De kust van Tripolis.—De leeuwenjacht.—De onderaardsche gewelven.—In handen van menscheneters!—De ontdekkingsreiziger Korling als goochelaar.—De vlucht.—Weer op De Vogel!
De kust van Tripolis.—De leeuwenjacht.—De onderaardsche gewelven.—In handen van menscheneters!—De ontdekkingsreiziger Korling als goochelaar.—De vlucht.—Weer op De Vogel!
Het was 4 December 1901 geworden, en De Vogel daalde neer op de kust van Tripolis, eenige mijlen ten oosten van Bengasi, waar niet veel kans bestaat opgemerkt te worden. De streek is daar eenzaam en onbewoond.
Hier was het punt waar Nof zich met den vliegtoestel weer bij zijn reisgenooten zou voegen.
Toen De Vogel neerdaalde, was het tien uur in den morgen; men wist dat Nof tegen den middag kon aankomen, en er werd daarom besloten De Vogel onder toezicht van Mu, en onder een groep palmboomen verborgen, achter te laten. De anderen wilden dan een tochtje maken door ’t kustgebergte, wat volgens de Vogelbewoners veilig kon geschieden, daar deze streek tot eenige mijlen landwaarts in geheel onbewoond was. De plantengroei, de mooievergezichten, die men hier en daar over de Middellandsche Zee had, dit was aanleiding genoeg om het uitstapje te wagen.
Van eenig voedsel voorzien, en als altijd met de gaspistolen en de voorraadtasch bij hen, gingen de zes mannen aan land, Mu de boodschap achterlatend, dat ze niet vóor den avond zouden terugkomen.
Hoewel de zon fel scheen, het zand en de rotsen den gloed weerkaatsten, vergat men dat gaarne voor het prachtige landschap, dat bij elken pas de bewondering opwekte. Nu en dan beklom men een kleinen heuvel, en vandaar had men een prachtig uitzicht op den Middellandschen Oceaan, die met recht zijn bijnaam “de Blauwe Oceaan” mocht dragen, want de golven zagen er uit als vloeibare blauwe edelgesteenten, die in de zonnestralen gloeiden en flonkerden.
Op eens bleef Rob staan, greep Li bij den arm en wees op een hoog rotsblok, dat eenige honderden meters meer zuidwaarts lag.
“Een leeuw!” zei Li, zoo kalm alsof hij een onschuldig huisdiertje gezien had in plaats van dezen woestijnkoning.
“Een leeuw!” herhaalden de anderen.
Hoewel vertrouwend op hun wapens, bleven toch allen onbewegelijk staan, onwillekeurig onder den indruk bij het zien van dit majestueuse dier, dat, de naderenden bemerkend, opgestaan was uit zijn lui-liggende houding, en den staart langzaam heen en weer bewoog.
De leeuw deed een dreigend gebrul hooren, dat door de rotsen honderdvoudig werd weerkaatst, en nu vertoonde zich naast hem een minder groot, niet zoomajestueus dier, dat een leeuwin bleek te zijn. Beiden bleven op de plaats waar ze waren, nu en dan een dof gebrul uitstootend, en zonder de reizigers uit het oog te verliezen.
“Het is het beste, dat we er recht op af gaan,” zei Li. “Omkeeren en vluchten zou dwaasheid zijn, dan hebben ze ons weldra met enkele sprongen ingehaald.”
Rob voelde het hart in de keel kloppen.
Hij was niet bang van aard, maar den leeuw kende hij tot nog toe alleen uit Artis, waar de tralies hem veilig van den toeschouwer scheiden. Het was wel een schouwspel om ook den moedigste angst aan te jagen, daar zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover dit machtige dier te staan.
Maar de overigen waren op hun reizen aan zulke ontmoetingen gewoon geraakt, en zonder een oogenblik te aarzelen, gingen ze recht op het leeuwenpaar af, de pistolen gereed houdend.
Als verbaasd over zooveel stoutmoedigheid, bleven de beide dieren staan, totdat de mannen op ongeveer twintig meter waren genaderd.
Toen deed de leeuw een geweldigen sprong naar beneden, en kwam brullend op Li af, die rustig staan bleef.
Het dier was hem tot op vijf passen genaderd, het hief den verschrikkelijken klauw op, en Rob verwachtte elk oogenblik zijn onverschrokken vriend ter aarde te zien storten.
Maar Li richtte bedaard, trok af, en, door het uitstroomende gas bedwelmd, bleef de leeuw zonder zich te verroeren bewusteloos aan Li’s voeten liggen.
Een tweede schot, en de inmiddels toegesprongen leeuwin had hetzelfde lot ondergaan.
“Een prachtig dier,” zei Li. “Ik houd er niet van een weerloos dier te dooden, vooral niet een, dat ons volstrekt geen kwaad heeft gedaan. Maar anders zou zijn huid een fraai figuur maken als haardkleed in onze eetzaal.”
“Laten we verder gaan,” zei La. “Deze dieren zijn voor vierentwintig uur buiten gevecht gesteld; tegen dat zij bijkomen, hebben wij Afrika al verlaten.”
Men beklom nu de rots, om te zien of zich daarboven het hol van de leeuwenfamilie zou bevinden. Men vond er echter tot zijn verrassing slechts een soort leger van gedroogde planten, waar de dieren hun middagslaapje hadden willen doen, en, om zich heen ziende, bemerkte Rob op eens twee jonge leeuwtjes, niet grooter dan een flinke kat, die angstig zaten te kijken waar hun ouders bleven, en nu en dan een gehuil deden hooren als van een bevreesd, verdwaald kind.
