Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.—De drie verzegelde pakketten.—Elizabeth hoort van het duel.—De brief van Felix.—Zou hij het zijn?—Naar het Roode Woud!
Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.—De drie verzegelde pakketten.—Elizabeth hoort van het duel.—De brief van Felix.—Zou hij het zijn?—Naar het Roode Woud!
Na het vertrek van haar beide Ministers ging de Prinses door de openslaande deuren van de audiëntiezaal in den, door helderen zonneschijn verlichten tuin. De schildwachten op het terras presenteerden de geweren toen zij voorbijkwam.
In nadenken verzonken over het klaarblijkelijk gepleegd verraad volgde zij met naar den grond gerichte oogen de breede, met lindeboomen beplante laan, toen een schaduw op haar pad viel, die haar deed opzien.
Voor haar stond Ivan Ravenski, de Czernovische Minister van Buitenlandsche Zaken. Hij was een man van ongeveer vijf-en-veertig jaar, maar zag er veel jonger uit; zijn gelaat was streng en ernstig, maar niet onaangenaam om te zien. Den hoed afnemend, boog Ravenski diep; Elizabeth groette hem met een lichte beweging van het hoofd, doch haar gezichtnam een koele uitdrukking aan. Ze mocht den Minister, een onvervalschten Rus van afstamming en politieke gevoelens, niet lijden, en hoewel ze hem nooit tot haar vertrouweling had gemaakt, integendeel, in afwachting van beter tijden, hem steeds in den waan had trachten te brengen, dat zij in een huwelijk met Bora het heil van den Staat zag, voelde zij toch bij instinct dat deze man haar innerlijke gedachten doorgrondde.
Met een waardigheid als nam hij de plaats in die hem toekwam, begaf hij zich ter linkerzijde der Prinses en begon naast haar in de schaduw der linden de laan op en neer te loopen.
“Als ik mij niet zeer bedrieg, Prinses,” begon Ravenski, “hebt u zooeven van de beide Ministers, die ik het paleis zag verlaten, bericht ontvangen omtrent een gebeurtenis aan het Russische Hof, die u persoonlijk betreft.”
Elizabeth zag geen enkele reden om de waarheid hiervan te ontkennen, en antwoordde daarom:
“Dat is zoo. Mag ik echter vragen hoe u tot die wetenschap kwam?”
“Het is slechts een gissing, Hoogheid,” antwoordde Ravenski, “maar een gissing die zeer voor de hand ligt. Als Minister van Buitenlandsche Zaken ben ik immers evenzeer als de Premier door den gezant te St. Petersburg ingelicht omtrent hetgeen de Czaar op het hofbal sprak.”
“En al is dit zoo,” zei Elizabeth koel, “wat is daarin dan voor u de aanleiding mij dat nogmaals mede te deelen?”
“Dat zal u aanstonds duidelijk worden, Prinses.Vergun me eerst deze vraag: U ziet immers de noodzakelijkheid in—meermalen vernam ik dit uit uw eigen mond—van een huwelijk met den Hertog van Bora?”
“Inderdaad. Ik geloof, dat de belangen van den Staat dit eischen. Het Russischgezinde deel der bevolking zal dat huwelijk gaarne zien; daarenboven,” voegde zij er met een zucht bij, “is het een politieke noodzaak. Leen ik er mij niet toe, dan zal de Czaar mij wel weten te dwingen.”
“De toon, waarop u mij dit antwoord geeft, Prinses, versterkt mij in de meening, die ik sinds lang koesterde, dat uw persoonlijke verlangens zich niet in de richting van dit huwelijk bewegen!”
Elizabeth verwaardigde zich niet deze uitspraak te bevestigen. Door dit zwijgen stoutmoediger geworden, vervolgde Ravenski:
“Zoudt ge geen middel weten, Prinses, aan de noodzakelijkheid van dat huwelijk te ontkomen?”
“Die vraag steltume, Excellentie?” vroeg Elizabeth, verbaasd, “u, die toch als geboren Rus niets anders moest wenschen dan dat huwelijk?”
“Ik begrijp, dat deze vraag u verbaast, maar ik herhaal ze: zoudt u geen middel weten?”
“U tracht me in een val te lokken,” zei Elizabeth streng, “en ik ben niet van plan uw vraag te beantwoorden. U en ik behooren in het belang van den politieken toestand te berusten in mijn huwelijk met den Hertog. Ik begrijp niet....”
“Er zijn overwegingen, Hoogheid, die sterker zijn dan de eischen der politiek. U kunt den Staat dienen en toch de inspraak van uw hart volgen.”
“Ik begrijp u niet. Verklaar u, wees duidelijk, verzoek ik u.”
“Welnu—ik zal zonder omwegen op mijn doel afgaan. Rusland wenscht den Hertog van Bora als Prins-Gemaal te zien, opdat diens afstammelingen, en dus afstammelingen van een Rus, Czernovië regeeren. Of de Hertog daartoe u tot gemalin kiest, is een bijzaak. Ook voor den Hertog is die omstandigheid bijzaak. Hij verlangt meer naar het bezit van een kroon dan naar het bezit van Prinses Elizabeth. En dus....”
“En dus wilt u....”
“Ik wil niets. Ik doe u een denkbeeld aan de hand. U zoudt—en ziedaar de kern van dat denkbeeld—vrijwillig afstand kunnen doen van den troon, ten behoeve van den Hertog.”
Elizabeth voelde duidelijk, dat er een diepere, baatzuchtige bedoeling schuilde achter dit schijnbaar belangeloos voorstel. Met een spottenden glimlach antwoordde ze:
“U is wel vriendelijk, Excellentie, u zoo met mijn persoonlijke belangen in te laten, en daarvoor zelfs uw Russische sympathieën geweld aan te doen. Ik deed dus volgens u het beste lafhartig de zorgen der regeering van mij af te schuiven, en ergens als ambteloos, vergeten burgeres te gaan leven?”
“Metden man, die u liefheeft, Prinses!” fluisterde Ravenski.
“Met den man, die.... Excellentie, wat bedoelt ge? Wie is die man, wie zou....”
“Ik, Hoogheid,” sprak Ravenski hartstochtelijk, “ikwil die man zijn! Nu weet ge mijn geheim: ik heb u lief!”
“Ik wilde dat Zabern u hooren kon!” sprak Elizabeth, zich vol afschuw omwendend. “Laat ons dit gesprek afbreken. Het is verraad.”
“Neen, Prinses. Luister. Ik heb u liefgehad sedert ik door mijn plaats in de Regeering met u in aanraking kwam. Ik heb voor een groot deel medegewerkt om u de macht en den titel te doen verkrijgen, die ge heden bezit, ten einde te toonen wat ik voor u over had. Ik offer mijn politieke plichten aan u op—Prinses, bewijst u dat niet voldoende de oprechtheid mijner liefde?”
Bevend van verontwaardiging, wendde Elizabeth onwillekeurig den blik naar de beide schildwachten, die met langzamen pas het terras op en neer gingen.
