had geschonken. De Prinses bleef niet alleen het antwoord schuldig, maar was blijkbaar in verlegenheid. Dat kwam mij verdacht voor, evenals ’t me verdacht voorkomt, dat die vreemdeling zooeven dezelfde spreuk aanhaalde.”

“Maar welke conclusie zou Uwe Hoogheid daaruit dan willen trekken?”

“Dat er de een of andere verhouding bestaan heeft, misschien zelfs nog bestaat, tusschen de Prinses en dien man daar.”

“Uwe Hoogheid moet zich vergissen. De heer Van Heelstra bezoekt Slavowitz voor de eerste maal in zijn leven. Waar en wanneer zou de Prinses hem ontmoet kunnen hebben?”

“Dat weet ik evenmin als jij, maar ik wil, en zal dat ook, te weten komen. Er zijn geruchten, die van een vroegere verloving der Prinses spreken, vóor zij het bestuur in handen kreeg.”

“Daarvan hoorde ik ook wel spreken. Het schijnt echter, dat die geruchten op zeer losse gronden berusten; niemand weet er iets met zekerheid van te zeggen. Bovendien zou de persoon in kwestie, ook al weer volgens zeer vage geruchten, behoord hebben tot de zeven geleerden, die bij de ramp van Isola Riva omkwamen. En op geen hunner gelijkt deze Hollander ook maar in de verte. De onderstelling alleen trouwens, dat hij die ramp zou hebben overleefd, is te dwaas om van te spreken.”

“Dat is zoo,” antwoordde de Hertog, “Er zou trouwens ook geen enkele reden te noemen zijn waarom de overlevende zich dan schuilhouden en vermommen zou.”

“Nu ziet u immers zelf uw dwaasheid in! Mij dunkt, dat u die duel-kwestie nu maar moest bijleggen.”

“Het komt niet in me op,” antwoordde de Hertog koppig. “Juist omdat dit geval zoo raadselachtig is, wil ik de oplossing er van vinden. Als deze Hollander mijn vragen niet goedschiks wil beantwoorden, zal hij het kwaadschiks doen, of—met een sabelhouw zijn onwil boeten. Ik duld zelfs den schijn niet, dat ik een mededinger heb. Ik begin nu zelfs te gelooven, dat de Prinses zoo ijverig de Wet op het Tweegevecht doordreef, om haar geliefde de gelegenheid te geven, zich ongemoeid in Czernovië optehouden. Zij wilde hem tegen mijn sabel beveiligen. En nu ben ik er ook van verzekerd, dat zij reeds lang met hem heeft gecorrespondeerd, terwijl haar vriend Van Stralen, die voor zulke dingen heel geschikt is, als tusschenpersoon heeft gediend. Voor onze Prinses, die er een geheime liefde op na houdt, is zulk een handige cijfermeester een geschikt werktuig.”

Hij keek wederom met zulk een haat in zijn blik naar Van Stralen, dat de Premier, een nieuwe scène vreezend, de gedachten van den Hertog poogde af te leiden, door het woord “cijfer,” dat deze zoo even had uitgesproken, tot het onderwerp van een gesprek te maken.

“De Secretaris is, zooals u zegt, een kundig ontcijferaar van geheimschrift, maar op het oogenblik schiet zijn kunst toch te kort.”

“Hoezoo?”

“Wel, onlangs is hem een cijferbericht voorgelegd door Zabern....”

“Zabern!” viel de Hertog hem wrevelig in de rede. “Alweer zoo’n halfslachtig wezen in het Kabinet. De Czaar heeft gemeend goed te doen door de regeering langzamerhand in Russische handen te brengen. Wat mij betreft is de keus zeker heel goed geweest, maar in Zabern—en evenzeer in een zekeren Graaf Radzivil—is van moederszijde nog te veel Hollandsch bloed. Als ’t aan mij lag ging men veel radicaler te werk.”

“De Czaar voelt klaarblijkelijk meer voor een geleidelijken overgang, en hij heeft dunkt me van zijn standpunt uit gelijk. Maar ik wilde dan vertellen, dat vier weken geleden in een herberg een twist tusschen Czernoviërs en Russen zoo hoog rees, dat men de hulp van een militaire patrouille inriep, die de belhamels naar de wacht meenam. Daar had de gebruikelijke fouilleering plaats, en op een van de mannen vond men een paspoort op naam van Ivan Russakoff, hetgeen de man verklaarde hem toe te behooren.”