“Daar moesten we er een van vangen en tam maken,” zei La, “we zouden dan op De Vogel ook een huisdier hebben.”
“Misschien kan ’t wel als waakhond dienen,” zei Rob.
Men ging nu op de beide dieren toe, die echter verschrikt op de vlucht sloegen.
Gedurende eenige minuten liepen de mannen ze na, de dieren niet uit het oog verliezend.
Op eens waren ze beiden als in een rotswand verdwenen. Slechts een opening van ongeveer een halven meter doorsnede toonde aan waar ze verdwenen waren.
“Ha!” zei Li, “daar hebben we het leeuwenhol! Daar moeten we in.”
Hij ging op den buik liggen, en trachtte naar binnen te zien. Het was daar echter geheel donker. Het hoofd en de schouders naar binnen werkend, ontstak hij zijn electrische lamp en verlichtte daarmee het hol.
“Het hol wordt van binnen wat wijder,” zei Li, “we zouden er wel in kunnen kruipen.”
“Maar als er nu eens nog meer leeuwen in waren?” onderstelde Rob, ’n beetje beangst.
“Dat zal niet,” zei Li, “er woont nooit meer dan éen leeuwenfamilie tegelijk in een hol.”
“Maar,” riep op eens La, “het kan immers onmogelijk een leeuwenhol zijn! Door die kleine opening kunnen die groote dieren toch niet naar binnen!”
Men zag de juistheid van die opmerking in, doch nu was men slechts te nieuwsgieriger om te weten te komen wat dit voor een onderaardsche gang was.
“Laten we er in gaan,” zei Li, als altijd door het avontuurlijke aangetrokken.
Niemand had daar iets tegen, en nu ging men een voor een, Li vooruit, naar binnen, allen met de electrische lantaarn in de hand.
Gedurende eenige meters moest men op den buik voortkruipen; toen werd de gang hooger en breeder, en kon men gaan staan. Voor zich uit ziende, bemerkte men zich in een soort onderaardsche straat te bevinden, die over een onafzienbaren afstand in rechte lijn doorliep.
La bukte zich, en onderzocht den bodem.
“Dit is waarschijnlijk een oude stroombedding,”zei hij, “de aard van den bodem wijst er op. Vermoedelijk heeft vroeger een rivier hier voor een deel van zijn loop onder de aardoppervlakte doorgestroomd.”
“Dan zou ’t wel aardig zijn eens te onderzoeken waar deze gang aan de andere zijde uitkomt,” zei Li.
Zijn voorstel vond bijval en nu begon men in zuidelijke richting door te loopen, hier en daar losse steenen tot hoopjes opstapelend, om op die manier bij het teruggaan een herkenningsteeken te hebben.
Na ongeveer tien minuten in rechte lijn te hebben doorgeloopen, kwam men op een soort pleintje, waarop, behalve de weg dien men gevolgd was, verscheidene andere gangen uitmondden. Enkele daarvan liep men in, doch deze bleken slechts weinige meters diep te zijn; daar niemand voorkeur had voor een bepaalde richting, en dat ook moeielijk hebben kon, besloot men den weg te volgen die ongeveer in het verlengde van den oorspronkelijken lag.
Na een kwartier te zijn voortgegaan, besloot men halt te houden, en eenig voedsel te gebruiken.
Dit middagmaal onder de oppervlakte van den beganen grond had voorzeker iets eigenaardigs, en deed den lust tot avonturen nog toenemen.
Toen men weer reisvaardig was, had alleen La eenig bezwaar tegen den verderen tocht.
“Is het eigenlijk geen dwaasheid,” zei hij, “een onbekenden weg naar een onbekend doel te blijven volgen, zonder dat ons dat, naar alle waarschijnlijkheid ten minste, eenig nut kan opleveren?”
In die uitspraak lag ongetwijfeld veel waars, maar de meeste stemmen verklaarden zich toch voor het doorzetten van den tocht, ten eerste omdat men wouvolvoeren wat men eenmaal begonnen was, en ten tweede omdat men immers elk oogenblik kon terugkeeren wanneer de onderneming gevaarlijk of te langdurig zou blijken te zijn.
Men ging dus verder.
Rob bleef echter staan en vroeg:
“Wie heeft dit doosje lucifers laten liggen?”
“Lucifers?” vroeg La verwonderd, “dat kan jijzelf alleen gedaan hebben. Zulke dingen van barbaarschen oorsprong worden aan boord van De Vogel niet gebruikt. Daar heerscht de electriciteit oppermachtig.”
“Maar ik had heelemaal geen lucifers bij me toen ik aan boord kwam,” zei Rob, het doosje bekijkend. “Het moet van een van jullie zijn.”
Ook de anderen bekeken het doosje, maar het bleek geen van allen toe te behooren. Het droeg een Hollandsch etiket en was blijkbaar ook in Holland gemaakt.
“Dat is vreemd,” zei La. “Steek het bij je, Rob. Na dezen vondst zou ik er voor zijn den tocht voort te zetten.”
Nog gedurende een half uur ging men verder.
Nu eens moest men op den buik kruipend voortgaan, daar de zoldering zich verlaagde, dan weer waadde men tot over de enkels door het water, waarmee enkele gangen waren volgeloopen. Het aangenaamste van dit verblijf onder den grond was de heerlijke koele temperatuur die er heerschte, in tegenstelling met de brandende warmte daarboven.
De vondst van het doosje lucifers, waaraan La zeer veel waarde scheen te hechten, was aanleiding dat men telkens naar den grond zag, hopende nog ietsdergelijks te vinden. En inderdaad raapte Nef na eenigen tijd een knoop op.
