“Den vooravond van mijn kroning!” riep Elizabeth met een verschrikte beweging.
“Juist. Ik weet door spionnen dat men een gewapenden opstand tegen dien datum voorbereidt. Maar ook ditmaal heb ik hoop op een goeden afloop. Mijn plan is al gemaakt. Op Lipski en zijn geweren houd ik het oog.”
“Ik laat ook dit aan uw zorg over.”
“En Uwe Hoogheid vergeeft die kleine aardigheid van den moordaanslag?”
Elizabeth stak den Maarschalk met een glimlach de hand toe.
“Zonder uw zorg, Maarschalk, zouden we niets kunnen.”
Het was twee uur in den nacht, en het gezelschap scheidde.
Maar Zabern, de onvermoeibare, zette zich aan zijn schrijftafel. Wederom was zijn brief aan Boris Ludovski gericht.
“Waarde Boris,“Ik heb u een verblijdend bericht te melden. Zooeven heeft mijn agent in Warschau mij bericht, dat het hem na de grootste moeite gelukt is, van uw in beslag genomen bezittingen tienduizend roebels vrij te maken. Ik zend ze u hierbij, hopende de in mijn vorig schrijven bedoelde familiepapieren spoedig te doen volgen.“In gedachten drukt u de hand uw toekomstige schoonzoon en oude vriendLadislas Zabern.”
“Waarde Boris,
“Ik heb u een verblijdend bericht te melden. Zooeven heeft mijn agent in Warschau mij bericht, dat het hem na de grootste moeite gelukt is, van uw in beslag genomen bezittingen tienduizend roebels vrij te maken. Ik zend ze u hierbij, hopende de in mijn vorig schrijven bedoelde familiepapieren spoedig te doen volgen.
“In gedachten drukt u de hand uw toekomstige schoonzoon en oude vriend
Ladislas Zabern.”
Reeds vroeg in den morgen had de Maarschalk Bora’s cheque aan de Czernovische Bank ingewisseld, en een uur daarna had Nikita bovenstaand schrijven met zijn kostbare bijlage veilig aan Ludovski overgebracht.
Felix wordt uit Czernovië verbannen.—Hij gaat, maar hij zal terugkomen!—Zes Turksche krijgsgevangenen in het studeervertrek van Zabern.—Rob verdwijnt.—Ravenski komt met nieuwe bedreigingen.—De Czaar staat aan de grens!
Felix wordt uit Czernovië verbannen.—Hij gaat, maar hij zal terugkomen!—Zes Turksche krijgsgevangenen in het studeervertrek van Zabern.—Rob verdwijnt.—Ravenski komt met nieuwe bedreigingen.—De Czaar staat aan de grens!
Eenige weken na deze gebeurtenissen liep Felix op een laat uur door de Paleis-tuinen, niet met het doel Elizabeth te ontmoeten, maar aangetrokken door de schoonheid van het maanlicht.
Hij zat eenzaam aan den oever van een met boomen omzoomden vijver, peinzend over de eigenaardige, romantische wending die zijn leven genomen had.
Maar nog iets anders hield zijn gedachten bezig, een raadselachtige zaak, die ’t hem onmogelijk was te ontwarren.
Nog slechts enkele minuten geleden had Rob hem verlaten, na hem een mededeeling te hebben gedaan, waarvan hij de beteekenis vergeefs trachtte te vatten.
Rob was bij hem gekomen met een uitdrukking van vreugde op het gelaat.
“Ik heb een plan ontworpen,” zei hij, “zóo gewaagd, dat ik zelf aan de mogelijkheid der uitvoering twijfel.Maar ik zal ’t beproeven. Gelukt het, dan kan de redding van Czernovië er ’t gevolg van zijn.”
Natuurlijk had Felix op een nadere verklaring aangedrongen, maar Rob had deze geweigerd.
“Ik wil je mijn plan niet zeggen, omdat ik zeker weet dat je ’t me dan zult afraden, uit vrees dat ik mijn leven te zeer bloot stel. En ook, omdat je dan zelf deel er aan zult willen nemen. Het is veel beter dat jij hier blijft, waar je van nut kunt zijn, en dat slechts een van ons beiden zich in de waagschaal stelt. Ik kan gemist worden—jij niet.”
Op alle verdere verzoeken van Felix had hij slechts geantwoord:
“Ontneem me deze gelegenheid niet om je te vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Morgen verdwijn ik uit Slavowitz. Niemand weet van mijn vertrek, ook Zabern niet. Ik zal hem alleen een schrijven achterlaten, waarin ik hem verzoek, mijn heengaan den schijn van een diplomatieke zending op zijn last te geven. Dan zal men zich niet verwonderen, of argwaan krijgen over mijn vertrek. Geloof me, het is beter dat niemand mijn geheim weet, dan behoef ik ook niemand teleur te stellen als het plan mislukt.”
Met deze woorden was Rob heengegaan, Felix verbaasd en ongerust achterlatend.
Een plotseling geritsel in de struiken maakte een einde aan Felix’ overpeinzingen, en, opziend, zag hij Elizabeth naast zich staan.
Ze was in een opgewonden stemming, en haar eerste woorden waren:
“Felix—laten we Czernovië verlaten, nog dezen avond, nu dadelijk! Neem me met je mee.”
Een oogenblik twijfelde Felix of hij goed verstaan had; toen vroeg hij:
“Wat is er gebeurd, dat je tot zulk een dwaasheid zou brengen?”
“Er blijft ons niet anders over. Hoor wat er vanavond in den Ministerraad is besproken. Ravenski deed de vraag, of het waar was dat ik den Hertog van Bora medegedeeld had hem nooit te zullen huwen. Natuurlijk diende Ravenski als spreekbuis van den Hertog. Zabern en ik waren op deze vraag voorbereid, zooals te begrijpen is, en ik antwoordde dan ook onomwonden, dat het waar was, er bijvoegend dat dit overigens een zaak was die mij alleen aanging, omdat ik wel verplicht was Rusland’s toestemming voor een huwelijk in te roepen, doch niet gedwongen kon worden tegen mijn zin te huwen. Daarop volgde de vraag, waarop we geheel niet voorbereid waren, en die ons dan ook zeer verraste: of ik me zou willen verklaren omtrent mijn verhouding tot mijn Particulieren Secretaris. Een oogenblik was ik van zins de vraag hooghartig af te wijzen, maar nu ze eenmaal gesteld was, nu ik voelde dat deze vraag door een afwijzend antwoord niet meer terug te dringen was, integendeel Czernovië als een loopend vuur zou doorkruisen—nu verklaarde ik, voor ik ’t eigenlijk zelf besefte, dat ik van zins was mijn Secretaris tot Prins-Gemaal te verheffen—met of zonder toestemming van den Czaar.”
“En wat voor indruk maakte dat?” vroeg Felix, in een oogenblik de talrijke en gewichtige gevolgen overziend die Elizabeth’s antwoord meebracht.
