Twee en twintigste Hoofdstuk.

“Waarde Ludovski,“Mijn onderzoekingen in Warschau hebben, nazeer veel mislukkingen, zooveel succes gehad, dat ik de zekerheid heb binnen enkele maanden u de familiepapieren te kunnen verschaffen, die Orloff bij uw verbanning had achtergehouden. Dan zal het zeer eenvoudig zijn u uw rechtmatigen titel van Graaf Boris Ludovski te doen hergeven, en keert ge tot uw vroegere waardigheden terug. Nog slechts kort zult ge de drievoudige ellende behoeven te dragen arm, verloochend en bewoner van een armzalige herberg te zijn; een woning, u en de uwen waardig, wacht u in Slavowitz. Uw benoeming tot een eervolle staatsbetrekking, waaraan een zeer ruime bezoldiging verbonden is, ligt gereed en is geheel overeenkomstig uw talenten en aspiratiën.“Bedank mij niet. Ik heb mijzelf de onevenredig groote belooning voor dezen geringen dienst reeds verzekerd; uw dochter Katina zal u hedenavond bij haar thuiskomst wel mededeelen waarin deze bestaat.“Geloof mij nu en steeds de trouwe vriend uit uw jeugdLadislas Zabern.”

“Waarde Ludovski,

“Mijn onderzoekingen in Warschau hebben, nazeer veel mislukkingen, zooveel succes gehad, dat ik de zekerheid heb binnen enkele maanden u de familiepapieren te kunnen verschaffen, die Orloff bij uw verbanning had achtergehouden. Dan zal het zeer eenvoudig zijn u uw rechtmatigen titel van Graaf Boris Ludovski te doen hergeven, en keert ge tot uw vroegere waardigheden terug. Nog slechts kort zult ge de drievoudige ellende behoeven te dragen arm, verloochend en bewoner van een armzalige herberg te zijn; een woning, u en de uwen waardig, wacht u in Slavowitz. Uw benoeming tot een eervolle staatsbetrekking, waaraan een zeer ruime bezoldiging verbonden is, ligt gereed en is geheel overeenkomstig uw talenten en aspiratiën.

“Bedank mij niet. Ik heb mijzelf de onevenredig groote belooning voor dezen geringen dienst reeds verzekerd; uw dochter Katina zal u hedenavond bij haar thuiskomst wel mededeelen waarin deze bestaat.

“Geloof mij nu en steeds de trouwe vriend uit uw jeugd

Ladislas Zabern.”

Snel sloot Zabern dit schrijven in een envelop, belde, en zei tot den binnentredenden ordonnans:

“Te paard, Nikita, en in galop naar de herberg van Ludovski. Breng hem dezen brief.”

Het wetsontwerp-Lipski.—Prinses Elizabeth teekent een contract.—De schatten van het St. Nicolaas-Klooster.—Iedereen verliest den moed, behalve Zabern.

Het wetsontwerp-Lipski.—Prinses Elizabeth teekent een contract.—De schatten van het St. Nicolaas-Klooster.—Iedereen verliest den moed, behalve Zabern.

Het was zeven uur in den avond. Het bal masqué waarvan Felix met Zabern sprak, zou te tien uur beginnen. Weinig vermoedden Felix en Katina, toen zij gedeeltelijk in Zabern’s plannen werden ingewijd, dat er een zeer nauw verband bestond tusschen dit bal en de Kamerzitting, die van half acht tot half tien gehouden zou worden.

Toch was dit zoo; niemand was daarvan beter op de hoogte dan Zabern, die uit de geheime depêche van Orloff meer gelezen had dan Rob en Felix er uit begrepen hadden. In deze zitting toch zou de afgevaardigde Lipski een wetsontwerp indienen, om, in overweging nemende de daling der rijksinkomsten en de zware lasten die voor versterking van levende en doode weermiddelen geëischt werden, voortaan de kloosters, die tot nog toe door den fiscus ongemoeid werden gelaten,te verplichten tot een bijdrage aan ’s lands schatkist.

Dit wetsvoorstel zag er eenvoudig en vrij onschuldig uit; in den mond van een Russischgezind afgevaardigde klonk het zelfs zeer belangeloos, wanneer men in aanmerking nam dat het tegemoet wenschte te komen aan militaire uitgaven, die toch allereerst versterking van de Russische grens ten doel hadden. Bovendien zouden ook de meeste Czernovische afgevaardigden het voorstel, oppervlakkig beschouwd, zeer billijk achten. Het budget van Dorislas was dit jaar onmatig hoog, er moest op alle geoorloofde manieren geld verschaft worden. Al meermalen was daartoe het voorstel geopperd, de kloosters te belasten, en nu Lipski de eerste was die den moed had een daartoe strekkend ontwerp in te dienen, zou men hem zeer zeker toejuichen. Het oude gebruik, geen belasting te heffen van de vrij talrijke kloosters—die meerendeels bewoond werden door uit omringende staten onverdraagzaam verdreven monniken, aan wie Czernovië, waar de godsdienst geheel vrij was, toevlucht had verleend—dat oude gebruik was niet rechtvaardig. Enkele kloosters waren zeer rijk; waarom zouden zij niet naar mate van krachten bijdragen in de lasten van een land, dat hun gastvrijheid verleende?

Zabern, en enkele ingewijden met hem, wisten echter welke list achter Lipski’s optreden verscholen was; door den cijferbrief gewaarschuwd, zou hij Lipski het genoegen ontnemen hem onverwacht met zijn voorstel op het lijf te vallen—waarvan de afgevaardigde zich natuurlijk te voren een feest had gemaakt—en bovendien had hij daardoor de gelegenheid gehad zich tegen de in te dienen wet te wapenen.

Hoe een en ander in zijn werk ging, en welk listig doel Lipski met zijn voorstel beoogde, zullen we uit het volgende vernemen.

Te halfacht opende Brunowski de Kamerzitting. Met de behandeling van allerlei onderwerpen was het negen uur geworden. Daar Lipski zich onder de laatste sprekers had doen inschrijven, vermoedde Zabern dat hij opzettelijk eerst tegen het einde der vergadering aan het woord wilde komen, om een uitgebreid debat over zijn voorstel tegen te gaan, dit onmiddellijk verwezen te zien naar een commissie van onderzoek, en dan de beraadslaging in een eerstvolgende zitting te doen plaats hebben.

Toen nu de President eenige adressen en andere stukken van ondergeschikt belang aan de orde wilde stellen, nam Zabern het woord en vroeg, tot verbazing der vergadering, of het niet gewenscht was, wegens de belangrijkheid van het onderwerp, eerst het voorstel van den afgevaardigde Lipski ter tafel te brengen, strekkende tot heffing eener belasting op de eigendommen der Czernovische kloosters.

Lipski, klaarblijkelijk verrast: “Zou ik mogen weten, hoe de Minister van Justitie zoo juist is ingelicht omtrent den inhoud van mijn voorstel?”

Zabern, droogjes: “Heb ik mijn mond voorbijgepraat? Was uw onderwerp een geheim?”

Lipski: “Het lag in mijn bedoeling de Kamer aangenaam te verrassen.”

Zabern: “En nu heb ik u de vreugde van die verrassing ontnomen! Dat spijt me.”

Lipski: “Het spijtmij, dat men me klaarblijkelijk bespionneert; de geheimen van mijn studeerkamerschijnen zelfs niet meer voor het schrikbewind van den Minister van Justitie veilig te zijn.”

Zabern: “U vleit me. Ik heb inderdaad een uitstekend corps spionnen. Gaarne geef ik u echter de verzekering, dat uw schrijftafel de eenige plaats is, waar zij nog niet zijn doorgedrongen. Maar misschien zal ik ook daarin spoedig slagen.” (Gelach).

Lipski, woedend: “Ik vraag, hoe u er achter bent gekomen!”

Zabern, verlegenheid veinzend: “Ik weet ’t waarlijk niet meer.... Laat ik me eens bedenken—heb ik ’t niet in de Kolokol gelezen?” (Gelach).

De Voorzitter: “Heeren, we kunnen deze kwestie laten rusten. De afgevaardigde Lipski zal zijn voorstel in ’t openbaar behandelen; wat zoo straks door ons allen vernomen wordt, en nog heden avond door alle nieuwsbladen verspreid, kan men bezwaarlijk een geheim noemen. Hoe de Minister van Justitie den inhoud van het ontwerp te weten is gekomen, is van geheel ondergeschikt belang, daar hij, geen geheim geschonden hebbende, eenvoudig den loop der beraadslagingen eenigszins vooruitgeloopen is. Verlangt iemand hieromtrent nog het woord?”

Lipski, driftig: “Ik verlang een nadere verklaring van den Minister!”

Zabern: “De beste verklaring lijkt me deze: ik ontvang dagelijks zooveel inlichtingen, dat ik niet op elk oogenblik precies kan opgeven hoe ik aan mijn gegevens kom. Het is best mogelijk, dat ik niet langs rechtstreekschen weg den inhoud van het ontwerp ben te weten gekomen—ik herinner me dat waarlijk niet meer. Maar als ik den geachten afgevaardigdevan Russograd daarmee kan gerust stellen, verklaar ik gaarne, dat ik aan de omtrent hem ontvangen inlichtingen hoegenaamd geen waarde heb gehecht. (Gelach). Zeker niet genoeg waarde, om een langdurige discussie als deze te rechtvaardigen.” (Daverend gelach).