Ravenski zag die beweging, en vervolgde:
“Eén oogenblik, Prinses, eer ge last geeft mij te arresteeren. Ik heb deze bekentenis niet gedaan zonder mijzelf een waarborg te verzekeren. Luister! Er woont op dit oogenblik aan de andere zijde der grens—het doet er niet toe waar—een persoon die mijn belangen is toegewijd. Hem heb ik de zorg voor drie verzegelde pakketten toevertrouwd. Zoodra hij mijn arrestatie verneemt, handelt hij als volgt. Een der pakketten zal hij aan den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken verzenden, het tweede aan den Hertog van Bora, het derde aan de redactie van de Czernovische Nieuwsbode, welks Russisch-gezinde uitgever Lipski maar al te graag den inhoud zal publiceeren, en waardoor een beweging in Czernovië zal ontstaan. Daar zijn uw schildwachten. Roep ze. Arresteer me. Maar wees er van verzekerd: binnen acht dagen daarna zijt ge onttroond.”
Elizabeth zweeg, maakte geen beweging.
“Vergeef me, Prinses, dat ik u met bedreigingen toespreek, ik ging er niet dan met tegenzin toe over. Maar—gij erkent mijn macht, en ge weet dat ik u liefheb. Wat is uw antwoord?”
Elizabeth maakte een beweging van ongeduld.
“Ik hecht niet veel aan uw bedreigingen. Wat zouden die pakketten kunnen bevatten?”
“Ik zal ’t u zeggen. Het eerste een wasrol van een fonograaf, die ik, achter een meubel verborgen, een door u gevoerd gesprek met uw Secretaris deed opnemen, en die met uw eigen, zeer goed te herkennen stem het overtuigend bewijs levert, dat gij, hoewel uiterlijk berustend in het door Rusland gewenschte huwelijk met den Hertog, elk gunstig oogenblik afwacht om Rusland’s plannen te verijdelen. Welke middelen gij daartoe wilt aanwenden, is mij nog onbekend, doch vast staat dat ge op niets minder dan een staatsgreep zint.”
“Verrader! Lafaard!” riep de Prinses, met een van verontwaardiging trillende stem. “Ik wist, dat geen middel tot bereiking van uw doel u te laag was, maar dat ge dit zoudt durven....!”
“Verrader?” sprak Ravenski spottend. “Noem liever uw vrienden Zabern en Radzivil zoo, die ik sterk verdenk—zoo ze al niet in uw plannen zijn ingewijd—de uitvoering daarvan gaarne te zullen begunstigen.”
De Prinses was met uiterste inspanning haar ontroering meester geworden. Uiterlijk kalm vroeg ze:
“En het tweede pakket?”
“Is gelijk aan het eerste, Hoogheid.”
“Het derde?”
“Bevat een eenigszins fantastisch verhaal van den door u beraamden staatsgreep, dat de bladen gretig zullen overnemen.”
Eenige oogenblikken beschouwde Ravenski de uitwerking zijner woorden, toen vervolgde hij:
“Overdenk dit alles goed. Ik zal er u ruim den tijd toe geven. Ik heb geduld. Bedenk, dat wanneer de sombere muren van een Russische vesting u omringen, wanneer ruwe soldaten uw cipiers zijn, wanneer geen uwer angstkreten tot de buitenwereld doordringt—dat dan zelfs de liefde van Ravenski begeerenswaard zou zijn.”
Elizabeth kon het gevoel van afschuw niet onderdrukken, dat door deze woorden werd opgewekt.
“Stort dus niet uzelf, noch uw vrienden, in ’t verderf, Zabern, Radzivil, Dorislas, al de ministers wier politiek Rusland een doorn in ’t oog is, en die door den Hertog aan den Czaar zouden worden overgeleverd. Czernovië zou door kozakken worden bezet en onder de krijgswet geplaatst, de mannelijke bewoners bij het Russische leger ingelijfd, de Universiteit gesloten, de wetten geschorst, kortom, uw land ten onder gaan.”
“Maar wanneer ik afstand doe,” riep Elizabeth wanhopig, “wanneer Bora de regeering aanvaardt, zal het land dan niet eveneens ten onder gaan?”
“Zeer zeker. Maar niet door geweld. En bovendien niet door uw direct toedoen. Daar ligt het zwaartepunt der kwestie. Nogmaals: gij hebt te kiezen. Ik zal wachten.”
“En ge zult lang moeten wachten, Excellentie,”antwoordde Elizabeth trotsch. Ze waren op dit oogenblik den uitgang van het park genaderd; met een handbeweging noodigde ze den Minister uit te vertrekken.
Ravenski bleef echter staan, en sprak:
“Nog een enkel woord, Prinses. Hedenmiddag is mij een bericht ter oore gekomen, dat U zal intresseeren. In het Hotel Czernovië, waar vele vreemdelingen afstappen, en waar ik natuurlijk, belang stellend in buitenlandsche zaken, spionnendienst doe uitoefenen, heeft heden enkele uren geleden een twist plaats gehad tusschen den Hertog van Bora en een kortelings hier aangekomen Hollander. Merkwaardig genoeg schijnt een Latijnsche spreuk—esse quam vederi, wanneer mijn berichtgever goed verstaan heeft—de onmiddellijke aanleiding tot den twist te zijn geweest. Ik moet bekennen, dat dit gedeelte der zaak mij niet recht duidelijk is. Hoe het zij, het gevolg zal een duel zijn tusschen den Hollander en den Hertog, hedenavond te zeven uur. Hoogstwaarschijnlijk zal de Hertog, die dertig duels achter den rug heeft, en nooit gewond werd, den Hollander dooden. De kans bestaat echter, en we moeten daarmee rekening houden, dat de Hertog verwond wordt. Eenigen tijd geleden zou daarin geen bezwaar gelegen hebben; sedert de tot-stand-koming der duelwet zou de Hertog zich echter aan een strafvervolging blootstellen. U moet dat voorkomen.”
Elizabeth was plotseling verbleekt, als had een hevige schrik, die op dat oogenblik alleenzijzou kunnen verklaren, haar bevangen. Ravenski, evenmin als de lezer, die echter zoo straks ingelicht zal worden,begrijpend wat er in haar binnenste omging, gaf een uitleg aan haar ontroering, die—naar we aanstonds zien zullen—onjuist was.
“Ge verbleekt, Prinses. Ik begrijp dat. De mogelijkheid, dat de Hertog u op deze manier een wapen tegen zichzelf in handen geeft, komt als een onverwacht redmiddel tot u, dat u aanlokt, en waarvan ge toch aarzelt gebruik te maken. Vandaar uw ontroering. Ik zeg u echter: stijg te paard, rijd zoo snel ge kunt met een escorte naar het Roode Woud, waar het duel zal plaats hebben—en voorkom het. Het leven van den Hertogmoetgespaard blijven,—dat is immers inmijnbelang. Werkt ge dat belang tegen, staat ge mij niet voor de veiligheid van den Hertog in, dan beschuldig ik u openlijk, een officiëel te uwer kennis gebracht misdrijf, door de landswetten verboden, niet te hebben voorkomen.”
Elizabeth hield zich aan het hek van de parkpoort vast om niet te vallen, ze wankelde, en sprak alleen nauw verstaanbaar:
“Ik zal gaan.... dadelijk....”
Een triomfantelijke glimlach speelde om Ravenski’s lippen. Hij geloofde den weerstand der Prinses gebroken te hebben en voelde zijn zaak reeds half gewonnen.