“Radzivil en Dorislas keken elkaar aan alsof ze zeggen wilden, dat ze dit wel gedacht hadden, deoverigen vonden blijkbaar mijn voornemen zeer bedenkelijk; Zabern zweeg en vond ’t dus waarschijnlijk beter voorloopig zijn persoonlijke opinie ondergeschikt te maken aan de algemeene.”
“En die algemeene opinie was?”
“Dat er van een huwelijk tusschen jou en mij nooit sprake kan zijn. Meer nog: men drong er op aan dat je onmiddellijk Czernovië verlaten zou. Ik wilde dit weigeren, maar Zabern gaf me een teeken om toe te geven. En, als altijd me aan zijn wil onderwerpend, beloofde ik op mijn woord dat je binnen vier-en-twintig uur vertrekken zou. Maar toen ik ’t gezegd had, schrok ik voor mijn eigen woorden terug. Ik besloot je te vergezellen als je heen ging—dat kan niemand me verbieden. Ik zal nooit afstand van je doen. Je bent me meer waard dan een vorstinnekroon, ja dan mijn leven. Laten we vluchten Felix, ik smeek het je, laten we Czernovië aan zijn lot overlaten....”
Felix zag, dat ze haar zelfbeheersching geheel verloren had. De zelfbewuste Prinses, die zooveel gevaren moedig onder de oogen had gezien, was veranderd in een smeekende, van ontroering en angst trillende vrouw, wier oogen vol tranen stonden. Hij trachtte haar tot kalmte te brengen, haar de dwaasheid van haar besluit te doen inzien.
“Als je je woord hebt gegeven dat ik vertrekken zal—dan moet ik gaan, en... alleen.”
“Zonder mij?” riep Elizabeth. “Wil je daarmee zeggen dat we voor altijd scheiden moeten?”
“Neen, dat nooit. Maar we moeten elkaar tijdelijk vaarwel zeggen. Ik ga, maar jij moet blijven. Bedenkdat je als Vorstin niet aan je zelf, maar aan je volk toebehoort. Als je Czernovië verlaat, geef je den Hertog de kroon, die hij door list en verraad tracht te bemeesteren. Laat dien verrader niet slagen. Geef je vaderland niet over aan zijn tirannie. Dat staat gelijk met de totale triomf van Rusland.”
“Die is toch niet ver meer,” zei Elizabeth bitter. “Onze gezanten te Berlijn en te Weenen meldden ons, dat Rusland door Oostenrijk en Duitschland is gevolmachtigd naar eigen inzichten met Czernovië te handelen. De annexatie staat voor de deur.”
Opeens vormde zich een plan in Felix’ hoofd. Misschien kon deze onverwachte verbanning hem van nut zijn. De raadselachtige woorden die Rob dezen avond gesproken had, kwamen hem te binnen, en het was hem of het besluit, waarbij hem het verblijf in Czernovië ontzegd werd, in verband met die woorden een bizondere beteekenis kreeg. Hij was immers verantwoordelijk voor zijn jongen vriend: hij zou hem niet alleen laten gaan. Ook tegen Rob’s wil zou hij hem vergezellen.
“Toch zal ik gaan,” sprak hij. “Er is een kans, dat Czernovië de Russische wapenen nooit meer te vreezen zal hebben. Die kans is gering, maar beter te wagen en te mislukken, dan nooit iets te wagen. Lukt het plan, waarop ik doel, dan zal het Ministerie me bij terugkomst misschien met vriendelijker oogen aanzien.”
Hij gaat, maar hij zal terugkomen! (pag. 369.)Hij gaat, maar hij zal terugkomen! (pag. 369.)
Hij gaat, maar hij zal terugkomen! (pag. 369.)
Hij gaat, maar hij zal terugkomen! (pag. 369.)
Ofschoon Felix zich niet nader over zijn plan wilde uitlaten, toonde hij zooveel vertrouwen in de toekomst, dat Elizabeth ten slotte voor zijn aandrang bezweek en beloofde in zijn wil te zullen berusten.
Nog langen tijd zaten ze bijeen, geen van beiden den moed voelend tot de scheiding. Maar eindelijk scheurde Felix zich los, en met een hoopvol: “tot weerziens” verliet hij Elizabeth, om zich in zijn kamer in het Paleis voor zijn vertrek gereed te maken.
In de vestibule ontmoette hij Zabern, die hem vroeg:
“Dus gaat ge Czernovië verlaten?”
“Het Ministerie wenscht het.”
“Maar ge moet terugkomen.”
“Wanneer?”
“Op den vooravond der kroning.”
“Waarom op dien dag?”
Zabern keek voorzichtig om zich heen, en fluisterde daarna Felix iets in ’t oor.
“Is dat dus het plan van den Hertog?” vroeg deze verrast.
“Dat is het. En gij alleen kunt het verijdelen. Dus ge zult er zijn?”
“U kunt op mij rekenen, Maarschalk.”
“Goed. Ik verzeker u—wijzullen het laatst lachen. Nog éen ding. Kom morgenochtend, voor ge vertrekt, in mijn studeerkamer.”
Felix beloofde te komen, en zocht zijn kamer op, waar hij, na zijn koffer te hebben gepakt, vermoeid in slaap viel.
Den volgenden morgen vond Felix Zabern en Rob in het studeervertrek van den Maarschalk.
“Vóor dat ge vertrekt, meneer de Secretaris,” zei Zabern, “wilde ik u nog een verrassing bereiden. U moet weten dat ik sedert eenige weken in drukke correspondentie ben met het Turksch Ministerie van BuitenlandscheZaken, en wel over de volgende kwestie. Men heeft bij Midia, in het begin van den Dardanellen-Oorlog, acht Engelsche krijgsgevangenen gemaakt, die met een luchtballon aan de kust waren neergedaald en die men voor spionnen hield.”
Felix hield met moeite een uitroep van verrassing binnen, en zag Rob aan, wiens gezicht echter onbewegelijk bleef.
“Ik sprak van Engelsche gevangenen,” vervolgde Zabern, “maar het schijnt dat het met de opgave der nationaliteit, welke de gevangenen deden, niet in den haak was. Twee hunner, over wie straks nader, herkregen hun vrijheid, maar de andere zes, wier papieren op Engelsche afkomst wezen, hield men in bewaring. Den eersten tijd, toen de oorlog de handen vol gaf, bekommerde men zich weinig om het zestal; later echter, toen er tusschen de Engelsche en Turksche Gouvernementen over uitwisseling van krijgsgevangenen werd onderhandeld, bood men de zes genoemde personen aan in ruil voor den Turkschen generaal Ben Ali Pacha. Toen bleek, dat de Engelsche papieren niet in orde waren en toebehoord hadden aan reeds lang overleden Engelschen. De gevangenen vielen door de mand, en bekenden Hollanders te zijn. Ook deze bewering bleek bij onderzoek onjuist; daar men echter de zes mannen, met wie men eigenlijk geen raad wist, kwijt wilde zijn, werd het onderzoek naar hun herkomst nader voortgezet. Het lag voor de hand, dat men ook in Czernovië informeerde, omdat dit een Hollandsch-sprekende bevolking heeft. Door een toeval werd het schrijven van den Turkschen Minister, bij afwezigheid van onzen Minister van BuitenlandscheZaken, aan mij ter afdoening in handen gegeven. Ik zou misschien zooveel beteekenis niet aan de zaak hebben gegeven, als niet het Turksche schrijven ook sprak van de twee mannen, die in vrijheid gesteld waren omdat hun papieren in orde waren en zij Hollanders bleken te zijn. Hun signalement paste volkomen op u beiden. Ge begrijpt dat mijn lust tot naspeuren en spionneeren hier een ruim veld vond.”