Radzivil was er uitstekend in geslaagd de aandacht van den Hertog af te leiden. De toorn week van zijn gelaat. Van Stralen en het duel schenen voor een nieuwe belangstelling te zijn geweken.

“Deze Russakoff droeg een kaftan, in welks voering een breed, in tweeën gevouwen stuk papier was verborgen, aan beide zijden bedekt, niet met woorden, maar met lange rijen cijfers. Des morgens werden de arrestanten ontslagen, behalve Russakoff, van wien men een verklaring verlangde omtrent de beteekenis van het papier. Hij weigerde die te geven. Hij zei de agent te zijn van een lakenkoopman uit Warsim, en had trouwens een tasch bij zich met stalen van lakenstoffen. Een onderzoek wees uit, dat er in Warsim inderdaadeen lakenkoopman, genaamd Paskovitch, woont, wiens agent Russakoff is, en dat de kleedermakers van Slavowitz aanzienlijke bestellingen bij dien man doen.”

“Daarna liet men den man zeker los?”

“Integendeel. De zaak kwam Zabern ter oore, en hij liet den man voor zich brengen. “Wat beteekenen die cijfers?” vroeg Zabern. “Dat zijn beroepsgeheimen,” antwoordde Russakoff. “Daaraan twijfel ik niet,” zei de Maarschalk. “Je beroep is dat van spion. Je laken-verkooperij is een dekmantel voor je eigenlijke bedoelingen.” Zabern nam den man langen tijd in verhoor. Russakoff weigerde de beteekenis van het geheimzinnig papier te onthullen; hij kon geen bevredigende verklaringen geven betreffende de wijze waarop hij zijn tijd in Slavowitz had doorgebracht, en de Maarschalk, overtuigd dat de man een spion is in Russischen dienst, heeft hem voor meerdere veiligheid naar de Citadel doen brengen, waar hij nu is. Het papier is in handen van Van Stralen om het te ontcijferen, en daarbij is de zaak op ’t oogenblik gebleven.”

“En Van Stralen ziet geen kans het raadsel op te lossen?”

“Hij weet er totaal geen weg mee.”

De Hertog scheen dat met genoegen te hooren.

“Zabern ziet een spion in iedereen die uit Rusland komt,” spotte hij.

“Wel, we zullen de waarheid spoedig weten. Zabern schijnt den man te willen gijzelen op water en brood. Dat maakt de tong los.”

“Maar ’t is tegen de wet,” zei de Hertog, met gefronst voorhoofd.

“Evenals duelleeren,” gaf de Premier terug.

Bora scheen op ’t punt een boos antwoord te geven maar hield zich in en zei:

“En die zoogenaamde spion werd een maand geleden gearresteerd, zegt u? Als Zabern die zaak zoo gewichtig oordeelt, waarom werd ik dan, als Minister, er niet van op de hoogte gebracht?”

“De zaak valt onder Zabern’s departement, daar hij immers Minister van Justitie is. Ik voor mij hoorde er eerst gisteren van, en toen nog door een toeval. En,” voegde hij er bij, vaag glimlachend bij de wetenschap dat hij geen meester was in zijn eigen kabinet, “u weet hoe Zabern gewoon is buiten voorkennis van zijn collega’s te handelen, en dat de Prinses steeds zegt: “Zabern heeft een streepje voor.””

Niemand wist dit beter dan de Hertog zelf, en hij dacht bij zichzelf, dat die toestand wel veranderen zou, zoodrahijop den troon kwam, en Czernovië een koninkrijk werd.

De beide heeren dronken hun glas wijn leeg en gingen heen.

Intusschen had Van Stralen met Rob zacht zitten praten. Rob was zeer ontdaan over het gebeurde, niet omdat de Hertog hem vrees inboezemde, maar omdat hij het vreeselijk vond dat zijn vriend nu gedwongen was te vechten, en dat hij, Rob, daartoe eigenlijk de aanleiding was geweest.

“Had ik me maar zoo boos niet gemaakt,” zei Rob, “maar ik wist niet dat die Hertog zoo opvliegend zou zijn.”

