Rob gaat aan het cijferen.—Gevonden!—De inbraak in het Paleis.—Zabern redt Rob nog juist op tijd.—Het verbrande Charter.—Wat zal er van Czernovië worden?
Rob gaat aan het cijferen.—Gevonden!—De inbraak in het Paleis.—Zabern redt Rob nog juist op tijd.—Het verbrande Charter.—Wat zal er van Czernovië worden?
De opsteller der aanteekeningen, waaruit dit boek geput werd, liet zijn eigen persoon zoo bescheiden op den achtergrond, dat de beschrijver van zijn avonturen de lezers en zichzelf gelukwenschen moet met elke gelegenheid, die eens wat naders doet vernemen omtrent zijn persoonlijk aandeel aan de hier vermelde gebeurtenissen.
Die gelegenheid is er thans.
Gedurende de afwezigheid toch van Felix en Zabern, had Rob zich met alle aandacht aan het werk gezet om het cijferschrift nader tot zijn oplossing te brengen.
Door den Paleis-bibliothecaris had hij zich een Grieksche uitgave van de Eumeniden doen geven, en, dankbaar voor La’s lessen die hem in staat hadden gesteld althans van enkele Grieksche woorden de beteekenis te kunnen vatten, zette hij zich aanden arbeid, ten overvloede met een Grieksch-Czernovisch woordenboek gewapend.
Het papier dat de Maarschalk hem had gegeven was met rijen cijfers bedekt, die door punten van elkaar gescheiden waren.
De eerste acht getallen luidden aldus:
6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
Wat stelden deze getallen voor? Zekere woorden uit het tooneelstuk? Wanneer het zesde woord uit de Eumeniden, het twee-en-veertigste, het vijftigste, en zoo voort, opgezocht en naast elkaar werden geplaatst, zouden ze dan een verstaanbaren zin opleveren?
Hij paste deze methode toe, maar het resultaat moedigde hem niet aan de proef voort te zetten. Er kwam een totaal onbegrijpelijke opeenvolging van woorden te voorschijn.
Bij nader inzien werd het hem duidelijk, dat de getallen niet in de plaats van woorden konden staan, daar immers de vocabulaire van een klassieken Griekschen dichter moeielijk toereikend kon zijn om te voorzien in alle termen, die bij de moderne schrijvers in gebruik zijn.
Een andere waarneming bevestigde deze onmogelijkheid. Aan het eind van den brief kwam namelijk het getal 8537 voor, terwijl het aantal woorden uit de Eumeniden een aanmerkelijk lager cijfer bereikt. Werden daarentegen de letters in volgorde genummerd, dan bleek het totale aantal al gauw de 8537 te overtreffen.
Rob besloot deze theorie te beproeven, namelijk dat 6 de zesde, 42 de twee-en-veertigste letter, enzoovoorts, beteekende.
Groot was zijn vreugde toen hij het volgend resultaat verkreeg:
Nicolaas! Dat beteekende ten minste iets.
Op de zelfde wijze voortgaand, vond hij voor de acht volgende cijfers de woorden “stemt toe.”
“Waarin stemt Nicolaas toe?” mompelde Rob. “Laat ik daar eens gauw probeeren achter te komen. Het is duidelijk dat ik nu den sleutel in handen heb.”
Hij begreep nu, dat het ’t beste zou zijn de Eumeniden eerst geheel door te loopen, en bij voorbeeld elke tiende letter met zijn overeenkomstig volgnummer te merken. Als dat gedaan was, zou het ontcijferen verder slechts enkele minuten kosten.
Rob begon dit eentonig werk, dat hem meer dan vier uren in beslag nam, ook omdat hij nu en dan zijn vorige telling moest verifieeren, daar elke fout zich natuurlijk tot het einde zou voortplanten, en verwarring brengen in de uitkomst.
Toen zijn exemplaar van de Eumeniden eindelijk geheel becijferd gereed lag, bedacht hij zich nog met schrik dat misschien wel beschouwd zijn heele werk vergeefs was. De mogelijkheid bestond immers dat de schrijver een andere uitgave had gebruikt dan hij, en er waren meer lezingen dan éen van de klassieken!
Maar gelukkig werd zijn geduld beloond.
Juist toen de Maarschalk en Felix de kamer binnenkwamen, nieuwsgierig naar Rob’s onderzoekingen, en hopend dat zij hem met hun laatste ontdekking van dienst konden zijn, stond Rob op en ging hentriomfantelijk tegemoet, het cijferschrift boven het hoofd zwaaiend.
“Ik heb het! Ik heb het!”
“Wel?” vroeg Zabern. Waren het de Furiën?”
“Ze waren het! En ze hebben me op de hielen gezeten bij het werk. Daar ligt het, kant en klaar.”
Het was duidelijk, dat de ontcijfering juist was, want het resultaat bestond uit een reeks op zichzelf samenhangende en begrijpelijke zinnen. De beteekenis van het geheel was hun echter geen van drieën recht helder, ten minste niet op het eerste gezicht.
Rob las de oplossing voor, die als volgt luidde:
“Nicolaas stemt toe. Maak dus spoed. Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden. Bericht daarna. Gezantschap volgt dan.“Lipski’s wetsontwerp kloosterbelasting goed. Geld langs gewonen weg beschikbaar. Ontdekking voorraden rechtvaardigt annexatie.Orloff.”
“Nicolaas stemt toe. Maak dus spoed. Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden. Bericht daarna. Gezantschap volgt dan.
“Lipski’s wetsontwerp kloosterbelasting goed. Geld langs gewonen weg beschikbaar. Ontdekking voorraden rechtvaardigt annexatie.
Orloff.”
Bij het zien van de onderteekening had Zabern een onderdrukt gegrom doen hooren, als van een wild dier dat gereed staat zijn prooi te bespringen.