Zabern zweeg een oogenblik, en vermeide zich in de verbazing van Felix, die een poging deed om het geval te verklaren.
“Doe geen moeite, waarde Van Stralen,” zei Zabern lachend, Felix nu bij zijn waren naam noemend, “ik ben reeds volkomen ingelicht. Mijn jeugdige Secretaris”—op Rob wijzend—“heeft geen geheimen voor me; hij meende me uw geschiedenis in haar geheel te moeten vertellen, en ik geloof dat hij daar goed aan gedaan heeft.”
“Ik geloof het ook, Maarschalk,” zei Felix. “U hebt ons zoo dikwijls uw vertrouwen getoond, wij willen nu ook u de bewijzen van het onze geven.”
“U begrijpt,” ging Zabern voort, “dat veel mij nu duidelijker is geworden. Ook waarom u zulk een goed Czernoviër bent geworden. En u zult het met me eens zijn, dat deze ontdekking van grooten invloed op de hangende gebeurtenissen kan zijn. U hadt gelijk met tot nog toe de geheele geschiedenis geheim te houden; in uw tegenwoordig karakter kunt u de belangen van den Staat ongetwijfeld het beste dienen. Nu het echter tusschen u en den Czaar een kwestie is geworden om het bezit van de Prinses, zal het een groote factor in uw belang zijn, wanneer het patriottisch gedeelte der bevolkingop het beslissend oogenblik in u den kleinzoon van den stichter der Republiek herkent, en den rechtmatigen regeerings-pretendent, en als ’t weet dat uw verloving met de Prinses reeds van uw jeugd dateert. Dit alles versterkt nog mijn hoop op de toekomst. Maar nu moet ik u nog vertellen hoe het met uw zes vrienden is gegaan. Mijn Secretaris verzocht me hun invrijheidstelling tot elken prijs te bewerken. Met behulp van officiëele papieren—het papier is geduldig onder Zabern’s hand!—bewees ik dat de Turksche krijgsgevangenen Czernovische onderdanen waren, en verzocht daarom hun uitlevering. Deze werd toegestaan.”
Zabern klapte in de handen, een deur ging open, en—daar traden ze binnen! La, Lo, Mu, Naf, Nef en Nof!
Men kan zich de vreugde van het weerzien voorstellen. Men drukte elkaar wederzijds de hand, vertelde honderd uit, en moest ten slotte door Zabern tot rede gebracht worden, die er op wees dat het reeds naar den middag liep.
La was de eerste, die aangaf wat er nu te doen stond. Hij wist dat Felix weer voor eenigen tijd afscheid moest nemen, en was van oordeel dat deze zelf het best kon beoordeelen hoe en waar hij dien tijd wilde doorbrengen, zoodat hij geheel vrij moest blijven in zijn handelingen. Wat hemzelf en zijn vijf lotgenooten betrof, hun bestemming was als vanzelf aangewezen. Ze zouden zoo spoedig mogelijk en met de snelste vervoermiddelen hun schuilplaats in de Himalaya opzoeken. Daar zou hun eenige en onverpoosde arbeid zijn: het vervaardigen van een nieuwen, maar nog machtiger en vernuftiger ingerichten “Vogel”!
Opnieuw bewonderde Rob de energie en het idealisme van La, die na al zijn teleurstellingen opnieuw zichzelf,zijn kennis en zijn fortuin in dienst van de wetenschap en het vaderland stelde. Ja, met zulke mannen kon een land tot bloei gebracht worden; hij voelde het: de terugkeer van La en zijn metgezellen beteekende de terugkeer van Czernovië’s bloei en grootheid, met hen zou de victorie beginnen!
“Heeft men hier niets van jullie terugkomst gemerkt?” vroeg Felix.
“Niets. We zijn gisteren middag ongemerkt binnen het paleis gebracht, niet waar Maarschalk?”
“Als galeiboeven!” lachte Zabern. “In een gesloten dievenwagen! Maar ik meende er u een dienst mee te bewijzen.”
Daarmee was men ’t eens. Voorloopig bleef geheimhouding gewenscht, en daarom besloten de zes mannen dan ook spoedig en onbemerkt te vertrekken. Zij namen afscheid, en enkele uren daarna vernam het Ministerie dat de Secretaris der Prinses Czernovië had verlaten, zonder dat iemand, ook Elizabeth niet, wist waarheen hij vertrokken was.
Even nadat Felix van den Maarschalk afscheid genomen had, liet deze vergeefs een paar malen zijn Secretaris, die zijn vriend uitgeleide gedaan had, verzoeken bij hem te komen.
Men zocht in Rob’s kamer, in de Paleistuinen—maar Rob was niet te vinden.
Ofschoon dit den Maarschalk verwonderde, daar Rob wist dat zijn diensten dien dag nog verlangd konden worden, en de jeugdige Secretaris overigens het voorbeeld zelve van stiptheid was, dacht hij er verder niet over na, vertrouwende dat het geval zich zoo aanstonds wel ophelderen zou.
Terwijl hij echter op zijn schrijftafel eenige brieven rangschikte, viel zijn oog op een couvert, waarop in Rob’s handschrift zijn adres was gesteld.
Den brief openend, las hij tot zijn verbazing het volgende:
“Excellentie,“Ik heb een plan gevormd in het belang van Czernovië. Vergeef me dat ik u den inhoud niet meedeelde en zonder uw toestemming vertrek. Ik heb daar ernstige redenen voor, die ik u—zoo ik in leven blijf—later zal mededeelen. Hoe ook de uitslag zij, deze zal bewijzen dat ik de Prinses, het vaderland en u, Maarschalk, getrouw ben geweest.“Ten einde geheel vrij in mijn handelingen te zijn, geef ik u in overweging mijn afwezigheid te verklaren door een diplomatieke zending uwerzijds.Robert Rensma.”
“Excellentie,
“Ik heb een plan gevormd in het belang van Czernovië. Vergeef me dat ik u den inhoud niet meedeelde en zonder uw toestemming vertrek. Ik heb daar ernstige redenen voor, die ik u—zoo ik in leven blijf—later zal mededeelen. Hoe ook de uitslag zij, deze zal bewijzen dat ik de Prinses, het vaderland en u, Maarschalk, getrouw ben geweest.
“Ten einde geheel vrij in mijn handelingen te zijn, geef ik u in overweging mijn afwezigheid te verklaren door een diplomatieke zending uwerzijds.
Robert Rensma.”
Zabern’s verbazing duurde nooit lang, en ook ditmaal nam hij de omstandigheden weldra voor wat ze waren.