Zwijgend ontblootte hij het hoofd, boog diep en eerbiedig, en verliet met snelle schreden het park.
Tot recht begrip van het vorenstaande is een kleine uitlegging noodig, die in de aanteekeningen van Rob Rensma eerst op de laatste bladzijden voorkomt, omdat hij ze op dit tijdstip zijner avonturen nog niet van zijn vriend Van Stralen vernomen had.Toen laatstgenoemde hem namelijk zijn hier voren vermelde levensgeschiedenis meedeelde, verzweeg hij daaruit met opzet een punt van belang, dat hij zeer terecht op dat oogenblik nog geheim wenschte te houden, doch waarvan de lezer ter wille van de duidelijkheid thans behoort kennis te nemen.
Zoodra men, na de verwoesting van het eiland Riva, tot het besluit was gekomen “De Vogel” in dienst te stellen van de bevrijding van het vaderland, had Li door middel van een der vliegmachines Elizabeth des nachts in het paleis een brief doen toekomen van den volgenden inhoud:
“Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven, doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!Felix.”
“Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven, doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!
Felix.”
Er was geen twijfelen mogelijk geweest: dezen brief had Felix geschreven! Door welk wonder hij aan den dood was ontsnapt, bleef Elizabeth een raadsel—maar wat deed dit er toe: hij leefde! En hij zou terugkomen om Czernovië en haar te redden, daarop vertrouwde ze vast. Felix was geen man van ijdele woorden.
Vele maanden na die gebeurtenis had ze niets meer van hem vernomen, vergeefs, maar met onbeperkt vertrouwen, gewacht tot hij zou terugkomen. Telkens wanneer een verdacht vreemdeling was aangehouden,telkens als zij de arrestatie van een spion had vernomen, had ze gebeefd van angst bij de gedachte, dat dit Felix zou zijn. Toen men haar dien morgen van den spion Russakoff had verteld, was dadelijk het denkbeeld in haar opgekomen: hij is ’t! Nu Ravenski haar van het duel met den Hollander onderrichtte, had ze onmiddellijk als bij ingeving gevoeld: die Hollander is Felix! Wel begreep ze een oogenblik daarna, dat dit instinct op een zeer zwakke mogelijkheid berustte, dat het niets meer dan een vage onderstelling was—maar de gedachte: het kòn misschien zoo zijn, was haar voldoende om tot een verijdeling van het duel te besluiten. Zij kende immers Bora’s meesterschap op de wapenen, zij wist dat er onder de twintigduizend man van het Czernovische leger niet een was die zijn doodend zwaard durfde weerstaan, zij had hem in de schermzaal van het Paleis in snelle opeenvolging de beste schermers onder haar officieren zien ontwapenen. Zabern, Dorislas, Miroslav—wie kon zich met Bora meten?
Men zal nu de ontroering begrijpen, die zich van haar meester maakte, toen zij Ravenski’s mededeeling aanhoorde. Van haar ontsteltenis bekomen, moest zij onwillekeurig glimlachen bij de gedachte dat Ravenski haar misschien, onwetend natuurlijk, een grooten dienst had bewezen.
Zij dacht er niet over na, welke gevolgen haar tusschenbeide treden kon hebben, zij dacht slechts aan éen ding: Felix moest gered worden!
En, haar zelfbeheersching hernemend, gaf ze snel en beslist orders voor een onmiddellijk vertrek.
De ontmoeting in het Roode Woud.—De Russische schildwacht.—Het duel begint.—De plotselinge verschijning der Prinses.—De Hertog wordt gearresteerd.—Zij hebben elkaar herkend!
De ontmoeting in het Roode Woud.—De Russische schildwacht.—Het duel begint.—De plotselinge verschijning der Prinses.—De Hertog wordt gearresteerd.—Zij hebben elkaar herkend!
De avond viel, toen Felix met Rob en Paul hun weg zochten naar de grens van Czernovië.
Van Slavowitz waren ze in een troïka, een met drie paarden bespannen voertuig, tot aan het Roode Woud gereden, volgens voorafgegane overeenkomst langs een anderen weg dan Bora en zijn getuigen.
Nadat ze de troïka in een eenzame herberg aan den weg hadden ondergebracht, geleidde Paul de beide vrienden naar de afgesproken plaats, waar een smal voetpad door een dicht dennenbosch heenvoerde.
“Prachtige dennen!” zei Felix, de kaarsrechte en statige stammen beschouwend.
“Daar verschuilen de wolven zich achter in den winter,” merkte Paul op. “Soms verscheuren ze de Russische schildwachten.”
Het voetpad ten einde loopend, kwamen ze op een ruime open vlakte.
“De grenslijn moet ergens over deze vlakte loopen. Juist, daar staat de steen.”
Paul wees op een zwaar, rechthoekig steenblok, op welks oostelijke zijde, diep ingesneden, zich de letters R-U-S-L-A-N-D bevonden, terwijl de zuidzijde de letters C-Z-E-R-N-O-V-I-E vertoonde.
“Nu zijn we op Russisch grondgebied,” zei Paul, “en we mogen wel goed uitzien, opdat niet de een of andere verborgen schildwacht een schot op ons afvuurt.”
“Zoo? Is dat tegenwoordig Russische gewoonte om op wandelaars te schieten?”
“Het komt voor, tenminste langs deze grens. Waarschijnlijk om vijandelijkheden van Czernovische zijde uit te lokken. Aha! daar is er al een. Ik dacht wel dat we niet ver zouden kunnen gaan zonder er een te ontmoeten.”
Werkelijk zat op ongeveer honderd meter afstand, in de schaduw der boomen, een Kozak te paard, de lans omhoog gericht.
Het gezicht van dezen ruiter was wel geschikt om allerlei gedachten in Felix wakker te roepen.
Ver, ver van hier, aan de bevroren stranden van Kamchatka, hielden andere vedetten de wacht. De afstand tusschen de beide grenzen was meer dan zesduizend mijlen.
En dit rijk, zoo reusachtig uitgestrekt, bedreigde het kleine Czernovië! Het was bijna niet denkbaar, dat Czernovië ooit de ijzeren militaire vuist van dien reus ontkomen kon. De gedachte alleen was een dwaasheid.
En toch....
Opeens kwam de kozak, de lans vooruit stekend, snel aanrijden. Bij de drie vrienden aangekomen, hield hij zijn paard in.
“Uw paspoorten?”
“Hier,” zei Paul, hem eenige roebels in de hand drukkend. “Dat paspoort is overal geldig. We gaan niet verder dan tot hier; we komen alleen maar even een duel uitvechten.”
“Een duel! Dat is tegen de Russische wet. Het wachthuis is hier niet ver vandaan. Als de commandant komt, worden we allemaal ingepikt.”
“Wel neen,” zei Paul. “Ik heb nog meer paspoorten, voor den commandant ook. Kijk maar.”
De kozak dacht na. Hij stak de roebels in zijn linkerlaars. Hij hield wel van roebels, en zag graag vechten ook.
“We zijn de eersten,” merkte Paul op. “Nog vijf minuten.”