Tot aller verbazing droeg deze—zooals trouwens meer op knoopen voorkomt—een randschrift. Niet over dit feit op zichzelf was men verbaasd, maar over de woorden die er stonden: F. Sinemus, Leidschestraat, Amsterdam.
Wel, dit was de naam van een bekend Amsterdamsch magazijn, zooals Rob meedeelde. Hoe kwam die Hollandsche knoop hier verzeild?
La scheen iets te vermoeden, maar zei niets.
De tocht werd voortgezet.
Een paar maal bleek men zich, door ’t voortdurend kronkelen en wenden dat de gangen sedert eenige minuten deden, in de richting te hebben vergist, en kwam men langs een omweg weer op een punt terug dat men eenigen tijd te voren verlaten had. Dat maakte de reis lastig en tijdroovend, maar nu men eenmaal zooveel moeite gedaan had, was men het er over eens, dat men tot het einde zou doorgaan.
Met nieuwen moed legde men opnieuw een weg van ongeveer vijftien minuten af.
Toen bukte La zich en raapte een stukje papier op, dat de aandacht der anderen ontsnapt was. Het was blijkbaar een snipper van een grooter stuk, en bevatte niets dan enkele onleesbare, afgebroken woorden, en onderaan in een hoek de letters W.K.
“W.K! Zou het mogelijk zijn!” mompelde La onder het verder gaan, zonder dat zijn verbaasde reisgenooten hem tot een nadere verklaring konden brengen.
Weer vorderde men tien minuten, toen Li, dievooraan liep, de anderen opeens tot stilstaan dwong en den vinger op de lippen legde, ten teeken dat ze zouden zwijgen.
Allen luisterden nu in gespannen aandacht, en daar hoorde men op eenigen afstand een verward geluid van stemmen, dat nu en dan door gejuich scheen te worden onderbroken.
“Deze gewelven zijn bewoond!” fluisterde Li.
“Zouden we verder durven gaan?” vroeg een van de anderen.
“Mits met voorzichtigheid,moetenwe verder gaan,” zei La nu. “Ik geloof dat onze tocht nueen doelbegint te krijgen.”
Voet voor voet ging men nu voorwaarts.
Bij het omslaan van een hoek sprong Li opeens terug, en dwong de anderen zich tegen den wand gedrukt op te stellen.
Voorzichtig keek Li om den hoek, en wenkte toen de anderen, dat ze nader konden komen. Nog enkele passen slopen ze vooruit, en toen trok een zeer merkwaardig schouwspel, dat ze door een smallen spleet in de rotsen konden bijwonen, hun aandacht.
De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd. (pag. 121.)De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd. (pag. 121.)
De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd. (pag. 121.)
De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd. (pag. 121.)
In een met flambouwen verlichte groote ruimte, die waarschijnlijk wel met deze gangen in verband zou staan, bevonden zich een groot aantal negers, die allen slechts spaarzaam gekleed waren, en waarvan de meesten om polsen en enkels ringen van doodsbeentjes, vruchtenpitten en dierentanden droegen. Ze zaten meerendeels op den grond gehurkt, slechts enkelen stonden, en allen waren gewapend met een schild en een speer.
De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers gekeerd, en zag met groote aandacht naar den tegenoverliggenden wand der “zaal,” waar klaarblijkelijk het een of ander gebeurd was dat zij zeer merkwaardig vonden, doch waar op het oogenblik niets bizonders te zien was.
Hoe vreemd het moge klinken, het geheel maakte den indruk van een schouwburg, waarin de negers de toeschouwers vormden.
En weldra zagen Li en zijn vrienden tot hun groote verbazing, dat hier inderdaad een soort van voorstelling plaats had, die men eer in een West-Europeesch land dan in deze Afrikaansche wildernissen zou gezocht hebben.
Een rechthoekig gedeelte van den donkeren wand, dat het tooneel scheen te vormen, werd plotseling hel verlicht.
Men zag nu een houten vierkant tentje van ongeveer 2 M. hoog, 1.5 M. diep en 1.5 M. breed, waarvoor naar beide zijden opengeslagen gordijn hingen. Het houten huisje was geheel ledig.
Onder een oorverdoovende muziek, die de negers op steenen, met huiden overspannen potten en op lange rieten fluiten te weeg brachten, kwam nu een man naar voren, die geheel het voorkomen had van een neger, ook zwart van gelaatskleur was, doch wiens bewegingen schenen aan te duiden dat hij van een ander ras was. Hij stak de hand op en gebood stilte.
Nu begaf hij zich in het huisje, en werd door een helper aan den achterwand vastgemaakt. Dit geschiedde door zijn nek, zijn enkels en zijn polsente omsluiten met halfcirkelvormige banden, die aan den achterwand waren vastgemaakt, en om een hunner uiteinden konden draaien. Het andere uiteinde werd daarna door negers uit het publiek, die zich daartoe kinderlijk opdringend aanboden, met hangsloten aan een eveneens in den wand gestoken oog bevestigd. De sloten werden omgedraaid en daarna gingen de gelukkige eigenaars der sleutels weer naar hun plaatsen terug, overtuigd dat een hangslot als ’t hunne, waarover ze een week lang met hun gebrekkige hulpmiddelen hadden gesmeed, nooit te openen zou zijn.
De helper schoof nu het gordijn dicht. Enkele seconden daarna, terwijl dezelfde helsche muziek de pauze had aangevuld, opende de helper het gordijn—en de gevangene was gevlogen!
De negers waren stom van verbazing. Ze liepen op het huisje toe, rukten aan hun hangsloten, maar begrepen niet hoe men deze, trouwens nu weer gesloten, voorwerpen had kunnen openen.