“Mijn menschenkennis moet me al zeer bedriegen,” sprak hij tot zichzelf, “als die jonge Hollander niet drommels goed weet wat hij doet. Ik zal hem z’n gang laten gaan. Wie zal zeggen wat hij nog voor wonderen weet te bewerken? Want ’n wonder hebben we noodig om Czernovië te redden. Het beste is, hier maar niet al te zeer op te rekenen—dan kan ’t niet anders dan meevallen!”
Dienzelfden avond was er opnieuw een vergadering van den Ministerraad, door Elizabeth gepresideerd. Het gold de bespreking van een schrijven, door deRussische Regeering gezonden, en waarin de ceremoniën omschreven werden die men bij de kroningsplechtigheid wilde zien in acht nemen.
Het schrijven behelsde tot in details alle bizonderheden, waaronder er waren van zulken zonderlingen, verouderden aard, dat Elizabeth er eerst om geglimlacht had en er daarna eenigszins mee verlegen was geweest. Ze had zich een eenvoudige kerkelijke kroning voorgesteld, waarbij de eed op het Charter al de voornaamste plechtigheid zou uitmaken, en nu verraste het Russisch schrijven haar met een menigte voorschriften, waarvan de meesten op oude overleveringen en bijgeloovige gebruiken berustten.
Zabern had de schouders opgehaald, toen Elizabeth hem vroeg wat hij er van dacht.
“Ik ken die kronings-formulieren,” zei hij, “Rusland schrijft ze altijd voor bij dergelijke gelegenheden; soms, als de betrokken persoon voor die middeleeuwsche gebruiken voelt, volgt men ze op, maar doorgaans wordt er de hand mee gelicht. We zullen zien wat de Ministerraad er van zegt.”
Het stuk werd in den Raad voorgelezen; er werd bepaald welke personen met de leiding van het geheel en die der onderdeelen zouden worden belast, en daarna kwamen de voorgeschreven gebruiken ter sprake.
Onder meer was bepaald, dat er een zoogenaamde kampioen moest worden aangewezen, die, vóor de Prinses de kroon ontving, zich voor den troon moest opstellen, een handschoen neerwerpen, en ieder die de Prinses het recht op de kroon zou willen betwisten, tot een gevecht uitdagen.
“Natuurlijk,” zei Radzivil, nadat hij dit had voorgelezen,“is dit niets dan een vorm, wordt er slechts een symbolische handeling mee bedoeld. Daar de Czaar zelf uw kroning wenscht, zal geen Russisch-gezinde er zich tegen verzetten, en de Czernoviërs zullen het natuurlijk nog minder doen.”
“Maar als het slechts een vorm is,” zei Elizabeth met een medelijdenden glimlach, “zouden we dan zulk een kinderachtig oud gebruik niet achterwege laten?”
Dit voorstel vond eenige tegenkanting bij Ravenski en de andere verdachte leden van het Kabinet, die van oordeel waren dat de wil van den Czaar tot in kleinigheden moest worden uitgevoerd.
“Maar wat zouden daar dan de gevolgen van zijn?” riep Elizabeth. “Stel, dat iemand zoo dwaas is den handschoen op te rapen en de uitdaging aan te nemen, dan moet volgens de letter der voorschriften het gevecht plaats hebben. Maar als nu de kampioen valt, zou dan de Prinses van haar waardigheid afstand moeten doen? Dat is toch al te dwaas!”
Men scheen dit in te zien, ofschoon Zabern tot Elizabeth’s verbazing zich met geen enkel woord in de discussie mengde, en ten slotte kwam men overeen onder meer ook dit gedeelte van de kroningsplechtigheid te doen vervallen.
Nadat nog verscheiden andere zaken waren geregeld, die de kroning betroffen, ging de vergadering uiteen.
Eenige tijd ging nu zonder bizondere voorvallen voorbij.
Twee dagen voor de kroning echter ontving Elizabeth een bezoek van Ravenski. Deze verraderhad haar geruimen tijd met rust gelaten, maar alleen om daarna met te meer zekerheid zijn slag te slaan.
Met een brutaliteit, sommige laffe menschen eigen, kwam hij op zijn vroegere voorstellen terug. Hij wees er op, dat men in Rusland Elizabeth’s weigering om den Hertog van Bora te huwen, schijnbaar zonder protest had aangenomen, maar hij waarschuwde haar dat de Czaar zich voorbereidde haar voor die daad te doen boeten.
“Reken er op Prinses, dat uw kroningsfeest een doodsfeest zal worden, zoo ge uw weigering niet intrekt. Door openlijk te erkennen, wat tot nog toe door middel van mijn fonograaf alleen mij bekend was, hebt ge mijn plan met de drie gezegelde pakketten van nul en geener waarde gemaakt. Ik heb mij daardoor echter niet laten overbluffen. Alle maatregelen tot uw ondergang zijn getroffen. Daarom vraag ik u voor de laatste maal: doe afstand van de regeering, volg mij als mijn vrouw—het is het eenige middel om uw leven te redden.”
Opnieuw wees Elizabeth zijn beleedigend voorstel van de hand, en beval den Minister zelf onmiddellijk te vertrekken, wilde hij niet door haar lijfwacht gearresteerd worden.
Maar Ravenski beantwoordde haar bedreiging met een smalenden glimlach.
“Arresteer mij, Prinses,” zei hij, “maar weet dat, zoodra mijn gevangenneming bekend wordt, een mijner handlangers den Czaar het bewijs levert, dat het Charter, waarop ge uw kroningseed zult zweren, valsch is. Daarmee zal de annexatie een voldongen feit zijn.”
“Het Charter valsch! Ge weet niet wat ge zegt.Goed, lever dat bewijs als ge kunt! Het zal u niet gelukken. Ik spot met uw bedreigingen, die slechts dienen om mij een ongegronde vrees aan te jagen, En nu nogmaals: ga heen, of de grenadiers van mijn lijfwacht zullen u gehoorzaamheid leeren!”
Met den smalenden glimlach nog op de lippen ging Ravenski zwijgend heen.
Toen hij vertrokken was, voelde Elizabeth zich onwillekeurig onder den indruk van zijn woorden. Aan den eenen kant wist ze, dat hij haar slechts angst wilde aanjagen, want er was immers geen sprake van: het Charter, echt en onvervalscht, berustte veilig en wel in de Bank. Aan den anderen kant echter miste ze den moed Ravenski voor zijn beleedigend gedrag te doen straffen; hij had zoo dreigend en met zulk een zekerheid gesproken, dat ze niet nalaten kon een verborgen beteekenis aan zijn woorden te hechten. Zou er misschien inderdaad met het Charter iets niet in orde zijn? Waarom, zoo herinnerde zij zich nu, had Zabern er zoo op aangedrongen, dat ze Orloff dit document in geen geval toonen zou?
Ze besloot den Maarschalk in dezen twijfel om raad te vragen.
Eenonverwachtegebeurtenis kwam echter dit voornemen op den achtergrond dringen.
In den vroegen morgen van den dag die aan de kroning voorafging, lieten Radzivil en Zabern zich bij de Prinses aandienen.