“Maak je geen verwijten, kerel,” zei Van Stralen. “Je hebt me onwetend een dienst gedaan. Als we hier elken dag blijven zitten, en sigaartjes rooken enlekker eten, dan komen we er niet. Ik had al lang naar een middel gezocht om met dien Hertog in aanraking te komen, en dat is me nu gelukt.”

“Maar als hij je nu misschien laat gevangen nemen, en ze gaan uitvisschen waar je vandaan komt, en....”

“Dat gebeurt allemaal niet. Hij wil veel te graag duelleeren en daar ’t duel in Czernovië verboden is, zal hij wel zorgen dat niemand er van hoort.”

“Waarom werd hij eigenlijk zoo woedend toen je die Latijnsche woorden zei?”

“Wel, ik zei ze met opzet, juist om te kijken wat hij dan doen zou. Toen ik Elizabeth de laatste maal zag, gaf ik haar een ring, om die steeds als aandenken te dragen, daar ik wel wist dat ze mij in langen tijd niet zien zou. De woorden “Esse quam videri” waren aan de binnenzijde gegrift. Uit de woede van den Hertog begreep ik wat ik weten wilde, namelijk dat Elizabeth den ring nog bezit, dat Bora de inscriptie door het een of ander toeval gelezen heeft, dat hij heeft willen weten, wie de gever was en zich boos heeft gemaakt toen Elizabeth hem dat niet wilde vertellen. En je begrijpt, dat ik uit dit alles conclusies kon trekken, die me niet onaangenaam zijn.”

“Maar hoe moet die duel-kwestie nu afloopen?” vroeg Rob.

“Nu—een van ons beiden zal een houw krijgen, waarschijnlijk de Hertog. Dooden zal ik hem niet, ten eerste uit beginsel, ten tweede omdat ’t niet politiek zou zijn. Ik vind ’t al erg genoeg, dat we onze goede, verdraagzame Vogelgewoonten hier op deze bloeddorstige aarde moeten afleggen.”

Op dit oogenblik kwam Paul terug. Bij hun tafeltje gekomen, bukte hij zich en raapte een boekje op, dat op den grond lag, zeggend: “is dat van jou?”

“Neen,” antwoordde van Stralen, “en van Rob ook niet, voor zoover ik weet.”

Daar ook Rob ’t boekje niet voor zijn eigendom herkende, maakten de vrienden de conclusie dat Radzivil of Bora het zooeven moesten hebben laten vallen. Het bleek een zakuitgave van Aeschylus’ gedichten te zijn, dat den Griekschen tekst der zeven tooneelspelen bevatte, zonder vertaling, noten of toelichting.

Paul bladerde er in, en fronste plotseling de wenkbrauwen in verbazing.

“Wat zou hem er toe gebracht hebben al die moeite te doen, en waartoe dient het?” mompelde hij,

“Mijn boek, meneer de Secretaris,” klonk opeens een stem achter hem, en opziende, keek hij in de scherpe zwarte oogen van den Hertog, die achterdochtig op hem gevestigd waren. “Ik merkte zooeven, dat ik dit had laten liggen. Zooals u ziet, houd ik mijn klassieken nog bij.”

“U bestudeert ze zelfs zeer aandachtig,” zei Paul. “Niet ieder neemt de moeite al de letters van een Grieksch tooneelstuk te tellen.”

Bora keek hem aan alsof hij een verborgen bedoeling in zijn antwoord wilde ontdekken, en ging toen heen, klaarblijkelijk niet op zijn gemak.

Paul kwam nu aan het tafeltje zitten, en merkte dadelijk den rooden streep op, die over het gelaat van zijn broer liep.

“De handteekening van den Hertog,” zei VanStralen, met ingehouden toorn. Daarna vertelde hij het gebeurde, evenals het vroeger meegedeelde onder geheimhouding, waarop hij natuurlijk tegenover Paul, die trouwens de gevoelens van zijn broer voor PrinsesElizabethkende, volkomen rekenen kon.

Paul luisterde met verontwaardiging.

“Die vlegel!” mompelde hij. “Dat kost je ’t leven, Felix. De Hertog is een meester op de sabel. Hij heeft zijn weerga niet in Czernovië.”