Een stormachtig gejuich ging op, en de vertooner van het kunststuk moest allerlei huldebetuigingen in ontvangst nemen.
De achter de rots verborgen toeschouwers keken elkaar met een glimlach aan. Wat beteekende deze kermisvertooning hier in de wildernis, bijgewoond door een natuurvolk, dat van zulke uitvindingen der beschaving nooit gedroomd had?
Zij hadden echter niet veel tijd tot nadenken, want de voorstelling scheen hiermee geëindigd, en het gezelschap maakte aanstalten tot heengaan.
Om zich niet te verraden, bleven de zes mannenonbewegelijk in hun hoekje zitten, hopend onbemerkt te ontsnappen zoodra de zaal leeg was.
Zij hadden echter niet er op gerekend, dat de “schouwburg” zijn voornaamsten uitgang had naar de gewelven waar zij zelf zich op het oogenblik bevonden, en voor zij er op bedacht waren, stond een tiental negers verbaasd naar hen te kijken.
Tegenwoordigheid van geest was het eenige wat onze vrienden redden kon. In de handen te vallen van dezen negerstam had niet de minste bekoring voor hen, en het was dus zaak door een vastberaden optreden te doen zien dat ze niet van plan waren zich gevangen te geven.
Zes gaspistolen gingen af, en de voorste rijen der negers vielen bewusteloos neer. Snel hun neusknijpers opzettend brandde de kleine troep dapperen nogmaals los, en ook een rij van de nu opdringende negers viel neer. Maar het aantal was te groot, en een in het nu geopende gewelf binnendringende luchtstroom joeg het bedwelmende gas weg. Ook van uit andere gangen kwamen negers aansnellen, en de overmacht was zoo groot, dat het onverschrokken zestal weldra overmand en gebonden werd weggevoerd.
Dat was een verschrikkelijke gebeurtenis.
In het begin had men een flauwe hoop, dat er met zulke moderne negers, die vertooningen hielden, waarmee men in het Amsterdamsche Rembrandt-Theater een goed figuur zou maken, wel te redeneeren zou zijn. Maar weldra bleek niet alleen, dat men zich op geen enkele manier verstaanbaar kon maken, doch ook dat men blijkbaar met een bloeddorstigen stam te doen had, getuige de talrijke trofeeën van schedels endoodsbeenderen, die men opgesteld zag in een ander, eveneens met flambouwen verlicht gedeelte van de gewelven, waar de zes vrienden nu heengebracht werden.
Eenige zeer rijk versierde negers, die blijkbaar tot de regeeringspartij van den stam behoorden, namen nu op een uit rotsblokken gevormde verhevenheid plaats, en schenen raad te houden. Zij gaven een teeken, en de gevangenen werden voorgebracht. Eerst beproefde men elkaar door gebaren te begrijpen, maar toen dit geheel mislukte, scheen een der hooge heeren op een beter denkbeeld te komen. Hij zond een boodschapper af, en deze kwam terug met den helper, die zooeven bij de comedievoorstelling had geassisteerd. Men wilde hem blijkbaar als tolk doen dienen.
Benieuwd wat deze neger van zijn betrekking terecht zou brengen, keken de gevangenen toe. Het opperhoofd gaf den tolk eenige instructies, en tot groote verbazing der zes mannen, vroeg de neger hun in zuiver Hollandsch:
“Wie van u is de verantwoordelijke persoon van uw expeditie?”
“Ik,” antwoordde Li.
“Het opperhoofd van den stam der Ligo-Ambura1vraagt of zij u zonder gevaar uw wapens kunnen afnemen.”
“Dat kan,” zei Li, “maar wij zullen ze zelf wegleggen, want wanneer een oningewijde ze aanraakt, zal hij groote rampen over den stam brengen.”
De tolk bracht dit antwoord over, en het opperhoofd gelastte nu, dat Li hem de pistolen zou brengen.
Het opperhoofd keek er eenigszins angstig naar, en liet toen door den tolk weten, dat hij verlangde er mee te zien schieten. Tevens gaf hij bevel een der andere negers als doel te gebruiken.
Li deed hem opmerkzaam maken, dat dit niet ging, want dat de neger dan bewusteloos zou neervallen.
Maar dat scheen het opperhoofd een zaak van ondergeschikt belang, en hij herhaalde zijn bevel zoo dreigend, dat Li wel moest gehoorzamen.
Er werd nu een slaaf voorgebracht, en Li schoot een gaspatroon op hem af, met het gevolg, dat de man bewusteloos neer viel, veroordeeld om daar vier-en-twintig uur te blijven liggen.
Deze uitwerking bracht er eenigszins den schrik in, vooral toen de gassen bovendien nog vier andere negers, die in de nabijheid stonden, eveneens bewusteloos deden worden. Het opperhoofd kreeg nu zooveel ontzag voor de wapens, dat hij Li deed gelasten ze bij elkaar op een daarvoor aangewezen rotsblok aan het verste gedeelte der zaal neer te leggen. Verscheiden negers bleven er angstig om heen dwalen, nieuwsgierige blikken naar die wonderdingen werpend, maar niemand durfde zich in de nabijheid wagen.
Toen volgde de vraag, of de gevangenen bovennatuurlijke wezens waren.
Li liet hierop antwoorden, dat ze reizigers waren die leeuwen kwamen schieten en overigens slechts vredelievende bedoelingen hadden.
Het opperhoofd deed nu nog verscheidene vragenstellen, die de tolk naar zijn eigen inzicht beantwoordde. In de plaats daarvan, doende of hij de vragen vertaalde, hield hij het volgend gesprek met Li.
De tolk: “Weet u wel waar u hier bent?”
Li: “Neen.”