Felix gaf den kozak een sigaar, stak er zelf een op, en liep kalmpjes heen en weer. Hij scheen lang niet zoo ongerust als Paul, ofschoon deze niets merken liet, en zeker heel wat bedaarder dan Rob, die zich niets op z’n gemak voelde.
“Het is eigenlijk een gek ding, dat duel,” zei Paul. “Je doet er niemand een dienst mee. Als Bora valt, kan de Czaar het Czernovische kabinet als medeplichtig aan zijn dood beschouwen, omdat Radzivil, van het duel wetend, dit niet voorkwam. En dan....”
“Ik heb dat alles overdacht,” zei Felix. “Ik zal daarom zorg dragen hem hoogstens zoo te verwonden, dat hij voorloopig het duelleeren zal moeten uitstellen.”
“Als je dat doen kunt, des te beter,” antwoorddePaul, hoewel hij zeer twijfelde of Felix dit voornemen tegenover een uitstekend schermer als de Hertog zou kunnen ten uitvoer brengen.
Ruim dertig minuten na het vastgestelde uur verscheen de Hertog, door zijn getuigen vergezeld. De aanwezigheid van een dokter had men van weerszijden overbodig geacht.
Baron Ostrova trad onmiddellijk op Paul toe en groette beleefd.
“U bent laat, baron.”
“Wil ons verontschuldigen. Ons rijtuig verloor een wiel onderweg. Laten we ons daarom haasten. Hier zijn de sabels.”
Paul vergeleek de beide wapens, koos er een voor Felix uit, en gaf het sein tot het gevecht.
Als een leeuw vloog Bora op Felix af, als wilde hij hem bij den eersten houw buiten gevecht stellen.
Maar nauwelijks hadden de sabels elkaar geraakt, of het bevel weerklonk:
“In naam der wet—houdt op!”
Deze woorden werden door een vrouwenstem gesproken, een stem die Felix van ontroering deed trillen. Een houw van den Hertog pareerend, deed hij snel een pas achterwaarts, en terwijl hij zijn verdedigende houding bewaarde, wierp hij een blik in de richting vanwaar het bevel gekomen was.
En daar, bleek en schoon, en zoo dicht bij hem dat hij haar in de oogen kon zien, stond Elizabeth, ademloos van overhaasting. Niemand der aanwezigen begreep waar zij opeens vandaan gekomen was; geheel in beslag genomen door het duel had men trouwens haar zachten voetstap niet vernomen.
Felix vergat zijn verdedigende houding. Hij vergat alles. Zijn sabel gleed hem uit de handen en viel op den grond.
Een doodsche stilte ontstond, toen men daar de Prinses zag staan, een jonge, weerlooze vrouw wel is waar, maar die op dat oogenblik de macht van den Staat vertegenwoordigde, en wier gevoelens ten opzichte van het duel men kende.
Een oogenblik zweeg Elizabeth. Ze zag den vreemdeling aan—hij was het niet! Dat was Felix niet, die zwartharige, gebronsde man!
Maar toen ze hem haar vraag:
“Wie lokte dit duel uit?”
beantwoorden hoorde met vaste heldere stem:
“Dat deed ik!”
toen waren die drie woorden genoeg om haar te overtuigen dat de lang verlorene hier voor haar stond. Ze begreep dat de verandering, die met hem had plaats gegrepen, slechts schijnbaar was, dat hij een uiterlijke vermomming had aangenomen, en niemand zou haar nu de overtuiging kunnen ontnemen dat Felix zich op slechts enkele passen van haar bevond. Die stem, den blik van die oogen, ze zou die na jaren en uit duizenden herkend hebben. Opnieuw maakte een diepe ontroering zich van haar meester en ze voelde haar hart hevig kloppen. Maar ze wist zich te beheerschen, en sprak:
“Het past een vanmijnministers niet zich boven de wet te stellen.”
Daarna, zich omwendend, riep ze:
“Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel.”
Verrast volgden alle aanwezigen de richting van haar blik, en nu zag men aan den zoom van het bosch, aan de Czernovische zijde van de grens, den Maarschalk Zabern staan, met gevouwen armen, uiterlijk even weinig te doorgronden als een sfinx, innerlijk verheugd over den loop van zaken.
Een weinig meer achterwaarts stond een peloton lansiers van het Blauwe Legioen, en in hun midden een licht voertuigje, een elegante droschky, geschikt voor snelle ritten.
“Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel.”
De Hertog lachte spottend bij deze woorden:
“Bedenk, dat ik op Russisch grondgebied sta! Ik stel mij onder bescherming van dezen kozak.”
De kozak, die tot nog toe zwijgend had toegezien, maakte bij deze woorden een angstige beweging. Hij vond het niets prettig op deze manier in de kwestie gemengd te worden, want hij vreesde al elk oogenblik den commandant van de wacht te zien komen, en dan zou hij ongetwijfeld duchtig worden gestraft, omdat hij deze schending van Russisch grondgebied had toegelaten. Geheel niet wetend met welke personen hij hier te doen had, zei hij nu in zijn benauwdheid iets, waarmee hij onwillekeurig de Prinses te hulp kwam, namelijk:
“Ik kan u niet beschermen, want u mag op Russisch grondgebied ook niet duelleeren, en als ik mijn plicht deed zou ik u moeten gevangen nemen.”
Toen begreep de Hertog het nuttelooze van verder tegenstreven; hij stapte op Czernovisch grondgebied over, en gaf zich gewonnen.
“Uw sabel,” sprak Zabern.
En met een bitteren glimlach gaf Bora den maarschalk zijn zwaard over.
“Daar is uw escorte naar Slavowitz,” zei de Prinses, op de afdeeling ulanen wijzend.
Een der manschappen kwam met een handpaard naar voren, en de Hertog steeg op, gereed zich in gevangenschap te begeven.
“De getuigen van den Hertog bevinden zich op Russisch grondgebied,” vervolgde de Prinses, “ik kan hen dus niet gelasten zich eveneens over te geven. Het is aan hun keuze overgelaten zich aan de Russische of de Czernovische wet te onderwerpen. Wat den Secretaris betreft”—er klonk oprechte spijt uit haar stem—“hij is van zijn ambt vervallen. Ik mag niet dulden dat een mijner onderdanen, wie hij zij, de wet overtreedt. Tegenover de beide andere heeren ben ik, daar zij vreemdelingen zijn, machteloos. Ik zou het echter op prijs stellen, in ’t belang van het justitiëele onderzoek, hen ten spoedigste in mijn Paleis te ontmoeten.”
Alleen Felix had de ontroering bemerkt, die bij deze laatste woorden in haar stem trilde. Hij begreep dat zij hem herkend had en boog zwijgend het hoofd.
Door Zabern geholpen, steeg de Prinses weer in haar droschky. De stoet zette zich in beweging, en verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was.
De drie vrienden ontmoeten Zabern.—Katina, de patriot.—Zabern komt Russakoff op het spoor.—Met spoed naar Slavowitz terug!
De drie vrienden ontmoeten Zabern.—Katina, de patriot.—Zabern komt Russakoff op het spoor.—Met spoed naar Slavowitz terug!