“Orloff! Ik wist het wel!”
Daar het intusschen nacht was geworden, raadde Zabern de beide vrienden aan, rust te gaan nemen. Hijzelf, de man van ijzer, wilde nog eenigen tijd besteden aan de bestudeering van het document; hij nam daarom alle papieren mee, Rob uitbundig lof brengend voor zijn vernuftige oplossing. Felix werd door een lakei naar een drietal ineenloopende, weelderig ingerichte vertrekken geleid, dat op speciaal bevel der Prinses in orde was gebracht; Rob behieldde kamer die hij tot nog toe met zijn reisgenoot had gedeeld.
Felix, moe van het schermen, viel onmiddellijk in slaap; Rob kon echter, na zooveel uren ingespannen cijferen, niet dadelijk tot rust komen. Hij had al dien tijd in een gesloten kamer zitten werken, en verlangde naar lucht. Daarom opende hij een venster en leunde naar buiten.
Het was donker, en de lucht was zwaar bewolkt; een windstoot joeg hem eenige regendroppels in het gezicht.
Het venster gaf uitzicht op een binnenhof, waaromheen het paleis hoefijzervormig gebouwd lag. Toen Rob toevallig den blik op den tegenoverliggenden vleugel vestigde, scheen het hem toe, dat zich daar iets of iemand ongeveer halverwege het dak en den grond bewoog. Zijn oogen tot het uiterste inspannend, zag hij dat de donkere vlek, die zich tegen den grijzen muur afteekende, de gedaante van een man was die in de lucht hing: want daar er van een ladder niets te zien was, kwam hij tot de conclusie dat de man aan een touw vastgebonden was.
De gedaante bleef op dezelfde hoogte, en Rob meende hem voortdurend den arm in horizontale richting te zien heen en weer bewegen. Een zacht schurend geluid versterkte hem in de meening, dat de man bezig was de tralies door te vijlen die een der vensters aan de overzijde van buiten beveiligden.
Daar hij zelf niet gezien kon worden, omdat hij het licht in zijn kamer uitgedraaid had, bleef hij de verdachte bewegingen nog eenigen tijd waarnemen. Het leek hem een gevaarlijke onderneming, die daarop touw werd gezet. Klaarblijkelijk leed het geen twijfel of iemand trachtte zich door een der vensters toegang te verschaffen tot het Paleis; de man werd wel is waar door de duisternis en door het geruisch van wind en regen begunstigd, maar hij kon elk oogenblik verrast worden door de nachtelijke ronden, die hun weg zoowel over den hof beneden, als boven over de platte daken namen.
Vroeger op den avond had Rob de voetstappen en het aanroepen gehoord van twee schildwachten, die op de buitengalerij liepen, vanwaar uit de binnenplaats overzien kon worden. Sliepen die nu? Zoo niet, dan hielden ze wel heel slecht wacht, dat deze man zulk brutaal werk onder hun oogen kon verrichten.
Opeens begreep Rob de waarheid. Die inbreker was zelf een soldaat, een van de twee, die speciaal waren aangewezen om dit deel van het Paleis te bewaken. De ander was zijn medeplichtige. Beiden waren bezig ’t een of ander boos opzet te volvoeren. Verraad bedreigde het Paleis!
Zijn eerste ingeving was, naar beneden te snellen en de wacht te waarschuwen. Maar vreezend, dat tijdverlies den inbrekers gelegenheid zou geven weer tot hun oorspronkelijke functie terug te keeren, besloot hij de zaak zonder hulp af te handelen.
Hij stak een geladen revolver bij zich, en mat den afstand van zijn raam naar de daarboven gelegen, onder langs het dak loopende buitengalerij, die een soort van borstwering vormde. Buiten op de vensterbank staande kon hij met de handen juist de benedenzijde der galerij bereiken; hij vond er echter geen houvast voor zijn handen. Rondtastend stootte hij tegen eenafvoerbuis, en een oogenblik dacht hij er aan, daarlangs omhoog te klimmen. De buis was echter zoo glad, en lag zoo dicht tegen den muur aan, dat hij er de handen niet omheen kon slaan. Toen deed het toeval hem een ijzeren handvat grijpen, dat in den muur was bevestigd, en, zooals hij den volgenden dag waarnam, een onderdeel uitmaakte van een reeks dergelijke handvatten, welke, met het oog op brandgevaar, dienen moesten om het dak te bereiken. Zich aan de bovenbinnenzijde van het raam vasthoudend, zette hij een voet op zulk een haak, trok den anderen voet bij, en greep met de hand den volgenden, hooger geplaatsten haak. Nog een stap, en hij stond op de galerij. In een vensternis verborgen, keek hij de galerij langs. Op eenige passen afstand, afstekend tegen de lucht, stond de donkere, in een mantel gehulde figuur van een schildwacht, die op zijn geweer leunde en de oogen naar het venster gericht hield, waar Rob zooeven den inbreker had gezien.
In dezelfde richting kijkend, ontdekte Rob een flauw lichtschijnsel achter het geheimzinnig venster. Hij maakte daaruit op, dat ’t den man gelukt was naar binnen te komen.
Zonder gedruisch voortsluipend, gaf Rob den schildwacht plotseling een klap op den schouder, wees naar het getraliede venster en zei:
“Ben je van plan dien schurk te arresteeren?”
De schildwacht wendde zich hevig verschrikt om. Zich ontdekt ziend, velde hij het geweer en deed met de bajonet een stoot naar Rob. Deze was op zijn hoede, en greep, opzij springend, het geweer bij de loop. Met een enkele krachtige beweging had hijhet den soldaat ontrukt, en in ’t volgend oogenblik bracht hij hem met de kolf zulk een slag op ’t hoofd toe, dat de man neerviel, en onbewegelijk liggen bleef, zonder een kreet geuit te hebben.