De tolk: “In handen van menscheneters.”
Li: “Maar wat doet u dan hier?”
De tolk: “Ik ben een Hollander, de bediende van een ontdekkingsreiziger. We zijn al een jaar hier gevangen.”
Li: “Maar waarom sparen ze u het leven?”
De tolk: “Professor Korling geeft allerlei goochelvoorstellingen. Daarmee heeft hij zichzelf en mij het leven gered, en op die manier hebben we dat leven al een jaar lang gerekt.”
Li: “Dat is verschrikkelijk. En wat denkt u dat ze met ons zullen doen?”
De tolk: “Opeten, zonder twijfel. Elke blanke die in hun handen valt, wordt levend geroosterd en daarna opgegeten.”
Li: “Een prettig vooruitzicht. Komen er hier veel blanken?”
De tolk: “Tamelijk veel. Ze gaan hier dikwijls op de leeuwenjacht, en vermoeden dan niet dat zich in deze eertijds onbewoonde streken kannibalen ophouden. De Ligo-Ambura zijn een stam, die zich van de hunnen hebben afgescheiden. Uit Midden-Afrika gekomen, hebben ze ze zich hier in die holen, een oude stroombedding, gevestigd.”
Li: “Denkt ge, dat er kans is te ontsnappen?”
De tolk: “Zeer weinig, anders hadden wij het al gedaan.”
Hiermee eindigde het gesprek, want het opperhoofd gaf het bevel de gevangenen weg te brengen.
Zij werden nu in een andere “zaal” gebracht, grenzende aan deze, en werden daar den geheelen dag gelaten.
Tegen den avond bracht men hun eenig voedsel, hoofdzakelijk bestaand uit wat taai, oneetbaar leeuwenvleesch, en daarna liet men hen weer aan hun lot over.
Toen ze alleen waren werd er raad gehouden. Li stelde voor zich van de pistolen meester te maken, maar de omstandigheid dat de stam verscheidene honderden leden telde, deed hen van een algemeenen aanval, waarbij zij toch wel het onderspit zouden delven, afzien.
Het was een wanhopige toestand.
De groote kans, dat zij morgen levend gebraden en opgegeten, zouden worden, stemde hen geen van allen vroolijk, maar ze bleven toch nog geruimen tijd over middelen ter ontsnapping nadenken, nu evenals altijd den moed niet verliezend.
Tegen tien uur ’s avonds werd een zwaar rotsblok, dat den ingang afsloot, opzij geschoven; twee negers kwamen binnen, en de deur, of liever gezegd het rotsblok, ging weer dicht. Zoodra de opening gesloten was, kwam een der negers, dien men herkende als hem, die dien middag de voorstelling had gegeven, met uitgestrekte handen op hen toe, en zei in het Hollandsch:
“Hoe heerlijk, dat ik landgenooten tref! Maar hoe treurig, dat u lotgenooten moet zijn!”
Hij stelde zich nu voor als de bekende ontdekkingsreizigerWillem Korling, en vertelde dat hij, evenals zijn knecht, gedwongen was geworden een negercostuum aan te trekken en zich zwart te verven, opdat zij de negers door hun Europeesche kleeding en hun blanke kleur niet voortdurend zouden ergeren.
“Korling!” zei La, “dus ik heb goed geraden!”
“Wist u dan, dat ik hier was?”
“Neen. Maar ik vond op weg hierheen dit doosje lucifers, dezen knoop, en dit papiertje met uw voorletters”—de professor herkende die inderdaad als van hem afkomstig—“en daar ik wist dat u in Nederland al sedert een jaar als gestorven betreurd wordt, omgekomen op de kust van Tripolis, vermoedde ik dadelijk dat ik uw spoor gevonden had. Het is mij een groote vreugde dat u nog leeft, maar ik vind het verschrikkelijk u onder deze omstandigheden te moeten aantreffen.”
La had de avonturen van den ontdekkingsreiziger—den Hollandschen natuurkundige en Afrika-kenner Korling, tevens professor in de oude talen—in de nieuwsbladen gelezen, en ook Rob herinnerde zich nu zeer goed daarvan gehoord te hebben. Na eenige zeer geslaagde ontdekkingsreizen te hebben ondernomen, onder meer naar de bronnen van den Nijl, was Korling bij zijn laatsten tocht met zijn schip door hevige stormen op de kust van Tripolis geworpen; alle opvarenden waren omgekomen, behalve hijzelf en zijn bediende, die in handen derLigo-Amburawaren gevallen. In Nederland wist men niet beter of de beminde en beroemde man was een afgrijselijken dood gestorven.
“Men was reeds bezig,” vertelde Korling, “hetvuur te stoken waarboven wij gebraden zouden worden, toen ik op de gedachte kwam door enkele kleine goochelkunstjes, waarmee ik mijn kinderen wel bezig hield, de aandacht af te leiden. Die poging gelukte boven verwachting. Ik tooverde een armring van het opperhoofd weg, en bracht die uit den neus van zijn vrouw weer te voorschijn; ook vertoonde ik eenige toeren met lucifers en geldstukken. Het succes was verbazend. Het opperhoofd benoemde mij tot zijn hofkunstenaar, en sedert dien tijd ben ik bijna onafgebroken bezig met sensationeele voorstellingen te geven. Het is wel droevig,” zei hij met een zucht en een glimlach, “te moeten bedenken dat ik, professor en ontdekkingsreiziger, mijn leven moet rekken door als kermisgoochelaar op te treden. Maar wat doet men al niet om te verhinderen dat men opgegeten wordt? Dat zou toch al een heel onwaardig einde zijn!”