Het was voor Paul geen opwekkend denkbeeld, dat hij, en dat door eigen schuld, bij de Prinses in ongenade was gevallen. Maar hij was, evenals zijn broer, een man die nooit den moed liet zinken, en altijd op zijn goed gesternte rekende dat hem er wel weer zou uitredden. Bovendien begreep hij heel goed, dat de Prinses ten aanhoore der veletoeschouwersmoeilijk anders had kunnen handelen, en dat zij hem zoowel als Felix te zeer noodig had om niet op haar besluit terug te komen.
Terwijl de drie vrienden, den straatweg weer opzoekend, over deze dingen liepen te praten, naderde hen op eens een in een mantel gehulde gedaante en hoorden zij een sabel tegen gespoorde laarzen kletteren.
“Maarschalk Zabern!” riep de Secretaris. “Wat! Gaat u niet met de prinses mee naar Slavowitz?”
“Ik wil een bezoek brengen aan de herberg “Oranje,” waar ik iemand spreken moet. Hare Hoogheid heeft mij daarom toegestaan haar te verlaten.”
“Dan gaan we denzelfden weg, want wij lieten onze troïka in die herberg. Deze beide heeren, mijn vrienden, zijn Hollanders, die ik heden morgen leerde kennen.”
Paul stelde hen aan elkaar voor, en weldra was men in een druk gesprek, dat in hoofdzaak over de geschiedenis der Republiek liep, daar Zabern begreep dat deze den Hollanders intresseeren moest.
Hij toonde ook van hun vaderlandsche historie goed op de hoogte te zijn, en maakte eenige vleiende opmerkingen over het roemrijk verleden van hun land. Ook over zijn eigen geschiedenis kwam hij te spreken; hij vertelde hoe hij wel oorspronkelijk van Russische afkomst was, maar toch Poolsch, en van moederszijde Czernovisch bloed in de aderen had, zoodat zijn sympathie voor een Staat als Czernovië, die zich aan de Russische overmacht trachtte te ontworstelen, wel begrijpelijk was. Vóor hij zich als Czernoviër had laten naturaliseeren, had hij in meer dan éen gevecht meegeholpen de Russen afbreuk te doen, en het was dus wel begrijpelijk dat omgekeerd de Russen hem met leede oogen zulk een belangrijke rol zagen spelen in het Czernovisch kabinet.
“Bovendien heb ik nog iets anders te wreken,” zei de Maarschalk, den wijden rechtermouw van zijn mantel opslaand, “dit!”
En tot hun ontzetting zagen Felix en Rob, die van deze bizonderheid natuurlijk niet op de hoogte waren, dat Zabern de rechterhand miste.
“Een kozak sloeg mij die af. Terwijl ik een sabelhouw afweerde, die men mij op het hoofd wilde toebrengen, voelde ik opeens een eigenaardige gewaarwording aan de rechterpols, en daar, voor me op de sneeuw, lag mijn eigen hand, de sabel nog omklemmend. Ze was juist bij het gewricht afgesneden, zooals ge ziet.”
“Verschrikkelijk!” riep Rob ontsteld.
“Zeker. Het was alles behalve aangenaam, vooral omdat het de rechter was, en ik me nooit geoefend had in het gebruik van de linker. Maar—ik heb me er spoedig aan gewend, en deze linker doet nu even goed dienst als de verlorene.”
Zabern vertelde nu ook nog, dat hij in denzelfden veldslag, die hem een hand kostte, door de Russen gevangen genomen en naar Siberië getransporteerd werd. Na vijf jaar wist hij te ontsnappen, en vond een wijkplaats in Czernovië. Rusland had, bedenkend misschien dat vroegere dieven soms goede politiedienaars worden, dezen onverzoenlijke aan zich trachten te binden door hem een ministersportefeuille te bieden.
Felix bewonderde in stilte dezen forschen, koelbloedigen man, het type van den vechtsoldaat, maar hij kon toch een gevoel van teleurstelling niet onderdrukken, dat Elizabeth zulk een ruw en ontembaar element in haar Ministerie had opgenomen, iemand, die zeer zeker haar belangen zou dienen, maar ongetwijfeld dikwijls op minder zachtaardige en menschelijke manier dan de Prinses dit zelf wel gewoon was.
“Apropos,” zei de Maarschalk, zich tot Paul wendend, “de ongenade van de Prinses moet geen redenworden om je belangstelling in den cijferbrief te doen verminderen, dien we op den spion Russakoff vonden. Los me dat raadsel op, en ik zal trachten je bij de Prinses in eere te herstellen.”
“Ik vrees dat er op die voorwaarde niet veel van mijn eerherstel zal komen,” zei Paul somber. “Het cijferschrift is me totaal onbegrijpelijk. Ik zou een aanwijzing hebben wanneer ge den schrijver wist te noemen.”
“Hoe zoo?”
“De eerste stap in een vraagstuk van deze soort is, te weten in welke taal het document geschreven is; en dat kan ik niet ontdekken. Hoe kan ik dan voortgaan? De grondbeginselen, die een deskundige op de eene taal toepast, falen bij een andere. Maar als ik weet wie de schrijver is, en dat hij bijvoorbeeld alleen maar Russisch kent, dan schiet ik een heel eind op. Ook wanneer ik weet, dat ik tusschen een bepaald aantal talen te kiezen heb, is dat een heele steun, ofschoon het ’t werk tijdroovender maakt. Hebt u geen enkele aanwijzing omtrent den schrijver?”
Zabern zweeg, en zag van terzijde naar de beide vreemdelingen.
“U kunt die heeren vertrouwen als mijzelf, Maarschalk,” zei Paul.
“Ik geloof u gaarne. Overigens heb ik er toch geen bezwaar tegen dat zij dit gesprek hooren: ten eerste omdat het mij slechts éen woord zou kosten ze onschadelijk te maken, wanneer ik hen niet vertrouwde; ten tweede omdat zij mijn vermoeden eer met genoegen dan met tegenzin zullen vernemen. Ik geloof namelijk vast en zeker dat de schrijver of degeadresseerde van dezen brief is—de Hertog!”
“De Hertog!” riep Paul verbaasd. “U beschuldigt den Hertog van een verraderlijke briefwisseling met Rusland! Onmogelijk.”
“Waarom onmogelijk?”
“Is het aan te nemen, dat hij iets in ’t schild zou voeren tegenover een Prinses met wie hij eenmaal trouwen zal?”
Zabern glimlachte spottend.
“De Hertog geeft niet zoo heel veel om dien halven troon, die hem wacht, met op den koop toe een vrouw die zich niet door hem zal laten gezeggen. Zijn geheim doel is los te komen van de Prinses, en te regeeren onder Russische suzereiniteit. Let er eens op, hoe hij allerlei hervormingen invoert die hem van nut kunnen zijn. Alle officieren van Hollandsche afkomst weert hij uit het leger. Bovendien hebben we het bewijs, dat er een verrader in het Kabinet is. Wien zoudt ge anders kunnen verdenken dan hem?”
Paul antwoordde niet. Hij scheen in diep nadenken verzonken. Op eens schitterden zijn oogen alsof een nieuw verrassend idee in hem opkwam.
“Maarschalk,” zei hij met nadruk, “u zult morgenochtend de verklaring van dien brief hebben.”
Er was heel wat noodig om den Maarschalk verbaasd te doen staan; toch was hij een oogenblik zeer verrast.