De Voorzitter: “De afgevaardigde Lipski heeft het woord voor de door hem aangekondigde rede.”

Lipski, die al de helft van zijn succes verloren zag, zette nu kort de bedoeling van zijn ontwerp uiteen. Zooals Zabern wel verwacht had, werd het met instemming door het meerendeel der leden ontvangen. Er werd een commissie benoemd, de beraadslaging werd voor de volgende samenkomst bestemd, en daarna haastten zij, die het bal zouden bijwonen, zich hun costuum te gaan aantrekken.

Om tien uur waren de zalen en tuinen van het Paleis reeds vol vroolijke gasten. Het middelpunt der feestelijkheid was de ruime balzaal, waar het schitterende licht der gouden candelabres de talrijke veelkleurige costuums bescheen.

Onder de menigte bevond zich Felix, overal zoekend naar de gemaskerde Elizabeth, die hem niet had willen zeggen welk costuum zij aantrok, en schertsend had opgemerkt dat hij, zoo hij haar werkelijk liefhad, haar ook in elke vermomming zou terugvinden.

Terwijl hij zich door de zaal bewoog, trok hij menigen nieuwsgierigen blik tot zich, want zoowel zijn forsche figuur als zijn prachtig costuum vestigden onwillekeurig de aandacht op hem. Hij had zich een Oud-Hollandsche kleedij gekozen; een breedgerande hoed met wapperende veeren dekte zijn blondenkrulpruik; een sierlijke fluweelen mantel hing in gracieuse plooien van zijn schouders, die door een kraag van echte Vlaamsche kant waren omsloten; de beenen staken in hooge bruin-lederen laarzen, en zijn hand leunde op het met diamanten bezette gevest van den degen. Ongetwijfeld was hij onder de vele kranige figuren de kranigste, en telkens werd er fluisterend gevraagd wie hij wel zijn kon.

Eindelijk kreeg Felix een slanke vrouwengestalte in het oog, omhuld door het zilvergrijze nonnenkleed, die eenzaam in een deuropening stond, welke naar de balzaal leidde. Hij kwam naderbij, en toen de non opeens het hoofd naar hem toewendde, hem door de kijkgaten van haar masker een blik toewerpend, twijfelde hij er geen oogwenk aan wie zij was.

“Waarom zulk een somber costuum?” vroeg hij.

“Is dit costuum niet het teeken der onschuld?”

“Zeker—maar ook beteekent het: afstand doen van de liefde!”

“En waarom zou ik daarvan geen afstand doen?”

“Omdat je mij trouw gezworen hebt!”

“Ah, Felix—dus je hebt me herkend,” fluisterde Elizabeth, glimlachend onder haar masker. “En nu vraag ik op mijn beurt: waartoe dit Oud-Hollandsch costuum?”

“Omdat ik meende jou daarmee het meest genoegen te doen.”

“En je hebt het goed geraden! Juist vanavond krijgt het een eigenaardige beteekenis—spoedig zal je begrijpen waarom. Ga mee naar het terras.”

Felix legde haar arm in de zijne, en leidde haaruit de woelige balzaal naar het rustige marmeren terras, waar hij in een afgelegen hoekje naast haar ging zitten.

Het was een heerlijke zomernacht. De lucht was zuiver en zoel; het klateren van talrijke fonteinen klonk als muziek. De zilveren maansikkel, scherp tegen een donkerblauwen hemel afstekend, en de gekleurde lampjes die overal tusschen het groen gloeiden, verspreidden een poëtisch, tooverachtig licht.

Ze hadden eenigen tijd zoo gezeten, zelfs achter hun vermomming de grootste voorzichtigheid betrachtend, omdat Zabern verzekerd had dat er Russische spionnen in de zaal waren, toen Elizabeth opeens uitriep:

“Ah—wie komt daar?”

Felix voelde haar arm in den zijne trillen, toen langs het door de maan verlichte terras een hooge, statige figuur, in een monnikspij gekleed, langzaam het tweetal naderde. Zijn pij was in kleur geheel gelijk aan die van Elizabeth, en evenals de hare op elken schouder van een rood kruis voorzien.

Toen de monnik voor hen stond, zag hij Elizabeth eenige oogenblikken aandachtig aan, en vroeg toen:

“Mag een broeder eenige woorden richten tot een zuster van dezelfde orde?”

“Zijn wij van dezelfde orde?”

“Kunnen de bewoners van het St. Nicolaas-klooster zich in elkaar vergissen?”

“Felix,” fluisterde zij, “ik moet dien man enkele oogenblikken alleen spreken. Wacht hier.”

De Prinses stond op, en liep met den monnik al pratend het terras op en neer, terwijl ze telkens Felix voorbij gingen.

Ofschoon dit gedrag van Elizabeth vreemd leek, giste Felix toch de reden. Hij wist dat het St. Nicolaasklooster het groote gebouw met de zingende monniken was, dat Katina hem op hun rit in de troïka gewezen had. Ook kende hij de bewoners van dat klooster als onverzoenlijken, die reikhalzend uitzagen naar het oogenblik waarop ze van de Russische overheersching zouden worden bevrijd. Felix vermoedde dus, dat deze gemaskerde een monnik was, uit dat geheimzinnig klooster met de een of andere gewichtige mededeeling gezonden.

Het gesprek, waarvan hij geen woord kon afluisteren, duurde ongeveer een kwartier, en eindigde daarmee, dat de monnik de Prinses eenige papieren overhandigde, die zij zoo snel in haar pij verborg, dat Felix eigenlijk niet wist of hij goed gezien had of niet.

Daarna sloop de monnik weg, en de Prinses keerde bij Felix terug.

Eer hij den tijd had Elizabeth te vragen wat dit voorval beteekende, zag hij tot zijn verbazing een tweeden gemaskerden broeder naderen. Hij was geheel gekleed als de vorige, zoodat Felix eerst meende dat het dezelfde was, maar weldra zag hij dat deze nieuwe bezoeker kleiner was en steviger gebouwd. Zonder twijfel wilde ook hij de Prinses om een onderhoud verzoeken. Hoe lang zou dit zoo voortgaan?

Elizabeth raadde zijn gedachte, en glimlachte onder de zijden franje van haar masker.

“Geduld,” fluisterde ze. “Dit is de tweede en laatste. Daar komt Maarschalk Zabern aan, hij zal je alles uitleggen.”

Bij de nadering van den monnik werden dezelfdewoorden van zooeven gewisseld, blijkbaar een afgesproken herkenningsteeken, en daarna stond Elizabeth wederom op om naast den monnik op het terras heen en weer te loopen.

Een oogenblik later verscheen wederom iemand op het tooneel, in wien Felix, trots domino en masker, den Maarschalk herkende.

Zabern ging naast hem zitten, en richtte de blikken op de Prinses, die op eenigen afstand over de balustrade van het terras leunde, klaarblijkelijk bezig iets te schrijven.

“Wat denkt ge dat de prinses op ’t oogenblik doet?” vroeg Zabern.

“Het lijkt wel of ze haar naam in het balboekje van een danser schrijft—maar dat zal zeker ’t geval niet zijn?”

“Meneer de Secretaris,” zei de Maarschalk nadrukkelijk, “ge zijt getuige van een gebeurtenis, die voorbestemd is de kaart van Europa te wijzigen. De Prinses teekent een geheim verdrag met Leopold Kossuth, den kleinzoon van Lodewijk Kossuth, den ongekroonden Koning van Hongarije.”

De verbazing van Felix laat zich niet beschrijven, en hij drong bij den Maarschalk op naderen uitleg aan.

“Sedert eenige maanden,” vervolgde Zabern, “heb ik een onderneming op touw gezet, die een gezamenlijken opstand van Polen, Hongarije en Czernovië ten doel heeft. Het oogenblik van uitvoering is zeer nabij. Alles is gereed. De Prinses, die aan het hoofd der beweging staat, heeft reeds een verdrag met den leider der Poolsche bondgenooten geteekend. Die twee monniken zijn onze geheime agenten. De eerste iseen Pool, die documenten uit het hoofdkwartier der patriotten te Warschau overbracht. De tweede is een Hongaar uit Buda, die belast is met de onderhandelingen met Kossuth. De maskerade van dezen avond werd gehouden om het naderen der Prinses mogelijk te maken, daar geen andere manier de vermoedens der ons omringende spionnen zoo afleidt. De verrader Bora, die op het oogenblik in de balzaal alle dames het hof maakt, vermoedt weinig wat op zoo korten afstand van hem gebeurt.”

“Maar denkt ge dat die drie landen het tegenover de macht van Oostenrijk en Rusland zullen winnen?”

“Ongetwijfeld. Hongarije houdt Oostenrijk in bedwang; Polen en Czernovië bedreigen Rusland, en het lijdt geen twijfel of meerdere Balkanstaten zullen ons te hulp snellen. Bovendien vinden wij een zeer sterken bondgenoot in de omstandigheid, dat Engeland op het punt is Rusland den oorlog te verklaren in Mandschoerije, waardoor talrijke troepen naar de Aziatische grenzen geschoven moeten worden.”