De professor vertelde nu ook nog, dat zijn natuurkundige kennis hem in staat had gesteld met allerlei eenvoudige, zelfs gebrekkige hulpmiddelen, proeven te vertoonen, waarvoor deze wilde menschen het grootste respect toonden.
“U zult niet willen gelooven,” zei hij lachend, “dat ik hier de zegeningen der modernste beschaving heb binnengeleid. Zoo heb ik bijvoorbeeld electrisch licht weten te verkrijgen en zelfs eentelefoonaangelegd, waarmee het opperhoofd me soms een heelen dag opschelt en ellenlange gesprekken met me houdt; want ik heb natuurlijk in dat jaar gelegenheid genoeg gehad om de taal derLigo-Amburagrondig te leeren. De kunst die ik van middag vertoonde, kent men in Europa onder den naam van “De gevangenevan Zenda.” Ze is heel merkwaardig, vindt u niet?”
Het was eigenaardig, zooals deze man over zijn goocheltoeren sprak, en ’t leek wel of hij er plezier in had en niets liever wilde dan hier zijn leven als “hofkunstenaar” te slijten. Maar men moet bedenken, dat hij zich met die toeren het leven had gered, en dus groote waarde er aan toekende, ja, er dag en nacht geheel van vervuld was.
“Hoe gaat die toer eigenlijk?” vroeg Rob nieuwsgierig.
“O, dat is heel eenvoudig,” antwoordde Korling. “De oogjes, waarover het losse uiteinde van de om nek, enkels en polsen sluitende halve bogen past, kunnen door het wegnemen van een spie aan den achterkant worden losgemaakt uit den wand. De gevangene trekt ze dan eenvoudig met de halve bogen, de hangsloten en al naar zich toe, en—is vrij. De sloten hebben er dus eigenlijk niets mee te maken en kunnen zoo stevig zijn als men maar wil. De gevangene stapt door den achterwand, die om een spil in het midden draaien kan, uit het huisje, na de halve bogen weer met die spieën aan den achterwand bevestigd te hebben.”
“Dat is zeker heel eenvoudig,” zei Rob.
“Morgen zal ik u nog een veel mooieren toer laten zien,” zei de professor. “Dan ga ik in een rechtopstaande doodkist staan, en verander voor uw oogen in een geraamte. Griezelig, hè? Maar toch is ’t heel eenvoudig. ’t Was indertijd in de Warmoesstraat in Amsterdam te zien.”
“Ja!” riep Rob, in wien nu al de belangstelling en de nieuwsgierigheid van den schooljongen loskwam.“Dat herinner ik me heel goed. Maar ik begreep er toen niets van. Hoe doen ze dat?”
“Wel, dat gaat als volgt,” zei de professor. “Recht voor den toeschouwer staat een open doodkist; daarin ga ik rechtop staan, schel verlicht door lampjes aan weerszijden. De doodkist staat achter op het tooneel; naar de toeschouwers toegaande, staan er rechts twee en links twee coulissen, zwart evenals de achtergrond, en het tooneel in gelijke deelen verdeelend. Tusschen twee van die coulissen, rechts of links naar verkiezing, maar verborgen voor den toeschouwer, staat precies zoo’n kist als de eerste, doch in richting loodrecht daarop. Deze bevat een geraamte—dat hier nog al gemakkelijk te krijgen is! Nu draait men de lichten naast de kist, waarin ik sta, langzaam uit, zoodat ik geheel in ’t donker kom en onzichtbaar wordt. Tegelijkertijd worden de lichten van de andere kist langzaam opgedraaid en het spiegelbeeld daarvan wordt zichtbaar op een groote glazen plaat, die van de linker- (rechter-) voorste coulisse onder een hoek van vijfenveertig graden met den horizon, naar de rechter- (linker) achterste coulisse loopt. Dit beeld bedekt nu volkomen het intusschen verdwenen eerste beeld. Met andere woorden: men ziet mij langzamerhand in een geraamte veranderen. U begrijpt dat de negers daar verrukt van zullen zijn!”
Het verhaal intresseerde Rob zeer, die het heerlijk vond zoo in de geheimen van de kermis te worden ingewijd.
Maar Li vond het tijd worden den professor op andere gedachten te brengen.
“Ziet u geen kans om ons weg te tooveren, professor?Met andere woorden: een middel tot ontsnapping aan de hand te doen?”
Daar scheen de professor nog niet over gedacht te hebben. Hij was zoo gewoon geraakt aan zijn gevangenschap, en zoo overtuigd dat elke poging tot ontsnapping vruchteloos zou zijn, dat hij eigenlijk wat verbaasd van die vraag opkeek.
“Het zou misschien mogelijk zijn ons van de wapens meester te maken,” zei de bediende van den professor. “We kunnen er wel niet veel mee uitrichten tegen overmacht, maar wanneer de voorstelling morgen veel succes heeft, hebben we kans dat de heele stam tegen den avond smoordronken ligt te slapen. Dan is er misschien iets uit te richten.”
“Maar we kunnen toch niet over de Middellandsche Zee zwemmen?”
“Het middel om over de zee te komen zou ik u misschien kunnen verschaffen,” zei Li.
“Wat!” riep de professor opspringend. “En hoe?”
“Dat moet u aan me overlaten,” antwoordde Li. “Ik mag het u niet zeggen voorloopig.”
Natuurlijk dacht Li aan De Vogel. Mu en de inmiddels teruggekeerde Nof zouden ongerust zijn over hun wegblijven, en trachten met De Vogel hun sporen te volgen. Li hoopte het luchtschip den volgenden dag te kunnen praaien. Voor zulke gevallen had men steeds een signaalfluitje, dat een zeer doordringend geluid gaf en waarmee men elkaar seinen kon geven.