“Wat!” riep hij uit. “Je gelooft den sleutel gevonden te hebben, terwijl je een minuut geleden zelfs de taal niet kende waarin de brief geschreven is?”
“De taal is Grieksch,” zei Paul, nu bijna even verbaasd over zijn ontdekking als zijn metgezellen.“Ja, ja, nu begrijp ik alles. Een buitengewoon vernuftig ingericht cijferschrift. Alleen een toeval kon tot de ontdekking leiden. U hebt gelijk, Maarschalk, wat den Hertog betreft. Hijiseen verrader, en die brief zal het bewijzen. Van nacht zal ik er aan werken, en morgenochtend zult u den uitslag weten.”
“Goed,” zei de Maarschalk, nog steeds verwonderd over de snelheid waarmee Paul een raadsel had opgelost, dat gedurende de afgeloopen maand zijn vernuft weerstaan had.
De schemering viel, toen het viertal de herberg “Oranje” bereikte. Het was een ruime en schilderachtige woning, deels van hout en deels van steen gebouwd, en beschaduwd door overhangende beukeboomen.
Buiten het gebouw, twee paarden vasthoudend, stond Zabern’s ordonnans Nikita, die daarheen was gezonden om zijn meester op te wachten.
Zabern trad binnen, en geleidde zijn gezelschap naar een afzonderlijke, met eikenhout beschoten kamer.
“Ik heb overal mijn spionnen,” zei hij, “ook hier. Er komen in deze herberg, die op de grenzen en aan den hoofdweg ligt, veel verdachte personen, en uit hun gesprekken valt soms veel af te leiden. De dochter van Boris Ludovski, de herbergier, houdt er een oog in ’t zeil voor me, en door haar toedoen is de politie van Slavowitz dikwijls van waardevolle inlichtingen voorzien. Daarom kom ik ook nu hier; het is mogelijk dat ze me iets weet te vertellen over Russakoff, die heden morgen uit de Citadel ontsnapte. Ah! daar is Katina juist!”
Het meisje, dat binnenkwam, was geheel volgensRussische gewoonte gekleed, maar de vorm van haar gezicht, haar blonde haren en haar donkerblauwe oogen wezen duidelijk op haar Czernovische afkomst van moederszijde. Zij werd door Zabern aan de overigen voorgesteld, en toen zij vernam, dat er een breuk had plaats gehad tusschen den Hertog en de Prinses, waarvan zelfs de arrestatie van eerstgenoemde het gevolg was geweest, danste zij van vreugde.
“Hoe is dat gebeurd?” vroeg ze.
Zabern legde het uit, en toen ze hoorde dat Felix de indirecte aanleiding was geweest van de geschiedenis, vloog ze hem bijna om den hals.
“U hebt een goed werk voor Czernovië gedaan!” riep ze onstuimig. En Felix vermaakte zich met de bijna kinderlijke geestdrift van het meisje.
“Maar wat is dat nu!” riep Zabern opeens, “wat hangt daar?”
En hij wees naar een vuil, berookt olieverfportret, dat aan een der muren hing.
Katina schudde de vuist tegen het portret.
“Dat verwondert u, nietwaar?” zei ze. “Het portret van den Czaar in deze kamer! Toch heeft ’t zijn nut, om Russische klanten te trekken, die het plezierig vinden dat hun vadertje op hen neer ziet terwijl ze drinken. Waarom zou ik van den vijand geen schatting eischen? Hun kopeken zijn allen ten bate van de goede zaak.”
“Maar wat zeggen de Czernoviërs ervan?”
“Wel—de laatste bezoekers waren Russen, vandaar dat de Czaar er nog hangt. Wanneer er Czernoviërs komen, doe ik eenvoudig zóo—kijk!”
Ze draaide het schilderij om, en zie! aan deandere zijde vertoonde zich een welgelijkend portret van Elizabeth.
“Prachtig!” lachte Zabern. “’t Is jammer dat je geen man bent, Katina. Je zou een rol in de politiek hebben kunnen spelen. Patriotten als jij hebben we noodig. U weet, heeren, welke oude rekening Katina met Rusland te vereffenen heeft? Laat eens zien, Katina!”
Het meisje stroopte een der mouwen een weinig op, en nu zagen de toeschouwers met ontzetting dat haar arm met diepe en breede litteekens bezaaid was, alsof men er de stukken vleesch uitgesneden had.
“Zoo ziet mijn geheele bovenlichaam er uit,” zei Katina bitter. “De lange riem van de knoet slingert zich geheel om het slachtoffer heen.”
“De knoet!” riep Rob, vol afschuw bij de gedachte dat men zulk een verschrikkelijk strafmiddel op een jong meisje had toegepast.
“De meest welsprekende rede kan u niet meer anti-Russischgezind maken dan het gezicht van dien arm, niet waar?” vroeg Zabern, die dadelijk begrepen had, dat de beide vreemdelingen hem van nut konden zijn, en ze nu voor zich trachtte te winnen door een openhartigheid, waarbij hij zich niet meer bloot gaf dan hij zelf wilde.
Felix van zijn kant doorzag de bedoeling van den Maarschalk zeer goed, doch vermeed er te spoedig op in te gaan, daar het hem voorloopig niet geraden voorkwam zijn geheim te verraden. In stilte moest hij lachen bij de gedachte, dat menhembeproefde te winnen voor Elizabeth en Czernovië.
Terwijl Katina heengegaan was om een latenbezoeker te bedienen, dien men van uit de gelagkamer om wodka hoorde roepen, vroeg Felix:
“Wat heeft ze gedaan om zoo afschuwelijk behandeld te worden?”
“Ik zal u haar geschiedenis vertellen,” zei Zabern. “Katina’s ouders—de vader een Pool, de moeder een onvervalscht Czernovische—woonden in Warschau. Omdat ze een schuilplaats hadden verleend aan een uitgeweken politieken misdadiger, een Pool, en dien dus aan de justitie onttrokken hadden, werd de geheele familie Ludovski naar een der mijnen in den Oeral verbannen. Daar trok Katina’s schoonheid de aandacht van den gouverneur Feodor Orloff; hij beloofde haar, dat hij de familie Ludovski de vrijheid zou hergeven, zoo ze zijn vrouw wilde worden. Dat voorstel bracht Katina, die alle Russen verfoeide, in zulk een verontwaardiging, dat ze Orloff met de vlakke hand in ’t gezicht sloeg.
“Den volgenden dag was de Czaar jarig; Orloff deed de Poolsche gevangenen voor zich brengen en deelde hen mee, dat ze dien dag niet zouden behoeven te werken; daartegenover eischte hij, dat ze “Leve de Czaar” zouden roepen. Sommigen weigerden, en daaronder de koppige Katina. Nu had Orloff een kans. Wegens ontrouw aan den Czaar werd Katina tot vijftien knoetslagen veroordeeld.
“Hebt ge ooit iemand zien knoeten? Neen? Wel, ik hoop dat ’t u nooit gebeuren zal, want ’t is geen prettig gezicht, zelfs voor wie zenuwen van ijzer heeft. Ik ben gedwongen geweest in Siberië meer dan een zoo’n geeseling bij te wonen, en ik kan u zeggen dat er geen helscher straf kan uitgedacht worden.