“En het geld?”

“Stroomt ons bij millioenen toe, vooral uit Polen, waar de minste boer zijn laatste kopeke gegeven heeft. Ook de financiëele steun van Finland is niet gering te achten. Ja, het is zelfs vrij zeker, dat ook de Finnen naar de wapens zullen grijpen. Behalve over een sterk leger, beschikken we dus ook over een enorme oorlogskas, wat welbeschouwd de hoofdzaak is.”

“En waar worden die schatten bewaard?”

“In het St. Nicolaas-klooster.”

“Als dan de wet van Lipski er door komt, waarvanik vanavond hoorde vertellen, zou men zich wel eens kunnen verwonderen over den grooten rijkdom van dat klooster,” merkte Felix op.

“Daar roert ge, zonder ’t te weten, een zeer belangrijke kwestie aan. Oogenschijnlijk richt die wet zich alleen tegen de kloosters in ’t algemeen, maar inderdaad is ze op het St. Nicolaas-klooster in ’t bizonder gericht. De Russisch-gezinden schijnen te vermoeden, dat de monniken van die inrichting nog andere dingen doen dan zingen. Dat ze dit vermoeden hadden opgevat, bleek me uit het tweede deel van den cijferbrief, die nu ook u duidelijker zal worden. Als de beambten, met de taxatie belast, dat klooster binnengaan, zullen ze niet alleen onzen voorraad goud ontdekken, maar bovendien documenten die onze samenzwering aan ’t licht zouden brengen, en meer dan dat: plannen en modellen van Russische vestingen, wapens voor niet minder dan honderdduizend man, springmiddelen en projectielen van de nieuwste vinding, die sinds maanden op allerlei manieren zijn binnengesmokkeld. Vindt men dat alles, dan is natuurlijk bewezen dat Czernovië tegen Rusland complotteert, en het doel van de wet-Lipski is bereikt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de aanneming te verijdelen.”

Op dit oogenblik voegde Elizabeth zich bij hen, en dadelijk daarna naderden twee zwarte domino’s, in wie Zabern den Premier en Dorislas herkende. Men begroette elkaar, en Zabern maakte de Prinses en Felix aan de beide Ministers bekend.

Radzivil zette zich naast de Prinses, Dorislas leunde met over elkaar geslagen armen tegen debalustrade. Naar het scheen waren beide mannen onder den indruk van het in de Kamerzitting verhandelde, en verkeerden ze in een sombere stemming.

“Heeft Uwe Hoogheid het verdrag met Kossuth geteekend?” begon Radzivil.

“Een uur geleden. De Hongaarsche agent is er mee vertrokken.”

“Ik vrees, Prinses, dat op het laatste oogenblik moeielijkheden rijzen. Ge weet wat er in de Kamer is voorgevallen—wanneer we onzen schat verliezen, zijn we zelf verloren.”

“De wet is nog niet aangenomen, Graaf. De Czernovische patriotten hebben de meerderheid in de kamer.”

“Maar zij beseffen de geheime bedoeling niet van de wet! Zij zullen te goeder trouw vóórstemmen! En het zou te gevaarlijk zijn ons geheim aan tachtig personen mede te deelen, hoe goed ze ons ook gezind mogen zijn. Lipski legde heden avond nog eenige statistieken ter inzage, de waarde der schatten in de verschillende kloosters aangevend. Natuurlijk zijn die denkbeeldig—...”

“Omdat,” viel Dorislas in, “Lipski er geen begrip van heeft hoeveel millioenen in het St.-Nicolaasklooster liggen opgehoopt.”

“Juist,” vervolgde Radzivil. “Uit die statistieken volgt, dat de opbrengst der kloosterbelasting gedurende een geheel jaar alle bestaande rijksbelastingen zou kunnen vervangen. Daar is men natuurlijk begeerig op aangevallen. Ook aan onze zijde zal men vrij algemeen vóór de wet stemmen.”

Men zat eenige minuten in zwijgen verzonken,onder den indruk van Radzivil’s woorden. Zou die sluwe Lipski nu opeens aan de zoo schoone verwachtingen der patriotten den bodem inslaan? Zou alles vergeefs geweest zijn? Een sombere, neergeslagen stemming maakte zich van die kleine groep onverzoenlijken meester. Alleen Zabern scheen allen moed niet te hebben verloren; een onmerkbare glimlach speelde om zijn lippen, als zag hij een uitkomst, waar de anderen aan redding wanhoopten. Maar hij verried door geen enkel woord zijn geheime gedachten.

“Kunt Uwe Hoogheid niet weigeren de wet te teekenen?” vroeg Felix.

“Het Charter verplicht mij elke wet te teekenen, die door de Kamer is aangenomen. Wel kan ik in enkele gevallen weigeren, doch dan heeft de Kamer het recht van beroep op de drie toeziende Staten.”

“Kunt ge de Kamer niet ontbinden, en een nieuwe verkiezing uitschrijven?” vervolgde Felix.

“We zouden er niets bij winnen,” zei Radzivil, “hoe de meerderheid ook is, Russisch of Czernovisch—de wet behoudt haar zelfde aantrekkelijkheid.”

Dorislas, die graag Zabern’s middeleeuwsche maatregelen nadeed, stelde voor:

“Laten we doen als Cromwell: op den dag der stemmen worden soldaten achter de zetels der kamerleden geplaatst. Wie niet tegenstemt voelt een bajonet in zijn hals. Ook zouden we enkele leden in de doos kunnen stoppen, totdat de stemming afgeloopen is.”

Elizabeth glimlachte.

“Dat zou de rechte manier zijn om de tusschenkomst der drie Mogendheden te bewerken!”

“Is het niet mogelijk,” opperde Felix, “alle papieren,schatten en wapens in’t geheim weg te voeren?”

“Onmogelijk,” zei Dorislas. “Alle kloosters worden door militairen bewaakt. Dat is een zeer begrijpelijke maatregel, dien ik in Lipski’s geval ook geëischt zou hebben. Hadden de monniken de gelegenheid hun bezittingen in veiligheid te brengen, dan zou de heele wet een dwaasheid zijn.”

Niemand durfde meer een oplossing aan de hand doen, die er trouwens niet scheen te zijn.

“Als de wet wordt aangenomen,” zei Dorislas, “zie ik maar éen weg uit de moeielijkheid. De monniken moeten trachten den een of anderen donkeren nacht het klooster in stilte te verlaten, een langzaam brandenden lont achterlatend, waardoor het kruitmagazijn in de lucht vliegt.”

“En daarmee zou al onze hoop vervlogen zijn!” zuchtte de Prinses.

“Dat zou ’t. Maar bedenk, Hoogheid, wat er gebeuren zou, ook al werden de papieren tijdig verbrand: Rusland zou in het klooster, dat eigenlijk meer een fort en een arsenaal is, een enormen voorraad goud en oorlogsmateriaal vinden. Dat staat evenzeer gelijk met onzen ondergang.”

“Het verwondert me, dat de Maarschalk nog niets gezegd heeft,” glimlachte Elizabeth. “Dat is het zekere bewijs dat hij over een of ander plan denkt. Zeg ons eens, Maarschalk, denkt ge wezenlijk dat er nog iets te redden valt?”

“Ik ben er vast van overtuigd, Hoogheid,” zei Zabern bedaard, en tot groote verrassing der overigen.

“De wet-Lipski zal met groote meerderheid worden verworpen.”

“Wat!” riep Radzivil, ongeloovig, en benieuwd naar het door Zabern aan te geven middel, “en hoe wilt ge dat resultaat bereiken?”

“Wanneer ik dat vertel, is alles al van te voren mislukt. Mijn plan eischt absolute geheimhouding.”

“Zelfs voor de Prinses?” vroeg Elizabeth.

“In de eerste plaats voor de Prinses,” antwoordde Zabern met een eigenaardigen glimlach.

Elizabeth was natuurlijk zeer verwonderd over dit antwoord.

“Ik zal me daarbij neerleggen, Maarschalk, ofschoon u mijn nieuwsgierigheid op een harde proef stelt. Maar u hebt mijn vertrouwen nooit beschaamd—”

“En ik zal ’t ook nu niet doen, Hoogheid.”

“Dan,” zei Elizabeth, terwijl uit de balzaal de muziek van een slepende Hongaarsche wals naar buiten ruischte, “dan mag de Prinses dansen, als Zabern de wacht houdt. Secretaris—uw arm. Ik beloofde u een dans, en ik zal mijn woord houden. Maar wil eerst deze papieren van mij overnemen, Maarschalk; het zou gevaarlijk zijn als ik ze op den dansvloer liet vallen!”

En Elizabeth, den Maarschalk de documenten overhandigend die zij zooeven had ontvangen, ging aan Felix’ arm naar de balzaal.

Dit gunstbetoon aan haar Secretaris deed Radzivil en Dorislas een blik van verwondering wisselen, maar eer zij er verder over konden nadenken, werd hun aandacht getrokken door een rumoer van verscheiden stemmen, dat uit de richting kwam tegengesteld aan die welke de prinses had ingeslagen.