“Hoogheid,” zeide de Premier, “een Russisch leger van honderdduizend man trekt samen bij Zamoska.”
Zamoska, geen zes mijlen van de Czernovische grens!
“Een Russisch leger bij Zamoska?” herhaalde Elizabeth.
“En aangevoerd door den Czaar in persoon.”
“Wat heeft de Czaar voor met een revue over zijn troepen zoo dicht bij onze grenzen?”
“Toen het nieuws ons gisteravond bereikte,” vervolgde Radzivil, “wilden we U niet in Uw slaap storen. Ik veroorloofde me daarom uit Uw naam den Czaar opheldering te doen vragen omtrent dit verzamelen van troepen bij onze grens.”
“Daar deed ge goed mee. Is de boodschapper terug?”
“Zoo juist. Hij ontving als verklaring het bericht dat enkele Russische afdeelingen zich bij Zamoska vereenigden voor de herfstmanoeuvres.”
“U gelooft dat toch niet?” vroeg Elizabeth aan Zabern.
“Zeker niet, Prinses. Ge zult U op het ergste moeten voorbereiden. Naar mijn overtuiging maakt de Czaar zich gereed U na Uw kroning met geweld van wapenen den volgenden eisch te stellen: den Hertog van Bora te huwen. Ge weet wat dit beteekent en waarvan dat huwelijk het voorspel zou zijn.”
“Maar met welk recht wil de Czaar dien eisch stellen!” riep Elizabeth met fonkelende oogen. “Met welk recht?”
“Met het recht, dat de heele wereld erkent: het recht van den sterkste. De diplomatie heeft gefaald—nu zal het kanon spreken. En Prinses, wanneer de Russen onzen grond betreden—?”
“Dan zullen we ze met de wapenen ontvangen!”
“Maar, Hoogheid,” zei Radzivil bedrukt, “welke kans hebben wij om ze te verslaan?”
“Een zeer kleine,” antwoordde Elizabeth, “maar wat zoudt ge dan willen? Dat ik me op de knieën voor den veroveraar wierp, den slag afwachtend? Nooit! Zoo lang me een man en een geweer overblijft, zoo lang zal ik tegenstand bieden!”
“Wil Uwe Hoogheid het Kabinet en de Kamer niet bijeen roepen?” vroeg de Premier.
“Om naar lafhartige of verraderlijke raadgevingen te luisteren? Neen. Maarschalk, geef onmiddellijk bevel, dat onze troepen de grens bezetten. Neem alle maatregelen die ge voor de verdediging van het land noodig oordeelt.”
“Wenscht Uwe Hoogheid de kroning uit te stellen?” vroeg Radzivil.
“Alsof we bang waren? Neen. Geen uitstel. Na de plechtigheid zal ik het leger gereed vinden en mij aan het hoofd er van stellen. En nu—te wapen! Een Oud-Hollandsche Republiek valt niet zonder slag of stoot!”
“Het is de geest van Uw voorouders die spreekt,” zei Zabern. “Prinses, waarom zijt ge niet als man geboren!”
“Een vrouw diewil, Maarschalk, staat in niets achter bij den man!”
Het Russische leger komt nader.—Ravenski hernieuwt zijn bedreigingen.—Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog van Bora.—De drie verraders geknipt.
Het Russische leger komt nader.—Ravenski hernieuwt zijn bedreigingen.—Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog van Bora.—De drie verraders geknipt.
De toebereidselen tot de kroning waren gereed; de laatste vlaggestok, de laatste eereboog was opgericht; de stad was vroolijk versierd met bloemen en kleurige lampions.
Vreemdelingen en landvolk uit de omgeving liepen bewonderend door de stad, en telkens werd Elizabeth door hun geestdriftige kreten op het balkon geroepen.
De vroolijk-versierde stad vormde een vreemde tegenstelling met de komende onheilen. Elizabeth voelde dat:
“Zoo heeft menige stad er uitgezien aan den vooravond van haar val,” sprak ze bij zichzelf, zich steeds ongeruster makend over de inkomende berichten, en verwonderd, neen beangst door het uitblijven van elke tijding betreffende Felix. Wanneer hij een plan had tot redding van Czernovië, dan was ’t nu tijd dat uit te voeren!
Elk uur brachten koeriers haar tijding aangaandede bewegingen bij de grens. Vroeg in den morgen was het Russische leger opgebroken, het lag nu ongeveer een mijl van de grens. Telkens reden Kozakken, op hun vurige kleine paarden, in galop uit de linie, de Czernovische schildwachten door hun kreten als het ware tot vuren uitlokkend. Op heuveltoppen zag men Russische officieren staan, die door hun kijkers het omliggende terrein waarnamen.
Twee boden, door Elizabeth afgezonden om in het Russisch kamp de reden van dit alles te vragen, waren niet teruggekomen.
Men was in Czernovië gereed. Twaalfduizend man hadden de grensforten en hun tusschenliniën bezet, elk kanon stond gereed de toegangswegen tot Czernovië te bestrijken. De overige achtduizend man moesten in Slavowitz blijven, daar Zabern elk oogenblik gereed wilde zijn het te verwachten oproer te onderdrukken.
Het was een spannende tijd. Vijanden binnen en buiten; een leger, dat in aantal verreweg het eigen overtrof, lag zoo dicht bij de grens, dat elk bij toeval of door kwaadwilligheid afgegaan schot de vijandelijkheden kon openen.
Elizabeth overdacht dit alles in een sombere stemming, toen zij bericht ontving dat de Hertog van Bora in het Paleis was en haar verzocht te spreken. Ze was op zijn komst niet onvoorbereid, en haar gelaat stond vastbesloten toen zij de trap afging naar het Witte Salon, waar de Hertog wachtte.
Onderweg kwam zij Zabern tegen.
“De Hertog is er!” fluisterde zij.
“Alles is gereed,” antwoordde de Maarschalk.
Toen Elizabeth de Witte Zaal binnenkwam, boog de Hertog met een glimlach van kwalijk verborgen triomf. Hij voelde zich volkomen veilig bij de gedachte, dat de Russen in de nabijheid waren, en hij kwam nu als een soort veroveraar zijn voorwaarden stellen, meenend de Prinses onderworpen en geheel onder den indruk der gebeurtenissen te vinden. Maar het spel dat hij speelde, bewees wel dat zijn diplomatieke gaven niet zeer groot waren.
“Ik ben gekomen,” begon hij, zonder zich door haar koel optreden te doen afschrikken, “om u aan een belofte te herinneren die ge mij zoo dikwijls deed—de belofte om mijn vrouw te worden.”
Elizabeth antwoordde niet, zag hem alleen met een verachtelijken blik aan.
“Het is waar,” vervolgde Bora luchtig, “dat ge mij op dat punt uw zoogenaamde eindbeslissing eenigen tijd geleden al meedeelde. Maar de loop der gebeurtenissen doet een mensch zoo vaak zijn aanvankelijke besluiten herroepen.”
“En waarom meent ge, dat de gebeurtenissen dit thans zouden doen?”
