The Project Gutenberg eBook ofVan Schooljongen tot Koning

The Project Gutenberg eBook ofVan Schooljongen tot KoningThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Van Schooljongen tot KoningAuthor: J. TersteegIllustrator: Jan SluijtersRelease date: January 24, 2006 [eBook #17593]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SCHOOLJONGEN TOT KONING ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Van Schooljongen tot KoningAuthor: J. TersteegIllustrator: Jan SluijtersRelease date: January 24, 2006 [eBook #17593]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/

Title: Van Schooljongen tot Koning

Author: J. TersteegIllustrator: Jan Sluijters

Author: J. Tersteeg

Illustrator: Jan Sluijters

Release date: January 24, 2006 [eBook #17593]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SCHOOLJONGEN TOT KONING ***

Van Schooljongen tot Koning

Nu zag Rob het kolossale luchtschip. (pag. 19.)Nu zag Rob het kolossale luchtschip. (pag. 19.)

Nu zag Rob het kolossale luchtschip. (pag. 19.)

Nu zag Rob het kolossale luchtschip. (pag. 19.)

Boek-, Courant- en Steendrukkerij G.J. Thieme, Nijmegen.

I.Hoe dit Boek ontstond1

De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October 1901.—Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden hem terug.—Er wordt hem ƒ10.000 geboden voor een beschrijving van zijn lotgevallen.

II.Rob vliegt de Lucht in11

Wat Rob in het Vondelpark vond.—De geheimzinnige doos.—Rob meent een komplot op het spoor te zijn.—Hoe zijn nieuwsgierigheid gestraft werd.

III.Op het Luchtschip16

Rob komt aan boord van “De Vogel”.—Hij wordt vriendelijk ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich ingericht.—Hij leert het leven aan boord kennen.—De eerste dag valt hem niet tegen.

IV.Hoe “De Vogel” er uitzag35

Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.—La toont hem eenige wonderen.—De geheimen van de stuurkamer.—Bijna zoo hoog als de Mont-Blanc.—Rob gaat vroeg naar bed.

V.Een Strijd tusschen een Lucht- en een Oorlogsschip46

“De Vogel” gaat aan land.—Er dreigt gevaar.—Rob redt den commandant.—Een Engelsch oorlogsschip.—Een onbloedig gevecht.—Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.—Rob wordt zeeman.—De landing te Dover.

VI.Rob komt in Londen68

De ontvangst te Dover.—De aankomst in Londen.—Het huis in Longmanstreet.—Li’s eerste lezing over een nooit gemaakte Zuidpoolreis.—Alle Londensche heeren wenschen zich een poolmeisje tot vrouw.—Het diner van het Aardrijkskundig Genootschap.—Rob drinkt thee met den Koning.—De kroonjuweelen.

VII.Li steelt de Kroonjuweelen80

Li krijgt het koffertje te leen.—La verricht nieuwe wonderen.—De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.—Hoe hij beetgenomen werd.—De kroonjuweelen zijn gestolen!—Het verhaal van de diefachtige poes.—Li heeft de diamanten te pakken.—De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht van wal.—Terug op “De Vogel”.—De reis naar Transvaal.—Hoe het met de diamanten afliep.

VIII.Li vertelt z’n Geschiedenis95

Waarin verteld wordt, hoe ’t maar ’n haartje gescheeld had, of Rob was weer in ’t Vondelpark gaan wandelen.—Li vertelt zijn levensgeschiedenis.—Rob hoort van de stichting der Oranje-Republiek, van Rusland’s booze plannen, van de dappere Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.

IX.Een onverwacht Avontuur112

De kust van Tripolis.—De leeuwenjacht.—De onderaardsche gewelven.—In handen van menscheneters!—De ontdekkingsreiziger Korling als goochelaar.—De vlucht.—Weer op “De Vogel”!

X.Nof en de Strandroover138

Nof is verdwenen.—Men wacht hem tevergeefs.—De man in het schuitje.—Het losgeld.—Nof komt terug.—Het verhaal van Quebranto den Strandroover.—Naar Czernovië!

XI.De “Vogel” wordt vernietigd156

De reis wordt door stormen vertraagd.—De nederdaling bij Midia.—Er ontploft een mijn en “De Vogel” vliegt in de lucht.—In Turksche gevangenschap.—De Dardanellen-Oorlog.—Li en Rob herkrijgen hun vrijheid.—De Engelsche spionnen gaan de doos in.—Naar Slavowitz!

XII.Rob maakt kennis met den Hertog van Bora168

In het Hotel Czernovië.—Van Stralen ontmoet zijn broer.—Daar komt de Prinses!—Een ontmoeting met den aanstaanden Prins-Gemaal.—Esse quam videri.—Van Stralen doet een duel op.—De tooneelspelen van Aeschylus.—Van avond om zes uur.

XIII.De Verrader193

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren kennen.—Wat de gezant te Petersburg schreef.—Een verrader onder de Ministers.—Russakoff is ontsnapt!

XIV.Ivan Bavenski202

Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.—De drie verzegelde pakketten.—Elizabeth hoort van het duel.—De brief van Felix.—Zou hij het zijn?—Naar het Roode Woud!

XV.Het Duel213

De ontmoeting in het Roode Woud.—De Russische schildwacht.—Het duel begint.—De plotselinge verschijning der Prinses.—De Hertog wordt gearresteerd.—Zij hebben elkaar herkend!

XVI.WatKatinavan Russakoff vertelde220

De drie vrienden ontmoeten Zabern.—Katina, de patriot.—Zabern komt Russakoff op het spoor.—Met spoed naar Slavowitz terug!

XVII.Russakoff begaat een Moord238

Hoe Katina een troïka ment.—Het klooster.—De Russische wijk van Slavowitz.—De troïka komt in het gedrang.—Paul wordt doodelijk gewond.—Felix, Zabern en het raadselschrift.—Zou Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?

XVIII.Felix enElizabeth254

Felix wordt bij de Prinses ontboden.—Het weerzien.—Wederzijdsche ontboezemingen.—Felix wordt tot Secretaris benoemd.

XIX.Een Staaltje van Schermkunst262

De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.—Een opstootje in de Kamer.—Wat het orkest van Mengelberg op z’n geweten heeft.—Felix verslaat zes tegenstanders.—De Furiën!

XX.Rob betrapt een Inbreker278

Rob gaat aan het cijferen.—Gevonden!—De inbraak in het Paleis.—Zabern redt Rob nog juist op tijd.—Het verbrande Charter.—Wat zal er van Czernovië worden?

XXI.Het Gezantschap van den Czaar295

Felix aanvaardt zijn nieuwe betrekking.—Graaf Feodor Orloff, Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.—Elizabeth antwoordt hem zeer beleefd.—Katina wordt eerst tegen haar zin, daarna vrijwillig gevangen.—Zabern schrijft een brief.

XXII.Een gemaskerd Bal319

Het wetsontwerp-Lipski.—Prinses Elizabeth teekent een contract.—De schatten van het St. Nicolaas-klooster.—Iedereen verliest den moed, behalve Zabern.

XXIII.Een Moordaanslag op de Prinses338

Rob wordt met een benoeming verrast.—De wapenschouwing.—Twee schoten op de Prinses.—De daders ontsnappen.—De wet-Lipski komt in stemming.—De verrassing van Zabern.—De moordenaar wordt gevat.—De kelder van Lipski.—Zabern schrijft een brief.—

XXIV.Een Russisch Leger aan de Grens364

Felix wordt uit Czernovië verbannen.—Hij gaat, maar hij zal terugkomen!—Zes Turksche krijgsgevangenen in het studeervertrek van Zabern.—Rob verdwijnt.—Ravenski komt met nieuwe bedreigingen.—De Czaar staat aan de grens!

XXV.De Vooravond van de Kroning381

Het Russische leger komt nader.—Ravenski hernieuwt zijn bedreigingen.—Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog van Bora.—De drie verraders geknipt.

XXVI.Zabern en Ravenski388

Melchior, de verrader.—Zabern verschijnt.—De postduif.—Ravenski ontvangt een sabelhouw.—Het kanon van de Citadel.