De drie Ministers zagen een groep gemaskerdenop zich toekomen, dames en heeren, in fantastische costuums gekleed, en blijkbaar in de vroolijkste stemming, daar ze luid lachten en praatten.

“Wie is dat nu?” vroeg Radzivil, naar een forschgebouwde gestalte wijzend, die als Peter de Groote was gekleed.

“Een barbaar, die een anderen barbaar naäapt,” zei Zabern, den bedoelden persoon herkennend.

“De Hertog van Bora?”

“Juist, en omringd door zijn gunstelingen en satellieten, juichend om het onbetwijfeld succes van Lipski’s wet, waarvan ze den val der Prinses verwachten. Laat ze lachen. Over enkele dagen zullen ze huilen. We zullen onze maskers afdoen en ze aan het praten brengen; ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben.”

Toen de Hertog en zijn vrienden naderden, ontmaskerde het drietal zich. Bora herkende hen en kwam naar hen toe, blijkbaar zich spitsend op de verslagenheid der Ministers.

“Dat is een leelijke knauw voor de Prinses, Maarschalk,” zei de Hertog brutaal, terwijl hij een sigaret opstak. “De wet-Lipski gaat er zeker door.” I

“Door? O heden neen. Niets daarvan!” zei Zabern allervriendelijkst.

“Wat?” riep Bora, onder het gelach van zijn aanhangers. “Denkt u dat ze allemaal zullen stemmen als u? Zelfs de heftigste patriotten zijn er vóor!”

“Zoudt u denken?” vroeg Zabern koeltjes. “Het Huis zal voltallig zijn, honderdtwintig leden. Nu, ik waag me aan de voorspelling, dat er een getal van zeventig leden zal gevonden worden om de wet te verwerpen.”

“Dus met twintig stemmen meerderheid voor het Ministerie?”

“Juist. Twintig stemmen.”

Bora lachte luidkeels.

“Ik zou wel eens willen weten, wat u daaronder verwedden wilt!”

“Elke som die u wenscht te noemen.”

“Ik zet vijfduizend roebels tegen!” zei de Hertog.

“O, Uwe Genade! Als u zoo zeker is van uw slag, geef uzelf dan een grooter kans,” zei Zabern bescheiden.

“Wel, dan verdubbel ik het bedrag. Tienduizend roebels, dat de tegenstemmers beneden de zeventig blijven.”

“Dezelfde som, als het Ministerie geen zeventig stemmen aan haar kant heeft!”

“Aangenomen!”

“Dat zou ik wel graag op papier hebben,” zei Zabern.

Terwijl ten overstaan der wederzijdsche getuigen de overeenkomst op schrift werd gesteld, richtte Radzivil zich op verontwaardigden toon tot den Hertog.

“En u gaat dus een weddenschap aan op een maatregel, waarvan u weet dat hij de Prinses onaangenaam is?”

Bora haalde de schouders op.

“Och, over deze wet kunnen de beste vrienden van meening verschillen. Denk er aan,” zoo wendde hij zich opeens tot Zabern, “dat er niet ondershands gewerkt moet worden om de wet te doen vallen, of mijn weddenschap wordt krachteloos verklaard. Geen omkooperij van de zijde van het Ministerie.”

“Omkooperij laten we aan Lipski over, en aan zijn lastgever Orloff,” zei Zabern. “Of moet ik ’t in het meervoud zeggen: zijn lastgevers?”

Bora maakte even een verschrikte beweging.

“Ge ziet, waarde Hertog,” zei Zabern luchtig, “dat we op de hoogte zijn van wat er achter de schermen omgaat. Orloff trekt aan de touwtjes in zijn paleis te Warsim, en de poppen in de Kamer van Slavowitz dansen. De volgende week zult gemijaan de touwtjes zien trekken!”

De Hertog werd eenigszins ongerust door de zekerheid waarmee Zabern sprak, en de juistheid waarmee hij scheen ingelicht. Zou die man opnieuw over hem triomfeeren?

“Ge durft heel wat zeggen, Maarschalk,” sprak hij dreigend, “maar ik denk dat ik mijn roebels zal winnen!”

Met deze woorden ging hij heen, door zijn gezelschap gevolgd.

Toen hij weg was, keerde Radzivil zich tot Zabern, en zei verschrikt:

“Het lijkt wel of die Hertog uw beste vriend is! u verraadt hem alles. Hoe durft u zoo openlijk met hem spreken!”

“Omdat ik zoo zeker van mijn zaak ben,” zei Zabern kalm. “En ge weet, ik houd niet van geheimzinnigheid in de politiek. Ja, ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik de Prinses hedenavond een besluit heb doen teekenen, waarbij de gevangenisstraf, die den Hertog morgen door de rechtbank voor die duelkwestie wordt opgelegd, bij wijze van gratie wordt veranderd in vervallenverklaring van zijn waardigheden als Minister en als Legercommandant. We kunnen nu openlijk optreden. We zijn niet bang meer voor Rusland, en we behoeven den Hertog niet meer te sparen. Ook heeft de Prinses hem heden middag ronduit medegedeeld, dat zij onherroepelijkvan een huwelijk met hem afziet. Dat verbaast u, heeren? U zult u nog veel meer verbazen. De 15deSeptember zal de val van Bora zijn.”

“De 15deSeptember?” zei Dorislas. “Dat is immers de kroningsdag van de Prinses?”

“Juist,” antwoordde Zabern, “de kroningsdag van de Prinses, de sterfdag van den Hertog, de bevrijdingsdag van Czernovië.”

Radzivil en Dorislas zwegen verbaasd, zóoveel orakeltaal ging hun verstand te boven.

Rob wordt met een benoeming verrast.—De wapenschouwing.—Twee schoten op de Prinses.—De daders ontsnappen.—De wet-Lipski komt in stemming.—De verrassing van Zabern.—De moordenaar wordt gevat.—De kelder van Lipski.—Zabern schrijft een brief.—

Rob wordt met een benoeming verrast.—De wapenschouwing.—Twee schoten op de Prinses.—De daders ontsnappen.—De wet-Lipski komt in stemming.—De verrassing van Zabern.—De moordenaar wordt gevat.—De kelder van Lipski.—Zabern schrijft een brief.—

De dag, waarop in de avondzitting der Kamer over het lot der wet-Lipski zou beslist worden, en mogelijk dus ook over het lot van Czernovië, viel toevallig samen met de jaarlijksche wapenschouwing over het Czernovische leger.

Deze revue had plaats op een groote vlakte, eenige mijlen buiten Slavowitz, en werd door de Prinses zelf gehouden.

Reeds in den vroegen morgen was men algemeen bezig zich voor te bereiden voor dit feest. Het was gewoonte dat bijna de geheele bevolking de revue kwam bijwonen, terwijl zij die ’t zich veroorloven konden in rijtuigen, en voorzien van eet- en drinkwaren, naar het veld reden. Men mocht dus terecht van een feest spreken.

Ook Rob, die verlangend was dit militair schouwspel van naderbij te bezien, stak zich al tijdig in de kleeren, bij zichzelf berekenend hoe hij het meest van den dag zou kunnen profiteeren. Juist wilde hij op weg gaan, toen een bediende—Rob logeerde nog steeds in het Hotel Czernovië—hem berichtte, dat een lakei hem, namens den Maarschalk Zabern, verzocht in het Paleis te willen komen. Benieuwd wat de Maarschalk verlangde, haastte hij zich naar het Paleis en verzocht den commandant der wacht, hem bij den Minister van Justitie te doen aandienen.

Enkele oogenblikken daarna stond hij in het studeervertrek van den Maarschalk. Deze was bij zijn binnenkomst opgestaan, en kwam hem nu tegemoet, hem vriendelijk de hand reikend. Nadat hij hem verzocht had plaats te nemen, zei Zabern:

“Meneer Rensma, ik voel behoefte u nogmaals mijn dank te betuigen voor de diensten, die u het land bewezen hebt door uw krachten met zulk succes aan de oplossing van het cijferschrift te beproeven. Zooals u weldra ervaren zult, hebt u daarmee een nog verdienstelijker werk verricht dan u zelf wellicht vermoedt. Het zal u later duidelijk worden waarom ik juist vandaag behoefte gevoel u dien dank te brengen. Er is bovendien meer wat ik in u meen te moeten prijzen. Ik heb herhaaldelijk uw handelingen gadegeslagen, en daarbij met vreugde waargenomen, dat ge alles in het werk stelt om Czernovië te leeren kennen en een goed Czernoviër te worden.”

Hier merkte Rob bescheiden op, dat hij dit zeker niet had kunnen doen zonder de hulp van den Maarschalk, die hem in staat had gesteld zich naderte bekwamen als schutter en schermer, die de manége en het stalpersoneel van het Paleis voor hem beschikbaar had gesteld om zich in het paardrijden te oefenen, die hem toegang had verschaft tot alle museums en andere inrichtingen van wetenschap en kunst in Slavowitz—kortom, zonder wien hij nooit had kunnen doen waarvoor hij nu lof oogstte.