Bora glimlachte geheimzinnig:
“Ik wil alleen zeggen, dat ge u een weigering van mijn aanzoek zeer zult berouwen.”
“Ge ontwijkt mijn vraag. Dan zal ik ze beantwoorden. Gesteund door den Czaar, hoopt ge over Czernovië te regeeren. Niet mij—mijn positie alleen wenscht ge te bezitten. Ge streeft naar den troon van Czernovië, wel wetend dat ge die het zekerst en het rustigst zult bezitten door mij tot uw vrouw te maken. Heb ik uw lafhartige drijfveeren goed doorzien?”
De Hertog zag nu zijn dwaling in; hij had verwacht de Prinses angstig en onderworpen te vinden; in plaats daarvan maakte haar streng optreden hem eenigszins ongerust. Hij deed echter een laatste poging om haar vrees aan te jagen, en zei trotsch:
“U wijst mijn aanzoek af? Goed! Dan is dit onderhoud geëindigd.”
En na een vluchtigen groet ging de Hertog naar de deur. Elizabeth bewoog zich niet, liet hem rustig gaan. Hij rukte driftig de deur open, maar deinsde op het zelfde oogenblik terug: de mondingen van drie revolvers hadden hem aangegrijnsd.
Snel sloot hij den toegang tot de Witte Zaal weer.
“Dat is verraad, Prinses!” riep hij woedend. “Dat is sluipmoord! Laat me door!”
En, om zich heenziend, snelde hij naar de breede glazen tuindeuren, waardoor men het terras bereikte. Hij had den deurknop nog niet gegrepen of vier grenadiers kruisten de bajonetten en versperden hem bij voorbaat den doortocht.
“Ga zitten, Hertog, doe toch geen vergeefsche moeite,” zei Elizabeth kalm. “Er zal u geen kwaad geschieden; ik wensch slechts dat ge wachten zult tot ik uitgesproken heb.”
Onwillig nam de Hertog weer plaats.
“Waarom,” vroeg Elizabeth, “hebt ge me sedert een jaar met betuigingen van liefde, met huwelijksaanzoeken beleedigd?”
“Beleedigd? Waartoe dat woord?”
“Omdat ge intusschen in ’t geheim met mijn vijanden samenspande.”
“Ge hebt naar de woorden van Zabern geluisterd!”
“Neen—naar die van Lipski. Ge schrikt—en ge hebt er reden toe. Zooeven, Hertog, heeft de Regeering Lipski’s woning doen overvallen. Dat wist ge niet! Zijn kelders bleken duizenden wapens te bevatten, in zijn kamers vergaderden Russische agenten, waaronder de spion Russakoff. Lipski heeft alles bekend.”
“Wat bekend?” vroeg Bora, als door een bliksemstraal getroffen bij het vernemen van dit onverwachte nieuws.
“Bij voorbeeld dit:
“Ongeveer een jaar geleden stichtte hij een nieuw blad, de Kolokol. Het kweet zich zoo goed van zijn anti-regeeringsgezinde taak, dat in korten tijd tweedracht werd gezaaid waar vroeger rust en eenheid was. De Russen en andere vreemdelingen, vroeger even aanhankelijk als de Czernoviërs, zijn onder den invloed van dat opruiende blad vijanden van het Gouvernement geworden. En wie was de eigenaar van dat blad? Wie betaalde het? Wie gaf de strekking aan? Gij—Alexander Bora!”
“Dat heeft Lipski gelogen!”
“We zullen zien. U zult de gelegenheid hebben hem dat persoonlijk te zeggen. Is het ook een leugen, dat de Kloosterwet uw medewerking had? Dat ge de afgevaardigden trachtte om te koopen met het goud van Orloff?”
“Leugens!” mompelde de Hertog, meer en meer verslagen.
“En het complot om het Charter te vernietigen? Op uw verzoek vroeg Orloffgoedkeuringop dat plan van de Russische Regeering. Gelukkig mislukte het door de waakzaamheid van Zabern,” zei Elizabeth,niet wetend dat de Maarschalk haar van dit voorval nooit de juiste toedracht had verteld.
De Hertog zag angstig om zich heen. Hij zou in staat geweest zijn Elizabeth te dooden, als hij daardoor had kunnen ontsnappen, want hij wist dat zijn verraad nu bekend was, en dat de gevangenis hem wachtte. Maar Elizabeth zag hem zoo doordringend aan, dat hij geen beweging maken durfde.
“Er is nog meer!” ging ze voort. “Mijn Secretaris, mijn trouwste en aanhankelijkste onderdaan en vriend—hij werd op uw aanstoken vermoord. Russakoff werd er voor betaald door Lipski—vierhonderd roebels ontving hij. Ontken het niet—onlangs heeft Katina Ludovska aan Lipski’s stem den man herkend die Russakoff in haar vaders herberg tot de misdaad omkocht. Metuwmedeweten! Het cijferschrift mocht niet opgelost worden! En nu—volg me. Hier zijn uw medeplichtigen.”
Elizabeth had een zijdeur geopend, en daar zag hij Lipski en Russakoff, door een afdeeling soldaten bewaakt. De Hertog trachtte niet langer te ontkennen; zwijgend en gebroken hoorde hij de Prinses aan.
“Dat was dus uw plan—Russograd te wapenen, barricaden op te werpen, en wanneer het Gouvernement zou trachten den opstand te dempen, den Czaar te verzoeken hulp aan de onderdrukte Moscoviten te verleenen! En de Czaar zou zijn hulp niet weigeren: Bora op den troon, en de Prinses tusschen twee mogelijkheden geplaatst: hem te trouwen, of—haar verdere levensjaren te slijten op het fort Schlüsselburg, in de grijze wateren van het Ladoga-meer.De uitvoering van uwprogrammais verijdeld. En ge zult niet opnieuw beginnen.”
Elizabeth drukte op den knop van een electrische schel, en Zabern kwam binnen, gevolgd door een afdeeling grenadiers. Vijf minuten daarna werden de drie verraders met geboeide handen in een gesloten wagen naar de citadel gevoerd.
Eerst daarna, maar zooals we zien zullen, nog niet te laat, vond ze gelegenheid Zabern met de bedreigingen van Ravenski in kennis te stellen.
Melchior, de verrader.—Zabern verschijnt.—De postduif.—Ravenski ontvangt een sabelhouw.—Het kanon van de Citadel.
Melchior, de verrader.—Zabern verschijnt.—De postduif.—Ravenski ontvangt een sabelhouw.—Het kanon van de Citadel.
Op dienzelfden dag vóor de Kroning, den 14enSeptember 1902, had er in het studeervertrek van Ravenski, die even als de andere Ministers over drie appartementen van het Paleis voor eigen gebruik beschikte, een bijeenkomst plaats tusschen dezen titularis en den portier van het St. Nicolaas-klooster, Melchior Obrowitch.