XXVII.De Kroning398

Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.—De stoet zet zich in beweging.—Waar blijft Felix?—Waar blijft Rob?—Het St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.—De stem van Orloff.—De Hertog verschijnt.—De Czaar!—Rob brengt het Charter.—Elizabeth kiest Felix tot kampioen.

XXVIII.Het Kroningsduel426

De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.—Het duel begint.—Edelmoedigheid van Felix.—De Hertog wordt doodelijk gewond.

XXIX.Eind goed, Al goed438

De kroning gaat door.—Czernovië is vrij!—Felix wordt Prins-Gemaal.—Felix enElizabethdoen afstand van den troon.—Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.—

De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October 1901.—Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden hem terug.—Er wordt hem ƒ10.000 geboden voor een beschrijving van zijn lotgevallen.

De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October 1901.—Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden hem terug.—Er wordt hem ƒ10.000 geboden voor een beschrijving van zijn lotgevallen.

De groote gebeurtenis, die den 13enOctober 1901 het geheele land in rep en roer bracht, waarover de kranten weken lang kolommen vol schreven, en die weldra in alle deelen van Europa met schrik en verwondering besproken werd—die gebeurtenis ligt ons allen nog zoo versch in het geheugen, dat ik ze den lezer nauwelijks nader behoef aan te duiden.

Nu echter de geheimzinnige sluier opgeheven is, waarmee deze gebeurtenis een jaar lang was bedekt, en de geschiedenis van Rob Rensma’s lotgevallen in dit boek wordt bekend gemaakt, nu zij het mij volledigheidshalve vergund de feiten nog even in ’t kort aan te stippen.

Het was ongeveer half negen in den morgen vanden 13enOctober 1901. Rob bevond zich op dat tijdstip op het Leidsche Plein te Amsterdam, en had dus geen haast te maken om met het spelen van negenen in de Hoogere-Burgerschool te zijn. Maar daarom alleen liep hij niet zoo langzaam: hij had twee zware repetities in ’t vooruitzicht—en hij had den heelen vorigen avond in ’t Vondelpark gefietst! Meer behoef ik er niet van te zeggen.

Rob slenterde dus zoo’n beetje langs de straat, z’n boeken onder den arm en z’n oogen naar den grond, en hij trachtte zich vergeefs ’n formule uit zijn natuurkundeboek te binnen te roepen, die hij totaal vergeten was, en waarnaar hem vandaag zeker gevraagd zou worden. Ze vroegen hem altijd dingen die hij niet wist! Rob was niet dom—integendeel. Hij had een vlug en helder verstand, maar hij gebruikte ’t niet altijd. Hij hield meer van lichamelijke dan van geestelijke inspanning. Fietsen, zwemmen, voetballen—dat was je ware; maar langer dan ’n uur rustig op de bank te zitten, daarvoor was Rob te ongedurig.

“Ik gaf mijn nieuwe fiets ervoor,” dacht Rob, “als ik vandaag niet naar hok hoefde. Hè, als er nu eens onverwacht iets gebeurde, waardoor...”

Hij had dezen zin bij zichzelf nog niet voltooid, toen hij zich opeens krachtig om het middel voelde gegrepen, opgetild en snel omhoog gevoerd worden.

Eén minuut daarna was hij nog slechts als een stip, twee minuten later was hij geheel niet meer te zien.

’s Morgens om halfnegen is het op ’t Leidsche Plein al zoo druk als in een kleinere stad wanneer’t kermis is. ’t Spreekt dan ook vanzelf, dat zijn ontvoering niet onopgemerkt bleef. Maar ’t is merkwaardig zooveel verschillende verhalen men te hooren krijgt, als tien ooggetuigen een gebeurtenis ieder op zijn eigen manier weergeven. Meer dan tien menschen hadden waarschijnlijk ’t verdwijnen van den zooeven nog rustig wandelenden jongen niet van ’t begin tot ’t eind gezien; want alles ging zoo verbazend snel in zijn werk, dat Rob al uit ’t gezicht verdwenen was eer men goed begreep wat er gebeurde. Maar toen later, ten behoeve van ’t onderzoek, door de justitie getuigen werden opgeroepen, verklaarden zich 234 personen bereid onder eede te verklaren wat ze gezien hadden, terwijl bij vergelijking der op schrift gebrachte verklaringen daarvan 159 zeer aanmerkelijk van elkaar bleken te verschillen! De een had duidelijk gezien, dat een groote roofvogel den jongen in zijn klauwen had gepakt; de tweede wist zeker, dat er op het dak van den Stadsschouwburg een man had gestaan die een langen lijn uitwierp met een haak er aan, en zoo den jongen naar zich toe trok; de derde had Rob, dien hij zeer goed kende, om halfnegen bij het Centraal-Station ontmoet, zoodat hij niet begreep hoe er van dat ontvoeringsverhaal iets waar kon zijn; een vierde had zonder eenigen twijfel een luchtballon gezien, waar Rob met een dreg ingeheschen werd—kortom, ieder had een andere lezing van het geval, en de een sprak tegen wat de ander gezien had.

Van een geregeld onderzoek kon in deze zaak geen sprake zijn. De rechter van instructie bepaalde zich tot ’t doen opschrijven van 234 getuigen-verklaringen,en overigens was niemand bij machte ook maar de geringste aanwijzingen te geven omtrent een vermoedelijken dader of omtrent de mogelijke aanleiding tot de daad.

“Het onderzoek wordt voortgezet”—dit was het laatste, wat de kranten het nieuwsgierig publiek omtrent het positieve gedeelte van deze geheimzinnige geschiedenis konden opdisschen. Maar het publiek was daarmee natuurlijk niet tevreden, en zoo moesten de nooit uit het veld geslagen krantenmannen het terrein der feiten wel verlaten, om over te gaan tot dat der fantasie. Menwildenu eenmaal niet tevreden zijn met het weinige, dat de justitie te weten was gekomen. En de verslaggevers begonnen ijverig op hun onuitputtelijken duim te zuigen. Avond aan avond verschenen er ellenlange artikelen om de verdwijning te verklaren. In de buitenlandsche bladen werd duchtig meegedaan. Zoo verscheen in de Figaro een meer geestig dan wetenschappelijk artikel van een ongenoemde, waarin betoogd werd dat hier niet anders kon gewerkt hebben dan een chemisch proces. Aangezien immers door de proeven van professor Raymond gebleken was dat het element falmium, door hem in het zonnespectrum geconstateerd, een sterke oplossende kracht bezat, was het zeer goed mogelijk—zoo redeneerde de Figaro-schrijver—dat door een tijdelijke en plaatselijke versterking van dat element een zoo sterke oplossende inwerking had plaatsgehad, dat Rob binnen enkele seconden in den poedervorm was overgegaan. Niemand dacht eraan, en de schrijver zelf waarschijnlijk ’t minst van allen, deze redeneering in ernst op te nemen. Maar evenmin wildemen geloof hechten aan het zeer geleerde en langdradige opstel van den beroemden Duitschen metereoloog Von Müller in de “Wissenschäftliche Blätter,” dat ten doel had de verdwijning te verklaren uit de opzuigende werking van een krachtigen luchthoos. Was deze verklaring inderdaad de juiste, dan moest Rob immers hier of daar weer neergekomen zijn, en zou men zijn overblijfselen hebben moeten vinden. Dat nu was niet het geval. Aan de rechtbank werd niets anders gedeponeerd dan het pak boeken, dat Rob onder den arm had toen hij zich op weg naar school bevond, en dat hij klaarblijkelijk gedurende zijn vliegtocht had laten vallen. Het was door een agent van politie bij de kiosk opgeraapt.

De heer Von Müller liet het er echter niet bij zitten. Hij gaf nog ettelijke naschriften op zijn artikel, en richtte ten slotte zelfs zulke krachtige vertoogen tot de Nederlandsche Regeering, dat deze zich tegenover de autoriteit van den geleerde niet verantwoord achtte zijn mededeelingen over het hoofd te zien. Op last van den Minister van Justitie werden gedurende eenige weken alle daken van alle huizen in den omtrek van het Leidsche Plein onderzocht—echter zonder ander resultaat dan dat de post “onvoorziene uitgaven” op de begrooting met ƒ10.000, zijnde de kosten van het onderzoek, moest verhoogd worden.