Over de borstwering kijkend om te zien of deze schermutseling de aandacht had getrokken, zag Rob tot zijn verrassing een blauw licht achter het venster aan de overzijde. De man zwaaide gedurende enkele seconden, blijkbaar als sein, een lantaren heen en weer.
Dadelijk snelde Rob de galerij langs en bereikte het punt waar het touw bevestigd was.
In een vensternis knielend en omlaag ziende, bemerkte hij dat een dunne rookkolom uit het venster opsteeg.
Wat gebeurde daarbinnen? Stak de man het Paleis in brand?
Het lag niet in Rob’s aard hier lang over na te denken. Hij besloot dadelijk de kamer binnen te dringen om aan die kwaadwilligheid een eind te maken. Het touw met beide handen grijpend, liet hij zich zakken. Zoodra zijn voeten het kozijn raakten, nam hij zijn revolver in de hand, en zonder zelf een blik naar binnen te werpen, wrong hij zich tusschen de spijlen door en liet zich naar binnen glijden. De kamervloer bleek vrij laag te liggen, en Rob viel languit op den steenen grond, maar hij was onmiddellijk overeind en trachtte nu de duisternis en den rook te doorboren, waarin de kamer gehuld was.
Nauwelijks stond hij op zijn voeten of een fluisterende, verschrikte stem sprak:
“Ben jij dat, Peter? Wat kom je hier doen? Maak in hemelsnaam geen leven. Gabor staat in de gang op post!”
“Dan moet Gabor binnenkomen!” riep Rob met donderende stem. “Hallo, Gabor! kom binnen, hier is een gevangene voor je!”
Op het geluid van de stem afgaande, sprong Rob door de duisternis op den man toe, greep hem met de linkerhand bij de keel, en hield hem met de rechter de revolver op het voorhoofd.
De soldaat—want Rob voelde aan de uniformknoopen dat het een soldaat was—was bij dien onverhoedschen aanval ruggelings op den grond getuimeld, en bleef, door schrik en angst bevangen, onbewegelijk liggen.
“Verroer je niet, of ik schiet!” beet Rob zijn tegenstander toe, en daarna riep hij zoo luid hij kon: “Gabor Gabor! te hulp!”
Dadelijk daarop hoorde hij stemmen en voetstappen aan de andere zijde van de deur.
“Gauw, Lasco!” werd er geroepen. “Haal den sleutel van de wacht. Melchior, vlieg de galerij op en zorg dat er niemand door het raam ontsnapt. Vooruit Lasco! stommeling! wat sta je te gapen! Haal den sleutel! Den sleutel, ezelskop!”
“Hieris de sleutel,” riep een zware stem, die Rob dadelijk herkende. En in de gang weerklonk het rinkelen van Zabern’s Hessische laarzen.
Het was tijd. Want de soldaat, een stevige, groote kerel, die Rob gemakkelijk met éen hand had kunnen neerslaan, was van den schrik bekomen en nu nog slechts op lijfsbehoud bedacht. Hij wist met een plotselinge beweging Rob de revolver uit de hand te slaan, en, zich omgooiend, greep hij zijn veel kleineren aanvaller bij de keel.
Daar ratelde de sleutel in het sleutelgat, de zware deur vloog open, en Zabern stond op den drempel. Het volle licht van de gang stroomde nu naar binnen, en twee soldaten met geladen geweren hielden zich gereed ieder neer te schieten die zich in den weg zou stellen.
Zoowel de Maarschalk als de beide soldaten waren ten hoogste verbaasd toen ze zagen wie daarbinnen waren.
“Wel—dat is Michael!” riep Gabor.
“Rensma!” zei de Maarschalk alleen. Een seconde daarna had hij Michael de zware laars op de borst gezet, en Rob kon opstaan—ongedeerd. Ofschoon hijgend van inspanning en verward door de ongewone gebeurtenissen, zag hij dadelijk dat Zabern zijn oplossing van het cijferbericht in de hand had.
“Juist op tijd!” zei de Maarschalk, die het verband tusschen Orloff’s brief en de verraderlijke daad van Michael onmiddellijk begreep. “Gabor en Lasco—ga in die kamer daar; de krijgsraad wacht je wanneer je er uit komt. Ik zal het met dien man alleen wel klaarspelen.”
De beide soldaten gingen heen.
“Goedennacht, Michael,” fluisterde Gabor. “Hemzullen we niet weerzien. Ik ken den Maarschalk.”
Nu Rob weer vrij was, zag hij dat hij zich in een gewelfde steenen kamer bevond, ongeveer twintig pas in ’t vierkant, en slechts spaarzaam van meubelen voorzien. Tegen een der muren was een ijzeren kist met krammen bevestigd; Rob begreep instinctmatig dat de inhoud daarvan het doel van Michael’s onderneming geweest was.
Zabern deed een paar snelle schreden naar de kist, en scheen verlucht toen hij deze gesloten vond.
Daarna wendde hij zich weer tot den soldaat, die verstijfd van schrik op den grond was blijven liggen, bovendien door Rob’s revolver in bedwang gehouden.
Zabern vouwde de armen over elkaar, en zag den man met een vreeselijken blik aan.
“Ik zal niet vragen waarom je hier kwam. Jij en ik weten dat beiden. Je hebt het dus niet te pakken gekregen?”
Michael antwoordde niet.
“Is het nog in de kist?”
Michael bleef zwijgen. Hij scheen van ontzetting de spraak verloren te hebben.
“Waarom zeg je niets?”
“Toen ik binnenkwam,” zei Rob, “hing hier een rooklucht.”
Zabern was meer dan eens een man genoemd, die nooit vrees had gekend. Ditmaal echter faalde die uitspraak. Zijn geheele wezen drukte de grootste vrees uit, toen hij zich de woorden herinnerde uit het papier dat hij in de hand hield:
“Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden.”