“Dat zegt niet veel. Czernovië is klein.”

“Hij heeft al dertig duels achter den rug, waarvan er zeven-en-twintig ten nadeele van zijn tegenstander afliepen.”

“Het een-en-dertigste zal hem niet veel eer doen inleggen. Jij en Rob moeten mijn getuigen zijn.”

“Ik? De Prinses is streng tegen het duel. De Russen hebben het hier trachten in te voeren, maar op haar aandringen stelde Zabern een wetsontwerp op tegen het tweegevecht, en Elizabeth wist het te doen aannemen. Daders en getuigen worden met gevangenschap bedreigd.”

“Ik zal ’t je niet moeielijk maken, Paul,” zei Van Stralen op zijn gewone eenvoudige manier, die allen schijn van grootspraak miste. “De Van Stralens zijn van ouds meester op alle wapenen, jij zoo goed als ik. En ik heb het schermen duchtig onderhouden. Het gevecht zal onbeslist blijven—hoogstens krijgt de Hertog een onbeduidende wond. Maak je niet ongerust.”

“Ik hoop het beste. Daar komen Baron Ostrova en Graaf Itar, de gewone bijstanders van Bora in zijn eerezaken. Welk instructies, Felix?”

“Van avond zeven uur. Sabels. Totdat er bloed vloeit.”

En Felix bleef nog eenige oogenblikken met Rob zitten praten en een sigaar rooken, zoo kalm alsof er niets bizonders gebeurd was.

“Maar hoe moet dit alles afloopen?” vroeg Rob. “Steek je je nu niet in allerlei moeielijkheden? Bereiken we op deze manier ons doel?”

“Wacht rustig af, mijn beste jongen. Vooreerst moet de Hertog mijn verklaarde vijand zijn. Langs hem kom ik tot den Czaar. Je zult zien dat dit de weg tot ons doel is. Het zal langzaam gaan—maar we komen er zeker.”

En Rob zweeg, nog niet begrijpend, maar vast vertrouwend op het succes van al wat deze merkwaardige man wenschte te ondernemen.

1Wees zooals ge u voordoet.

1Wees zooals ge u voordoet.

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren kennen.—Wat de gezant te Petersburg schreef.—Een verrader onder de Ministers.—Russakoff is ontsnapt!

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren kennen.—Wat de gezant te Petersburg schreef.—Een verrader onder de Ministers.—Russakoff is ontsnapt!

In een der vertrekken van het paleis zaten Graaf Radzivil en Maarschalk Zabern.

De beide Ministers zouden de Prinses den inhoud van een belangrijk telegram mededeelen, dat zoo juist van den Czernovischen ambassadeur te St. Petersburg was ontvangen, en wachtten slechts tot zij bij de Prinses zouden toegelaten worden.

Ladislas Zabern was een man van een kranig militair voorkomen, als uit eikenhout gesneden en met ijzer beslagen. Moed stond op zijn gelaat gestempeld. Ofschoon drie-en-vijftig jaar oud, had hij niets van de voortvarendheid der jeugd verloren. Evenals Radzivil vertegenwoordigde hij in het Kabinet den overgang tot het russicisme; maar meer dan zijn ambtgenoot, die voorzichtiger en plooibaarder was, verdacht men hem van oud-Czernovische sympathieën,en de Russische regeering zocht reeds naar redenen om hem te vervangen. Inderdaad was hij door zijn krachtige persoonlijkheid de leider van het Kabinet, terwijl Radzivil slechts Premier in naam was.

Radzivil, praatziek als gewoonlijk, vertelde den Maarschalk het gebeurde tusschen den Hertog en den Hollander.

“Uitstekend!” zei Zabern. “Dat duel moet doorgaan. Het kan niet anders dan in het belang van den Staat zijn.”

“Maar....” protesteerde de Graaf verbaasd, “dat gaat toch niet! De overige Ministers zijn er evenals ik van overtuigd, dat de Prinses tusschenbeiden moet komen!”

“Graaf,” zei Zabern op bevelenden toon, “dat duel moet doorgaan. Het begin van voor het land nuttige verwikkelingen kan er het gevolg van zijn. En denk er aan: geen woord hierover aan de Prinses!”