Na ongeveer vier weken begon de publieke belangstelling te luwen, totdat opeens een nieuwe gebeurtenis alle gemoederen weer in beroering bracht. Den 11enNovember toch werd bij den voogd van Rob, zijn ouders leefden niet meer, Willemsparkweg 921, een brief in de bus gevonden van den volgenden inhoud:

“Ik ben in leven, en u hoeft u dus niet ongerust over me te maken. Alleen zult u geduld moeten hebben, want ik zal waarschijnlijk wel een jaar moeten wegblijven. Maar u kunt er vast op rekenen dat ik dan gezond en ongedeerd bij u terugkom. Ontvang de hartelijke groeten vanuw liefhebbenden Rob.”“P.S. Wilt u er vooral aan denken, dat mijn konijnen iederen morgen hun eten krijgen?Rob.”

“Ik ben in leven, en u hoeft u dus niet ongerust over me te maken. Alleen zult u geduld moeten hebben, want ik zal waarschijnlijk wel een jaar moeten wegblijven. Maar u kunt er vast op rekenen dat ik dan gezond en ongedeerd bij u terugkom. Ontvang de hartelijke groeten van

uw liefhebbenden Rob.”

“P.S. Wilt u er vooral aan denken, dat mijn konijnen iederen morgen hun eten krijgen?

Rob.”

Ook deze gebeurtenis, de ontvangst van den brief, zal de lezer zich nog duidelijk herinneren. Afdrukken ervan werden overal verspreid; aan alle winkelruiten werd er een aangeplakt en alle kranten gaven er een als gratis bijlage. Opnieuw ging er een storm van ontroering door het land.

Professor Von Müller moest er het zijne weer van hebben. Hij schreef aan de Nederlandsche Regeering, dat deze brief vervalscht moest zijn. De hoos alleen was echt, en zou dit blijven zoolang niemand het tegendeel bewees. De geleerde heer roerde zich zóo, dat een onderzoek gelast werd naar de echtheid van het handschrift. Alle schoolcahiers, alle verjaarbriefjes, die Rob ooit aan tantes en ooms had geschreven, kwamen voor den rechter. Maar door iedereen, door Rob’s voogd en de familie Rensma in de eerste plaats, door de onderwijzers en de schriftkundigen, werd pertinent verklaard dat niemand anders dan Rob het bewuste briefje geschreven kon hebben. Nu werd de professor kwaad, en begon een verwoeden veldtocht tegen de schriftgeleerden, die volgens hem allemaal ezels waren. Hij schreef de eene brochure nade andere, en werd ten slotte zoo vervelend, dat niemand meer notitie van hem nam. Toen schonk de Duitsche Keizer hem de Kroonorde en den personeelen titel van Geheimrath.

De zaak werd er niet duidelijker op, en er zou zeker nog heel wat tijd en inkt aan besteed zijn, wanneer niet in die dagen de Transvaalsche Oorlog alle aandacht in beslag had genomen. De kranten bepaalden zich nu alleen tot enkele sensatieberichten. Ongeveer elke zes weken kwam er opeens een telegram, nu uit Singapore, dan uit Groenland, dan weer uit Valparaiso, dat er een jongen aangehouden was, wiens signalement geheel overeenkwam met het overal verspreid portret van den ontvoerde. Natuurlijk brachten zulke berichten telkens een kortstondige maar hevige spanning, en bleken zij ook telkens onjuist te zijn. Eens werd zelfs door de Japansche Regeering, op verzoek van de onze, een jongmensch op staatskosten naar Amsterdam getransporteerd, omdat men nu zeker meende Rob gevonden te hebben. Maar alle kosten en moeiten waren vergeefs. Het jongemensch, een reizend Mongoolsch marskramer, die eigenlijk heelemaal niet begreep wat men van hem wilde, genoot eenige dagen de belangstelling van heel Amsterdam, maar werd zoo bekeken, nageloopen, gedrongen en van het kastje naar den muur gestuurd, dat hij dol blij was toen de Japansche Consul hem weer overnam. Toch had hij de voldoening, met een aardig spaarduitje weer naar zijn land terug te keeren, want de handige directie van het Rembrandt-Theater had kans gezien hem tegen buitensporig hooge betaling voor twee avonden te engageeren, en zijn aardigeMongoolsche volksliederen hadden een uitbundig succes gehad.

Men kan begrijpen dat de familie Hartog, bij wie Rob in huis was geweest, in groote spanning leefde. Ofschoon zij het ’t beste oordeelde, den raad van Rob op te volgen en te berusten, was de justitie van oordeel dat men zich hier niet bij mocht neerleggen, en gedurende drie maanden werd het huis op den Parkweg door een sterke politiemacht bewaakt, ten einde te trachten den brenger van het briefje, mocht hij opnieuw komen, in handen te krijgen. Men ontdekte echter geen enkel spoor, en daar ook, noch uit het papier, noch uit den inkt iets omtrent de herkomst der berichten kon afgeleid worden, gaf men het ten slotte op.

Zoo verging het jaar 1901; het werd October 1902, en de belangstelling was langzamerhand verflauwd; men begon het geval Rensma te vergeten.

Toen—we herinneren het ons allen nog levendig—gebeurde er opeens iets, dat als een electrische schok door heel Nederland voer. Den 9enOctober ontving de familie Hartog een telegram uit Slavowitz, de hoofdstad van Czernovië, luidende:

“Ik kom den dertiende thuis.Rob.”

“Ik kom den dertiende thuis.

Rob.”

Vier dagen van vreeselijke spanning! Zou het waar zijn? Zou dit telegram werkelijk door Rob zijn afgezonden? Of had men weer met een van die leugenachtige sensatieberichten te doen, waardoor al zoo dikwijls teleurstelling was veroorzaakt?

Den 13enOctober, des avonds te elf minuten over achten, werd er forsch aan de bel getrokken, en tienseconden daarna.... stond Rob in de huiskamer, stralend, gezond, stevig!

Men begrijpt niet hoe zulke dingen uitlekken, maar zeker is, dat de ochtendbladen van den 14enmet vette letters aan het hoofd van de eerste pagina de groote gebeurtenis meldden. Op den Parkweg zag het zwart van de menschen; men verdrong zich voor de woning van de familie Hartog. Rob moest op het balcon komen en werd met luide hoera’s begroet. De heele buurt vlagde. Krantenjongens deden buitensporige zaken. De Amsterdammer Nieuwsbode, tot op dat oogenblik een kwijnend blaadje van den derden rang, wist door een reeks handig-gestelde artikelen de aandacht te trekken, en kreeg er in acht dagen tijds zevenduizend abonnés bij. Zooals men weet is ’t nu een Naamlooze Vennootschap met een kapitaal van twaalfmillioen gulden. In alle winkels verrezen speciale etalages, men kocht eenige weken slechts Rensma-brood, Rensma-sigaren, Rensma-paraplu’s, en er was geen lief meisje in heel ons land, die Rob’s portret niet op haar étagère had staan.

Maar het handigst van allen wist de uitgever van dit boek van Rob’s terugkomst partij te trekken. Om ongeveer acht uur in den morgen was door bulletins en telegrammen het groote nieuws bekend geworden; om kwart voor negen stapte er iemand voor het huis Willemsparkweg 921 van zijn fiets, belde, gaf zijn kaartje af en fietste vijf minuten later weer weg, met de schriftelijke verklaring in zijn zak, waarbij hem—nadere regeling voorbehouden—de alleenuitgave verzekerd werd van Rob’s reisavonturen! De 17 Amerikanen, 11 Duitschers, 8 Franschen,3 Russen, 2 Engelschen, 1 Deen en 1 Griek, die later op den dag telegrafisch dezelfde autorisatie vroegen, vischten achter het net. Eerst den volgenden dag kwamen de eerste aanbiedingen van andere Hollandsche uitgevers in. Niet alleen waren zij allen te laat, maar hun voorwaarden bleven ver ten achter bij die van eerstgenoemden uitgever, die zonder nadere onderhandelingen ƒ10,000 bood, en dit bedrag onmiddellijk verdubbelde toen hij vernam, dat Rob het voor de algemeene armen van Amsterdam wenschte te bestemmen.