“Als je het gedaan hebt, kerel, vermoord ik je! Had je een sleutel? Geef op!”
Steeds antwoordde Michael niet.
De richting van zijn oogen volgend, zag Zabern een sleutel op den grond liggen. Hij opende er de kist mede, en vond dat deze niets dan eenig verkoold papier bevatte. Zijn gelaat nam zulk een afschuwelijkverwrongen uitdrukking aan, dat Rob onwillekeurig terugdeinsde. Een kreet om genade klonk door het vertrek, toen Zabern de revolver uit Rob’s handen rukte en op Michaël aanvloog. Een knal, een doffe slag—en daarna was alles stil. Het was zoo snel in zijn werk gegaan, dat Rob, met afgrijzen vervuld, geen tijd had gevonden tusschen beiden te komen.
“Zonder krijgsraad!” zei hij streng. “Dat gebeurt in Holland niet!”
“Er zijn oogenblikken, waarop men niet met de voorschriften van een wet rekening kan houden,” antwoordde Zabern somber. “Die man wist een geheim, dat zelfs de meest vertrouwde leden van een krijgsraad niet behoorden te weten. Ik heb hem gevonnisd in het belang van den Staat.”
“En hoe zult ge die daad verantwoorden?”
Zabern haalde schouders op.
“Zelfverdediging. Een soldaat brak in in het Paleis. Ik betrapte hem—toen hij zich verzette, schoot ik hem neer. En denk er aan,” sprak hij zoo dreigend, dat Rob naar de deur keek, als wilde hij ontvluchten, “wanneer ik niet wist dat ik op uw stilzwijgen vertrouwen kon, dan—schoot ik ook u hier op de plaats neer! In het belang van den Staat isallesgeoorloofd.”
Rob zweeg. Een zonderlinge vermenging van afkeer en bewondering voor dezen verschrikkelijken man vervulde hem. Eensdeels betreurde hij het, dat een beschaafd, verlicht land zulke geweldige naturen als Zabern noodig had, om zich tegenover dreigend buitenlandsch gevaar staande te houden; aan den anderen kant begreep hij, dat ook het humaanste,zedelijk hoogst-staande volk het onderspit moest delven in een strijd tegen brutale overmacht, zoo het niet werd aangevoerd door mannen als Zabern, mannen met ontembaren wil en ijzeren vuisten. Maar dit hoopte hij van ganscher harte: dat eenmaal de tijd zou aanbreken, waarin geweld en onrecht zouden wijken voor menschelijkheid en verstand, waarin Czernovië een vrij, gelukkig land zou zijn in een vrij, gelukkig Europa. En dat dan de Zaberns gemist konden worden!
Terwijl Rob dit overdacht, had er eenige oogenblikken een pijnlijke stilte geheerscht. Rob verbrak die met de vraag:
“Wat was de misdaad van dien man?”
“De afschuwelijkste misdaad die hij tegenover de Prinses plegen kon, en waardoor de vrijheid van geheel een volk werd vernietigd. Uw ontcijfering van het document is te laat gekomen, slechts enkele minuten te laat om ons van nut te zijn,” antwoordde Zabern bitter.
“Ik begrijp u niet, Maarschalk.”
“Waarop is de vrijheid van Czernovië gegrond? Op het Charter, dat Keizer Nicolaas ons gaf, toen de Republiek op van Rusland gekochten grond gesticht werd. Dat Charter is nu tot asch verbrand. Ziedaar het eerste bedrijf van het drama. Het volgende zal zijn, zooals uit het cijferbericht blijkt, dat de Czaar een deputatie zendt, die de gronden verzoekt te vernemen, waarop Czernovië zich onafhankelijk meent te mogen verklaren. Welk antwoord kunnen we geven? Welke bewijzen voorbrengen? Zonder ons Charter zijn we aan de genade van Ruslandovergeleverd. Zijn Ministers—Nicolaas Bardogolski, de in het document genoemde Minister van Buitenlandsche zaken in de voorste rij!—zullen volhouden dat zulk een Charter nooit werd verleend, dat onze vrijheid op een leugen berust, dat alle bestaande afschriften van dat stuk op een legende steunen, welke wij langzamerhand tot historie vervormd hebben. “Laat ons het origineel zien!” zullen ze zeggen, “Toon ons de autenthieke handteekening van den Czaar!” Begrijpt ge nu wat die man deed?”
De duivelsche toeleg van het complot deed Rob huiveren van afkeer. En zijn gedachten gingen uit naar de Prinses, die op dat oogenblik rustig sliep in haar op ruimen afstand van hier gelegen kwartier van het reusachtig Paleis, nog onwetend van dit nieuwe gevaar dat haar troon bedreigde. Hij voelde nu minder medelijden met den ongelukkige die daar aan zijn voeten lag.
“Waarom verzond hij het document niet naar Rusland?”
“De reden hebt ge in het cijferbericht gelezen. Het was minder gevaarlijk het dadelijk te vernietigen. En zooals ge gezien hebt, had Orloff, de handlanger der Russische Regeering, dat goed begrepen. Had deze man het Charter immers bij zich gestoken, dan was het nu weder in ons bezit. O, ik kan mezelf vervloeken dat ik dit niet voorkomen heb! “Bewaarder van het Charter,” luidt een mijner titels. Een goed bewaarder inderdaad! Gelukkig weten u en ik alleen, dat het complot gelukt is, want die beide soldaten daar begrijpen er niets van. Ze weten niet eens wat een Charter is, nog minder dat het hier bewaard werd.”
“Ik vrees, Maarschalk, dat er anderen zijn die het weten,” zei Rob, een lantaarn met blauw glas oprapend. “Ik zag een teeken geven met deze lantaarn—wat werd daarmee anders bedoeld dan een ergens opgesteld handlanger te berichten dat het Charter verbrand was?”