“Het slachtoffer wordt, met ijzeren ringen om polsen en enkels, aan een in den grond gestoken latwerk bevestigd, zóo, dat hij niet de minste beweging kan maken.
“Ongeveer twintig pas van hem af staat de beul, die de knoet met beide handen vasthoudt. Het is een reep dik leder, driehoekig gesneden, een duim breed, negen tot twaalf voet lang, en uitloopend in een punt; dit uiteinde is aan een ongeveer twee voet lange houten schacht verbonden.
“De beul gaat voorwaarts, met gebogen lichaam, en den langen riem tusschen de voeten voortsleepend. Als hij drie of vier passen van zijn slachtoffer is, heft hij opeens de knoet boven zijn hoofd: de riem vliegt door de lucht, daalt fluitend, en sluit het bovenlichaam van den vastgebondene als in een ijzeren ring. Niettegenstaande hij is vastgebonden, schokt het slachtoffer onder den slag als door een galvanische ontlading getroffen, en uit een kreet, dien men, eens gehoord, nooit meer vergeten kan.
“Bij het terugtrekken van den riem, scheurt deze de wond nog wijder en dieper open.
“De beul gaat terug, en herhaalt dezelfde beweging. Vleesch en spieren worden ten slotte als met een scheermes in driehoekige stukken gehakt. Het slachtoffer, rood van bloed, wringt zich in verschrikkelijke stuiptrekkingen.
“Zóo hebben de Russen Katina behandeld.”
Allen waren een oogenblik stil, toen ze dit afgrijselijk verhaal, dat maar al te zeer de werkelijkheid weergeeft, vernamen. Rob kon zijn verontwaardiging niet in toom houden; hij riep tot Katina, die bijde laatste woorden van Zabern weer binnengekomen was:
“Als die Orloff nog leeft, zeg me dan waar ik hem vinden kan, en ik zal je wreken!”
“Neen, dappere vreemdeling, neen. Die wraak behoort mij. Niemand mag me die ontnemen. En de dag komt! Het noodlot voert Graaf Orloff in de nabijheid van Czernovië!”
“Juist,” voegde Zabern er aan toe. “Hij is tot gouverneur van de Russische provincie Warsim benoemd, die aan Czernovië grenst.”
“En zijn handlangers gaan hem vooraf! Maarschalk, ge zult het niet kunnen gelooven, maar de man die mij opOrloff’sbevel de knoetslagen toebracht—ik heb hem dezen zelfden dag gezien!”
“Onmogelijk, Katina!”
“Neen, Maarschalk, neen! Ik zag hem vandaag, dezen middag, in de kamer waar wij nu zijn. Ik kon me in dat gezicht niet vergissen, te meer niet daar ik er een herkenningsteeken op terugvond, een bruine vlek bij de slaap, die ik er ook vroeger gezien had.”
“Goede hemel, Katina, wat zeg je!” viel Zabern haar in de rede, met meer heftigheid dan men van hem gewoon was. “Die man, met die bruine vlek op z’n gezicht, is vanmiddag hier geweest? Had hij een blauwen kaftan, een rooden baard, een...”
“Precies, Maarschalk.”
“Russakoff—zoo waar ik leef! Jouw beul en mijn spion zijn dezelfde persoon! Zou het mogelijk zijn? En hoe laat was hij hier?”
“Ongeveer vier uur.”
“Dat is dus vijf uur geleden,” zei Zabern, zijn horloge raadplegend. “Hij moet dadelijk na zijn ontsnapping hierheen gegaan zijn, ongetwijfeld met het doel de grens te bereiken. Had ik dat maar eerder geweten! Vertel verder, Katina!”
“Vanmiddag,” vervolgde Katina, “kwam ik van mijn wandeling terug, toen ik mijn zuster met een kan en twee glazen deze kamer zag binnengaan. “Katina,” zei ze, “er zijn twee bezoekers, die er heel verdacht uitzien. Ze hebben om een afzonderlijke kamer gevraagd en wodka besteld. Ga jij het brengen, en zie eens wat je van ze denkt.” Ik nam de wodka over en ging naar binnen.
“Daar zaten twee mannen. De een had den rug naar me toegekeerd; tegenover hem zat de ander, dien ik onmiddellijk herkende als de man die mij de knoetslagen toediende in Orenburg.”
“Herkende de booswicht jou niet?”
“Hij keek niet naar me toen ik binnenkwam; zijn heele aandacht was gevestigd op wat de andere man vertelde. Bovendien is het heel begrijpelijk, dat die Russakoff—zooals u hem noemt—van de vele menschen, die hij in zijn leven geknoet heeft, niet al de gezichten kan onthouden. Ik trachtte den anderen man wat beter in ’t oog te krijgen, maar het lukte me niet zijn gezicht duidelijk te zien, want zijn hoed was diep over zijn voorhoofd gedrukt, en de kraag van zijn jas kwam bijna aan z’n mond. Toch maakte hij den indruk—en de toon van zijn stem bevestigde dat later—van veel voornamer stand te zijn dan zijn metgezel.”
“Waarom riep je niet je vader en je broers te hulp,om den man ook eens te laten voelen hoe de knoet neerkomt?”
“Dat was ook mijn eerste gedachte. Maar toen ik de kamer uitging, hoorde ik hem iets zeggen, dat mijn aandacht trok, en waarom ik ’t verstandiger vond eerst eens naar hun gesprek te luisteren. Op afluisteren zijn we hier ingericht; een achter het houtwerk verborgen buis maakt ’t ons gemakkelijk in onze woonkamer alles te hooren wat men hier spreekt.”
“Daarom ga ik altijd zoo ver mogelijk van die buis afzitten,” zei Zabern lachend.
“Russakoff zei, terwijl ik juist de deur achter me wilde sluiten: “ge krijgt me er niet toe weer naar Slavowitz te gaan; ik heb weinig lust weer in Zabern’s handen te vallen.” Op het hooren van uw naam, Maarschalk, werd mijn nieuwsgierigheid nog grooter, zoodat ik mij haastte het oor aan de hoorbuis te leggen.
“Ze spraken zacht, maar nu en dan verhieven hun stemmen zich, en kon ik enkele woorden verstaan.
“Ik begrijp niet, dat Orloff zulk een onhandigen vent als jou gebruikt,” zei Russakoff’s metgezel. “Je kan niet van de wodka afblijven,mengtje in een kroegruzie en laat je arresteeren met een belangrijk politiek document in je zak! Als de Secretaris van de Prinses dien brief ontcijfert, wordt het heele plan van Rusland, om Czernovië zonder geweld, wettig en kalm, in beslag te nemen, verijdeld.”
“Wat?” riep Zabern. “Zeg dat nog eens, Katina!”
Katina herhaalde haar woorden.
“Czernovië zonder geweld in handen krijgen! En hoe zou men dat wel willen aanleggen?”
Zabern’s oogen schoten vonken van onder de overhangende wenkbrauwen. Zou men in Rusland beschuldigingen tegen de Prinses weten in te brengen, ernstig genoeg om haar den troon te ontnemen? Zeker, al was dit tusschen Elizabeth en hem, Zabern, nooit onomwonden uitgesproken, hij wist dat de Prinses elk middel zou aangrijpen om haar huwelijk met Bora te verijdelen—maar was men van dat geheime voornemen in Rusland al zóó overtuigd, dat men ’t als een wapen tegen haar durfde gebruiken?