Het werd tijd om te gaan rusten, ten einde op de gebeurtenissen van den volgenden dag voorbereid te zijn. Men kon niet veel anders doen dan op dennaakten grond te gaan liggen, en zoo te ondervinden hoe de professor en zijn bediende tot nog toe den nacht in hun nu door zes lotgenooten gedeeld verblijf hadden doorgebracht.
Den volgenden morgen werd men vrij vroeg gewekt en voor het opperhoofd gebracht. Deze liet hen meedeelen, dat ze tegen den middag de eer zouden genieten door hemzelf, zijn vrouwen en hovelingen te worden opgegeten.
Toen deze mededeeling was gedaan, hield de professor een lange toespraak tot het opperhoofd.
Hij vertelde hem, dat hij verkeerd zou doen met de vreemdelingen zoo spoedig dat groote gunstbewijs te schenken, daar zij bizondere eigenschappen bezaten, waardoor hun gebeente ook na den dood de macht bleef houden om te leven en te bewegen.
Dat vond het opperhoofd uiterst merkwaardig.
Hij had al heel wat blanken opgegeten, maar nooit had hij in de overgebleven botjes nog eenig leven bespeurd. Ook het gebeente van de gestorven negers was steeds zoo dood gebleven als het was.
“Maar als zij na hun dood blijven leven,” merkte het opperhoofd op, “dan is het ook niet onaangenaam voor hen doodgemaakt te worden, niet waar?”
“Dat is zoo,” zei de professor.
“Welnu, dan zullen we ze maar zoo gauw mogelijk opeten,” zei het opperhoofd met echte neger-logica, “des te eer kunnen we ons van de waarheid uwer woorden overtuigen.”
Korling vond, dat het gesprek een onverwachte en onaangename wending nam, en merkte daarom haastig op:
“Daartegen is echter een bezwaar. Het geraamte moet bepaald in zijn geheel blijven. Gaat er een beentje verloren, dan mislukt de proef.”
“Dan zullen we zorg dragen ze heel voorzichtig af te kluiven, zoodat ze ongeschonden blijven,” zei het opperhoofd, niet uit het veld geslagen.
“Dat heeft toch bezwaren bij het eten,” opperde Korling. “het is niet gemakkelijk zoo’n heel lichaam te hanteeren.”
Daarvoor voelde de neger blijkbaar wel wat, en zoo verkreeg de professor ten slotte de toezegging, dat de blanken nog tot morgen van het braadspit bevrijd zouden worden.
In den middag begon de voorstelling.
De professor had de armen en beenen van het skelet door middel van touwtjes beweegbaar gemaakt, en zoo gelukte het hem, niet alleen opvolgend de zes gevangenen in geraamten te veranderen, maar hen in dien toestand nog de vroolijkste sprongen te doen maken, zoodat de toeschouwers inderdaad wel veronderstellen moesten dat doodgaan voor hen een allerplezierigste ondervinding was.
De voorstelling had een uitbundig succes.
Telkens en telkens moest de professor zijn kunststuk weer vertoonen, en toen men eindelijk verzadigd was, ruimde Korling met behulp van zijn bediende snel het tooneel op, opdat men er niet achter zou komen welken poets hij ze gespeeld had.
Er volgde nu een vroolijk feest, als gewoonlijk na zulke gelukte voorstellingen. De professor verrichtte nog een aantal eenvoudige goocheltoeren, en ten slotte bereikte de feeststemming zulk eenhoogte, dat bijna alle negers verregaand dronken waren. De gevangenen moedigden hen in ’t drinken aan, en toen eindelijk de waggelende wachter hen in hun slaapvertrek had opgesloten, kon men het snurken der dronken in den dut gevallen feestvierders in de gewelven met een zware echo hooren weerschallen.
Toen alles rustig was, gaf de bediende van den professor het teeken tot opstaan.
“Er is een doorgang naar de nevenzaal,” zei hij, “waar de pistolen liggen. We zullen deze gaan halen.”
Op zijn aanwijzing schoof men met gezamenlijke krachten een rotsblok op zij, en zoo kwam men bij de pistolen, die nog op dezelfde plaats lagen, maar door een slapenden neger “bewaakt” werden.
Ieder stak spoedig zijn wapen weer in den gordel, en nu nam men denzelfden weg als die, welken Li en zijn reisgenooten hierheen gevolgd waren. De professor kende hier overal uitstekend den weg, en, door de electrische lantarens bijgelicht, bereikte men na vijf kwartier loopen den uitgang.
Welk een blijdschap en een opluchting, toen men zich weer vrij voelde!
Er was echter geen tijd zich lang aan die blijdschap over te geven.
Elk oogenblik kon hun ontsnapping bemerkt worden, en dan zou het met hun leven spoedig gedaan zijn.
Zoo snel mogelijk spoedde men zich naar de groep van palmboomen, waar De Vogel was achtergebleven.
Deze was er niet!
Welbeschouwd behoefde dit niet zoo te verwonderen, want begrijpelijkerwijs zou Mu met Nof aan ’t zoeken zijn gegaan naar de vermisten.
Er bestond op De Vogel echter de vaste regel, dat men in gevallen als deze steeds na een bepaalden tijd met het luchtschip weer op de plek terugkwam waar men gescheiden was, om te zien of de vermisten zich daar ook bevonden.
Dank zij dezen verstandigen maatregel, maakte men zich niet ongerust over de afwezigheid van het luchtschip, en besloot onder de palmen rustig zijn komst af te wachten.
Tegen vier uur in den morgen werd Li’s signaalfluitje van uit de lucht beantwoord.