De Maarschalk stiet een vloek uit.
“Dan kunnen we het gezantschap van den Czaar spoedig verwachten,” zei hij.
Naar het venster gaande, onderzocht hij de tralies.
“Het doorvijlen van die zware staven moet meer dan éen nacht hebben gekost. Hoe is het mogelijk dat de post op de borstwering dit niet belette?”
“Hij maakte zelf deel uit van die post,” zei Rob. “Dat herinnert me er aan, dat er nog een man daarginds ligt; ik sloeg hem neer met zijn eigen wapen.”
“Nog een? Bij alle duivels! Dat je dien vergeten kon! Wanneer hij eens ontsnapt was met het bericht van wat hier was gebeurd!”
Zabern snelde de kamer uit, en klom een wenteltrap op die naar het dak leidde. Rob volgde hem op den voet. De schildwacht lag nog op de plaats waar Rob hem gelaten had. Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik.
“Hij zal nooit weer den verrader spelen. Ge hebt hem den schedel verbrijzeld. En óok zonder een krijgsraad!” voegde hij er droog bij.
Na Gabor en Lasco geroepen te hebben, gaf Zabern hun aanwijzingen om de twee lijken weg te brengen; tevens beval hij de strengste geheimhouding over het gebeurde.
Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik. (pag. 292)Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik. (pag. 292)
Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik. (pag. 292)
Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik. (pag. 292)
Daarna liep hij, met Rob naast zich, eenigen tijd somber en zwijgend langs de galerij.
“Die twee worden morgen naar een garnizoen in ’t Westen verplaatst,” zei hij, op de beide soldaten doelend, die nu met hun last de trap afgingen. “Vertrouwbaar zijn ze, geloof ik, wel,—maar wieiser welbeschouwd te vertrouwen, niet waar? Mijn spreuk is: “wees tegenover iedereen op je hoede—vooral tegenover je zelf.” Ik had gedacht mijn omgeving nu langzamerhand van verraders gezuiverd te hebben, maar, zooals ge ziet, ze huizen overal.”
Er was nog een punt in de kwestie, dat Rob niet duidelijk was. Daarom vroeg hij:
“Hoe is het eigenlijk mogelijk, dat het complot uitgevoerd werd, terwijl toch de brief in onze handen viel, in plaats van aan zijn adres terecht te komen?”
“Mogelijk werden er twee boodschappers uitgezonden, of werd Orloff ongerust toen Russakoff niet binnen een vastgestelden tijd terugkwam, en stuurde hij een anderen brief—die helaas het verlangde resultaat ten gevolge had.”
“Gelooft u, dat de Russische Regeering dit plan op touw heeft gezet?”
“Dat zou ik niet direct willen verzekeren. Wel ben ik ervan overtuigd, dat, zoo ze niet de oorspronkelijke opsteller van het plan is, haar toch elk wapen welkom was dat men tegen Czernovië wist te smeden. En wie aan deze zijde van de grens de Russen in de kaart speelt, dat behoef ik u niet te zeggen.”
“De Hertog van Bora?”
“Wie anders? En toch ontbreekt me het tastbare bewijs van zijn verraad. Misschien had ik beter gedaan dien Michael te laten leven. Hij zou heel wat hebben kunnen vertellen...”
“Maar bewijst het niets tegen den Hertog, dat hij in ’t bezit was van een exemplaar van de Eumeniden, waarin cijfers waren opgeteekend—terwijl nu gebleken is, dat de sleutel uit dat boek te vinden was? Juist de omstandigheid dat ik hem in het Hotel Czernovië dat boek in de hand zag hebben, terwijl ook de laatste woorden van den Secretaris er op doelden, bracht mij op het spoor.”
“Zeker bewijst dat iets—in onze oogen althans. En meer nog: in de gevangenis scheurde de Hertog dat boek aan stukken. Maar wat zullen zijn verdedigers zeggen? “Een toevallige samenloop van omstandigheden!” Bovendien durf ik den Hertog op dat vermoeden niet voor een rechtbank brengen; de rechters zouden het verschrikkelijke feit vernemen dat Czernovië zonder Charter is, een geheim dat voor iedereen, ook voor de Prinses verborgen moet blijven. Laat Hare Hoogheid dit nooit hooren; zij heeft reeds genoeg te dragen.”
“Vertrouw op mijn stilzwijgen, Maarschalk,” antwoordde Rob.
De ochtend begon aan te breken.
“Nu moeten we gaan slapen,” zei eindelijk de Maarschalk. “Czernovië gaat moeielijke tijden tegemoet. Maar ik zal op mijn post zijn. Peter de Groote zei: “er zijn drie Joden noodig om slimmer te zijn dan een Rus.” Welnu: er zullen heel wat Russen noodig zijn om slimmer te zijn dan Zabern.”
Felix aanvaart zijn nieuwe betrekking.—Graaf Feodor Orloff, Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.—Elizabeth antwoordt hem zeer beleefd.—Katina wordt eerst tegen haar zin, daarna vrijwillig gevangen.—Zabern schrijft een brief.—
Felix aanvaart zijn nieuwe betrekking.—Graaf Feodor Orloff, Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.—Elizabeth antwoordt hem zeer beleefd.—Katina wordt eerst tegen haar zin, daarna vrijwillig gevangen.—Zabern schrijft een brief.—
Den volgenden morgen werd Felix in de Witte Zaal ontboden, waar hij, onder de aangename leiding der Prinses zelve, in de geheimen van zijn nieuwe betrekking werd ingewijd. Tot dusver liepen de gebeurtenissen hem mee; ongetwijfeld had hij geen beteren weg kunnen vinden om leidende macht te verkrijgen in de staatsaangelegenheden van Czernovië.