Voor de Premier kon antwoorden, weerklonk een zilveren klokje uit de audiëntiezaal, ten teeken dat de Prinses gereed was haar bezoekers te ontvangen.

De vleugeldeuren werden wijd opengeworpen.

De twee Ministers gingen de Witte Zaal binnen, die zoo genoemd werd daar al het houtwerk wit verlakt, en alleen met smalle gouden biezen afgezet was.

Aan een tafel zat de Prinses, en noodigde de Ministers tot plaatsnemen uit.

Zabern was in ’t bizonder haar gunsteling, en hij van zijn kant was gereed zijn leven te offeren voor de belangen van zijn meesteres, zij het ook dat hijdeze gevoelens nooit in het openbaar ten toon spreidde. Hij was een sterk, hoewel stilzwijgend tegenstander van Elizabeth’s toekomstig huwelijk met den Hertog, zoowel omdat hij er uit een politiek oogpunt een onheil in zag voor den Staat, als wat betreft de ongelijkheid van zulk een paar, die niet anders dan tot een zeer ongelukkig huwelijk zou kunnen leiden.

Daarom wilde Zabern alles doen om zulk een vereeniging te voorkomen, en het scheen hem toe dat deze dag zijn plannen begunstigde.

“U komt op een ongewoon uur, heeren,” begon de Prinses. “Waarschijnlijk hebt ge dus belangrijke berichten?”

“Onze gezant te St. Petersburg,” antwoordde de Premier, eenige papieren uit zijn portefeuille nemend, “meldt dat enkele dagen geleden de Czaar op een hofbal in het Winterpaleis naar hem toe kwam, en op strengen toon—klaarblijkelijk opdat iedereen het hooren zou—uitriep:

“Is het waar, meneer, dat de Czernovische Regeering nog steeds niet voldoende gezuiverd is van weerspannige elementen? Dat de Prinses zelfs onbewimpeld te kennen durft geven, alleen uit eigen vrije beweging een huwelijk te zullen aangaan?”

“Ik heb mij nooit openlijk in dien geest uitgelaten,” merkte Elizabeth op. “Waarschijnlijk was dit slechts een zijdelingsche poging om van mijn gezindheid op de hoogte te komen. En wat antwoordde de gezant?”

“Natuurlijk, dat hij omtrent de persoonlijke gevoelens der Prinses niet was ingelicht, en de vraag niet zonder nadere instructies uit Slavowitz kon beantwoorden.”

“Wat zei de Czaar hierop?”

“Dat hij een gezantschap zou afvaardigen, om de Prinses aan de besluiten van het Petersburger Congres en alle daar uit voortgevloeide nadere regelingen te herinneren.”

“We zullen dat gezantschap gastvrij ontvangen,” zei Elizabeth met een glimlach.

“Uwe Hoogheid beschouwt de zaak wat luchtig,” vervolgde Radzivil. “Mijns inziens zal het nuttig zijn als men te St. Petersburg ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van uw gevoelens. Bij uw komst aan de regeering hebt ge de gedenkwaardige woorden gesproken, dat het landsbelang boven uw persoonlijke neigingen zou gaan. Welnu, het landsbelang eischt, wil Czernovië niet onverbiddelijk bij Rusland ingelijfd worden, uw huwelijk met Prins Alexander, Hertog van Bora. Ik geloof, dat u wel zoudt doen, in die noodzakelijkheid niet alleen te berusten, maar van die berusting het gezantschap ten duidelijkste te doen blijken.”

“Het is de vraag of Czernovië’s belang dit huwelijk eischt, Graaf Radzivil,” antwoordde de Prinses. “In elk geval ben ik niet van plan het gezantschap, noch wie ook, op dit punt eenige beloften te doen. Zeker, ik ben door de bestaande bepalingen gebonden, geen huwelijk aan te gaan zonder toestemming van den Czaar...”