Terwijl het verwerpen van de wet-Lipski de aandacht van de kloosters had afgeleid, was Ravenski in stilte voortgegaan het geheim uit te vorschen, dat naar zijn vermoeden achter het zoo in de gunst der Prinses staande St. Nicolaas-klooster lag verborgen. Door middel van geld en beloften had hij den bovengenoemden Melchior, een uitgeweken Rus, die jaren geleden door Ravenski’s invloed tot portier was benoemd, voor zich weten te winnen, en dezehad hem sinds lang op de hoogte gehouden van allerlei gebeurtenissen in het klooster, welke het vermoeden wekten, dat daar politieke samenkomsten plaats hadden. Ja, meer dan dat: het aantal kisten, zoogenaamd levensmiddelen, meubelen, kleederen of iets dergelijks bevattend, dat den laatsten tijd het klooster was binnen gebracht, had den portier verwonderd, en de omstandigheid dat men hem al eenige maanden geleden den sleutel der kelders had ontnomen, en die aan de bewaring van een der monniken toevertrouwd, deed hem gelooven dat in die kelders nog andere dingen verborgen lagen dan vaten wijn en brandstoffen.
Ravenski was met al deze inlichtingen zeer ingenomen, maar vooral deed het hem genoegen dezen avond van Melchior te vernemen, dat hun vermoeden, als zou het Charter van Czernovië wel degelijk verdwenen zijn, zekerheid geworden was. Ravenski had dus de Prinses niet op ijdele gronden met de openbaarmaking van dat geheim bedreigd. Ravenski had zich namelijk, den dag na dien, waarop Orloff als gezant ten Paleize was geweest, met dezen in verbinding gesteld, getrouw aan zijn aard alle middelen aangrijpend die hem voordeel konden bezorgen. En zijn vermoeden, dat er met het Charter iets niet in den haak was, vond weldra bevestiging. Zoodra hij zijn diensten Orloff aangeboden had, ontstond het begin van een levendige briefwisseling tusschen die beide mannen, en Ravenski kwam te weten, dat er volgens Orloff’s inlichtingen wel degelijk een papier was verbrand dat den inhoud vormde van den ijzeren koffer die het Charter moest bevatten. Een afgesprokensignaal met een blauwe lantaren had hem immers die zekerheid gegeven. Na de verklaring van Zabern omtrent de overbrenging van het Charter naar de Czernovische Bank, was Orloff echter verlangend te weten te komen of dus inderdaad slechts een copie was vernietigd, dan wel of Zabern een handig verzinsel voor waarheid had doen gelden.
Onvermoeid had Ravenski dit nagespeurd, en hedenavond bracht Melchior, zijn handlanger, hem de zekerheid dat het Charter niet meer bestond!
“Ik ben daarvan om twee redenen overtuigd,” zei Melchior. “De eerste is deze. Een paar dagen geleden bracht een meisje uit den omtrek, Katina Ludovska, een bezoek aan het klooster-museum. Dit is op zichzelf niets bizonders; vele vreemdelingen, en ook landgenooten, vooral studenten en andere mannen der wetenschap, bezoeken dit museum, dat zeer merkwaardige boeken en perkamentrollen bezit, van belang voor de geschiedenis van kerken en kloosters. Terwijl ik Katina rondleidde, trof het mij, dat ze herhaaldelijk stilstond voor een document, dat de eigenhandige naamteekening van Czaar Alexander I draagt; telkens bekeek ze het met een aandacht die me vreemd voorkwam. Maar het merkwaardigst was, dat, op haar verzoek om dit stuk in bruikleen te mogen ontvangen als hulpmiddel bij een wetenschappelijke studie, de beheerder van het museum, broeder Angelico, dadelijk bereid was het af te staan, ofschoon anders slechts copieën, nooit oorspronkelijke stukken als dit, mogen worden meegenomen.
“Dienzelfden dag ging ik Katina na; niet alleen overtuigde ik mij, dat ze in allerlei winkels vanSlavowitz naar monsters van perkament vroeg, maar ook weet ik dat ze herhaaldelijk door Zabern ontvangen is, en langdurige bezoeken aan zijn studeervertrek bracht. Ziedaar mijn tweede reden.
“Er is dunkt me geen twijfel aan: Zabern liet haar op een copie van het Charter de handteekening van Czaar Alexander namaken, en het stuk, dat gister in de ijzeren koffer naar de kerk werd overgebracht, is een valsch stuk, dat dienen moet om morgen de Prinses den kroningseed daarop te doen afleggen.”
“Uitstekend!” riep Ravenski. “Dat zijn inlichtingen die goud waard zijn, en zoo dadelijk gaat een brief, die deze tijding bevat, naar den Czaar. Nu heb ik bewijzen genoeg om de Prinses ten val te brengen. Morgen is Czernovië Russisch grondgebied!”
De portier boog, en op een wenk van Ravenski liet hij dezen alleen.
Onmiddellijk daarna stelde de Minister het gehoorde op schrift, adresseerde zijn brief aan den Czaar, en stak een copie daarvan in zijn binnenzak. Dit gedaan hebbende, leunde hij een oogenblik met gesloten oogen achterover in zijn armstoel, genietend van zijn aanstaanden triomf. Door het geopende venster drongen de vroolijke geluiden der feestvierende Czernoviërs naar binnen, die zich reeds verheugden op den dag van morgen.
Ravenski hoorde het, en met spottenden glimlach zei hij luid:
“Morgen zal uw blijdschap in rouw veranderen!”
“Wees daar niet te zeker van!” zei een ironische stem.
De eenige man in Czernovië, dien Ravenski op dit oogenblik het minst verlangde te zien, was Zabern—entoch was het Zabern die gesproken had!
Hevig verschrikt opende Ravenski de oogen, en zag den Maarschalk met over elkaar geslagen armen aan de andere zijde van de tafel staan. Achter hem stond zijn ordonnans, Nikita. Een vrouw, Katina, was bezig de deur van het vertrek zorgvuldig te sluiten. In het besef van het gevaar strekte Ravenski de hand uit naar een bel, die op tafel stond. Maar Zabern was hem voor.
“Geen geluid! of ik schiet je neer!”
“Wat wilt ge van me?!”
“Je leven!”
Ravenski begreep dat Zabern tot geen ander doel gekomen kon zijn; toch gingen deze beide woorden hem als met een schok door het lichaam.
“Ge wilt me dus vermoorden!” hijgde hij.
“Noem het vermoorden. Het is me om ’t even. Ik noem ’t terechtstellen.”
“En mijn misdaad...?”
“Ligt daar!” zei Zabern, snel den brief grijpend, waarop zijn scherp oog het adres gelezen had, en dien ook Ravenski in datzelfde oogenblik trachtte te verbergen.
Zabern scheurde het couvert open.
“Het bewijs van uw verraad. Er behoeft hierover geen woord meer gesproken te worden. Hier is een revolver. Ik geef u de gelegenheid zelfmoord te plegen. Dan zal men ten minste nog denken, dat ge éens in uw leven gevoeld hebt een geweten te bezitten, éens in uw leven wroeging hebt gekend. Het is de eervolste dood dien ik u kan aanbieden.”
Ravenski werd lijkbleek.
“Geef me tien minuten slechts,” hijgde hij, “tien minuten in de kamer hiernaast.”
“Met welk doel?”
“Om—om te bidden.”