Zij, die aan de geruchten hadden geloofd, die van een uit vroeger tijden dateerende relatie tusschen de Prinses en Felix gewaagden, konden uit de verhouding dier beide personen tot hun verwondering niets opmaken, dat die geruchten ook maar eenigermate bevestigde. Zoo ongedwongen als natuurlijk hun omgang was wanneer zij samen waren, zoo voorzichtig gedroegen zij zich in het openbaar. Geen blik, geen woord verried hun geheim; Felix behield steeds de bescheidenhouding van den ondergeschikte, Elizabeth de autoritaire waardigheid van een Vorstin.
Aan Zabern’s scherp oog was het mysterie niet ontsnapt, dat deze twee menschen klaarblijkelijk aan elkaar verbond; wat hij echter ook van de keuze der Prinses dacht, de voorzichtige Maarschalk liet daarvan niets raden. Hij zag in de toekomst dingen, die voor anderen nog verborgen waren, en, vast overtuigd, dat Felix verborgen redenen had om de onafhankelijkheid van Czernovië te bevorderen, begreep hij te goed dat deze vreemdeling hem in zijn overeenkomstige plannen van groot nut kon zijn, dan dat hij zich verzetten zou tegen een toenadering, die hij eer aanmoedigde dan vreesde.
Een van de eerste dingen, die Elizabeth met haar Secretaris besprak, was het tooneel, dat tusschen Ravenski en haar had plaats gehad. Zij had aan de bedreigingen van dien man in het begin niet te veel waarde gehecht, wetend dat hij even laf als egoïst was, en geen persoon om zich in ernstige politieke verwikkelingen te wagen. Het artikel in de Kolokol had haar echter doen opschrikken, en ze vertelde nu aan Felix het gebeurde, hopend dat hij raad zou weten te verschaffen.
“Voorloopig kunnen we niet anders doen dan dien man in ’t oog houden,” zei Felix. “En ten slotte is het misschien het beste om de geruchten, die hij heeft opgewekt, niet tegen te spreken. Zeker, hij heeft het bewijs, ten minste een moreel bewijs, dat je niet van plan bent in een huwelijk met Bora toe te stemmen, maar wat doet dit er eigenlijk toe? Dat je met iemand anders hoopt te trouwen, iemand, diedoor Rusland nooit zal erkend worden—dat weet hij niet, en daarin ligt toch eigenlijk de hoofdzaak. Bovendien, het Congres heeft alleen bepaald, dat je geen huwelijk mag sluiten zonder toestemming van Rusland, maar er is nooit gezegd, dat je niemand anders kiezen mag dan den Hertog van Bora!”
Intusschen had de Hertog verscheiden dagen in de citadel doorgebracht. Zijn arrestatie was aanleiding geweest tot een vraag van Lipski, den afgevaardigde van Russograd, die in de kamer de Regeering daaromtrent had geïnterpelleerd, klaarblijkelijk met het doel die arrestatie onwettig te doen verklaren. Zabern had kort geantwoord, dat dit een zaak was die den geachten afgevaardigde niet aanging; waarop de geachte afgevaardigde een rede van twee uren hield om te betoogen dat, de Hertog Lid der Kamer zijnde, zijn arrestatie de geheele Kamer, en dus ook hem, Lipski, aanging. Hetgeen Zabern beantwoordde door te zeggen, dat de rechter wel zou uitmaken wie gelijk had. De Hertog had zich bovendien vrijwillig overgegeven, en toonde zich niet tegen zijn gevangenneming te willen verzetten. De Minister zou echter de Prinses in overweging geven den Hertog in afwachting van het vonnis op vrije voeten te stellen.
Deze laatste mededeeling was het gevolg van een gesprek tusschen Felix en de Prinses, waarin deze laatste gezegd had:
“De striem is nu van je wang verdwenen, Felix; als je er geen bezwaar tegen hebt, zouden we den Hertog voorloopig wel zijn vrijheid kunnen teruggeven.”
Felix had hiertegen natuurlijk geen bezwaren, protesteerde zelfs dat Elizabeth de beslissing van hem deedafhangen; en zoo ging er een order naar de citadel, waarbij de gevangene ontslagen werd. Nu bereidde Elizabeth zich op nieuwe moeilijkheden voor. Want als Bora vernemen zou, dat Elizabeth klaarblijkelijk alles in het werk stelde om een huwelijk met hem te verijdelen, zou hij niet nalaten zich openlijk haar vijand te toonen.
Dien zelfden avond werd Felix bij Zabern geroepen, die hem in een sombere stemming ontving.
“Het vermoeden van uw vriend was juist,” zei hij tot Felix, die omtrent het avontuur van Rob was ingelicht, “dat signaal met het blauwe licht was ongetwijfeld een afgesproken teeken met een handlanger. Het verbranden van het Charter is aan derden bekend geworden. Het complot breidt zich uit. Wie denkt ge dat over enkele dagen hier zal zijn? Feodor Orloff!”
“Orloff!?”
“Niemand anders dan hij. Als afgezant van den Czaar komt hij een audiëntie vragen bij de Prinses. Ge begrijpt het doel van zijn komst?”
“Hij wil zeker het Charter zien!”
“Natuurlijk!”
“Maar wordt het dan geen tijd dat we de Prinses alles vertellen? Wat moeten we doen wanneer ze hem op zijn vraag antwoordt, dat hij het Charter zal mogen zien?”
“Dat zal ze niet doen. Ik heb haar overtuigd dat dit verkeerd zou zijn, dat we door zulk een toegevendheid een gevaarlijk voorbeeld zouden stellen. Het gaat niet aan, ons maar door elke deputatie die er lust toe heeft, naar onze huishoudelijke aangelegenheden telaten vragen. Geloof me, de Prinses zal hem weten te antwoorden. Een diplomatiek gesprek is haar toevertrouwd.”