....“Het is echter zeer de vraag,” vulde Zabern aan, “of daaruit ook volgt dat men u tegen uw wil tot een bepaald huwelijk dwingen kan. Dit is de oude kwestie, die tusschen u, Prinses, Graaf Radzivil en mij meermalen een punt van bespreking heeftuitgemaakt. In deze dagen is ze meer dan ooit van gewicht. Men zal in Europa, waar de verontwaardiging over het in Zuid-Afrika gepleegde onrecht zeer groot is, niet ten tweede male werkeloos den ondergang van een Oud-Hollandsche republiek willen aanzien. Wij kunnen een beroep doen op de beslissing der Mogendheden, die trouwens belang er bij hebben uitbreiding van Russisch grondgebied tegen te gaan. Het is de vraag of een rechtskundige uit de bestaande regelingen ten opzichte van Czernovië, niet weet te bewijzen dat de Prinses volstrekt niet tot een huwelijk gedwongen kan worden.”

Radzivil, de voorzichtige, schudde bedenkelijk het hoofd. Hij zag vol zorg nieuwe verwikkelingen tegemoet.

Na een korte tusschenpoos van stilte, zei de Prinses, de wenkbrauwen fronsend:

“Wij hebben onze plannen omtrent een stelselmatig verzet tegen dat huwelijk steeds stipt geheim gehouden. Noch van u, Maarschalk, noch van u, Graaf, kan ik onvoorzichtigheid in dit opzicht veronderstellen. Hoe kan het mogelijk zijn, dat hieromtrent den Czaar iets ter oore is gekomen?”

De twee Ministers zag elkaar veelbeteekend aan.

Radzivil antwoordde:

“Onze vermoedens daaromtrent zijn van zoo onaangenamen aard, dat wij ze tot nog toe Uwe Hoogheid niet hebben meegedeeld, hopend dat ze gelogenstraft zouden worden. Maar tevergeefs. We kunnen niet langer blind zijn voor het feit, dat er een verrader in onze omgeving, in het Kabinet zelf misschien is.”

“Een verrader!” riep Elizabeth uit.

“Met tegenzin zijn wij tot deze conclusie gekomen.Geheimen die in den Ministerraad werden behandeld, zijn aan de raadslieden van den Czaar overgebracht. De brieven van onzen gezant laten daaromtrent niet den minsten twijfel. Wel is waar kunnen wij van een gedeeltelijk door Rusland beïnvloed Ministerie geen anti-Russische politiek verwachten, maar wel mogen we van alle leden der Czernovische Regeering eerbiediging eischen van staatsgeheimen, hoe ook hun persoonlijke gevoelens zijn mogen.”

Daarna las de Minister verscheiden uittreksels voor om zijn bewering te staven.

“Een van mijn Ministers voert dus een geheime briefwisseling met den Czaar,” riep Elizabeth verachtelijk. “Wie is de verrader?”

En daarna de beide Ministers beurtelings scherp aanziend, vervolgde zij:

“Wien verdenkt ge, heeren?”

De Premier antwoordde:

“Ik weet volstrekt niet op wien ik de verdenking zou moeten doen vallen.”

Maar Zabern glimlachte onmerkbaar, alsof hij met Radzivil’s onnoozelheid spotte.

Elizabeth zag hem aan, en vroeg:

“Verdenktuiemand, Maarschalk?”

“Ja, Hoogheid,” antwoordde Zabern kort en beslist.

“Zijn naam?” vroeg de Prinses snel.

Maar Zabern antwoordde niet dadelijk.

“Ik zou er de voorkeur aan geven mijn vermoedens tot volkomen zekerheid te brengen eer ik ze uitspreek, Hoogheid.”

“Dat eerbiedig ik volkomen,” sprak de Prinses, “en toch...”

“Uw geduld zal niet op al te zware proef worden gesteld, Hoogheid,” vervolgde Zabern. “Mijn spionnen volgen de bewegingen van den verrader reeds. Meer zelfs: zijn handlanger heb ik in de Citadel achter slot en grendel.”

“Meent ge Russakoff?” vroeg Radzivil.

“Ja. Ik ben overtuigd, dat hij de tusschenpersoon is in deze verraderlijke briefwisseling. Zijn eenzame opsluiting op water en brood zal zijn tong wel los maken.”

“Ik maak u opmerkzaam, Excellentie,” zei de Prinses, “dat ik niet den minsten schijn van dwangmiddelen duld. Ik verzoek u, bevelen te geven, dat die man op denzelfden voet als andere gevangenen behandeld wordt.”

Zabern boog zwijgend het hoofd, doch veroorloofde zich daarna met een lichten glimlach op te merken:

“De gevangene is een Rus, Hoogheid... Hij zal zich zelfs nog verwonderen over de zachte behandeling die hij ondervindt.”