De Maarschalk vervolgde:

“Ik heb naar een middel gezocht om uw ijver en uw toewijding te beloonen, en ik meen dat middel gevonden te hebben in het volgende. Mijn werkzaamheden nemen met den dag toe; ik heb steeds hardnekkig geweigerd daarbij hulp aan te nemen, ten deele ook omdat ik in de meesten mijner politieke aangelegenheden geen vreemde oogen wensch toe te laten. Het werk overstelpt me echter; daarom—wetende dat ik op uw stilzwijgendheid kan rekenen—noodig ik u uit de benoeming tot mijn Particulier Secretaris te aanvaarden.”

Rob kon zijn ooren nauw gelooven. In den mond van een man als Zabern namen zulke woorden een zeer belangrijke beteekenis aan, en hij wist niet wat hij tegenover zulk een groote onderscheiding doen moest. Hij stamelde zijn dank en drukte de hoop uit, dat hij aan het gestelde vertrouwen zou kunnen voldoen.

“Aan dat laatste twijfel ik niet!” zei Zabern lachend. “Wanneer ik je niet vertrouwen kon, waarde Secretaris, had ik dat al lang gemerkt. Mijn spionnen hebben je nader op de hielen gezeten dan je zelf ooit wist.”

En op een vragenden blik van Rob vervolgde Zabern:

“Ik ga nooit over éen nacht ijs. Zoolang jij en je vriend hier zijn en ik de overtuiging had dat jullie me van nut konden worden, heb ik je beiden duchtig laten bewaken. Voor je deur heeft dag en nacht een van mijn agenten gestaan. Toen ik je het cijferschrift in handen had gegeven, zou elke verdachte beweging je den hals hebben gekost! Ja—de oude Zabern is nu eenmaal ’n gevaarlijk heer om mee om te gaan. Maar als je ’t tot z’n Secretaris hebt gebracht—och, dan zal z’n gevaarlijkheid je nog wel meevallen. Maar we verpraten onzen tijd. Er is een plaats voor je in een rijtuig, dat met den stoet van de Prinses meegaat. Hier is het bewijs, dat je aan den ceremoniemeester moet laten zien, dan is alles in orde. En hier—je benoeming tot Secretaris, steek die in je zak. Ik had er maar op gerekend dat je het zou aannemen. Een uniform krijg je ook nog, alleen ’n beetje minder mooi dan die van Van Heelstra. Ja, ja—’t is goed, hoor; bedank me maar niet. ’t Is hoog tijd om te vertrekken.”

Tien minuten daarna had Rob het rijtuig gevonden en zette de stoet zich in beweging naar het paradeveld.

De revue was een schitterend schouwpel, en Felix gaf, tot ingenomenheid der Prinses, telkens zijn bewondering te kennen.

Een eigenaardig en beteekenisvol onderdeel van dit schouwspel vormde het St.-Nicolaasklooster, welks achterzijde op de vlakte uitzag. Elizabeth’s landauer stond bijna in de schaduw van zijn grijze Gothische torens.

Het gezang der monniken, sinds jaren onafgebroken, was duidelijk te hooren, al mengde het zich met dekrijgshaftige geluiden daarbuiten. Om het klooster liepen langzaam de schildwachten heen en weer, de Prinses toonend dat er op dit oogenblik een macht bestond, waarvoor haar wil moest buigen. Deze gedachte stemde haar somber, niettegenstaande Zabern’s verzekeringen dat alles goed zou afloopen; hoe ze ook zon, ze begreep niet welke maatregelen hij genomen kon hebben om de wet te doen vallen. Naar haar overtuiging bestond er maar éen middel: de patriottische afgevaardigden in het geheim te nemen, en hen de reden mee te deelen waarom de Prinses de wet wilde zien vallen, hoezeer deze oogenschijnlijk in het belang van Czernovië was. Maar zou een geheim, aan zeventig personen bekend, nog een geheim zijn? En bovendien: mocht de gezindheid dier zeventig mannen van elk hunner als onverdacht beschouwd worden?

Niets had gedurende deze week de meening gewijzigd, dat de Kamer omtrent de wet van gedachten zou veranderen; integendeel bewees de toon der debatten dat er slechts een zeer klein aantal tegenstemmers zou zijn.

Geen wonder, dat Elizabeth, ofschoon zij elk regiment dat voorbij marcheerde met een glimlach begroette die aller harten won, een vreesaanjagende moedeloosheid voelde bij de gedachte aan den komenden avond.

Toen de revue geëindigd was, nam de Prinses met haar gevolg den terugweg aan. Felix en Radzivil zaten naast elkaar in denzelfden landauer als Elizabeth, terwijl Zabern daarachter reed aan het hoofd van een afdeeling huzaren.

Ongeveer een mijl van de paradeplaats af, was de weg over een grooten afstand met dicht kreupelhout omzoomd. Terwijl het rijtuig voortreed, zagen de voorrijders twee mannen aan den kant van den weg op een omgevallen boomstam zitten. Ze zagen er ruw en armoedig uit, waarschijnlijk kolenbranders of houthakkers; de eene, met een zwarten baard, hield een krant in de handen en las er blijkbaar uit voor, terwijl zijn kameraad, een man met een rooden baard, te luisteren scheen.

Toen de landauer tot op enkele passen van de mannen was genaderd, sprongen zij met verbluffende snelheid op, en men zag dat de roodbaard een revolver in de hand hield. Zijn wapen opheffend, richtte hij het op de Prinses en schoot het zoo snel af, dat de voorrijders zelfs den tijd misten om een kreet te uiten.

Elizabeth had niets van het dreigend gevaar bemerkt, daar ze met den Premier in een levendig gesprek was gewikkeld.

Een schot schoot een struisveer van haar hoed in stukken, een tweede kogel vloog zoo dicht langs haar slaap, dat de wenkbrauw licht geschroeid werd.

Daarna, als ontsteld over de stoutheid van hun daad, en vreezend door de huzaren achtervolgd en gegrepen te worden, keerden de twee mannen zich om, zonder de uitwerking van de schoten waar te nemen, en stortten zich in het kreupelhout, juist toen Zabern’s stem een donderend: “Vuur!” commandeerde.

Een twaalftal karabijnen brandde los—maar een seconde te laat.

Felix en Radzivil, die met den rug naar de paardenhadden gezeten, begrepen eerst nu wat er voorgevallen was.

“Prinses, is u gewond?” riep de Premier, die veel verschrikter was dan Elizabeth zelf.

“Neen,” antwoordde ze met een zwakke stem, maar glimlachend, “ze hebben me gemist.”

“Graaf Radzivil,” riep Felix, “blijf bij de Prinses, terwijl ik de schurken nazit!”

De verschrikte jockey’s hadden het rijtuig tot staan gebracht; Felix sprong er uit, juist toen Zabern met de huzaren kwam aangaloppeeren, getuigen van een daad die zij niet hadden kunnen verhoeden.

Bemerkend dat de boomen te dicht opeen stonden om de paarden door te laten, sprongen zij uit den zadel, en snelden Felix achterna, die nu in het kreupelhout was verdwenen. Onder de voorsten behoorden Zabern en Nikita.

Op vrij grooten afstand voor zich kreeg Felix de beide schurken in het oog; ze liepen achter elkaar, en telkens zag Felix ze als kangaroes in de hoogte springen—een omstandigheid waarvan hij spoedig de oorzaak begreep. Want toen hij zijn revolver al loopende op den achtersten man afvuurde, struikelde hij over een verborgen hindernis, en het schot ging de lucht in. Ofschoon duizelend van den val, sprong hij weer op, en zag de beide mannen achter de kromming van een nauw pad, dat ze nu volgden, verdwijnen. Nauwelijks had hij tien passen gedaan, of opnieuw stootte hij op een hindernis en sloeg hij tegen den grond.

De vluchtelingen hadden maatregelen genomen om hun terugtocht te verzekeren. Sterke ijzerdraden, oponregelmatige afstanden en te halver kniehoogte geplaatst, liepen van boom tot boom, en waren door het dichte struikgewas verborgen. Toen Felix dit begreep en ook kangaroe-sprongen begon te maken om over het ijzerdraad heen te komen, hadden de vluchtelingen al een ruimen voorsprong beet.

Even voorbij den laatsten draad splitste het pad zich in drieën, en de hier bijeen gekomen vervolgers stonden een oogenblik stil, om uit te maken welke richting zij kiezen zouden. Het scherpe oog van Zabern ontdekte een lichtkleurig voorwerp, dat eenige passen verder op het linkerpad lag. Het bleek een roode muts te zijn, die de man met den zwarten baard had gedragen, en die met een blikken plaatje, waarop ’t portret van den Czaar, versierd was.

“Dan dezen weg in!” riep Zabern.

Men zette de vervolging weer voort; het pad was zoo smal, dat men slechts achter elkaar loopen kon. De grond begon hoe langer hoe weeker en moerassiger te worden. Dat bracht Zabern tot staan.

“Er zijn hier geen voetsporen. We zijn op een verkeerden weg. Terug. De schurken hebben die muts opzettelijk hier neergegooid om ons te misleiden.”