Acht dagen later maakte Prinses Elizabeth zich gereed audiëntie te verleenen aan Graaf Feodor Orloff, Gouverneur van Warsim, buitengewoon gezant van Zijne Keizerlijke Majesteit den Czaar.
Eenige minuten vóor dit onderhoud plaats had, gebeurde er een zonderling tooneel in het studeervertrek van Zabern. Juist toen de Maarschalk zich gereed maakte dit heiligdom te verlaten, werd de deur geopend, en Katina Ludovska door een viertal soldaten, die daarna weer vertrokken, binnengebracht.
“Mijn spionnen hebben je dus gevonden,” zei hij met een glimlach van voldoening. “Waar heb je je de laatste dagen opgehouden?”
“Dus is het waar, dat ik op uw bevel gevangen genomen ben!” riep Katina met fonkelende oogen.
“Volkomen waar. Deze kamer zal voorloopig je verblijf zijn. Kijk eens, hoe gemakkelijk, ja weelderig, ik ze voor je heb ingericht. De vensters zijn getralied, maar om zoo’n kleinigheid zal je wel niet geven.”
“Waarom ben ik hier?”
“Om je leven te sparen. Weet je wel, Katina, dat, wanneer je Orloff doodschoot, ik, als Minister van Justitie, zou moeten zorgen dat je ter dood veroordeeld werd?”
“Dus u hebt mijn plan geraden,” zei ze bitter.
“En ik moet het verijdelen. Kom, Katina, wees verstandig. Waarom zou je je in gevaar brengen. Door den gezant van den Czaar te vermoorden zouje bovendien een reden doen ontstaan om Czernovië te annexeeren—een land waar onschendbare personen niet veilig zijn!”
“En ge zoudt me dus mijn wraak ontnemen?” zei Katina met een gebaar van wanhoop. “Welke andere gelegenheid zal ik er nu ooit voor hebben? Wanneer men me in Rusland niet te goed kende, was ik al lang de grens overgegaan om hem neer te schieten. Maar zoodra ik een voet in Rusland zette, zou ik gegrepen en weer naar Orenburg gezonden worden.”
“Ik voel alles voor je boosheid, en ik zou hoogstwaarschijnlijk even zoo doen als ik Katina was. Maar ik ben Zabern, zie je, en ik moet het eerst denken aan de belangen van het Gouvernement. Schiet Orloff op neutraal terrein dood—prachtig! Maar hier op Czernovischen grond zouden we zelfs den duivel moeten respecteeren wanneer hij in de gedaante van gezant kwam.”
In de verte klonk nu een fanfare van trompetten, ten teeken dat de ambassade den ingang van het Paleis had bereikt.
Dit geluid scheen Katina razend te maken.
“Dus hij zal hier met praal en pracht ontvangen worden, terwijl ik niets mag doen om me te wreken! Naar de hel met de politiek!” riep ze hartstochtelijk. “Ga opzij. Ik laat me niet tegenhouden!”
Ze snelde naar de deur, maar Zabern was op zijn hoede, en stelde zich met uitgespreide armen in den weg.
Toen zag Katina het nuttelooze van haar pogingen in, en ze viel moedeloos in een stoel neer.
Zwijgend ging Zabern heen, de deur zorgvuldig achter zich sluitend.
Elizabeth had last gegeven de audiëntie met groote pracht te doen plaats hebben. De Troonzaal, een reusachtige ruimte, welker gewelfd dak schitterde van het goud, was er voor uitgekozen. De wanden waren beschilderd met tooneelen uit de geschiedenis van Czernovië en Nederland; de meubels waren met het zeldzaamste en kunstigste snijwerk versierd.
Langs de muren stonden de reusachtigste grenadiers, die de Lijfgarde bezat; in hun onbewegelijkheid leken ze eer op beelden dan op menschen.
Aan elke zijde van den troon, waarop Elizabeth in een wit satijnen kleed, waarover een purperen statiemantel, had plaats genomen, stonden de Ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders, grootendeels mannen die elk oogenblk gereed waren voor de Prinses te sterven.
Felix, achterwaarts van den troon aan een kleine marmeren tafel gezeten, belast met het opteekenen van wat er dien middag gesproken zou worden, kon niet nalaten de poëtische pracht van het geheel te bewonderen. En toch speelden hem in ditoogenbliktoekomstdroomen door het hoofd, die zeer van deze werkelijkheid verschilden. Hij was zeer zeker niet ongevoelig voor het indrukwekkende, dat van de zaal, de uniformen, de ceremoniën, kortom van dit geheele schitterende tooneel uitging; maar zijn gedachten waren naar den eenvoud van vroeger teruggegaan, en zijn geheele levensopvatting deed hem vurig verlangen naar een nieuw, hervormd toekomst-Czernovië,een Oranje-Republiek, waar niet de praal, maar de wijsheid zou heerschen, waar niet de machtigste en rijkste, maar de edelste en verstandigste mannen den Staat zouden leiden, uit welke klasse der maatschappij ze ook mochten zijn voortgekomen. Hij wist datElizabethdeze denkbeelden deelde, maar beiden begrepen ze, dat de tijd daarvoor nog niet gekomen was, dat de tegenwoordige omstandigheden zelfs zulke verouderde tentoonspreidingen van macht en uiterlijke praal eischten.
De gezant van den Czaar was een man van reusachtigen lichaamsbouw, in een schitterende uniform gestoken. Zijn gelaatsuitdrukking wees op een ruwe en wreede natuur; hij was juist om zijn onbesuisde en brutale manier van optreden voor deze zending uitgekozen, in de hoop dat zijn ruwheid de Prinses tot onvoorzichtige, door toorn ingegeven antwoorden zou verlokken, waaruit Rusland reden tot moeielijkheden zou kunnen putten. Daarom had Elizabeth, door Zabern gewaarschuwd, zich voorgenomen den gezant, hoe onbeschaamd hij zich mocht uitlaten, niet in de kaart te spelen.