“Ik zie het nut daarvan niet in,” zei Zabern droog. “Nooit kan een leven van gebed uw zonde uitwisschen.”
“Vijf minuten maar, opdat ik mijn geweten tot rust kan brengen in deze laatste oogenblikken van mijn leven! Ik smeek er u om.”
“Goed. Vijf minuten. Maar in deze kamer.”
“Het vertrek hiernaast is een bidvertrek,” pleitte Ravenski.
“Willig zijn wensch in, Maarschalk,” zei Katina, die het geheele tooneel afschuwelijk vond, en reeds te voren vergeefs gepoogd had Zabern van deze ontzettende terechtstelling terug te brengen.
“Maar dan ontsnapt hij ons!” riep Nikita.
“Ik kan niet ontsnappen. Het bidvertrek heeft geen enkelen uitgang. Het venster is vijftig voet boven den grond.”
Zabern, vermoedend dat Ravenski een list voor had, doorzocht het vertrek, doch vond er niets dat kwade vermoedens kon opwekken. Er stond een bidstoel, er hing een enkele lamp; overigens was er niets wat een ontsnapping kon begunstigen.
“Neem uw vijf minuten,” zei Zabern. “Maar denk er aan, ik houd u in het oog. Tracht niet te ontsnappen.”
Ravenski ging met bevende schreden in het bidvertrek, en knielde neder.
Zabern volgde elke beweging.
“Maarschalk,” vroeg Katina, een laatste poging aanwendend om de menschelijkheid te doen zegevieren, “is de gevangenis niet een voldoende straf voor zijn misdaad?”
Zabern schudde alleen zwijgend het hoofd.
“Wie zal trachten den Maarschalk te weerstaan?” zei Nikita, bijgeloovig en onderworpen als hij was.
“Dat zal ìk!” zei een stem.
Bij deze woorden zag het drietal elkaar verbaasd aan, want de stem kwam uit het bidvertrek en kon van niemand anders zijn dan van Ravenski. Van de oogenblikkelijke verrassing bekomen, wierp Zabern, een list vreezend, de deur wijd open.
“Maarschalk Zabern,” zei Ravenski, “wanneer gij den troon der Prinses wenscht te beschermen, kom dan geen stap nader. Zie goed wat ik hier in mijn hand heb.”
Het raam van het bidvertrek, dat te voren gesloten was geweest, stond nu open, en het maanlicht viel op het bleeke gelaat van Ravenski, die voor het venster stond. In zijn rechterhand hield hij een duif, aan wier hals een brief was gebonden. Op dit gezicht bleven de drie mannen onbewegelijk staan, want zij begrepen dat deze vogel een postduif was.
Ravenski’s list had dien van Zabern overtroffen, en de Maarschalk vervloekte het oogenblik van toegevendheid, dat hem deze nieuwe moeielijkheden berokkend had.
“Zie je wel,” mompelde hij tot Katina. “In de politiek is menschelijkheid een onvergeeflijke fout!”
“Luister!” riep Ravenski, de hand waarschuwend opheffend. “Als ge een voet verzet, laat ik de duiflos. Deze brief bevat een copie van dien, welken de Maarschalk zich zooeven toeëigende. De Czaar zal er uit lezen, dat het Charter door Katina Ludovska is vervalscht, en dat het St. Nicolaas-klooster de bewijzen eener Czernovische samenzwering bevat.”
“Praat niet te lang,” zei Zabern met geveinsde onverschilligheid, “de vijf minuten zijn om.”
“Deze duif heeft reeds meermalen in het donker het kamp van den Czaar bereikt,” vervolgde Ravenski. “Wanneer ge me nadert, zal ze den weg weten te vinden, en Czernovië is verloren. Beloof me mijn leven te sparen, en ik zweer dat ik van mijn plannen afzie.”
Zabern begreep dat er gehandeld moest worden.
“Katina,” fluisterde hij, “schiet! Niet Ravenski, maar de duif.”
Onmiddellijk weerklonk een schot, gevolgd door een snelle beweging van Zabern om de duif te grijpen. Maar de kogel had den pols van Ravenski geraakt, zijn hand liet het dier los, en dit vloog door het open venster naar buiten. Katina, hoe goed een schutter overigens, had het doel gemist.
“In hemelsnaam, Katina,” riep Zabern, als gek geworden naar het venster stormend, terwijl hij naar de duif wees, wier witte gedaante duidelijk tegen de donkere lucht afstak. “In hemelsnaam, schiet!”
De duif, onzeker nog welken weg te kiezen, bewoog langzaam voort in groote kringen, elk oogenblik stijgend. Katina legde aan, volgde den vogel in zijn vlucht, en toen zij zeker scheen van haar schot, haalde zij den trekker over. Een tweede schot weerklonk. Angstig staarde Zabern naar de duif, hopend haar te zienvallen. Katina hield zich reeds gereed naar den Hoftuin te snellen en het dier op te rapen. Maar er fladderden slechts enkele veertjes door de lucht. Katina had opnieuw gemist en in een rechte lijn vloog de duif voort, een oogenblik later achter de boomtoppen verdwijnend.
Met een verwensching liet Katina het wapen vallen.
Maar er was geen tijd tot aarzelen. Van de verwarring gebruik makend, was Ravenski het bidvertrek uitgesneld, naar de deur van zijn zitkamer. Daar trad Nikita hem met uitgespreide armen in den weg, om hem den doortocht te versperren. Maar Ravenski, slechts op lijfsbehoud bedacht, greep met beide handen den zwaren eikenhouten leunstoel, om er Nikita het hoofd mee in te slaan. Hij hief den stoel op—maar Zabern was achter hem. Schuimbekkend van woede, geen oogenblik meer bedenkend dat hij tegenover de buitenwereld den schijn van zelfmoord had willen bewaren, bracht hij den ongelukkige een sabelhouw toe, die hem den schedel letterlijk in tweeën spleet.
“Naar de hel, en zeg dat Zabern je gezonden heeft!”
De kerkklokken lieten de vroolijke melodie hooren, die het slaan der uren voorafgaat. Na een tusschenpoos van plechtige stilte klonk de eerste slag van middernacht.
“De Kroningsdag!” mompelde Zabern.
“Hoor eens hoe ze juichen,” zei Nikita.
Uit elk deel der stad, van wijde pleinen en nauwe straten, klonk het steeds aanzwellend gejubel der bevolking. De feestdag was aangebroken!
Met een bitteren glimlach blikte Zabern naar hetoosten. De hemel was in die richting roodgekleurd door de talrijke wachtvuren van het Russische kamp—het kamp waarheen de vlugge duif nu haar weg zocht met de voor Czernovië zoo noodlottige tijdingen. Hoe lang nog zou het duren, eer—
Zabern schrikte op.
Boven het juichen der bevolking klonk een onheilspellend, dreunend geluid door de nachtlucht. De losbranding van een enkel, niet ver verwijderd kanon.
Zabern begreep bij ingeving de beteekenis.
“Het kanon van de Citadel!” riep hij, de kamer uitsnellend. “Bij alle duivels—de Hertog is ontsnapt!”