Felix volgde een dergelijken gedachtengang, met dit verschil alleen dat hij, zekerder nog dan Zabern, wist dat Elizabeth nooit Bora zou toebehooren! Overigens verbaasde ook hij zich er over hoe men in Rusland daaromtrent was ingelicht geworden. Vrees greep hem aan, toen hij bedacht dat een regeering als de Russische er zelfs niet voor zou terugdeinzen den dolk van den een of anderen fanaticus te bezigen, om Elizabeth uit den weg te ruimen, zoodat Bora over haar lijk den troon zou bereiken! Wanneer het cijferschrift eens zulk een verschrikkelijk komplot inhield!
“Ga verder, Katina. Wat zeiden ze nog meer?”
“Na eenig gefluister, hoorde ik Russakoff zeggen: “neen, ’t is te gevaarlijk. Bovendien—wat zijn vierhonderd roebels?”—“We zullen de som verdubbelen als het binnen twaalf uren gebeurt,” antwoordde de ander.
“Ik begreep duidelijk, dat er een misdaad beraamd werd. Snel liep ik naar buiten, riep mijn twee broeders, die hier aan het werk waren. We haalde onze wapens, traden de gelagkamer binnen—maar, tot onzen schrik—”
“Waren de vogels gevlogen!”
“Ja! Hun glazen waren nog vol; ze hadden dus waarschijnlijk bemerkt dat ze beluisterd werden, en kozen het hazenpad. We deden alles om ze te achterhalen, zochten in alle richtingen, maar konden geen spoor van hen ontdekken. Daar we de zaak van belang oordeelden, zonden we dadelijk Juliska naar Slavowitz om u in te lichten, maar u hebt haar natuurlijk niet meer gezien.”
“Neen; ik heb de stad klaarblijkelijk verlaten eer ze aankwam. Katina, je hebt opnieuw bewezen een waardig onderdaan van de Prinses te zijn. Dus deze spion staat in dienst van Graaf Orloff. We zullen dien nieuwen gouverneur zeker geen onrecht aandoen wanneer we hem verdenken van een aanslag op Czernovië’s onafhankelijkheid. Welnu, Katina, het zal nu een dubbele overwinning zijn, die er voor ons op Orloff te behalen valt! En zooals nu duidelijk is, bestaat er een betrekking tusschen den Hertog en Orloff, terwijl Russakoff hun agent is. Ge ziet nu de belangrijkheid van het cijferbericht, Van Stralen, en de noodzakelijkheid het dadelijk te ontraadselen. Laten we ons dus niet langer ophouden.—Als Russakoff zich voor tweemaal vierhonderd roebels heeft laten overhalen naar Slavowitz terug te keeren, dan moeten mijn spionnen hem in handen hebben eer de nacht verstreken is. En dus—” besloot hij, plotseling opstaand—“naar Slavowitz.”
Katina snelde onmiddellijk heen om den koetsier te waarschuwen van de troïka, waarin Paul, Felix en Rob de tocht hierheen hadden gemaakt. De vier mannen traden naar buiten en vonden den soldaatNikita daar nog staan met de twee paarden, alsof hij geen duim van de plaats geweken was. De nacht was gevallen en de sterren flonkerden. Het heldere licht van uit de herbergdeur stroomde vroolijk over den weg naar de boomen aan den anderen kant.
“Vergeef mijn haast, heeren,” zei Zabern, “maar ik zou verkeerd doen langer te talmen. De arrestatie van den Hertog, de streken die Russakoff mogelijk al heeft uitgehaald—daarin ligt voor het Russisch gedeelte der bevolking genoeg reden om een oproer te beginnen. Misschien zullen er een paar kanonschoten noodig blijken. Ik rijd vooruit; de heeren zullen me verplichten met zoo spoedig mogelijk te volgen; na al wat ze nu weten, kunnen hun diensten me aangenaam zijn.”
Zabern sprong in het zadel, kuste Katina die hem tot afscheid groette, de hand, en een oogenblik daarna galoppeerde hij naar Slavowitz, gevolgd door zijn trouwen ordonnans.
Een minuut later verscheen de istvostchik (koetsier) met de troïka.
De vrienden namen plaats, en nauwelijks hadden ze dit gedaan, toen in het lichtschijnsel van de herberg een man verscheen, die dadelijk daarop weer door de duisternis was opgeslokt, doch wiens groote cilindervormige hoed en zwarte soutane hem als een “papa” of priester van de Oostersche kerk aanduidden.
Toen de istvostchik dezen geestelijke zag, kruiste hij zich naar Grieksche wijze, en stapte tegelijkertijd uit de troïka, zeggend:
“Het spijt me, vadertjes, maar ik kan u van avond niet rijden.”
“Wat beteekent dat nu?” vroeg Felix aan Katina.
“De arme kerel is een Rus,” zei ze met een medelijdenden glimlach, “en Russen achten het een slecht voorteeken als ze bij den aanvang van een reis een priester van hun eigen geloof ontmoeten.”
“Dat is een vreemde manier om hun geestelijkheid te eeren,” zei Felix, maar intusschen was met geen mogelijkheid, noch door geld, noch door woorden, van den ouden koetsier gedaan te krijgen dat hij op zijn besluit terugkwam.
“Ik heb een troïka,” zei Katina, “en daar ik toch over een uurtje mijn zuster Juliska uit Slavowitz zou gaan halen, kan ik nu wel vast inspannen. Bovendien is mijn troïka veel ruimer; we kunnen er gemakkelijk alle vier in.”
Dit was een gelukkige uitkomst, en men nam het aanbod gaarne aan. Katina ging daarop haar orders geven, en kwam weldra terug, met een zeer mooien bonten mantel om, gereed voor de reis. Tegelijkertijd werd een sierlijke, met rood leder bekleede troïka voorgebracht, waarvan de bespanning uit drie prachtige ponies bestond.
“Ze zijn mooi, niet waar?” vroeg Katina, de beide paarden streelend die onder den duga of houten boog waren aangespannen, en die bij het trekken het eigenlijke werk doen. Dit is Elizabeth—die heet naar de Prinses; en dat Stephanie, naar mijn moeder.”
“En de derde?” vroeg Felix.
“O, die maakt alleen parade, maar trekt niet. Omdat ze dus van weinig nut is, heeft mijn zusterhaar natuurlijk Katina genoemd. Nu—wanneer de heeren klaar zijn....?”
Men stapte in, Katina in het midden tusschen Felix en Paul, Rob tegen over hen, met den rug naar het paard.
“Reis vanavond niet, vadertjes,” zei de istvostchik, toen hij ze zag instappen, “er wachten u booze dingen.”
Katinazette de paarden met een ongeduldige beweging aan.
Paul lachte.
Felix keek ernstig: er was voor zijn gevoel iets wonderlijk indrukwekkends in de rustige waardigheid van den ouden man, zooals hij daar op de treden van de herbergdeur stond, met z’n muts in de hand en z’n blikken naar de sterren gericht.