“U hebt mijn verlangen begrepen, niet waar?” vroeg Elizabeth, het hoofd fier opgericht en met dien gebiedenden blik, aan welks invloed zelfs een man als Zabern niet ontkwam. Daarna voegde ze er zachter en met een glimlach aan toe:

“Nu en dan spreekt het Poolsche bloed, Maarschalk! Ik zalutoch niet van Russische sympathieën moeten verdenken?”

“Wanneer het zoover is, Hoogheid,” antwoordde Zabern, eveneens lachend, “dan zal ik, alsMinistervan Justitie, de eerste zijn die den verrader Zabern in de Citadel doet opsluiten!”

“Zoover zal het wel nooit komen,” schertste dePrinses. Maar daarna plooide haar gelaat zich weer tot ernst, en ze vervolgde:

“Wat denkt ge dus met dien man te doen?”

“Hij was in het bezit van een cijferbericht, Hoogheid. Voorloopig zullen we afwachten of het uw Secretaris gelukt den sleutel te vinden.”

Men sprak nog eenige oogenblikken over onverschillige zaken; daarna gaf de Prinses te kennen, dat zij de audiëntie wenschte op te heffen.

“Maarschalk,” zeide Radzivil bij ’t verlaten van het paleis, “wat hebt ge toch voor reden om dat duel te doen doorgaan? Wilt ge dan met alle geweld mijn plan betreffende het huwelijk der Prinses tegengaan?”

“Juist. Dat is mijn doel. De Prinses zal zeer zeker verontwaardigd zijn, te zien dat haar toekomstige Gemaal zich boven de wet stelt. Zij zal daar stof tot verwikkelingen uit kunnen putten, die mijn plannen begunstigen. De Hertog is in mijn net geloopen, zooals ik wel verwachtte.”

“Welk net?”

“De Wet tegen het Duel. Waarom deed ik zoo mijn best die aangenomen te krijgen?”

“Om de Prinses een genoegen te doen.”

“Gedeeltelijk; maar meer nog omdat ik er een middel in zag om den Hertog te vangen. Ik wist wel, dat hij geen maand zonder een duel kan blijven, en dat hij zichzelf boven de wet verheven acht. En mijn plan is geslaagd. Vandaag zal de Hertog op de sabel duelleeren. Het is mogelijk dat ze elkaar dooden; zoo niet, dan zijn er twee dingen mogelijk: de Hollander doodt den Hertog, wat voor Czernovië een zegen zou zijn, of—”

“Of, wat meer waarschijnlijk is, de Hertog doodt den Hollander.”

“Dat zou jammer zijn, omdat de Hollander, zooals ge me verteld hebt, een flinke kerel schijnt te zijn. Maar—in dat geval zal de Hertog, overeenkomstig de wet, terecht moeten staan wegens moord.”

Radzivil stond verbluft. Zóo ver had hij zich nog niet eens in de zaak ingedacht.

“En als de Prinses zich aan de letter van de wet houdt,” vervolgde Zabern met onwrikbare koelbloedigheid, “dan zal ze—vol eerbied voor de wetten, zooals ge weet—haar toekomstig Gemaal tot gevangenschap en verbanning buiten het grondgebied van den Staat veroordeelen.”

“Goede hemel!” riep de Premier.

“Mijn stelsel werkt mooi, niet? Dat was ook mijn bedoeling.”

“Maar dat zal niet gebeuren! De Prinses moet tusschenbeiden komen en dat duel verbieden. Ik ga dadelijk terug en zal haar inlichten.”

“Halt!” zei Zabern ernstig. “Laat de Hertog zijn dwaasheden bot vieren. Wat denkt ge—zouden gij en ik onze portefeuilles lang behouden als Bora den troon kwam deelen?”

Ze waren nu buiten het park gekomen, dat het Paleis omringde. Een ordonnans stond aan het hek, en meldde den Maarschalk dat hij een bericht had over te brengen.

“En wat is dat, Nikita?

“Maarschalk, de spion Russakoff is uit de Citadel ontsnapt.”

“Vervloekt! Daar zal de wacht voor boeten!”


Back to IndexNext