Woedend over dit tijdverlies snelden zij terug naar het knooppunt, en terwijl Zabern met Felix en Nikita het rechter pad volgden, namen eenige huzaren, die door hun zware laarzen slechts langzaam vooruit gekomen waren, het middelste.

“Misschien hebben ze geen van deze paden gevolgd,” zei Felix onder ’t loopen, “en liggen ze ergens in ’t bosch verborgen.”

“Dat kan; maar laten we eerst de wegen afzoeken;daarna kunnen we nog altijd een cordon om het bosch trekken.”

“Maarschalk, zag u het gezicht van den man die vuurde?” vroeg Nikita.

“Niet duidelijk.”

“Russakoff, de spion—of ik heet geen Nikita.”

“Dat dacht ik eerst ook, maar Russakoff is veel grooter,” zei Felix. “Deze twee troffen me juist door hun korte gestalte.”

“Toch ben ik er zeker van!”

“Nu, wanneer we ze eenmaal hebben, dan zullen we wel zien wie gelijk heeft.”

Na enkele minuten kwamen ze uit op den grooten weg aan de andere zijde van het bosch. Een snelle blik naar rechts bracht Zabern in de hevigste woede.

Ver op den witten, stoffigen weg, die zich tot aan den horizon in een rechte lijn uitstrekte, waren drie zwarte voorwerpen zichtbaar, die elk oogenblik kleiner werden.

“Ontsnapt!” riep Zabern. “Kijk—daar zijn hoefslagen in de klei. Er was dus een handlanger die hen opwachtte. Binnen tien minuten zijn ze over de grens, en ik twijfel er niet aan of ze hebben goede Russische paspoorten.”

Hiermee was elke gedachte aan een verdere vervolging een dwaasheid geworden.

De nacht was gevallen.

Zoowel binnen als buiten de Kamer heerschte groote opgewondenheid. De wet-Lipski was langzamerhand een volkszaak geworden, zonder dat men recht wist waarom. De een koos partij er tegen, omdat hij de kloosters haatte, de ander er vóóromdat hij hetzelfde geloof beleed als de monniken. Deze was de wet gunstig gezind omdat ze geld inbracht, gene hoopte op haar val, omdat de Prinses er niet mee ingenomen was. En allen voelden instinctmatig, dat er iets achter deze wet schuilde.

Allerlei menschen stonden voor het kamergebouw opeen gepakt: Polen, Russen, Joden, Tartaren, Kozakken, Hongaren, Rumenen, Serviërs—maar uit een politiek oogpunt beschouwd waren er slechts twee partijen: Czernovisch- en anti-Czernovischgezinden. Neutralen waren er niet.

De opgewondenheid was zoo groot, dat Zabern’s rijtuig door kwaadwillige Russen werd bemoeilijkt, en door soldaten ontzet moest worden; hetgeen eenige verontwaardigde Polen aanleiding gaf, Lipski niet binnen te laten eer hij een flink pak slaag in ontvangst genomen had. Dit eenmaal begonnen spelletje werd algemeen voortgezet, zoodat een sterke militaire en politiemacht ontboden moest worden om de afgevaardigden gelegenheid te geven de Kamer te bereiken. Het voorplein werd door een cordon huzaren afgezet.

Het rumoer drong ook in de Vergaderzaal door, waar dien avond over de wet beslist zou worden. De vergadering was, wat niet dikwijls gebeurde, voltallig; rechts van de voorzitterstafel zaten de Ministeriëelen, links de Oppositie. Brunowski’s bel was voortdurend in beweging, want het debat had een zeer scherpen toon aangenomen.

Lipski beschuldigde het Ministerie boeven te hebben omgekocht om de leden van de Oppositie te beletten de Kamer te bereiken.

Zabern wees op zijn gehavende kleeren, en bracht spottend hulde aan het gepeupel, dat zijn gunsten onpartijdig over de beide zijden verdeeld had.

De Hertog van Bora, hoewel geen lid van de Regeering meer, was als afgevaardigde aanwezig, en had duidelijk zijn partijkeuze kenbaar gemaakt door een plaats naast Lipski in te nemen.

Lesko Lipski, afgevaardigde van Russograd, uitgever van het anti-ministeriëele nieuwsblad De Kolokol, leider van de oppositie, en ontwerper van de Klooster-Wet, wiens costuum volgens de laatste mode een beetje door de Polen gehavend was, keek rond met dien brutalen, uitdagenden glimlach, waarvan hij de uitsluitende bezitter was.

Er was in de Kamer die zenuwachtige spanning, welke voorafgaat aan alle beslissende oogenblikken, waarin een knagende onzekerheid opgeheven zal worden, en die te opmerkelijker was, daar toch eigenlijk iedereen, behalve Zabern, zich overtuigd hield dat de wet er door komen zou.

De moordaanslag, welke dien ochtend op de Prinses was gepleegd, had niet weinig bijgedragen tot de zenuwachtige spanning waarin men verkeerde. Haar populariteit, de sympathie, die de patriotten haar toedroegen, was er zeer door versterkt, en de oppositie had er een onrustig vermoeden uit geput, dat deze omstandigheid van invloed zou zijn op de stemmen der patriotten, die allicht, onder den indruk van het gebeurde, en wetend dat de Prinses om de een of andere onbekende reden de wet niet genegen was, zich zouden laten beïnvloeden om tegen hun eigen overtuiging in te stemmen. In elkgeval was men algemeen van oordeel, dat de Regeeringspartij sedert dien morgen zeer in kracht was toegenomen.

Een half uur vóor middernacht stond Zabern op om het debat ten gunste van het Kabinet te keeren.

Zijn opstaan was het sein tot een vijandige beweging van Russische zijde. Men was—al wilde men ’t niet bekennen—aan die zijde bang voor ’t geen hij zeggen ging. Niet dat de Maarschalk zulk een welsprekend redenaar was; integendeel. Hij had alle verachting van den soldaat voor veel praten en voor de “mannen van het woord,” zooals hij de afgevaardigden noemde; hij voelde meer voor een militair dictatoriaat dan voor een parlementaire wetgeving. Daarom werd zijn stem zelden in de Kamer gehoord; maaralshij sprak, was het kort, gebiedend en raak; en meermalen besliste hij over de twijfelaars te zijnen gunste. En het aantal twijfelaars was dezen avond groot.

In het eerst kon zelfs de donderende stem van Zabern zich niet verstaanbaar maken. Telkens als hij beproefde te spreken, gingen zijn woorden in het rumoer verloren, dat de oppositie in de plaats stelde van haar welsprekendheid, en dat voornamelijk in het stampen met voeten en het klapperen met lessenaars bestond.

Voor volle twee minuten bewoog Brunowski de bel, maar zonder eenig effect. Blijkbaar wilde de oppositie Zabern beletten aan het woord te komen.

Ten slotte gaf Brunowski een wenk aan een der boden, en bijna onmiddellijk daarop trad een afdeeling gewapende grenadiers binnen, waarvan er zich een achter den stoel van elken afgevaardigde opstelde. Een plotselinge stilte volgde. De President verklaarde nu,elkeen die de orde wilde verstoren onmiddellijk uit de zaal te zullen doen verwijderen. Dat hielp, want de oppositie begreep geen enkele stem te kunnen missen.

De Maarschalk begon nu met te zeggen, dat hij zich verplicht gevoelde eenigen uitleg te geven omtrent den aanslag, die heden morgen op de Prinses was gepleegd.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Lipski stond op.

“Meneer de voorzitter, ik protesteer. De Maarschalk is buiten de orde. Hij vermijdt het eigenlijke onderwerp van het debat.”

“De Maarschalk zal ongetwijfeld het verband duidelijk weten te maken,” antwoordde Brunowski.

“De Kamer zal begrijpen,” vervolgde Zabern, “waarom de geachte afgevaardigde den naam der Prinses buiten de discussie wenscht te houden. Wie is verantwoordelijk voor den moordaanslag? Niet de ellendige, wiens schot, gelukkig voor de Prinses en Czernovië, zijn doel miste. Neen, heeren, veroordeel dan den kogel of straf het pistool. De daders huizen elders. De ware daders zijn zij, die in woorden en geschriften verzet kweeken tegen de openbare macht en het hoofd van den Staat. En van die personen”—hier verhief Zabern donderend zijn stem—“is de afgevaardigde voor Russograd het hoofd!”

Lipski vloog op.

“Meneer de President, moet ik hier blijven zitten, en me moordenaar laten noemen zonder te mogen protesteeren?”

“Zeker niet. De Maarschalk moet zijn beschuldiging intrekken, of—bewijzen.”

“Het bewijs volgt. De twee ellendelingen, die opde Prinses schoten, zaten vóor den aanslag aan den weg, een krant lezend, waaruit zij blijkbaar de goedkeuring van hun daad putten. Ik zie den uitgever van dat blad al onrustig worden, want de naam ervan is de Kolokol. De moordenaars waren ijverige bestudeerders van de Kolokol, en in den uitgever zagen ze blijkbaar een groot politiek leider.”

“Waarom?” riep de Hertog.

“Om de volgende reden,” antwoordde Zabern, een vuil exemplaar van de Kolokol te voorschijn halend. “Hier is het blad dat de mannen op hun vlucht lieten liggen. Het bevat een artikel getiteld: “Harmodius de Patriot”, en in margine zijn potloodaanteekeningen gemaakt als: “Goed zoo!”—“Zeer waar!”—ja, zelfs staat er in slecht Russisch: “Dood aan de Prinses!””

Zabern hield de krant voor zich uit, om die de vergadering te laten zien.

“Ik behoef de Kamer er wel niet aan te herinneren, dat Harmodius een Griek was, die den regeerder van Athene vermoordde en voor die daad door zijn medeburgers als een goed patriot werd geëerd. Waarom publiceert een uitgever, in plaats van de politieke gebeurtenissen van den dag, een artikel over een voorval dat meer dan drie-en-twintig eeuwen oud is? Omdat hij de leer wenscht te verkondigen, dat het ook heden een goede daad kan zijn het hoofd van een Staat te vermoorden.”

“Ik protesteer tegen die uitlegging!” riep Lipski.

“Ten minste twee van uw lezers zijn ’t met me eens, en hebben uw wenken in practijk gebracht. Ge ziet nu het effect van uw onderwijs in politiek;neem nu ook de verantwoordelijkheid voor uw uitingen op u. Ik zal de vrijheid nemen uw artikel voor te lezen.”

Zabern deed dit, en toen hij geëindigd had, ging er een storm van verontwaardiging op bij de rechterzijde, terwijl de linker een norsch stilzwijgen bewaarde.

“We weten allen, dat de Prinses steeds sterk geijverd heeft voor de instandhouding van de vrijheid der Pers. Dit artikel bewijst hoe men die ruimheid van opvatting weet te waardeeren! Zoo, mijne heeren, zijn de gevoelens, zoo is het karakter van den afgevaardigde van Russograd. En die aanprijzer van den vorstenmoord durft de goedkeuring op een wetsvoorstel inroepen van mannen van eer, van onvervalschte Czernoviërs, die hun Vorstin getrouw zijn tot in den dood! Zult ge voor deze wet stemmen? Nooit! Al was ze het fraaiste voorbeeld van wetgeving dat ooit het vernuft van een staatsman schiep! Wie kan den man scheiden van zijn voorstel? Elke stem ten gunste van zijn wet, is een stem ten gunste van den vorstenmoord. Laten zij, die zich verheugen in de redding der Prinses, hun sympathie toonen door een wet te verwerpen die haar gevoelens kwetst.”

En nu had een dramatisch tableau plaats, dat door den handigen Zabern was voorbereid.

Een kleine deur rechts van den voorzittersstoel ging open, en Elizabeth kwam de zaal binnen, tot groote verbazing der aanwezigen, die eerst dachten dat zij de Kamer wilde ontbinden.

Brunowski bood dadelijk zijn stoel aan, doch de Prinses, wier bekoorlijke verschijning een liefelijketegenstelling vormde bij de booze gezichten der afgevaardigden, bleef staan. Een oogenblik waren allen, zonder uitzondering, onder den indruk van haar stralende schoonheid. Toen zag men opeens met verwondering dat de Prinses, als door een plotselinge ingeving geleid, haar hoed losmaakte en dien naast zich legde.

Brunowski maakte een beweging als wilde hij dit voorkomen.

“Vergeef me, meneer de Voorzitter,” sprak Elizabeth, “maar zooals ik zie brengen de gebruiken der Kamer mee, dat hier slechtseenpersoon het hoofd gedekt zal houden.”

Aller blikken wendden zich naar Lipski, die, terwijl alle afgevaardigden met ontbloot hoofd waren opgestaan, met z’n hoed op was blijven zitten.

Hij had geen tijd lang van zijn lompheid te genieten. Zabern, alleetiquettevergetend, liep dwars door de zaal op Lipski toe. Een seconde daarna lag Lipski’s hoofddeksel tien meter hooger op de galerij.

“Meneer de President,” zei Radzivil, “ik stel voor den afgevaardigde van Russograd het bijwonen der zitting voor den verderen duur te ontzeggen.”

“O neen, Graaf,” viel Elizabeth hem in de rede. “Laat men ons niet kunnen verwijten dat wij een afgevaardigde van zijn stem beroofden.”

Toen de bel van den Voorzitter de toejuichingen had onderdrukt, die deze opmerking te weeg had gebracht, begon Elizabeth de reden van haar aanwezigheid in deze vergadering te verklaren.

“Meneer de President, Heeren Ministers en Afgevaardigden,”sprak ze met zelf beheersching en waardigheid, “het is waar dat de Prinses zich niet behoort te mengen in de aangelegenheden der Kamer, maar eenvoudig de besluiten der meerderheid heeft te aanvaarden. Doch, Heeren, uw Prinses is geen automaat, maar een menschelijk wezen met menschelijke gevoelens. Die gevoelens zijn door de kloosterwet zeer in beroering gebracht; ik aarzel niet dit te bekennen.”

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen:

“Ik zal steeds overeenkomstig mijn eed handelen. Wordt de wet aangenomen, dan zal ik er mijn handteekening niet aan onthouden.”

De Linkerzijde juichte.

“Maar ik vertrouw, dat de Kamer de wetnietzal aannemen.”

Sensatie.

“Wanneer mijn gevoelens eenigen invloed op uw meening kunnen hebben, dan doe ik een beroep op uw aller medewerking—tot welke partij ge behoort—om de wet te verwerpen.”

Met deze woorden boog ze naar beide zijden, en verliet de kamer te midden van geestdriftige kreten: “Leve de Prinses!”

De ridderlijkheid van het meerendeel der leden was opgewekt. Wat de Oppositie had willen bereiken, was door twee pistoolschoten en door het beroep der Prinses verijdeld.

Zabern triomfeerde.

Zoodra de President zijn zetel weer had ingenomen, zette de Maarschalk zijn rede voort.

“De Prinses heeft het tot een persoonlijke kwestie tusschen haar en Lipski gemaakt. Welnu, mijneheeren, ge hebt de Prinses gezien, en—ge ziet Lipski,” vervolgde hij, op dien afgevaardigde wijzend, die een treurig figuur maakte in dat oogenblik. “Zal iemand nog twijfelen voor wie hij stemmen gaat?”

Het was middernacht.

Te midden van een onbeschrijflijke opwinding kondigde Brunowski de stemming aan.

“Ik stel een gesloten stemming voor,” zei Zabern.

“Ik ben er tegen!” riep Bora.

De President bracht dit punt in omvraag, met het gevolg, dat Zabern zijn zin kreeg. Hij begreep dat hem dit eenige stemmen in zijn voordeel zou geven, want het goud van Orloff had enkele twijfelaars onder de Czernoviërs omgekocht, en onder het toezicht van Lipski en Bora zouden ze het bij een openlijke stemming nooit gewaagd hebben hun lastgever te verloochenen.

In de Slavowitzsche Kamer werden zoogenaamde gesloten stemmingen door middel van zwarte en witte schijven gehouden, waarvan elk lid er een in zijn lessenaar had. Zwart diende om tegen, wit om vóor te stemmen.

Met den gekozen schijf in de gesloten hand ging nu ieder afgevaardigde langs de tafel van den President, en gedurende eenige oogenblikken hoorde men slechts den metalen klank waarmee de schijven in een bronzen urn vielen. Telkens wanneer iemand op die manier gestemd had, werd zijn naam opgeschreven, zoodat ten slotte het aantal schijven met het aantal namen moest overeenstemmen.

“Honderdtwintig leden hebben gestemd,” zei de griffier die de namen had aangeteekend. Dit was hetgrootste aantal, ooit bij een stemming verkregen.

De vraag was nu, hoe er gestemd was?

Op een teeken van den President werd de inhoud van den urn langzaam op het roode tafelkleed uitgestort.

In hun opwinding verdrongen de leden zich om de tafel, in gespannen verwachting omtrent den uitslag.

Op het voorplein was de beweging toegenomen. Een groote opschudding had het bericht veroorzaakt, dat de Prinses in de vergadering was geweest. Men wist elkaar te vertellen, dat zij met tranen in de oogen voor de afgevaardigden op de knieën was gevallen, en dat Zabern met een sabel in de hand door de zaal had geloopen, dreigend iedereen den hals af te snijden die niet tegen de wet stemde.

Aller oogen waren op de groote vleugeldeuren gericht, vanwaar uit een schitterend licht het plein overstroomde.

Tien minuten na middernacht ontstond er een beweging bij de trap die naar den ingang leidde; een bode van de Kamer kwam naar buiten, met een papier in de hand, waarop de uitslag van de stemming geschreven stond. Toen hij de hand ophief, werd het volkomen stil. Geen beweging, geen woord, geen ademhaling.

“Er zijn uitgebracht 120 stemmen. Daarvan zijn er 39 voor, en 81 tegen. De wet is dus verworpen met een meerderheid van 42 stemmen.”

Deze publicatie werd door een oogenblik van verbaasd stilzwijgen gevolgd. De patriotten konden niet gelooven in zulk een overwinning, de Russischgezinden niet in zulk een nederlaag. Maar toen men Zabernnaar buiten zag treden, wien zijn aanhangers gelukwenschend de hand drukten, was er geen twijfelen meer mogelijk, en nu ontstond een geweldig tumult. De beide partijen wilden elkaar te lijf, en het plein moest door de huzaren worden schoongeveegd.

Ook binnen het Kamergebouw was de opwinding groot. Lipski en de zijnen waren geheel verslagen en de eerste beklaagde zich vooral de kolossale sommen die besteed waren om de patriotten om te koopen.

Na het besluit genomen te hebben dat de militaire bewaking der kloosters werd opgeheven, gingen ook de laatste afgevaardigden heen.

In een kleine kamer, grenzend aan de vergaderzaal, zat Elizabeth, omringd door haar Ministers.

“Een aantal van 81 stemmen! Meer dan twee-derden! Welk een triomf!” zei ze, stralend van vreugde.

“Ons geheim is veilig,” zei Radzivil, “Kossuth krijgt zijn geld.”

“Weer een nederlaag voor Rusland,” zei Zabern. “Wat zal Orloff zijn roebels betreuren!”

Door een van de gangen gaande, ontmoette Zabern den Hertog van Bora.

Deze Minister had eindelijk het masker afgeworpen, maar de gelegenheid was hem niet gunstig geweest. In de hoop op een nederlaag van het Kabinet, had hij openlijk partij gekozen voor de oppositie, en zich naast Lipski gezet, alleen om des te meer van zijn triomf te genieten. Men kan begrijpen met welk een uitdrukking hij Zabern’s glimlach beantwoordde.

“U schijnt niet in zoo’n vroolijke stemming te zijn als de vorige week op het terras,” zei Zabern. “Mag ik deze gelegenheid waarnemen om u mijn vorderingvan tienduizend roebels aan te bieden? Het is een heele som, maar ik zal ze zonder wroeging aannemen, omdat ik weet dat het Orloff-fonds u wel zal schadeloos stellen.”

Inwendig woedend, maar zonder iets te zeggen, schreef de Hertog onwillig een cheque voor het benoodigd bedrag.

“Een onvoorziene omstandigheid heeft u uw weddenschap doen winnen,” zei hij kort.

“Ja, ’t was een heel—eh—onvoorziene omstandigheid,” zei Zabern, terwijl hij met de cheque in den zak wegging.

Toen de straten tot hun rust waren teruggekeerd reed Elizabeth, vergezeld door Felix, die op de galerij de zitting had bijgewoond, naar het Paleis terug. Daar vonden ze Zabern, in gezelschap van Rob, die reeds in zijn nieuwe functie aan de Prinses was voorgesteld. De Prinses noodigde de drie mannen uit, ondanks het late uur, nog een oogenblik in de Witte Zaal te verwijlen; zij voelde behoefte, zeide ze, haar drie trouwe onderdanen nog eens dank te zeggen voor wat ze hun verschuldigd was.

“Dat pistoolschot had goede gevolgen, Maarschalk,” merkte ze op. “Ik had nooit gedacht dat een moordaanslag zoo nuttig kon zijn, en ik zou in staat zijn de moordenaars vergiffenis te schenken.”

“Dan zult Uwe Hoogheid daartoe de gelegenheid hebben,” antwoordde Zabern, “want de dader is in de kamer hiernaast.”

Hij stampte driemaal met den voet op den grond. Een deur ging open, en Katina Ludovska kwambinnen met haar zuster Juliska. Ze gingen eenigszins beschroomd op de Prinses toe en knielden voor deze neer, totdat zij verzocht werden op te staan. Zij waren beiden geen vreemden voor Elizabeth, die haar dikwijls in de schermzaal had zien oefenen. Voor de verwonderde Prinses begreep wat dit te beteekenen had, zei Zabern, op Katina wijzend:

“Deze man met den rooden baard vraagt Uwe Hoogheid vergiffenis, dat zij zonder toestemming op U geschoten heeft.”

“Verklaar dat nader,” zei de Prinses, hoog, en met een blik die zelfs de onvervaarde Katina deed terugdeinzen.

“Zij handelde,” vervolgde Zabern kalm, “op bevel van den Maarschalk Zabern. Het was noodig, dat Uw populariteit, Prinses, vandaag sterker dan ooit werd gevoeld, als voorbereiding tot Uw optreden in de Kamer zooals ik dat hedennamiddag met U vaststelde. Daarom besloot ik dat er een moordaanslag op U geschieden zou. En met scherpe patronen, die U slechts een haarbreedte zouden missen. Aan den doffen knal van een losse patroon zou men de list hebben herkend.”

“Maar Maarschalk,” riep de Prinses, nog half verontwaardigd, “dat was een zeer gevaarlijk spel!”

“Niet in ’t minst,” antwoordde Zabern. “Ik wist dat Katina Ludovska, de beste schutter van ons land, den kogel leiden zou waarheen ze wilde.”

“Maar dat neemt niet weg,” zei de Prinses, ontsteld over zulk een roekeloosheid, “dat het een gevaarlijke proef was. In zulke dingen heeft toch zelfs de beste schutter zich nooit geoefend!”

“Het spijt mij, Hoogheid, dat U voor de eerste maal Uw vertrouwen in mij blijkt te missen,” zei Zabern, nog steeds onverstoord. “Katina had zich onder mijn leiding herhaaldelijk in dit schot geoefend. Haar zuster Juliska reed haar in de troïka voorbij, en zes achtereenvolgende malen schoot Katina haar op tien pas een kogel door de veeren van haar hoed, en een tweede langs haar slapen. Wanneer ik in aanmerking neem, dat Uwe Hoogheid het geheel aan mij had overgelaten, den val der kloosterwet te bewerken, en dat noch U, noch ik eenig ander middel wisten te vinden—dan meen ik mij als volkomen verantwoord te mogen beschouwen.”

Bij de herinnering aan den schrik van dien morgen, was Elizabeth’s eerste gewaarwording van verbazing in toorn overgegaan; maar bij de gedachte dat welbeschouwd alles ten beste gekeerd was, keerde haar kalmte en de vriendelijke uitdrukking op haar gelaat terug.

“Ge speelde een even roekeloos spel met uw levens als met het mijne,” zei ze tot Katina en haar zuster. “Wanneer de huzaren u geraakt hadden?”

“Nikita was in het complot, Hoogheid,” zei Zabern. “Hij had hun patronen uitgereikt, die ik voor deze gelegenheid had doen vervaardigen, en waarvan de kogel na het schot versplintert. Maar ik beken, dat ik lust had uw Secretaris een sabelhouw te geven toen ik hem zijn revolver zag aanleggen. Gelukkig struikelde hij juist.”

“Ik dacht weinig dat ik op Katina aanlegde,” glimlachte Felix, “en ik ben dankbaar dat ze niet terugschoot. Dus Nikita was in het complot? En hijbeweerde in een van de twee Russakoff te herkennen?”

“Maar u zag hem niet lachen achter uw rug!”

“En die roode muts...”

“Was opzettelijk op den verkeerden weg geworpen.”

“En die aanteekeningen op de Kolokol...”

“Waren van mijn hand.”

Felix vroeg niet verder. Evenals Rob vervulde hem een gevoel van treurigheid bij de gedachte, dat door zulke middelen het land gered en de Vorstin hoog gehouden moesten worden. Waar de macht alleen gesteund en gevoed kon worden door list en geweld, daar was de grondslag, waarop die macht beruste, wrak en wankelbaar. Tijdelijk zou zulk een toestand kunnen behouden worden, maar op den duur beteekende hij bederf en ondergang. En opnieuw kwam den beiden vrienden een toekomst voor den geest, waarin dit alles niet meer noodig zou zijn.

Ook Elizabeth voelde de tragische grootheid van een man als Zabern.

“Maar Maarschalk,” zei ze ernstig, “u hebt me in een scheeve positie gebracht, door mij tegenover de Kamer als het ontsnapte slachtoffer van een moordaanslag voor te stellen. Bovendien hebt u getracht Lipski in verband te brengen met een daad, waar hij geheel buiten stond. Is dat te verantwoorden?”

“Prinses,” zei Zabern koel, “in gevallen als deze vraagt een staatsman niet naar verantwoording.Het moest.Ik had moreele bezwaren kunnen hebben—maar dan had ik U en Czernovië opgeofferd. Ik zal hem bewonderen, die een anderen uitweg wist aan te geven. Het oordeel over mijn daden laat ik aan de geschiedenis over.”

Er was een pijnlijke stilte. Allen begrepen, dat het gemakkelijker was de daden van dezen man te beoordeelen, dan in zijn plaats te moeten handelen.

Na eenige oogenblikken vervolgde Zabern, nu op zijn oude, luchtige manier:

“Wanneer Lipski het niet voor deze maal verdiend heeft, dan heeft hij het voor een ander maal. Onlangs heb ik een leeg huis door mijn spionnen doen onderzoeken, dat aan dat van Lipski grenst. Zij braken eenige steenen uit den tusschenmuur die de kelders scheidt—ik verzeker u dat er onder Lipski’s woning ruim tienduizend klein-kaliber geweren liggen. Dat is óok verborgen materiaal! Maar voor een verraderlijken en oneerlijken strijd. Reken er op, dat Russograd zich den 14enSeptember daarmee wapenen zal.”


Back to IndexNext