Ondanks het gedane verzoek, had Rob geweigerd zelf het relaas van zijn lotgevallen te schrijven. Hij verklaarde daartoe den tijd te missen, en zooals we later zien zullen, was dit motief alleszins gegrond. Het gevolg van een en ander was, dat de uitgever denzelfden dag een telegram verzond van dezen inhoud:

“A. Bertrand—Hotel de Draak— Peking.“Rob Rensma terug—ben in het bezit van zijn aanteekeningen—wilt ge daaruit reisverhaal samenstellen—honorarium ƒ5000.”

“A. Bertrand—Hotel de Draak— Peking.

“Rob Rensma terug—ben in het bezit van zijn aanteekeningen—wilt ge daaruit reisverhaal samenstellen—honorarium ƒ5000.”

De bewerker van dit verhaal maakte op dat oogenblik een reis door China, bezig met het verzamelen van gegevens voor een nieuw jongensboek, en seinde terug:

“Ja—ik kom.A. Bertrand.”

“Ja—ik kom.

A. Bertrand.”

Veertien dagen later werd te Amsterdam een begin gemaakt met het schiften en ordenen van Rob’s notities, en als resultaat daarvan ligt thans het volledige en getrouwe overzicht van Rob’s wonderlijke avonturen voor u.

Wat Rob in het Vondelpark vond.—De geheimzinnige doos.—Rob meent een komplot op het spoor te zijn.—Hoe zijn nieuwsgierigheid gestraft werd.

Wat Rob in het Vondelpark vond.—De geheimzinnige doos.—Rob meent een komplot op het spoor te zijn.—Hoe zijn nieuwsgierigheid gestraft werd.

Het ligt voor de hand, dat men al gauw na Rob’s verdwijning zich de vraag stelde: wat is de onmiddellijke aanleiding tot zijn ontvoering? Is hier een wraakoefening in het spel? Is er een bepaalde reden waarom juist Rob het slachtoffer van deze geheimzinnige geschiedenis moest worden?

De lezer zal zich deze vraag ook gesteld hebben, en het ligt daarom in de bedoeling allereerst in dit opzicht een nadere verklaring te geven.

Iedereen weet, dat Rob den avond vóor de ontvoering in het Vondelpark gefietst had, daarna nog even in zijn studieboeken had gesnuffeld, en vervolgens naar bed gegaan was. Er was dien dag, noch de vorige dagen, iets bizonders met hem gebeurd, en den volgenden dag was hij op het gewone uur naar school gegaan. Deze eenvoudige feiten warenaan ieder bekend, en men kon er met geen mogelijkheid eenige aanwijzing in vinden, die steun aan het gerechtelijk onderzoek zou geven.

Maar wat tot op heden niemand geweten heeft, is het volgende.

Toen Rob door het Park fietste, liet hij zich als gewoonlijk geen enkelen kwajongensstreek ontgaan, en, in zijn neiging om dingen te doen die verboden zijn, reed hij ook zoo nu en dan door de voetpaden. De parkwachter had hem voor deze overtreding al menig standje gemaakt, maar op dat oogenblik was de man niet te zien, en bovendien begon ’t al te schemeren. Op het wandelpad, dat langs den vijver loopt, had Rob het ongeluk met zijn voorwiel een van twee mannen te raken, die daar op een bank in fluisterend gesprek zaten. De mannen, blijkbaar verschrikt, stonden haastig op; de een mompelde iets dat Rob niet verstond, en daarna verwijderden beiden zich snel. Rob was ook even geschrokken, meenende dat hij den man bezeerd had, maar toen hij zag dat ze ’t blijkbaar niet boos opnamen, maakte hij zich gereed om weer in het zadel te springen. Daar werd hij echter op zijn schouder getikt, en de parkwachter stond naast hem, zeggend: “al weer zonder licht?” De wachter, een goedhartig man, wist wel dat Rob nu eenmaal onverbeterlijk was, en liet het dus bij deze vermaning. Maar Rob vond het toch verstandiger, zijn lantaren aan te steken. Daarom zette hij, terwijl de wachter weer verder wandelde, zijn wiel tegen de bank, en stak een lucifer aan. Weldra brandde de lantaren helder, en Rob wou juist wegrijden toen hij op de bank een metalenvoorwerp zag liggen, dat de stralen van het lantarenlicht scherp weerkaatste. Dadelijk was zijn nieuwsgierigheid geprikkeld; hij nam het voorwerp, dat een stalen doos of kistje bleek te zijn, op zijn fiets mee, en besloot het thuis eens op zijn gemak te bekijken.

Het zou zeer zeker verstandiger van Rob geweest zijn, als hij het kistje aan den parkwachter ter hand had gesteld, of getracht had de beide mannen in te halen, die het klaarblijkelijk hadden laten liggen. Maar de vorm en het uiterlijk van zijn vondst trokken hem zoo aan, dat hij niet laten kon het voorloopig in zijn bezit te houden. Dat hij, thuisgekomen, het voorwerp aan niemand liet zien, heeft een verklaarbare oorzaak. Een paar maanden geleden toch, in de zomervacantie, had Rob, bij familie in Utrecht logeerende, bij een der forten in den omtrek der stad een langwerpige huls gevonden, die later bleek een dynamietpatroon te zijn, welke vermoedelijk na een oefening van de genie-troepen was blijven liggen.

Dat wist Rob toen echter nog niet; hij had er aan gepeuterd en er op gehamerd, en het gevolg was geweest dat ’t ding, waarin zich nog een overblijfsel van het springmiddel had bevonden, plotseling met een hevigen slag was ontploft. Rob had vrij ernstige brandwonden aan gezicht en handen gekregen, zijn haren en wenkbrauwen waren geschroeid, en ’t had maar weinig gescheeld of hij zou er een oog bij verloren hebben. Natuurlijk had zijn voogd hem onder handen genomen, en hem streng verboden ooit weer iets op te rapen waarvan hij vermoeden kon dat het zulk een gevaarlijken inhoud bezat.

Rob had dit verbod op zijn manier opgevat, enbracht het in practijk door voortaan nooit iets van zijn vondsten te vertellen. Toen hij dan ook thuis kwam, bracht hij het doosje dadelijk op zijn kamer, en eerst ’s avonds in bed begon hij bij kaarslicht zijn buit te onderzoeken. Hij bleek een blank stalen doos in den vorm van een boek te pakken te hebben, ongeveer 20 cM lang, 15 cM breed en 3 cM dik. Langs een der lange zijden liep een stalen draad, waarmee de doos klaarblijkelijk gesloten werd gehouden. Daar de draad aan beide uiteinden tegen de doos was vastgesoldeerd, trachtte Rob het soldeer in de kaarsvlam te doen smelten. Dit lukte echter niet, en daar Rob door de treurige ervaring van den afgeloopen zomer wel wat huiverig was gevonden voor proefnemingen met vuur, stapte hij zijn bed uit en scharrelde in zijn timmerkist een nijptang en een vijl op. Met behulp van deze beide werktuigen gelukte het hem den draad te verbreken, en nu ging de doos zonder veel moeite open. De inhoud bleek uit drie bladen perkament te bestaan, althans uit bladen van een zeer taaie, geoliede papiersoort. Het eerste blad was blanco, de beide anderen waren met diepzwarten, glanzenden inkt beschreven. Op het eene bevonden zich niets dan cijfers; het andere bevatte de volgende regels:

Kroonjuweelen £1000.00015 October Green-eiland20 October DoverHuur hoek Longmanstreet 2610 en 2612Advertenties en aanplakbiljetten.

Kroonjuweelen £1000.00015 October Green-eiland20 October DoverHuur hoek Longmanstreet 2610 en 2612Advertenties en aanplakbiljetten.

De beteekenis van deze zinnen was voor Rob totaalonverstaanbaar. Hij begreep echter wel, in verband met het vreemde gedrag der beide mannen, die de metalen doos verloren hadden, en ook omdat dit document zoo stevig was verpakt, dat hij vermoedelijk met aanteekeningen te doen had, die voor den eigenaar van groote waarde waren. Zijn levendige fantasie spon een ganschen roman om de drie perkamenten bladen, en toen hij, moe gekeken op de geheimzinnige woorden, die hij te vergeefs met elkaar in verband trachtte te brengen, ten slotte in slaap was gevallen, droomde hij voortdurend van alle wonderverhalen die hij in zijn leven gelezen had. Hij was er van overtuigd dat hij een zeer belangrijke vondst had gedaan, die hem misschien op het spoor van een samenzwering of een andere avontuurlijke onderneming zou brengen.

Den volgenden morgen verborg hij de doos in den binnenzak van zijn jas, voornemens om na schooltijd een kameraad in het geheim te nemen en met diens hulp het document eens aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.

Rob vermoedde weinig, dat hij niet lang ongestraft in het bezit van het gevondene zou blijven. Toen hij den vorigen avond naar huis ging, was een der mannen, die het kistje hadden laten liggen, hem gevolgd; voor de deur van zijn woning had deze een eigenaardig gefluit doen hooren, en kort daarna zweefde een donker voorwerp boven het huis, en bleef daar gedurende den geheelen nacht, door niemand opgemerkt, hangen. Hoe het verder met Rob toeging, weten we, en we hebben dus nu na te gaan waar hij te land kwam, toen hij door die onverklaarbare aantrekkingskracht van de aarde werd opgeheven.

Rob komt aan boord van “De Vogel”.—Hij wordt vriendelijk ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich ingericht.—Hij leert het leven aan boord kennen.—De eerste dag valt hem niet tegen.

Rob komt aan boord van “De Vogel”.—Hij wordt vriendelijk ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich ingericht.—Hij leert het leven aan boord kennen.—De eerste dag valt hem niet tegen.

Zij, die twee jaar geleden meenden gezien te hebben dat Rob van het dak van den Stadsschouwburg door een man, die zich daar verborgen hield, omhooggehaald werd, kunnen er zich thans op beroemen dat hun getuigenis voor den rechter van instructie de waarheid het meest nabij kwam. Want inderdaad kwam de gang van zaken ongeveer daarop neer.

Het bolvormige voorwerp, dat gedurende den nacht boven het huis van den heer Hartog had gezweefd, had zich tegen den morgen tot boven het dak van den Schouwburg verplaatst, waar het onzichtbaar bleef voor de voorbijgangers. Toen Rob langs kwam, werd een metalen lijn uitgeworpen, die ondanks zijn uiterste dunheid geheel onbuigbaar was, en aan welks uiteinde een cirkelvormige band was bevestigd, die over Rob’s hoofd heengleed en daarna vast om zijn armen enzijn middel werd dichtgetrokken. Boven op het dak gekomen, werd Rob door een man, in een nauwsluitend zwart pak zonder eenige versiering gekleed en met een zwart masker voor, in ontvangst genomen. Deze zei alleen: “niet bang zijn; rustig blijven.” Daarna haakte hij de lijn los, legde Rob op een klein platform, dat onder aan een bol was bevestigd die op een luchtballon leek, nam zelf plaats op een soort stuurstoel, die zich aan het uiteinde van het platform bevond, en draaide snel een houten kruk eenige malen om. Onmiddellijk daarna schoot de geheele toestel met fabelachtige snelheid omhoog, zoo snel dat Rob den wind langs zijn ooren voelde suizen. Rob was wel een beetje verschrikt, maar hij was nog al niet bang van aard, en de manier waarop zijn ontvoerder hem met kalme, heldere stem had aangemaand rustig te blijven, boezemde hem zulk een vertrouwen in, dat hij weldra zijn bedaardheid terug voelde keeren. Met open oogen lag hij rond te kijken; hij vond de snelle beweging en de frissche wind die langs zijn gezicht streek niet onaangenaam. Wel kon hij zich geheel niet bewegen, want zijn geleider had ook een ring om zijn beenen gesloten, maar hij bemerkte dat zijn boeien hem geheel geen pijn deden, en waarschijnlijk met een zachte stof gevoerd waren. Ook begon hij het reisje wel romantisch te vinden, en stelde hij zich al de verbaasde gezichten van zijn kameraden voor als zij van zijn geheimzinnig verdwijnen zouden hooren.

Na enkele minuten zeer snel gestegen te hebben, draaide zijn geleider weer aan de kruk, en de ballon bleef onbewegelijk hangen. Naar beneden ziende, bemerkteRob dat hij zich boven een dikke wolkenlaag bevond, die de aarde aan zijn oog onttrok. De zon scheen vroolijk, en kleurde de wolken met roze en gele tinten, zoodat ze een geheel ander aanzien kregen dan men van beneden af gewoon was waar te nemen; een paar vogeltjes kwamen op den rand van het platform zitten en kwinkeleerden vroolijk; de heldere hemel boven de luchtschippers was zoo diep en glanzend blauw als men dat in onze noordelijke landen zelden of nooit waarneemt.

De man aan het roer opende een klein deurtje in den bodem van het platform, en bracht een flesch, een glas, een bord en een doos van eigenaardigen vorm en uit een paarlmoer-achtig metaal vervaardigd, te voorschijn. Uit de flesch schonk hij een blauwe vloeistof in, terwijl hij uit de doos een paar roodgekleurde rolletjes nam en die op het bord legde. Ofschoon Rob kort geleden stevig ontbeten had, voelde hij nu opeens een prikkelenden honger, en hij liet zich dus ook niet lang nooden, toen zijn geleider een van zijn handen vrijmaakte, en tot hem zei:

“Eet en drink iets. In deze hooge lucht krijgt men gauw honger.”

Het zag er vreemd uit: die blauwe vloeistof en dat roode voedsel. Maar de stem van den geheimzinnigen stuurman klonk weer zoo vriendelijk en vertrouwenwekkend, dat Rob geen oogenblik aarzelde. Hij at en dronk, en de uitwerking was hoogst merkwaardig. De drank had het prikkelende en opwekkende van champagne, zonder de benevelende eigenschappen daarvan; de kleine roode broodjes deden aan pasteikorst denken, maar waren lichter en brosser,en toch voelde Rob zich na ze gegeten te hebben zoo verzadigd en versterkt alsof hij een voedzaam maal genoten had. Toen hij gereed was en zich weer heelemaal op zijn gemak voelde, vroeg hij:

“Watgebeurter eigenlijk met me?”

De man met het masker antwoordde:

“Voorloopig kan ik je geen enkele inlichting geven. Vraag dus niets. Ik zal je boeien losmaken, maar wees zoo verstandig en blijf rustig zitten. Ontvluchten is natuurlijk onmogelijk, doe dus ook geen poging om mij te bemoeilijken.”

Rob beloofde dat hij in alles gehoorzamen zou. Toen deed de man ook den band van zijn voeten af, en Rob ging rechtop zitten. Zijn geleider schoof nu het masker opzij, en Rob keek in een flink, mannelijk gezicht, waarin de donkere oogen scherp en helder schitterden. Om den mond lag een ernstige, vastberaden trek.

“Schrik niet,” zei de stuurman, “ik zal een signaal geven.”

Hij opende een klepje in een buis, die zich naast de stuurkruk bevond, en nu deed zich een zwaar, doordringend geluid als van een misthoorn hooren. Na ongeveer een minuut werd dit signaal van uit de verte beantwoord, en de stuurman sloot de klep. Weldra zag Rob uit de wolkenmassa een donker gevaarte naderen, het nam snel in omvang toe, en hield vlak naast het schuitje waarin Rob zich bevond stil. Nu zag Rob, dat zich boven het kolossale luchtschip een aantal vleugelschroeven bevond, die snel ronddraaiden, en hij begreep dat deze dienden om den winddruk te neutraliseeren en het schip zwevende te houden. Op dergelijkewijze was het ook mogelijk geweest het “schuitje,” zooals Rob het bij zichzelf noemde, bijna onbewegelijk op dezelfde plaats te doen blijven.

Het luchtschip, waarop Rob nu overstapte—nadat hij met verbazing gezien had, hoe zijn geleider met enkele weinige handbewegingen de ballon van het schuitje deed leegloopen en daarna den geheelen toestel opvouwde en in een betrekkelijk kleine kist borg—bleek een langgerekt sigaarvormig lichaam te zijn, waarboven zich een ballon bevond die er ongeveer als een liggende O uitzag. De lengte van het schip schatte Rob op ongeveer 25 M., de breedte op nagenoeg 8 M. Verscheidene wentelende schroeven en raderen deden een eigenaardig gedempt snorren hooren; hier en daar merkte Rob toestellen en instrumenten op, waarvan de beteekenis hem natuurlijk ontging. Aan het achtereinde van het dek stond een huisje met glazen wanden, waarin zich een man, klaarblijkelijk de stuurman, bevond; ook deze droeg dezelfde eenvoudige zwarte uniform als zijn geleider, en was het eenige levende wezen dat op het dek te bespeuren viel.

Op aanwijzing van zijn geleider daalde Rob een trap af, die zich aan de voorzijde van het dek bevond en toegang gaf tot een gang, welke in de lengte van het schip liep, en waarop verscheidene deuren uitkwamen. Een daarvan, het nummer 9 dragende, werd voor hem geopend, en Rob werd verzocht binnen te gaan en te wachten tot men hem zou doen roepen.

Toen de deur zich achter hen gesloten had, bleek Rob zich in een kamertje van ongeveer 3 bij 4 M.te bevinden, dat er lang niet ongezellig uitzag. Het was smaakvol gemeubeld, en ontving zijn licht door een breed, vrij hoog in den wand aangebracht venster. Aan de zoldering en langs de wanden bevonden zich electrische lampjes; tegen een der zijmuren stond een ledikant, de andere was in regelmatige en even groote vakken verdeeld, die elk een opschrift hadden in een voor Rob onbekende taal, en klaarblijkelijk de deuren vormden van zich in dien zijwand bevindende kastjes of bergplaatsen. De vloer was bedekt met een zachte, veerkrachtige stof; de wanden waren van een glad, warm gekleurd behangsel voorzien; het heele vertrek was even eenvoudig, smaakvol als practisch ingericht. Op een bij het raam aan den muur bevestigd lessenaartje lag een boek, waarop in het Hollandsch, Fransch, Duitsch, Engelsch en de Rob onbekende taal het woord “Handleiding” stond gedrukt; Rob wilde dit juist opnemen en inzien toen een stem naast hem sprak:

“Ik kom eens even met je praten.”

Rob schrikte een oogenblik, want hij had niemand hooren binnenkomen; de deur was volkomen geruischloos opengaan en had zich evenzoo weer gesloten. Hij keek om en zag iemand in de bekende zwarte kleeding naast hen staan. Voor hij iets kon zeggen, sprak de binnengekomene:

“Je hebt zeker die metalen doos bij je, die je gisteren gevonden hebt?”

Rob haalde het gevraagde uit zijn binnenzak, en de ander nam haar met een tevreden hoofdknik aan, bekeek den inhoud, en zei toen:

“Dat maakt het ons gemakkelijk. Ik vreesde datwe het voor goed kwijt zouden zijn. Heb je gelezen wat er in staat?”

“Ja, dat heb ik.”

“Ik dacht het wel; de sluiting is verbroken. Nu vrees ik echter, dat de commandant je vooreerst niet kan laten gaan. De inhoud is zeer belangrijk en niemand buiten ons mag die weten.”

“Ik wil u graag beloven dat ik er nooit met iemand over spreken zal,” zei Rob.

“Ja—dat geloof ik wel. Maar daar mogen we niet op rekenen. Het is heel jammer, dat je het slachtoffer bent geworden van de slordigheid van een onzer kameraden. Maar daar is niets aan te veranderen. Neem nu een goeden raad van me aan. Wees kalm en onderwerp je in alles aan wat je hier voorgeschreven zal worden. Dan verzeker ik je dat je ’t hier heel goed zult hebben en dat je, zoo gauw maar eenigszins mogelijk is, weer vrijgelaten zult worden. Ik zal nu beginnen met je wat beter thuis te brengen in onze omgeving, dan zal je ook spoedig op je gemak zijn en je gevangenschap geduldig dragen. Laten we gaan zitten.”

De spreker schoof twee stoelen bij het raam, en vervolgde nadat beiden hadden plaats genomen:

“Hoe heet je?”

“Rob.”

“Dat is een goede, korte naam. Dien zal je wel kunnen houden. We houden hier van eenvoud en kortheid, en hebben daarom allen bondige namen. Ik heet Lo; zoo moet je me ook voortaan noemen. Als je er aan gewend bent, zijn onze namen volstrekt niet onwelluidender dan die de menschen op aardedragen. Verder behoor je te weten dat we elkaar hier allemaal bij den naam noemen en met jij en je aanspreken. Ook dat is eenvoudig en went gauw. Het maakt den omgang gemakkelijker en aangenamer, en neemt volstrekt de achting voor elkaar niet weg. We spreken ook den commandant, die Li heet, op die gemeenzame wijze aan, en toch gehoorzamen wij hem gaarne. Kijk eens, in dat Handboek, waarnaar je zooeven keek, vind je alles wat noodig is om je hier met kennis van zaken te kunnen bewegen; maar om het je gemakkelijker te maken, zal ik je in hoofdtrekken den inhoud vertellen, dan kan je het later nog wel eens nalezen.”

Lo nam nu het Handboek van het lessenaartje, sloeg het open, en zei:

“Je bent hier op het luchtschip De Vogel. Alweer een eenvoudige naam, en tevens doelmatig, want je zult later bemerken dat dit schip geconstrueerd is volgens dezelfde beginselen als het lichaam van een vogel.

“Met het doel en de bestemming van De Vogel heb je voorloopig nog niet te maken.

“Er zijn hier de volgende personen aan boord: Li, de commandant, iemand van ongeveer dertig jaar, dien je straks zult leeren kennen; La, onze geleerde, de wetenschappelijke raadsman van het schip, van wien je nog wel genoeg zult hooren; zijn eenige fout is verstrooidheid, en daaraan heb jij ook te danken dat je op ’t oogenblik hier ben—maar dat komt later wel ter sprake. Ten derde Mu, de stuurman, die je op het dek zeker wel in zijn huisje hebt zien zitten; hij vervangt zoo noodig den commandant.Dan hebben we Naf, Nef en Nof, die alle drie een veelzijdigen, soms drukken werkkring vervullen. De eerste heeft het toezicht op de gemeenschappelijke vertrekken—je zult weldra in de gelegenheid zijn te zien welke dat zijn—hij springt desvereischt voor den stuurman in, zorgt voor de bereiding van het voedsel, regelt de uurwerken, houdt de vrij talrijke instrumenten in orde die er aan boord zijn, en is kortom met de geheele leiding van de dagelijksche bezigheden belast. Nef en Nof zijn onze boden; ze worden met belangrijke zendingen naar de aarde belast—soms zelfs naar een andere planeet—doen allerlei speur- en onderzoekingsdiensten, behandelen in ernstige omstandigheden onze verweermiddelen (het geschut, zouden ze op aarde zeggen) en hebben elk een klein vliegtoestel tot hun beschikking, waarvan je er een dezen morgen hebt leeren kennen. De zevende en laatste ben ik; je zoudt me den particulieren secretaris van den commandant kunnen noemen. Ik breng het grootste deel van mijn tijd in zijn werkkamer door, werk zijn plannen en bevelen uit, breng die ter kennis van de overige bemanning, schrijf de geschiedenis van het schip, beheer de geldmiddelen—die we hier in de lucht ook noodig hebben, zooals je zien zult—voer daarvan de administratie, en ben ten slotte belast met de zorg voor onze gasten.”

“Hoor ik ook tot de gasten?” vroeg Rob eenigszins ondeugend.

“We noemen iedereen zoo die geen deel uitmaakt van de vaste bemanning,” antwoordde Lo. “Op ’t oogenblik ben je dus aan mijn bizondere zorgentoevertrouwd. Je bevindt je in het vertrek voor de gasten van het schip. Er zijn hier de volgende kamers, zooals je op dezen platten grond duidelijk zien kunt: aan het einde van de gang de kamer van den commandant, waarin tevens een schrijftafel voor mij; daarnaast de eetkamer, waarin de leeskamer inkomt. Deze vertrekken zijn genummerd: 1, 2 en 3. Langs de gang bevinden zich 7 kamers, 4 rechts en 3 links, doorloopend genummerd; de nummers 4, 5, 6, 7 en 8 zijn voor de bemanning (de commandant en ik hebben onze slaapvertrekken achter de werkkamer); kamer 9 is voor eventueele gasten en kan zoo noodig voor meerdere personen worden ingericht; kamer 10 is het zoogenaamde laboratorium, tevens keuken—twee bestemmingen die zich hier, zooals je zien zult, zeer goed laten vereenigen. Eindelijk bevindt zich onder in het schip de badkamer, genummerd 11, en een bergruimte die het nummer 12 draagt; met het glazen huis van den stuurman, n°. 13, is het aantal compleet. In dit huis bevinden zich alle toestellen, die voor het voortbewegen van het schip noodig zijn.

“Ziezoo, nu weet je den weg.

“Wat onze taal betreft, die is hoogst eenvoudig, en gemakkelijk te leeren. La is er de uitvinder van en heeft het vraagstuk van een practische, duidelijke en niet moeielijke taal schitterend opgelost. Misschien, als je ons vertrouwen hebt weten te winnen, zal hij je in de geheimen ervan inwijden. Maar voorloopig zal het wel Latijn voor je blijven.

“En nu zal ik je nog even vertellen wat je hier in je kamer vinden kunt.

“Zooals je ziet, is alles aanwezig wat je op aarde in een goed ingerichte logeerkamer maar zou kunnen verlangen. Je hebt zeker al opgemerkt dat alles er even eenvoudig en toch uiterst sierlijk uitziet. En bovendien heeft elk voorwerp de uitstekende eigenschap van onbreekbaar te zijn; glas of hout komt niet voor, alles is van metaal, tot de dekens van je bed toe, hoe vreemd dit ook klinkt. Later zal je dit duidelijker worden.

“Hier in dezen zijwand vind je alles wat je maar wenschen kunt; elk vak heeft een deurtje—kijk, als ik op dit knopje druk, springt bijvoorbeeld deur 2 open. In dat kastje liggen kleeren; je vindt er compleete stellen van boven- en ondergoed, het is eenvoudig, practisch en hygiënisch. Hoe het schoongehouden wordt, leer ik je later. In kast 3 is beddegoed, in kast 4 schrijfgereedschap, nummer 5 bergt eenige wapens en instrumenten die je te pas komen—kortom, je vindt hier alles wat maar nuttig of aangenaam kan zijn.

“Zie zoo. Nu ben je voorloopig op de hoogte. Het is nu halftwaalf. Kijk nu eens een half uur in je kamer rond totdat je met alles vertrouwd bent. Om twaalf uur kom ik je halen en gaan we naar den commandant.”

Met deze woorden nam Lo afscheid en Rob werd voor een half uur aan zichzelf overgelaten.

Hij moest bekennen dat hij zijn toestand zóo avontuurlijk vond, dat hij eigenlijk hoopte voorloopig niet vrijgelaten te zullen worden. Hij ging in gedachte alle boeken na, waaruit hij van wonderlijke reizen en romantische avonturen had gelezen, en ’t leek hemdat in geen van die verhalen zulke ongeloofelijke dingen werden verteld als hij nu meemaakte. Zoo dikwijls had hij gehoopt zélf eens zulke avontuurlijke reizen te mogen maken, en nu werd op eens onverwacht aan dat verlangen voldaan. Wat zouden het toch voor menschen zijn, onder wie hij zich nu bevond? In elk geval wilden ze hem geen kwaad doen, want de beide mannen met wie hij tot nu toe te doen had gehad, waren bizonder vriendelijk voor hem geweest. Hij begreep wel dat ze hem gevangen hielden omdat hij toevallig op het spoor van een hunner geheimen was gekomen, maar hij zag eveneens in dat men hem niet langer van zijn vrijheid zou berooven dan hoog noodzakelijk was. In dit opzicht zag hij den toestand niet ernstig in. Wel was hij bezorgd dat zijn kennissen in angst zouden verkeeren, en dat vergalde veel van ’t genoegen dat hij al in zijn avontuur gekregen had. Wat de onderwijzers en de jongens van de H.B.S. van zijn verdwijnen zouden denken, dat trok hij zich zoo erg niet aan; integendeel voelde hij zich wel gewichtig tegenover hen. Maar ’t hinderde hem dat zijn voogd en diens vrouw ongerust zouden zijn. Waarschijnlijk zouden ze wel gehoord hebben dat hij op het Leidsche Plein naar boven getrokken was, want er waren natuurlijk menschen geweest die hem hadden zien vliegen, al wist hij zich door den eersten schrik heelemaal niet te herinneren welken indruk zijn ontvoering op de voorbijgangers had gemaakt. Maar als niemand verdere berichten van hem kreeg, dan zouden ze zich thuis toch erg ongerust gaan maken.

Rob dacht over dit alles nog na, toen de deurweer geruischloos werd geopend en Lo hem uitnoodigde mee te gaan.

Ze liepen de gang ten einde en Lo opende de deur van een niet groot maar eenvoudig en smaakvol ingericht studeervertrek, waar de commandant Li aan zijn schrijftafel zat. Li bleek een man van ongeveer dertig jaar te zijn, met een ernstig, energiek, maar vriendelijk gezicht, die dadelijk toen Rob binnentrad, opstond, hem tegemoet kwam en de hand uitstak.

“Ga zitten, Rob,” zei Li. “Ik heb van den secretaris al ’t een en ander van je gehoord. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben geweest je te doen oplichten; maar daar was niets aan te verhelpen. Door een toeval had je een document in handen gekregen, dat voor mij van veel gewicht is; ik mocht je niet in ’t ongestoord bezit daarvan laten. Vertel me nu eens; hoe heet je?”

“Rob Rensma.”

“Hoe oud ben je?”

“Zestien jaar.”

“Waar ga je school?”

“Op de H.B.S. in Amsterdam.”

“En waar woon je?”

“Willemsparkweg 921.”

“Goed zoo,” zei Li, terwijl de secretaris de antwoorden opteekende. “Ik hoop dat ik je zoo gauw mogelijk naar huis kan terugsturen. Dat zal ook veel van jezelf afhangen. Er is te eer kans op, naar mate je je tegenover ons gedraagt als vriend. En dat laatste zal je gemakkelijk vallen, want je zult hier aan boord niets zien gebeuren of niets behoeven teverrichten dat niet met eer en geweten is overeen te brengen. Om een duidelijker indruk van je goeden wil te krijgen, zal ik je nu en dan een kleine opdracht doen uitvoeren in verband met onze ondernemingen. Ik twijfel niet of je zult er eer mee inleggen. Ben je gezond en sterk?”

“O ja,” antwoordde Rob. “Ik mankeer nooit wat.”

“Dat zal je goed te pas komen. Bovendien leiden wij hier een regelmatig leven, bewegen ons doorgaans in hooge, zuivere lucht, en hebben ten overvloede een uitstekenden dokter, onzen geleerden La, aan boord. Ziekten komen dan ook zoo goed als nooit voor. Nu, we spreken elkaar wel nader. Heb je nog iets te vragen?”

“Ja, ik zou wel graag willen dat mijn voogd iets van me hoorde; die zal wel ongerust zijn....”

“Ik was juist bezig maatregelen daaromtrent te beramen; maar ik vrees dat je nog eenig geduld zult moeten hebben. We maken op ’t oogenblik”—Li drukte op een knop aan den wand, en achter een zich daarnaast bevindend ruitje sprong het cijfer 150 te voorschijn—“we maken op ’t oogenblik 150 K.M. per uur, en hebben dus sedert halftien bijna 400 K.M. afgelegd. Op dit oogenblik een van de vliegtoestellen af te zenden, zou nutteloos zijn, zooals je later zult leeren begrijpen. In elk geval moet je maar beginnen met een briefje te schrijven. Zoodra er gelegenheid is zend ik het af. Nog iets anders?”

Rob had geen andere wenschen kenbaar te maken, en werd nu weer verzocht Lo te volgen, die hem in kamer 9 terugbracht.

Lo deed kastje 2 openspringen, en zei:

“Kies je hier nu een pak kleeren uit; in de Handleiding zal je vinden, welke je noodig hebt en hoe je ze aan moet trekken. Kastje 6 is leeg, en dient als bergplaats, doe daar de kleeren maar in die je nu aan hebt. Vijf minuten vóor het eten zal je een bel hooren; ik kom je dan halen voor den gemeenschappelijken maaltijd. Dan maak je tevens met de andere schepelingen kennis.”

Lo verdween en Rob begon van kleeren te verwisselen. Het trof hem hoe practisch de kleeding, die hij uit het kastje haalde, was ingericht. Alles zat vrij sluitend en belemmerde toch nergens de bewegingen; hij had zelf een gevoel alsof hij bijna geen kleeren aan had, en vond toch niet dat hij last had van de kou. De schoenen waren van dezelfde stof als het pak, en maakten niettemin een zeer solieden indruk; ze gleden gemakkelijk aan den voet, knelden nergens en behoefden niet geregen of geknoopt te worden. Rob bekeek zich in den spiegel en was van oordeel dat het pak hem heel goed stond. Hij had zich in deze kleeding wel eens willen laten kieken!

Juist toen hij klaar was, ging de bel; een oogenblik daarna kwam Lo binnen en verzocht hem mee te gaan. In de eetkamer waren de overige reisgenooten reeds verzameld. De kennismaking werd Rob zeer gemakkelijk gemaakt, want allen kwamen naar hem toe alsof hij volstrekt geen vreemde voor hen was, drukten hem de hand en heetten hem hartelijk welkom.

Aan tafel heerschte een opgewekte en gezellige toon. Er werd gepraat en gelachen, en uit beleefdheid tegenover den gast werd er dezen middag Hollandschgesproken, ofschoon er uit gewoonte nu en dan een woord Laïsch in het gesprek werd gemengd. Rob was in het eerst vrij stil, want hij zag zooveel vreemde dingen om zich heen, dat zijn oogen en ooren er geen raad mee wisten. Maar La en Lo, in wier midden hij zat, lokten hem tot praten uit en beantwoordden met onuitputtelijk geduld al wat hij vroeg.

De geleerde La vertelde hem, dat de toestanden op het schip niet dadelijk waren geweest als nu. Men was begonnen met vrij gebrekkige hulpmiddelen, had vooral onoverkomelijke bezwaren ondervonden ten opzichte van voeding, kleeding, verlichting en verwarming. Maar La was er in geslaagd door de eene uitvinding na de andere het leven aan boord te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, zoodat men ten slotte door eigen productie in alle behoeften kon voorzien. De verlichting bijvoorbeeld was geheel electrisch, en werd door dezelfde toestellen geleverd als die, welke De Vogel in beweging brachten; met accumulatoren had men niet te maken, daar de vele steeds rondwentelende vliegschroeven en luchtschepraderen voor een onuitputtelijke hoeveelheid wrijvingselectriciteit zorgden. De verwarming werd geregeld door buizen met langs electrischen weg verhitte lucht. De voeding, zooals Rob gelegenheid had proefondervindelijk op te merken, was zeer eenvoudig, maar daarom niet minder versterkend; haar voornaamste eigenschap bestond daarin, dat ze opwekte en verzadigde, zonder dat loome, vadzige gevoel na te laten dat een “goed diner” op aarde gewoonlijk tevoorschijn roept. Door langs chemischen weg uit plantaardig voedsel die bestanddeelen af te scheiden, welke de mensch in hoofdzaak voor hetonderhoud van zijn lichaam noodig heeft, had La in een betrekkelijk kleine ruimte genoeg levensmiddelen opgehoopt om de eerste tien jaren aan een hongersnood het hoofd te kunnen bieden; het laboratorium was de bewaarplaats van dezen voorraad, waarvan elk onderdeel door hermetische sluiting tegen bederf werd gevrijwaard. Elken dag bepaalde La het menu, dit op wetenschappelijke gronden samenstellend; Naf, de kok, had dan slechts de capsules te openen, door La aangewezen, en na enkele eenvoudige bewerkingen—de eene spijs wat verwarmen, de andere oplossen in water—was de maaltijd gereed. Daar men de gezelligheid en een vriendschappelijken omgang aan boord naar waarde wist te schatten, was het gewoonte de gemeenschappelijke maaltijden niet al te vluchtig in te richten, hoewel de weinig omslachtige wijze van voedsel bereiden en nuttigen er al licht toe leiden zou aan die maaltijden slechts een zeer ondergeschikte plaats toe te kennen.

“Zooals je ziet,” vertelde La, “drinken we water. Dat is onze gewone drank, en we bevinden er ons op den duur best bij. Gezond en gemakkelijk te verkrijgen, want aan regen hebben we natuurlijk zelden gebrek! Dierlijk voedsel en alcohol komen aan boord nooit op het programma. Hoogstens tracteeren we ons nu en dan op fructa, een oplossing in water van nuttige bestanddeelen uit vruchten, met wat koolzuur vermengd. Fructa heeft een mooie blauwe kleur.”

“En hoe worden de kleeren gemaakt, die we dragen?” vroeg Rob, steeds nieuwsgieriger.

“Bijna alles op het schip is van metaal,” antwoordde La. “Dat wil zeggen, ik noem het metaalomdat het zich ongeveer als zoodanig laat bewerken. Voor zulk een stof hebben we eigenlijk op aarde geen naam. In het Laïsch noemen we het monum. Monum is een delfstof—misschien vertel ik je later wel eens waar we die vinden—die zeer taai en buigzaam is, maar toch zoo goed als onbreekbaar. Wat uit monum is vervaardigd, is althans gedurende een menschenleeftijd niet aan slijtage onderhevig. Door het met azijnzuur te behandelen wordt ’t week en plooibaar, zoodat we er tapijten, dekens, kleedingstukken, uit kunnen vervaardigen, meer of minder poreus, al naar mate we er meer of minder door verwarmd wenschen te worden. De inwerking van salpeterzuur maakt het doorschijnend, zoodat het voor glasruiten geschikt is; in vloeibare lucht gedompeld (waarvan we hier een ruim gebruik maken, zooals je zien zult) wordt het ruig en vouwbaar, en is het geschikt voor schrijfpapier; in ’t vuur gesmeed kunnen er zeer lange en toch onbuigzame kabels van gemaakt worden....”

“Aan zoo’n kabel heesch ik jou naar boven, Rob,” viel Nef den geleerden spreker in de rede. “Je had zeker wel gewild dat ’t ding gebroken was!”

“Nu, in ’t eerst vond ik ’t maar half leuk, zoo opgenomen te worden,” antwoordde Rob, “maar nu begin ik er heusch schik in te krijgen!”

Deze woorden kwamen er zoo van harte uit, dat allen er om lachten. Li knikte Rob eens toe en zei:

“Nu, we willen maar hopen dat je geen spijt zult hebben van je verblijf aan boord.”

Het liep intusschen tegen twee uur, en de tafel werd opgeheven. Rob zag dat iedereen meehielpom een deel van het servies op te ruimen en schoon te maken, en stak ook dadelijk een helpende hand uit, hetgeen klaarblijkelijk een goeden indruk maakte. Later vertelde Lo hem, dat het gewoonte was ieder te laten wegbergen en in orde houden wat hij zelf gebruikte, een maatregel die tijd en arbeid bespaarde.

Toen ieder weer aan zijn bezigheden gegaan was, bracht Lo den gast in de leeskamer, waar talrijke schilderijen aan den muur hingen en een geheele wand door een kolossale boekenkast ingenomen was. Ook bevond er zich een kleine vleugel en zag Rob er viool- en violoncelkisten staan.

“Hier brengen we onzen vrijen tijd door,” zei Lo. “Je vindt hier lectuur voor een menschenleeftijd; wetenschappelijke werken—voor een groot deel handschriften van La—en ook zuiver letterkundige. Allerlei geduld- en gezelschapsspelen vind je er ook, maar alleen zulke waarbij alles aan het verstand, niets aan het toeval wordt overgelaten. Er zijn ook zeer ingewikkelde en moeielijke bij—uitvindingen alweer van La.”

Rob bracht den heelen middag in de leeskamer door, waar hij voortdurend nieuwe dingen vond die zijn belangstelling gaande hielden; om zeven uur had er wederom een gemeenschappelijke maaltijd plaats, en tegen acht uur was Rob zoo vermoeid van de elkaar verdringende indrukken, dat hij naar bed ging en weldra zoo vast insliep alsof hij in zijn eigen kamertje op den Willemsparkweg lag.


Back to IndexNext