Onmiddellijk daarop werden de professor en zijn bediende geblinddoekt, nadat men hun meegedeeld had dat ze zich met volle vertrouwen konden overgeven, maar dat deze maatregel noodzakelijk was, omdat zij niet wenschten dat hij de inrichting zag van het vaartuig waarmee men hen zou wegbrengen. Te voren was overeengekomen dat men hen in Marseille zou afzetten, waar de professor goede bekenden had wonen. Men had intusschen wijselijk steeds Laïesch gesproken als het dingen betrof die geheim moesten blijven, en zich overigens gehouden of men uit Holland afkomstig was.
Mu daalde snel met De Vogel neer, en weldra waren allen aan boord. Nu zette het luchtschip met den meesten spoed koers naar Marseille.
Natuurlijk vertelde Mu, dat hij erg in de benauwdheid gezeten, en overal gezocht had, en de anderen moesten in kleuren en geuren hun avonturen vertellen. Gelukkig dat nu alles voorbij was, en men alweer een les in de voorzichtigheid had ontvangen.
“Het ligt aan de aarde,” zei Li ernstig. “Zoolangwe hier op De Vogel zijn, denken we niet aan onvoorzichtigheden en waaghalzerij, maar zoo gauw zijn we niet op den vasten grond, of we schijnen ons geroepen te voelen kwajongensstreken uit te halen.”
Opeens, bemerkend dat Nof er niet was, zei Li:
“Waar is Nof? Die is toch al lang aan boord?”
“Neen,” antwoordde Mu, “hij is niet gekomen; ik dacht dat hij jullie ontmoet had en verbaasde me al dat hij niet bij jullie was.”
“Nu, hij zal zeker een dag later komen; hij heeft nog al tegenwind. Maar dan moeten we morgen weer naar de kust terug.”
“En ons niet meer door negers laten inrekenen!” zei Rob lachend.
“Daar zal ik wel voor oppassen,” zei Li. “Niemand gaat van boord!”
Men bereikte spoedig Marseille, en in den vroegen morgen werd de professor met een vliegmachine aan wal gezet. Daar moest men hem wel aan zijn lot overlaten.
De lezer heeft ongetwijfeld in ’t laatst van December 1901 uit de kranten gezien, dat professor Korling, dien men dood waande, opeens in Nederland teruggekomen was en dat onbekende personen, die Hollanders zeiden te zijn, hem met een luchtballon naar Marseille hadden gebracht.
De eigenlijke toedracht van deze gebeurtenis heeft tot nu toe eigenlijk niemand goed begrepen, ook de professor zelf niet. De lezer zal daarom zeker met belangstelling in dithoofdstukden geheimzinnigen sluier hebben zien oplichten.
1Snelvoeten.
1Snelvoeten.
Nof is verdwenen.—Men wacht hem tevergeefs.—De man in het schuitje.—Het losgeld.—Nof komt terug.—Het verhaal van Quebranto den Strandroover.—Naar Czernovië!
Nof is verdwenen.—Men wacht hem tevergeefs.—De man in het schuitje.—Het losgeld.—Nof komt terug.—Het verhaal van Quebranto den Strandroover.—Naar Czernovië!
Toen men weer bij Bengasi terugkwam, was het helder dag.
De Vogel bleef eenigen tijd zwevende boven de zee, en met behulp van sterke kijkers begon men den omtrek in alle richtingen af te zoeken. Maar er was niets van Nof te zien.
Toen de dag voorbijging en de avond viel, zonder dat men iets van den vermiste vernam, begon men zich ernstig ongerust te maken. De tijd was ruim berekend, en Nof had al lang terug kunnen zijn; er was dus reden om aan een ongeluk te gaan gelooven.
Toch kon men voorloopig niet veel anders doen dan in de buurt blijven kruisen, hopend dat Nof ten slotte zou komen opdagen.
Men nam dus een afwachtende houding aan.
Twee, drie dagen gingen voorbij, maar Nof bleef weg.
De eenige afleiding, die men zich schenken kon, was boven de rotsenwoning van den negerstam te gaan zweven, en zich dan te vermaken met den schrik dier zwarte heeren, toen ze daar zulk een gevaarte door de lucht zagen zeilen. Waarschijnlijk vermoedden ze niet, dat daar op De Vogel het maaltje blank vleesch te vinden was, dat hun eenige dagen geleden zoo leelijk den neus voorbijgegaan was.
Toen men weer twee dagen gewacht had en Nof nog niet verschenen was, besloot Li desnoods de geheele reis te maken, die Nof verricht had, hopend hem onderweg te zullen vinden. Wat den omtrek betreft, die was nu over twee uur in het rond zoo grondig doorzocht, dat men veilig kon aannemen Nof daar niet te zullen vinden.
Alles werd dus voor de reis klaargemaakt, toen, op het punt van te vertrekken, Rob’s aandacht getrokken werd door een klein bootje, dat langs de kust voer, en waaruit een man stapte, die, na ’t bootje aan wal getrokken te hebben, recht op de palmengroep afging waar De Vogel zich gewoonlijk verdekt opstelde.
Van achter de rotsen, waar het luchtschip zweefde, bleef men den man waarnemen. Hij vertoefde slechts enkele oogenblikken bij de boomen, zocht daarna z’n schuitje weer op, en roeide dicht langs het strand in westelijke richting weg.
Dit was ongetwijfeld een merkwaardig verschijnsel, en Li besloot zich op de hoogte te gaan stellen van wat die man in het palmbosch had uitgevoerd. Daar aangekomen, vond men een briefje aan een der stammen gespijkerd—het was van Nof!
Snel brak Li het open, en las: