Vierde Hoofdstuk.

Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.—La toont hem eenige wonderen.—De geheimen van de stuurkamer.—Bijna zoo hoog als de Mont-Blanc.—Rob gaat vroeg naar bed.

Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.—La toont hem eenige wonderen.—De geheimen van de stuurkamer.—Bijna zoo hoog als de Mont-Blanc.—Rob gaat vroeg naar bed.

Den volgenden morgen werd Rob door een electrisch belletje, dat zich boven zijn bed bevond, om zes uur gewekt. Hij had aan éen stuk door geslapen, en voelde zich verkwikt en uitgerust. Hij zette zijn horloge gelijk met de klok die zich, zooals in alle andere kamers van ’t schip, boven de deur bevond en zag nu eerst dat de wijzerplaat niet in twaalf doch in vier-en-twintig uren verdeeld was. Na twaalf uur in den middag begon men dus van dertien tot en met vier-en-twintig te tellen, om dan weer met éen te beginnen. Zooals Rob later hoorde, was de tijd aldus ingedeeld, omdat de soms zeer snelle verplaatsingen van het luchtschip een regelmatige indeeling van dag en nacht, zooals men die op aarde heeft, niet mogelijk maakten. Men zou dan immers de klokken aan boord steeds moeten gelijk zetten met die vande plaats op aarde, waarboven men zich op dat oogenblik bevond, hetgeen natuurlijk ten gevolge kon hebben dat men eenige aarde-uren lang volgens de lucht-klok slechts een enkel uur of misschien zelfs geheel niet vooruitging. Men had daarom aan boord de volgende tijdsverdeeling, gelijk Rob ook in de Handleiding vermeld vond: zes uur opstaan, zeven uur ontbijt, dertien uur middagmaal, negentien uur avondeten, twee-en-twintig uur naar bed. Zoo gebeurde het wel, dat men bij daglicht sliep, en in het donker aan ’t werk was; meestal echter zweefde men op zulk een hoogte, dat het zonlicht weken achtereen zichtbaar bleef, en in elk geval wendde men aan deze schijnbaar abnormale toestanden spoedig.

Na het ontbijt werd Rob verzocht in La’s kamer te komen, en nu vernam hij dat deze hem elken dag van acht tot elf en van veertien tot zestien les zou geven in dezelfde vakken, die hij nu op de H.B.S. moest missen. Eerst vond Rob dit wel een beetje ’n teleurstelling, want hij vond zoo’n tijdje gedwongen vacantie wel aardig; maar hij moest La toch toestemmen, dat ’t niet prettig zou zijn wanneer hij zoo ten achter was als hij in Amsterdam terugkwam, en ook begreep hij dat hij daardoor in zijn heele volgend leven schade zou kunnen ondervinden. Weldra zag hij dan ook in, hoe dankbaar hij voor deze welwillende en verstandige beschikking van den commendant moest zijn. En toen hij ondervond hoe kalm en duidelijk La in al zijn uitleggingen was, en hoe deze het “droogste” vak intressant wist te maken, was hij niet alleen spoedig met zijn lesuren verzoend, maar begon hij er een dagelijks weerkeerend genot in te vinden. Ookstak hij in enkele dagen meer op, dan hij bij klassikaal onderwijs in weken gedaan zou hebben. Dikwijls bleven er van het werkprogram enkele uren over, die La gebruikte om hem in allerlei dingen van het luchtschip-leven in te wijden, en zoodoende hoorde hij telkens meer wat zijn achting en zijn vriendschap voor zijn nieuwe kennissen deed toenemen. Hoewel hij nog steeds niet wist wat het doel van hun eigenaardig bestaan was, leerde hij elken dag hun opvattingen en hun levensbeschouwing hooger schatten. Vooral de groote waarde, die zij aan een gezond, regelmatig leven bleken te hechten en aan de juiste verdeeling van rust, handenarbeid en hoofdwerk, maakte een aangenamen indruk, en hij begreep al gauw dat hij hier met goede, hoogstaande menschen te doen had. Er werd van elk zonder onderscheid tamelijk veel inspanning gevergd, maar daartegenover stond dat men op de rustdagen ook in den uitgebreidsten zin van het woord voor ontspanning zorgde. Steeds heerschte er een opgewekte, vriendschappelijke geest onder de leden der bemanning, en de waardeering waarmee men elkaars daden en woorden besprak en beoordeelde, leidde tot de onmisbare eenheid en samenwerking, die voor ’t bereiken van een gemeenschappelijk doel onontbeerlijk is.

Toen de middagles dien dag was afgeloopen, vertelde La aan Rob, dat Nof gereed stond om met een van de kleine vliegtoestellen naar de aarde te gaan, en of hij hem dus een briefje voor zijn voogd wilde meegeven. Rob schreef een paar regels, en nadat Li deze had gelezen en goedgekeurd, vertrok Nof er mee.

“Je moet je niet al te veel van deze zending voorstellen,” zei La. “De vliegtoestellen hebben nog niet die volmaking, welke wij ze op den duur hopen te geven. De grootste moeielijkheid bestaat echter in het vinden van den weg, afgezien nog van de omstandigheid dat ze meer aan de willekeur van weer en wind zijn blootgesteld dan ’t schip. Hier aan boord kunnen we steeds met de meeste nauwkeurigheid bepalen waar we ons ten opzichte van de aarde of van een andere planeet bevinden; dat is een groot voordeel.”

“Maar hoe gebeurt dat dan?” vroeg Rob.

“Wel, we hebben natuurlijk allerlei instrumenten voor plaatsbepaling, die op zee en ook door den gewonen ballonvaarder gebruikt worden, maar op den duur zijn die voor ons gebruik te omslachtig en ook niet altijd toereikend gebleken. Ga maar eens mee naar de stuurkamer, dan zal ik je laten zien wat ik er op gevonden heb.”

Ze gingen samen de monum trap op, die naar het dek leidde, en werden door Mu met een vriendelijk woord ontvangen.

“Ik ben altijd maar blij als er gasten aan boord zijn,” zei Mu. “Dan sjouwt onze museumgids La het schip met hen rond en krijgt de stuurkamer in de eerste plaats een beurt.”

“Je zit hier ook wel erg eenzaam, hè?” vroeg Rob.

“Jawel,” antwoordde Mu, “maar dat is zoo erg niet. Ten eerste houd ik wel van eenzaamheid; daaraan zijn we hier allemaal aan boord gewend, en voor menschen die van denken en werken houden is alleen-zijn trouwens niet zoo’n verdriet. Maar datneemt niet weg dat ik zoo nu en dan wel van een praatje houd.”

“Neen, Mu heeft het nog zoo kwaad niet,” zei La. “Hij doet vrijwel ’t intressantste werk aan boord, ook wel ’t meest inspannende en verantwoordelijke, maar daarom kan hij zich ook nu en dan door Naf laten aflossen.”

“En welk stuk zal ik de heeren nu ’t eerst vertoonen?” vroeg Mu schertsend.

“Ik ben er ’t meest benieuwd naar hoe je hier midden in de wolken den weg kan vinden,” zei Rob, die het een zonderlinge gewaarwording vond zich te midden van een ruimte te bevinden, die niets dan lucht en wolken te zien gaf. Het was een heerlijk, frisch gevoel, daar boven op het dek, en elke ademhaling gaf genot. Iets griezeligs was er ook wel in, zoo door de lucht te vliegen, maar toch bemerkte men de voortgaande beweging alleen doordat de schroeven hun voortdurend gesnor deden hooren, en het dek van monum-planken licht trilde; overigens had men zich evengoed kunnen voorstellen, dat het schip stillag en alleen de wolken bewogen.

Mu had bij Rob’s vraag La even aangekeken, maar deze knikte geruststellend en zei:

“De commandant heeft geen bezwaar, dat ik enkele dingen aan onzen gast laat zien. Rob kan dat als een aangenaam bewijs van vertrouwen opvatten.”

Mu schoof nu een langwerpige metalen plaat opzij, die het bovenblad van een vlak voor hem staand tafeltje bedekte, en nu zag Rob een glazen oppervlak, waarover zich een reeks fotografische beelden voortbewoog, die hem aan een voorstelling metden bioscoop deden denken. Onwillekeurig riep hij dan ook uit:

“Net een kinematograaf!”

“Dat is het ook,” zei Mu glimlachend. “Door middel van een verbeterde kinematografische opname trekken langs deze plaat, sterk verkleind, de afbeeldingen van het aardoppervlak, waarboven we ons bevinden. Zoolang we ons binnen den dampkring bewegen en evenwijdig aan de oppervlakte der aarde blijven, kan ik op de plaat precies den stand van het schip ten opzichte der aarde waarnemen. Een enkele maal mag een hevig onweer of een andere atmosferische storing de beelden eens onzuiver maken of zelfs geheel verstoren—in het algemeen kan ik het gebruik van de gewone instrumenten tot plaatsbepaling ontberen. De wolkenlaag die ons van de aarde scheidt oefent geen nadeeligen invloed; het toestel is zoo ingericht dat het door dergelijke beletselen heen toch zijn werk blijft verrichten. Zijn we toevallig in de schaduw van de aarde verzeild geraakt, dan hebben we maar wat hooger te stijgen en de opname geschiedt weer even duidelijk. Deze uitvinding, de volmaking van den kinematograaf, hebben we, evenals bijna alles aan boord, aan onzen professor La te danken.”

Toen La spottend een buiging maakte bij deze laatste woorden, plaagde Mu:

“Ja, als de professor eens een oogenblik niet verstrooid is, vindt hij soms wel een aardig stukje speelgoed uit. ’t Is een echte knutselaar.”

“Kijk jij maar naar je hoogtemeter,” schertste La terug, “anders zeilen we weer tegen den een of anderentop van de Himalaya aan, zooals je ons al eens geleverd hebt!”

“Vierduizend meter,” zei Mu, den hoogtemeter aflezend, een toestel dat door middel van een kwikkolom, welks stand van de luchtdrukking afhankelijk was, de hoogte boven het zeepeil aangaf.

“Dan zouden we tegen den Mont-Blanc kunnen stooten,” zei Rob. “Die is immers 4800 Meter!”

“Juist,” zei Mu. “Maar op botsingen hebben we nu weinig kans, want we zeilen boven den Atlantischen Oceaan. Kijk maar.”

Rob keek naar de glazen plaat, en zag daarop inderdaad niets dan een golvende beweging, waaruit hij begreep dat zich onder hen de zee bevond. Nu en dan schoof er een vlekje, groot als een vlieg, over de plaat; dat was zeker een schip.

“Wie stuurde er van morgen en van middag toen we aan tafel zaten?” vroeg Rob, opeens bedenkend dat er toen niemand in de stuurkamer kon geweest zijn.

“Niemand!” antwoordde Mu. “Wanneer er niets bizonders aan de hand is, kom ik gewoonlijk aan tafel. Tusschen Li en mij in bevindt zich een dergelijke plaat als hier, zoodat we ook gedurende de maaltijden precies kunnen nagaan waar we zijn. Bovendien vliegen we dan meestal met een matige snelheid of liggen we stil, zoodat er volstrekt geen gevaar bij is. In de werkkamer van den commandant is ook zoo’n plaat, benevens toestellen om de snelheid en de hoogte af te lezen. En verder zijn alle kamers telefonisch met de stuurkamer verbonden. Ja Rob, je kunt ’t niet zoo verzinnen, of ’t is er!”

Rob had veel schik in de vroolijke en duidelijke uitleggingen van Mu, en hij hield dezen wel een uur met allerlei vragen aan de praat. Mu legde hem de toestellen uit, waarmee de snelheid, het voor- en achteruit vliegen, het stijgen en het dalen werden geregeld, en wees hem ten slotte op de eenvoudige manier waarop het gas gefabriceerd en naar den ballon gevoerd werd. Voor dit laatste was trouwens slechts een zeer eenvoudige inrichting noodig, omdat het monum omhulsel van den ballon maar éen liter gas per maand doorliet, geen noemenswaard verlies dus.

Toen Rob zijn nieuwsgierigheid in de stuurkamer bevredigd had, maakte La een wandeling met hem over het dek.

“Zijn dat allemaal kanonnen?” vroeg Rob, op een twaalftal toestellen wijzend, die langs de verschansing stonden opgesteld.

“Ja, dat is ons geschut,” antwoordde La. “Dat ziet er oorlogszuchtig uit, hè? Maar toch is ’t een heel humaan soort geschut. We kunnen nu eenmaal niet buiten verweermiddelen, omdat we soms met kwaadwilligen te doen hebben—wilde volksstammen bijvoorbeeld. En dat komt nog al eens voor, daar we de enkele maal dat we aan land stappen, dit meestal ergens in een afgelegen streek doen, waar we geen kans loopen door beschaafde menschen ontdekt te worden. Dan moeten de kanonnen soms een woordje meespreken. Maar dooden vallen er nooit. Een evenmensch het leven te benemen—dat staat niet op onsprogramma; daartoe meenen we het recht niet te hebben. Dit geschut, en evenzeer de pistolen,die elk van ons onder zijn uitrustingstukken heeft, wordt geladen met patronen die een bedwelmend gas bevatten. Wie er door getroffen wordt, blijft volle vier-en-twintig uur buiten kennis, zonder daarvan later eenige nadeelige gevolgen te ondervinden. Het is een poging om den oorlog, zoolang deze helaas onvermijdelijk is, te humaniseeren. Overigens zijn al deze kanonnen, evenzeer als onze pistolen, snelvuurwapenen.”

“Maar als er nu toch eens iemand aan boord weet te komen, wat dan?” vroeg Rob.

“Dat gebeurt uiterst zelden,” zei La. “De kanonnen verspreiden zulk een grooten kring van gas omhetwoord verwijderd]schip, dat niemand daar straffeloos doorheen komt. Maar als laatste middel kunnen we de geheele verschansing met electriciteit laden, zoodat ieder die ze aanraakt, teruggeslingerd wordt. Zelfs het dek kunnen we over het heele oppervlak van zulk een lading voorzien.”

“Maar hoe kunnen we er dan zelf op loopen?” vroeg Rob.

“De zolen van onze schoenen zijn volkomen geïsoleerd.”

“En hoe zit ’t met dat bedwelmend gas?” ging Rob voort, “krijgen de schutters daar dan geen last van?”

“Daartegen hebben we ieder een klein toestel, dat we met een enkele beweging voor den mond kunnen vastmaken. Het sluit de neusgaten af en voert versche lucht aan den mond toe. Je zult er zoo een in je kamer vinden, kastje 5; ik raad je aan het steeds bij je te dragen. Zooals je ziet, hebben wij die dingen meestal aan een gordel om ons middel, dan zijn ze vlug bij de hand. Bovendien hoort tot ieders uitrustingeen kleine ransel om op den rug te dragen; die bevat genoeg om verscheiden weken van huis te kunnen blijven zonder in eenig opzicht gebrek te behoeven lijden.”

“Wat zit daar dan allemaal in?”

“Te veel om op te noemen! Een doosje met voedings-capsules; verbandmidden; een kleine electrische fakkel; schrijfgereedschap; een cilinder met zuurstof—ziedaar de hoofdzaken.”

“Maar er zit toch zeker wel een reserve-stel ondergoed in?”

“Neen; wel een klein toestel om zoowel boven- als ondergoed vlug en eenvoudig schoon te maken. Onze monum-kleeding is namelijk zoo goed als onverslijtbaar; met het stel kleeren dat we aan hebben kunnen we dus verscheiden jaren toe. Het reinigen geschiedt niet, zooals op aarde, door het goed te wasschen; dat zou te omslachtig zijn. We persen er eenvoudig machinaal ozon doorheen; dat werkt tevens ontsmettend. Ozon wordt ons natuurlijk in onbeperkte mate door onze electriciteits-toestellen geleverd. Electriciteit en ozon kunnen we hier in de lucht genoeg fabriceeren om alle fabrieken van de wereld te voorzien.”

Rob vroeg zooveel, en kreeg zooveel antwoorden, dat het hem begon te duizelen en hij geen tijd had alles behoorlijk in zich op te nemen. Toch kon hij niet nalaten nog te vragen:

“Hoe houden we ’t hier uit, als we héel hoog stijgen? Dan is immers de lucht zoo ijl, dat we er geen adem in kunnen halen? En komen we wel eens buiten den dampkring?”

“Ja—nu vraag je te veel,” zei La. “Dat is allemaal niet in ’n paar woorden uit te leggen. Maar ik denk, dat je op die vragen wel eens proefondervindelijk het antwoord zult krijgen. Heb dus wat geduld. Je zult hier nog genoeg wonderlijke dingen meemaken.”

Het was intusschen tijd voor het avondmaal geworden, dat in een even gezellige stemming verliep als den vorigen dag.

’s Avonds zat Rob nog wat op het dek in een makkelijken stoel, en keek naar de millioenen prachtig fonkelende sterren, waarvan enkelen er zoo groot en nabij uitzagen, dat het leek of het schip zich maar enkele honderden meters behoefde te verheffen om die lichtende werelden binnen te vliegen.

Vermoeid door de talrijke en ongewone indrukken, ging Rob ook dien avond tijdig naar bed, en sliep zoo gerust en vast alsof hij een oude, beproefde luchtrob was.

De Vogel gaat aan land.—Er dreigt gevaar.—Rob redt den commandant.—Een Engelsch oorlogsschip.—Een onbloedig gevecht.—Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.—Rob wordt zeeman.—De landing te Dover.

De Vogel gaat aan land.—Er dreigt gevaar.—Rob redt den commandant.—Een Engelsch oorlogsschip.—Een onbloedig gevecht.—Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.—Rob wordt zeeman.—De landing te Dover.

Toen Rob den 15enOctober door de electrische bel gewekt werd, scheen de zon zoo helder in zijn kamer, dat hij vlug opstond en onwillekeurig, evenals hij dat thuis gewoon was, dadelijk naar ’t raam liep om te zien hoe het weêr was. Tot zijn verbazing zag hij dat een paar wuivende, groene boomtakken tegen het venster tikten.

“Zouden we aan land zijn gegaan?” dacht Rob.

Hij klom op een stoel om beter door het vrij groote raam te kunnen zien, en zag nu, dat het schip inderdaad op den vasten bodem lag. Op enkele meters afstand bruiste de zee.

Rob kleedde zich vlug aan. In de gang ontmoette hij Lo, die hem vriendelijk goedenmorgen wenschte en zei:

“Je hebt zeker wel gezien dat we aan land zijn, nietwaar? Ga maar meteen naar de eetkamer; de commandant verzoekt je niet aan dek te komen.”

In de eetzaal vond Rob alleen La, die nog zat te ontbijten, met een boek naast zich, waarin hij al etend bladerde. De anderen schenen al klaar te zijn; boven aan de trap had hij alleen Naf zien staan, met een gaspistool in de hand. Er scheen iets bizonders te zijn gebeurd.

La keek even op toen Rob binnenkwam, zei goedenmorgen en las toen weer door. Rob begreep dat hij het beste deed met zich niet nieuwsgierig te toonen; hij ging zitten en at met smaak een paar tarwebroodjes, die in hun capsule niet meer dan enkele kubieke centimeters ruimte hadden ingenomen, maar na een klein kunstmatig gistingsproces langs electrischen weg ongeveer de grootte van een kadetje hadden aangenomen. Daar dit brood van den geheelen tarwekorrel, met omhulsel en al, was gemaakt, bezat het bizonder voedzame eigenschappen.

Na een tijdje keek La van z’n boek op, en zei:

“Waar blijven de anderen toch? Ik kreeg zoo’n honger dat ik maar vast begonnen ben.”

“De anderen zijn al lang klaar,” zei Rob, naar hun gebruikte borden en glazen wijzend. “Er schijnt iets bizonders aan de hand te zijn.”

“Hé ja,” zei de verstrooide La, die dat eerst nu eveneens opmerkte. “En ons laten ze hier maar zitten. Als er wat ongewoons gebeurt, schijn ik er nooit in gekend te worden.”

Rob moest even glimlachen om de kinderlijke verontwaardiging van La, die hij aan den eenenkant begreep omdat het voor een man van zulke buitengewone verdiensten ongetwijfeld niet aangenaam moest zijn als men hem verwaarloosde, maar die hem aan den anderen kant verwonderde omdat men zich hier aan boord zelden of nooit achteruitgezet, prikkelbaar of ontevreden toonde. Integendeel had hij de doorloopende goedgehumeurdheid en de onderlinge harmonie van zijn gastheeren steeds bewonderd.

“Ik ga toch eens kijken,” zei La.

Na eenige oogenblikken kwam hij echter terug en zei:

“Die Nof staat daar aan de trap met ’t gezicht van een draak, die z’n schatten bewaart. Hij zegt dat we niet naar boven mogen. ’t Is wat moois.”

“Hij zal er wel goede redenen voor hebben,” zei Rob. “De commandant heeft ’t zeker zoo gelast.”

“Je geeft me daar een goed lesje, Rob,” zei La glimlachend. “En je hebt groot gelijk. Als Li ’t zoo wil, dan zal ’t wel goed zijn.”

Met deze woorden boog La zich weer over zijn boek, en weldra was hij zoo in zijn lectuur verdiept, dat hij de omgeving vergat.

Rob was te nieuwsgierig om stil te zitten. Hij ging naar het raam en keek uit.Ervertoonde zich slechts een klein gedeelte van de omgeving; een groep hooge boomen, waartusschen het luchtschip verborgen scheen te liggen, belemmerde het uitzicht. Door op een stoel te gaan staan en zich met een kijker te wapenen, slaagde Rob er in zijn gezichtsveld wat te verruimen, en toen bemerkte hij dat zich op enkele honderden meters afstand twee zwarte gestalten sluipenderwijze door het hooge struikgewasvoortbewogen. Een van die beide mannen scheen hem toe de commandant te zijn, doch hij kon dit niet met zekerheid bepalen. Vreemder leek het hem echter, dat zich op een afstand achter hen eenige gedaanten vertoonden, die hij gemakkelijker kon onderscheiden, omdat zij klaarblijkelijk voor een deel in ’t rood gekleed waren.

Lang tijd om dit schouwspel rustig gade te slaan had Rob niet, want opeens zag hij, dat de roodjassen zich over een breeden kring verspreidden, alsof zij de voor hen uit sluipende twee mannen wilden omsingelen. Bij instinct voelde hij duidelijk, dat hier gevaar dreigde. Hij kon het niet langer werkeloos aanzien. In enkele seconden had hij zijn gaspistool uit het foudraal genomen, den zuurstoftoestel voor den mond gegespt, en was hij de trap opgevlogen. Hij stiet Naf, die hem wilde tegenhouden, opzij en snelde de enkele treden af van het laddertje dat tegen den zijwand van het schip was bevestigd. Nof zond hem een paar schoten achterna, zich streng aan het consigne houdend, maar Rob bekommerde zich hier niet om, wetend dat de zuurstoftoestel hem beschermde. In enkele groote sprongen had hij de roodjassen achterhaald. Vóór dezen beseften wat er gebeurde, schoot hij er drie neer, en hoewel het geluid van de gasontplofifing bij dit merkwaardig soort pistolen zeer gedempt klonk, waren Li en Lo er toch duidelijk genoeg door gewaarschuwd. Ze begrepen nu het gevaar waarin ze verkeerden, snelden op hun schreden terug en kwamen Rob te hulp. Binnen weinige oogenblikken lagen ook de drie overige roodjassen bewusteloos.

Laconiek als altijd, drukte Li zwijgend Rob’s hand. Tijd tot veel uitleggingen was er trouwens niet, want nauwelijks had men de zes vijanden, die aan hun uniformen als Engelsche marine-soldaten kenbaar bleken te zijn, naast elkaar in ’t gras gelegd, in afwachting van wat men later met hen doen zou, of er dreunde van uit zee een kanonschot, weldra door een tweede en een derde gevolgd.

“Naar boord!” was ’t eenige wat Li zei.

Op het schip gekomen, riep hij de bemanning bij elkaar.

“Het spijt me, den strijd openlijk te moeten beginnen,” sprak hij. “Ik had gehoopt dat we onopgemerkt zouden gebleven zijn. Maar het kan nu niet anders meer. Op je plaatsen! Mu—vijftig meter!”

Nauwelijks was dit commando geuit of Naf en Nef stelden zich bij de kanonnen op, terwijl Li met Lo en Rob in het midden van het dek bleven staan. La, die, uit zijn lectuur opgeschrikt, met een verbaasd gezicht boven de trap was komen uitkijken, ontving het bevel: “dampkringtoestel; dubbele weerstand,” en verdween onmiddellijk daarop weer onder het dek.

Mu had de stijgkruk omgedraaid, en De Vogel verhief zich pijlsnel in de lucht. Op vijftig meter hoogte gekomen, hield het schip stil. Rob zag toen op enkele honderden meters van het strand een reusachtig oorlogsschip liggen, dat de Engelsche vlag in top voerde. Hij begreep nu, dat de landing van De Vogel door dit schip was bemerkt, en dat Li reden had om zich niet van het eiland te latenverdringen. Wat hier achter stak was hem nog niet duidelijk, doch daar men ’t niet noodig scheen te vinden hem hieromtrent in te lichten, deed hij ook geen nieuwsgierige vragen.

Li gaf een teeken met de hand, en De Vogel bewoog zich langzaam in de richting van het oorlogsschip. Zou Li met zijn rank luchtvaartuig en zijn handvol mannen dat geweldige, zwaarbewapende en duimdik gepantserde zeekasteel willen aanvallen? In groote spanning wachtte Rob de komende gebeurtenissen af. Op den eersten indruk afgaande, leek hem een gevecht tusschen twee zulke ongelijke tegenstanders eenvoudig onzinnig. Daarentegen boezemde de kalme en besliste houding der luchtvaarders hem zulk een vertrouwen in, dat hij geen oogenblik twijfelde of ze zouden niets beginnen, waarvan ze den uitslag niet van te voren met zekerheid konden voorspellen. En dat die uitslag in hun voordeel zou zijn, ook dat stond bij Rob al spoedig, tegen alle waarschijnlijkheid in, vast.

Aan boord van het Engelsche schip had men De Vogel bemerkt. Duidelijk zag Rob, dat de snelvuurkanonnen geladen en gericht werden, en ook zag hij een afdeeling marine-soldaten, met geweren bewapend, op het voordek aantreden. Het zware belegeringsgeschut, dat tegenover het luchtschip onbruikbaar was, zweeg al eenigen tijd.

Rob’s spanning nam toe. Hoe moest dit afloopen? Wat zou er gebeuren als straks een hagelbui van projectielen losbarstte? Zou dan De Vogel niet doorboord worden als een zeef?

Hij had nauwelijks tijd gehad deze gedachte teneinde te denken, toen een geweldig, oorverdoovend gekraak de lucht verscheurde. Het leek alsof het oorlogsschip in vuur en vlam stond. Een ware sproeiregen van kogels werd op De Vogel afgestuurd.

Rob zag Li aan. Deze wenkte Mu met de hand. De Vogel daalde langzaam eenige meters. Het kanon- en geweervuur verdubbelde in hevigheid, maar tot Rob’s grenzenlooze verbazing scheen geen enkel projectiel De Vogel te kunnen bereiken. Het leek wel alsof er zich een ondoordringbare sfeer om het luchtschip bevond. De geweldige ijzermassa’s, door de Engelsche wapenen uitgebraakt, bereikten De Vogel klaarblijkelijk niet; ze kwamen tot op enkele meters, en vielen dan, werkeloos, uitgeput, sissend en klaterend deels in zee, deels op het oorlogsschip terug.

De Vogel was tot ongeveer vijf-en-twintig meter boven den waterspiegel gedaald; Li wenkte, en Mu hield het luchtschip zwevende. Toen gaf Li een fluitsignaal, dat schel boven het kanongebulder uitklonk, en Naf en Nef drukten op den electrischen ontstekingsknop van een viertal gaskanonnen. Electrisch geladen en afgevuurd, strooiden deze kanonnen binnen enkele minuten tienduizendtallen gaspatronen over het oorlogsschip. De uitwerking was verrassend. Na een bombardement van nagenoeg vijf minuten was het kolossale vaartuig zoo volledig in een dichten sfeer van verdoovend gas gehuld, dat zich aan boord geen teeken van leven meer bespeuren liet. De gansche bemanning lag bewusteloos. Gedurende enkele minuten zag men hier en daar een hoofd boven het dek uitkomen, maar ook dit hield spoedig op; hetgas drong in alle hoeken en gaten door, en weldra was alles aan boord in diepe rust.

Toen kwam er even een glimlach op het strakke, kalme gezicht van Li.

“Het kasteel van de Schoone Slaapster,” zei hij tot Rob, die met bewondering opzag tot den man, aan wiens gezag bovenaardsche krachten onderworpen schenen te zijn.

Nog ongeveer tien minuten bleef men het Engelsche schip waarnemen. Toen Li als vrij zeker kon aannemen, dat er niemand aan boord meer wakker was, liet hij De Vogel dalen, en, door Lo en Rob vergezeld, ging hij op het oorlogsschip over.

Rob, zeer in z’n schik met de onderscheiding die de commandant hem verleende, keek aan boord de oogen uit. Welk een reusachtige, zwaar bewapende kolos! Hoe was het mogelijk, dat de slanke, luchtige Vogel dat dreigende monster binnen enkele minuten volledig had getemd!

Li wandelde het geheele schip door, hier en daar een enkelen Engelschman die nog bewoog, met een schot tot rust brengend. Ten slotte liet hij in de machinekamer den stoom ontsnappen, en deed hij de ankerkettingen ratelend vallen; ook gaf hij bevel de zes soldaten, die nog op het eiland lagen, aan boord te doen brengen.

“Zie zoo,” sprak, Li, toen allen op De Vogel terug waren, “voorloopig hebben we rust. Maar toch niet langer dan vier-en-twintig uren. Dan zal onzen Engelschen vrienden de maag beginnen te jeuken, en worden ze weer levend. Vóor dien tijd moeten we uit de voeten zijn. Ieder weet wat hij te doenheeft; aan het werk dus. Ik zou wel willen, dat Rob even in mijn werkkamer kwam.”

Toen Li de deur van zijn kamer achter hen gesloten had, bood hij Rob een stoel aan en zei:

“Je hebt je flink gedragen zooeven. Lo en ik hadden inderdaad niet gemerkt dat ze ons op de hielen zaten. Nu was dat wel niet zoo erg, want we hadden een weerstandstoestel bij ons. Maar dat kon jij niet weten, en je daad blijft dus even flink en beslist.”

“Wat is dat: een weerstandstoestel?” vroeg Rob, die sedert zijn komst aan boord een voortdurend vragen-en-antwoorden-spelletje speelde, elke gelegenheid aangrijpend om achter de vele wonderen te komen waarmee hij zich omringd zag.

“Dat is alweer een van de pracht-uitvindingen van La,” antwoordde de commandant. “Het is een toestel, dat de lucht op enkele meters om ons heen sterk verdicht, de zwaartekracht zóo doet toenemen, dat zelfs de snelste projectielen uit aardsche vuurwapenen hun kracht verliezen en machteloos terugtuimelen. In het groot bezitten we zulk een toestel onder aan De Vogel, in een uitbouw. La is er zoo trotsch op, dat hij het steeds zelf bedient. Op die manier hadden we zoo even zulk een ondoordringbaar verdichte luchtsfeer om ons schip, dat er geen schot door kon.”

Rob was eigenlijk een beetje teleurgesteld. Hij had gedacht, dat hij den commandant en Lo van den dood had gered, en nu vernam hij, dat zijn tusschenkomst vrijwel overbodig was geweest!

Maar Li scheen de teleurstelling op zijn gezicht te lezen. Ten minste hij ging voort:

“Maar nu moet je niet denken, dat ik je niet dankbaar ben voor je optreden. Het bewijst me, dat je geen wrok voelt tegen ons, niettegenstaande we je hier zoo lang te logeeren houden. ’t Liefst zou ik je beloonen door je vrij te laten; maar dat kan onmogelijk. Ik vertrouw wel op je zwijgen, maar niemand kan weten hoe je tegen je eigen voornemen en wil in, mij ooit zou kunnen schaden. Heb dus nog wat geduld; ik zal je geregeld de gelegenheid geven met je familie te correspondeeren. Ik wilde je nu echter over wat anders spreken. Om je te bewijzen hoe ik je daad van dezen morgen op prijs stel, zal ik je wat meer inwijden in mijn plannen. Misschien zal je dat den lust geven in ons aller belang mee te werken.

“Je hebt zeker wel begrepen, dat je door een verzuim van La in onze handen bent geraakt. Hij was met een zending naar Amsterdam belast, in samenwerking met Nef, die wegens het wetenschappelijk karakter der zending het moeielijk alleen kon doen. Hij liet een trommel met belangrijke stukken in het Vondelpark liggen, en jij vondt dien. Toen zat er niets op, dan jou en den trommel in te pikken!”

“Nu, ik ben niets boos op La, hoor!” zei Rob. “’t Is een goeie man en hij heeft me al heel wat laten zien en onderwezen in die paar dagen.”

“Wel, dat doet me genoegen,” zei Li. “La heeft er erg ’t land over gehad. En nu hoor ik met pleizier dat jullie samen kunnen opschieten.

“Je hebt gelezen wat er op de monum blaadjes stond, die in den trommel zaten, nietwaar?”

“Ja, voor zoover ik ’t begreep,” antwoordde Rob.

“Nu, kijk dan nog eens hier.”

Li nam uit een loket in den wand, waarvan hij ’t deurtje deed openspringen door een druk op een verborgen veer, een doos, waarin zich een stapel van hetzelfde taaie, onverscheurbare papier bevond, dat Rob indertijd in den trommel had gevonden. Li nam er een blaadje uit, en reikte het Rob over. Er stond hetzelfde op wat deze al eens gelezen had:

Kroonjuweelen£1000.00015 October Green-eiland,20 October DoverHuur hoek Longmanstreet 2610 en 2612Advertenties en aanplakbiljetten.

Kroonjuweelen£1000.00015 October Green-eiland,20 October DoverHuur hoek Longmanstreet 2610 en 2612Advertenties en aanplakbiljetten.

“Met een kleine toelichting is de bedoeling duidelijk,” zei Li. “De bedoeling is de in dit stuk vermelde kroonjuweelen, ter waarde van 1000.000 pond, en op het oogenblik in ’t bezit van de Engelsche Koninklijke Familie, machtig te worden.”

Rob keek den spreker verbaasd aan. Met welk doel zou dit moeten gebeuren? dacht hij. Van een gewonen diefstal kon toch bij de mannen van De Vogel geen sprake zijn.

Maar Li zag zijn verbaasd gezicht, en zei:

“Dat klinkt je vreemd, hè? Misschien neem je me die struikrooversstreek minder kwalijk, als je hoort dat de opbrengst van die sieraden dienen zal om de Transvalers van geld te voorzien, opdat ze hun oorlog langer kunnen volhouden.”

Rob’s gezicht helderde op. Dat vond hij een prachtig idee! Zoo zou dus de Engelsche Koninggedwongen worden ook het zijne bij te dragen tot de verbetering van den financiëelen nood bij de Boeren! Nu, zoo’n poets wilde hij dien Engelschen wel mee helpen bakken!

“Daar heb je schik in, hè?” vroeg Li. “Maar vind je eigenlijk niet, dat het niet te pas komt iemand z’n bezittingen af te nemen, al is ’t met een goed doel?”

“Ja,” zei Rob na eenig nadenken, “dat is eigenlijk niet in den haak. Ik vindt ’t wel prettig als die dappere Boeren eens flink van geld worden voorzien, want dat kunnen ze best gebruiken. Maar tegenover den Engelschen Koning blijft ’t toch diefstal.”

“Goed geredeneerd,” zei Li. “Oogenschijnlijk is ’t ook zoo. Maar nu zal ik je eens wat anders vertellen. Van ’t oogenblik, dat de Boeren de eerste diamantvelden begonnen te ontginnen, hebben de Engelschen begeerige oogen op dat rijke land geslagen. Als ze maar eenigszins kans er toe zagen, staken ze hun neus in de Transvaalsche huishouding. Toen nu de Boeren-Republieken onder Engelsche suzereiniteit kwamen, waren er eenige jaren, waarin de oogst zeer slecht uitviel en de Republieken niet in staat waren de hooge belastingen op te brengen die het Engelsche Gouvernement van hen vergde. Misschien heb je er wel eens van gehoord—er is ten minste heel wat over gepraat en geschreven—dat de Engelschen toen beslag legden op een partij zeer mooie, groote en zuivere diamanten, die door de Staatsmijnen waren opgeleverd, en in de reservekas der Transvaalsche Republiek berustten. Het heette toen, dat men deze diamanten alleen in waarborg nam, dat ze teruggegevenzouden worden zoodra de achterstallige belastingen waren voldaan. De waarheid was echter, dat het Engelsche Gouvernement al sedert jaren begeerige oogen op die edelsteen en had geslagen, waarvan de kleinste nog in omvang de beroemde Koh-i-noor overtrof.

“Nauwelijks waren de kostbaarheden in Engeland, of ze werden in een kroon en een diadeem verwerkt—dezelfde die Koning Edward en zijn Gemalin met het kroningsfeest zijn aangeboden. Dat was op zichzelf al niet in den haak, maar het ergste is, dat de Engelschen tot nog toe in gebreke zijn gebleven, het verschuldigde terug te betalen.”

“Maar hebben de Boeren dan hun achterstallige belasting voldaan?” vroeg Rob.

“Die hadden ze vijf jaar geleden al, met den interest, tot den laatsten cent opgebracht. De Engelsche Regeering had zeker zulk een stiptheid niet verwacht. Althans, ze zoekt nu al vijf jaren allerlei uitvluchten in die diamanten-zaak. De eene leugen stapelt ze op de andere, rakelt verhalen van oude schulden op, die Transvaal nog aan Engeland te voldoen had, kortom tracht zich op allerlei manieren van haar verplichtingen te ontdoen. En nu de oorlog is uitgebroken, is er natuurlijk van teruggave geen sprake meer. Zoo hebben de Boeren hun belastingen dus dubbel betaald.”

“Dat is schandelijk!” zei Rob verontwaardigd.

“Dat is het,” zei Li. “Toen ik achter die geschiedenis kwam, riep ik hetzelfde als jij nu. En het trof me zoo sterk, dat ik me er zelfs door liet afleiden van het eigenlijke doel, dat ik mij met mijn geheimzinnigeluchtreizen had gesteld, en waarin je ook later, naar ik hoop, zult worden ingewijd. Ik heb me voorgenomen die kroonjuweelen machtig te worden, en ze aan de Transvaalsche Regeering terug te geven. Eerst daarna zal ik het eigenlijke doel van mijn onderneming weer opvatten.”

“Maar hoe wil je je daarvan meester maken?” vroeg Rob nieuwsgierig.

“Dat zal je wel merken,” antwoordde Li. “Let maar goed op wat er van nu af aan gebeurt. We beginnen al dadelijk, want we moeten klaar zijn en vertrekken, eer de Engelschen weer tot bewustzijn gekomen zijn. Dit eiland is een Engelsche bezitting, maar de eigenaars kwamen er nooit, omdat het onbewoond is, en niets oplevert. Daarom heb ik er sedert eenigen tijd een bergplaats gemaakt, die je straks zien zult. Het is me nu echter gebleken, dat de Engelschen er voor kort een kolenstation hebben gevormd; vandaar de onverwachte aanwezigheid van het oorlogsschip. Het was dus in mijn belang, die heeren voorloopig onschadelijk te maken.”

Met deze woorden stond Li op, en verzocht Rob hem te volgen; hij zou dan wel nader zien wat er gebeuren ging.

Veel dingen waren Rob nu duidelijker geworden, en met belangstelling volgde hij Li, in gespannen verwachting naar de dingen die komen zouden.

Nadat Naf bij het oorlogsschip op post was gezet en Mu de bewaking van De Vogel was opgedragen, ging Li, gevolgd door de overigen, van boord, en sloeg een voetpad in dat naar het midden van het eiland leidde. Daar bevond zich een rotsachtigehoogte van ongeveer vijf-en-twintig meter boven de oppervlakte der zee, vanwaar men het geheele kleine eiland kon overzien, dat niet meer dan een kilometer in omtrek mat.

Op de hoogte, waar ze zich nu bevonden, stond een vrij dicht boschje van laag hout. Li boog de struiken uiteen, door de anderen gevolgd, en stond nu voor een rotsblok, dat schijnbaar den verderen doorgang belemmerde. Het werd met eenige inspanning door de mannen opzij geschoven, en nu werd een ongeveer vier meter breede, donkere opening zichtbaar, waarboven de stijlen van een ijzeren ladder uitstaken.

“Dit eiland is waarschijnlijk door vulkanische werkingen opgeworpen,” zei Li tot Rob. “We staan nu althans voor de opening van een sinds lang uitgedoofden krater. We ontdekten die toevallig, en nu hebben we er een bergplaats van gemaakt.”

Nadat allen hun electrische lantarens hadden ontstoken, daalde men in de duistere opening af. Beneden gekomen, verwijdde de trechter zich, en bevond men zich in een kelderachtige ruimte waar allerlei scheepsmateriaal en eenige kisten stonden opgestapeld.

“Nu worden we zee- in plaats van luchtvaarders,” zei Li.

Men daalde in de duistere opening af. (pag. 60.)Men daalde in de duistere opening af. (pag. 60.)

Men daalde in de duistere opening af. (pag. 60.)

Men daalde in de duistere opening af. (pag. 60.)

Met vereende krachten werden allerlei voorwerpen naar boven gesleept, waarvan Rob de beteekenis en het gebruik niet dadelijk begreep. Toen allen weer uit den krater geklauterd waren en de opening weer met den steen was afgesloten, zag Rob dat de mannen uit enkele eenvoudige onderdeelen vlug en handig een wagen ineen zetten, die een groot plat bovenvlakhad. Daarop werden de kisten en een massa ander materiaal geladen, en ten slotte werd de wagen naar het strand gereden.

“Zoo’n bewaarplaats is wel gemakkelijk, niet waar?” vroeg Li. “Toen ik ze ontdekte, was dat door een bizonder toeval. We hadden bij Green-eiland overnacht, toen we bij het aanbreken van den morgen—’t was stormachtig weer—een stoomjacht onder Engelsche vlag met de branding zagen worstelen. Dadelijk schoten we te hulp, maar te laat om redding te brengen. We zagen slechts hoe twee mannen al zwemmende het land trachtten te bereiken; de een werd tegen de klippen verpletterd, de ander bereikte den wal, doch overleed eenige uren later aan de bekomen wonden. Het bleek al gauw uit de papieren, die we aan boord vonden, dat we hier te doen hadden met den Engelschen ontdekker James Lane, over wien verleden jaar in de kranten zoo veel te doen was. Lane was een zonderling; een wel handig en zelfs geleerd man, doch die de buitensporigste plannen op touw zetten, welke telkens mislukten, hoeveel moeite en kosten hij er ook aan besteed had. Zijn laatste onderneming was een reis naar de Zuidpool, in een door hemzelf geconstrueerd stoomjacht. Hij vertrok onder veel belangstelling en zelfs uitgeleid door vertegenwoordigers van den tegenwoordigen Koning, die zich voor den avontuurlijken man intresseerde. Sedert hoorde men niets meer van hem; hoe het met hem gegaan is, heb je zoo even gehoord. Zijn bemanning had hij onderweg in een Fransche haven aan wal moeten zetten, daar ze hem beschuldigde van roekelooze waaghalzerij enbevreesd werden voor hun toekomst. Hij zette toen koppig de reis voort, slechts door zijn secretaris trouw gebleven. Het resultaat weet je.”

“En heb je toen zijn jacht bewaard?” vroeg Rob.

“Zooals je ziet,” zei Li, op de overigen wijzend, die intusschen bezig waren het vaartuig ineen te zetten. “Bij onderzoek van het jacht bleek dit zeer vernuftig gebouwd te zijn, namelijk met uitneembare onderdeelen. Ook was het door een geniale constructie zoo ingericht, dat het zelfs door de zwaarste zeeën niet omgeworpen kon worden. La maakte het voor electrische drijfkracht gereed, zoodat het veel eenvoudiger te besturen is. We deden er reeds een proefvaart mee, en zullen ’t nu voor de eerste maal voor een grootere reis gebruiken.”

“Heeft men nooit getracht Lane op te sporen?” vroeg Rob.

“Jawel; het Britsch Aardrijkskundig Genootschap, door de Regeering gesteund, rustte een expeditie uit, toen de berichten van Lane ophielden. Zonder eenig resultaat natuurlijk. Overigens was Lane een zonderling, eenzelvig man, die kind noch kraai op de wereld bezat, zoodat ten slotte niemand zich meer om zijn lot bekommerde. Het moet wel een eigenaardige gewaarwording zijn als men hem nu in eens te Londen terug ziet.”

Rob keek Li verwonderd aan. Daar begreep hij nu niets van.

“Ben je daar verbaasd over?” glimlachte Li. “Als we straks aan boord zijn, zal je Lane zien. Wacht maar.”

Na ongeveer twee uren gewerkt te hebben, hadmen het jacht gereed. Er was nu nog eenige tijd noodig om de benoodigde levensmiddelen en vele andere onmisbare artikelen uit De Vogel in het jacht over te laden, doch eer de avond viel was men gereed te vertrekken.

“Ziezoo,” zei Li, toen allen aan boord waren. “Nu zal ik mijn geweten geruststellen en het jacht met toebehooren aan de Engelsche Regeering afleveren, ofschoon het de vraag is of het mij als strandvonder niet rechtens toekomt.”

Toen het donker inviel, en het oorlogsschip met zijn slapende bemanning nog slechts als een reusachtige, logge, zwarte massa zichtbaar was, koos het jacht, de “Lane” genaamd, zee. Op eenigen bovenwaartschen afstand volgde De Vogel, alleen met Mu bemand.

Men zat er gezellig bijeen in het rooksalon, behalve Naf, die zich in de stuurkamer bevond, en Li die naar de commandantshut was gegaan, toen Rob’s oog op een groot, uitvoerig geschilderd portret viel, op welks lijst geschreven stond: “James Lane.” Hij wilde er heen gaan om het eens van dichterbij te bekijken, toen de deur geopend werd, en een man binnentrad, die als van het schilderij weggeloopen scheen.

“James Lane!” riep Rob onwillekeurig uit.

“Juist!” zei vroolijk de binnenkomende—en Rob herkende Li’s stem—“lijkt ’t niet sprekend?”

De vermomming was inderdaad treffend. Li had in zijn uiterlijk volkomen de figuur van Lane nagebootst; alleen was zijn gezicht wat gebruinder, waren zijn haren wat grijzer.

“Nog vijf dagen,” zei Li, “en Lane komt in Engeland terug. Nu, Rob, denk je niet dat ze den grooten ontdekkingsreiziger, die zooeven van de Zuidpool terugkeert, met pracht en praal, en zelfs aan het Hof zullen ontvangen?”

Nu begreep Rob, van welke toevallige omstandigheden Li gebruik wilde maken om zich toegang te verschaffen tot de onmiddellijke omgeving van den Koning. Het plan leek hem gewaagd, maar hij twijfelde niet of Li zou het met zijn gewone zekerheid en behendigheid tot een goede uitvoering brengen.

Nadat men nog eenigen tijd Li’s vermomming bewonderd had, ging deze zich weer daarvan ontdoen, en kwam weldra terug om nog een paar gezellige uren in den kring der kameraden door te brengen. Rob voelde zich nu geheel thuis; hij bemerkte met genoegen dat allen hem als een der hunnen behandelden, zijn oordeel vroegen, hem in vertrouwen namen, kortom hem zoo zeer op zijn gemak zetten, dat hij dankbaar was goede en vriendelijke menschen te hebben ontmoet.

Het ontbrak gedurende de eentonige zeereis niet aan afwisseling. Men hield zich aan boord met muziek en lectuur bezig, Rob’s lessen bij La gingen geregeld door, en de gezellige gesprekken des avonds aan en na tafel waren voor Rob even aangenaam als leerrijk. Het viel hem op, hoe allen hun best deden om vriendelijk en goedgehumeurd tegenover elkander te zijn, hoe men zich beijverde om het gesprek nooit te doen verwateren in alledaagsche praatjes, maar ’t altijd daarheen te leiden, dat de een steeds van den ander iets leerde. Vaak was menhet ook over ’t een of ander onderwerp oneens, maar hoe levendig de discussie ook werd, altijd bleef de toon hoffelijk en opgewekt, en men eindigde onveranderlijk met elkaars gevoelens nog meer te waardeeren dan te voren, ook al was men niet tot overeenstemming kunnen komen. Li bezat een bewonderenswaardigen tact om zulke discussies te leiden, en zoo noodig ook tijdig te doen eindigen.

Gedurende de reis was Rob herhaaldelijk in de gelegenheid den marconi-toestel in werking te zien, die door La bediend werd. Deze deelde hem nu mee, dat Nof niet alleen met het overbrengen van het briefje aan Rob’s ouders belast was, maar ook eenige toebereidselen moest treffen in Londen en in Dover, waar men landen zou. Vandaar zond hij telkens draadlooze telegrammen naar het jacht. Ook met De Vogel, die nu zoo hoog gestegen was, dat hij zonder kijker niet meer was waar te nemen, werden nu en dan marconigrammen gewisseld.

Den 24enOctober, den dag vóor men zou landen, liet Li Rob in de commandantshut komen, en zei:

“Ik zal je nu enkele dingen vertellen, die je noodig hebt te weten, omdat ze je misschien te pas kunnen komen. Ten eerste dan, moet je weten, dat we in Londen met ongeduld verwacht worden.”

“Weten ze daar dan al dat je komt?” vroeg Rob.

“Zeker! Nof is vooruitgegaan als mijn particulier secretaris, of liever als die van Lane. Hij is over land gekomen, naar ’t heet, en heeft al zalen in Londen afgehuurd, en contracten met impressario’s afgesloten, ten doel hebbende de lezingen van denontdekkingsreiziger Lane voor te bereiden, welke deze over zijn Zuidpooltocht zal houden. Dagelijks heb ik hem berichten geseind, welke hij in de groote bladen heeft doen opnemen, en het publiek is al zoo opgezweept, dat zich officiëele comité’s van ontvangst hebben gevormd en de Koning zijn verlangen te kennen heeft gegeven den ontdekkingsreiziger te ontmoeten. Heel Dover en Londen zijn doorNofszorg met groote, gekleurde aanplakbiljetten beplakt, waarop mijn, of liever Lane’s, welgelijkend portret is afgebeeld. Men draagt al Lane-dassen, drinkt Lane-limonade, rookt Lane-sigaren. Het Britsch Aardrijkskundig Genootschap zal ons een groot feestmaal aanbieden.”

Rob zag het eene wonder zich al weer op het andere stapelen. Dat zou intressant worden. Als hij er nu maar bij kon zijn!

“En hoe gaat het nu met ons allemaal?” vroeg hij. “Wat stellen wij voor?”

“Wel, daar jullie allemaal Hollanders zijn, stel je Hollandsche ingenieurs en oud-zeeofficieren voor, die ik voor mijn reis heb aangeworven nadat mijn scheepsvolk was weggeloopen. Dat klinkt voornaam; voor matrozen zouden jullie er trouwens niet zeebonk-achtig genoeg uitzien. En jij zult fungeeren als mijn adjudant; dan kan je me overal volgen.”

“Dat is heerlijk!” juichte Rob. “Dan kom ik dus ook bij den Koning! En hoe krijg je nu de diamanten?”

“Geduld! dat zal je wel zien,” lachte Li. “Voorloopig moet je maar precies doen wat ik zeg, en op de vragen, die men je mocht stellen, voorzichtige antwoorden geven.”

Rob kon dien nacht bijna niet slapen van opwinding bij de gedachte aan de avontuurlijke dingen die voor de deur stonden. Hoe zou Li het wel aanleggen? Zou het lukken? Was het eigenlijk niet een gevaarlijke onderneming, en wat zou hun lot worden als de list eens ontdekt werd? Al dergelijke vragen bestormden Rob en hielden hem wakker, maar ten slotte herkreeg zijn blind vertrouwen in Li, die zoo zeker van zijn zaak was, en geen oogenblik scheen te aarzelen, de overhand, en hij sliep gerust in.

De zee was dien nacht, evenals trouwens gedurende de heele reis, zeer kalm, en de vernuftige inrichting van het jacht maakte dat het bijna niet slingerde. Rob had dan ook geen oogenblik last van zeeziekte gehad, en hij sliep dien nacht zoo rustig, dat hij den volgenden morgen eerst na vijf minuten het geweldig kanongebulder hoorde, waarmee het jacht, de Engelsche vlag in top voerend, begroet werd door de ter reede van Dover liggende oorlogsbodems. Snel stond hij op, kleedde zich vlug aan en liep naar het dek, dat door een prachtige herfstzon vroolijk beschenen werd.


Back to IndexNext