Toen Orloff binnenkwam, wisselden Zabern en Felix een blik, waaruit hun verachting sprak voor dezen man, den beul van Katina, den bewerker van den aanslag op Czernovië’s onafhankelijkheid.
“Zijn overgrootvader was al een misdadiger,” fluisterde Zabern Felix toe.
“Wat misdeed zijn overgrootvader?”
“Hij vermoordde een Czaar. Wist je dat niet? Hij is de afstammeling van Gregorius Orloff.”
Ofschoon het onrechtvaardig was zich te laten leidendoor wat een voorzaat van Orloff gedaan had, voelde Felix toch zijn afkeer van dien man toenemen. Dat zoo’n man als gezant tegenover Elizabeth moest staan!
Orloff had zijn lederen handschoenen uitgetrokken, en het leek Felix alsof zijn zware, breede handen dezelfde waren die den ongelukkigen Czaar Peter III de keel haddendichtgeknepen.
Met een zonderlinge mengeling van nederigheid en trots knielde de gezant voor den troon, en, na zijn geloofsbrieven te hebben overhandigd, richtte hij zich weer in zijn volle lengte op, en begon met luide stem:
“Zijne Majesteit de Czaar, Keizer aller Russen”—hier volgde een lange rij titels, waaronder ook “Suzerein van Czernovië,” een titel die velen fluisteren deed: “voor hoe lang nog?”—“verzoektte mogen vernemen of de Prinses voornemens is zich in een huwelijk te begeven zonder toestemming van hem, den Czaar?”
“Ofschoon ik het recht van den Czaar ontken om mij deze vraag te stellen,” antwoordde Elizabeth rustig, “behaagt het mij nochtans die te beantwoorden. Men schrijft mij geheel ten onrechte het voornemen toe tot een huwelijk—zoodat dus ook de mogelijkheid niet bestaat van een huwelijk zonder toestemming van den Czaar.”
“In dat geval verzoekt de Czaar te mogen weten, welke bezwaren er van de zijde der Prinses zouden zijn tegen een huwelijk met een door hem, den Czaar, aan te wijzen toekomstig Prins-Gemaal?”
Op deze vraag volgde het laconieke antwoord:
“Voorloopig deze drie bezwaren: ten eerste dat die toekomstige Prins-Gemaal klaarblijkelijk nog niet aangewezen is, ten tweede dat de zekerheid nog niet bestaat of hij die aanwijzing zou volgen; ten derdedat—ingeval hij ze volgde—mijn antwoord op zijn aanzoek nog twijfelachtig is.”
Orloff, die gehoopt had een formeele weigering tegenover den Hertog te zullen vernemen, was niet weinig uit ’t veld geslagen door dit diplomatieke en toch zeer duidelijke antwoord, dat een glimlach bij de aanwezigen opwekte.
“Ik zal Uw antwoord aan den Czaar overbrengen,” zeide Orloff. Daarna ging hij tot het tweede punt over.
“De Czaar moet tot zijn leedwezen constateeren, dat een inbreuk op de Russische rechtsmacht is gepleegd, door een zijner bloedverwanten, den Hertog van Bora, op Russischen bodem te doen arresteeren.”
“Hebt gij een bewijs voor deze voorgewende schending?”
“Voorgewende schending?” riep Orloff met geveinsde verbazing. “Beteekent dit twijfel aan het woord van den Czaar?”
“In zooverre, Graaf Orloff, dat ik als ooggetuige kan verklaren den Hertog op Czernovisch gebied te hebben zien arresteeren.”
“Van Russische zijde verklaren twee getuigen het tegengestelde.”
“Die getuigen zijn?”
“De Secretaris van den Hertog, Baron d’Ostrova, en een Kozak die aan de grens op schildwacht stond.”
Een gemompel van verontwaardiging over deze woorden ging door de zaal.
“Het woord van een Prinses weegt wel tegen die verklaringen op. En die Prinses, Graaf Orloff, beroept zich op andere getuigen dan een Kozak! De Hertog van Bora wordt verzocht nader te komen.”
En tot verbazing van den Graaf, die met de aanwezigheid van den eerst kortelings in vrijheid gestelden Hertog onbekend was, trad Bora tot voor den troon. Hij had niet verwacht zoo opeens tot getuige geroepen te worden, en hoezeer met tegenzin, voelde hij zich gedwongen hier, in het bijzijn van hen die zijn arrestatie gezien hadden, de waarheid te zeggen.
Met een gedwongen glimlach boog hij voor zijn mede-samenzweerder.
“Inderdaad moet er hier een vergissing in het spel zijn,” sprak hij. “Mijn arrestatie geschiedde aan de Czernovische zijde der grens.”
Orloff kon niet zeggen dat het hem meeliep; hij liet daarom dit punt rusten en ging voort:
“Er zijn twee strafbare feiten gepleegd, waaromtrent de Czaar nader ingelicht verzocht te worden: ten eerste een duel op Russisch grondgebied, ten tweede omkooping van een Russisch schildwacht ten einde dat duel mogelijk te maken.”
“Diezelfde eerlijke Kozak,” vroeg Elizabeth vriendelijk, “wiens getuigenis ge zooeven tegen mij gebruiken wilde?”
Een glimlach ging door de vergaderzaal.
Orloff fronste de wenkbrauwen, ging niet op Elizabeth’s vraag in, en vervolgde:
“Daarom wenscht de Czaar, wegens inbreuk op de Russische wet, de uitlevering van twee personen: den Hertog van Bora, en den Hollander Van Heelstra, thans Uwer Hoogheids Secretaris.”
“Mijn Secretaris,” antwoordde Elizabeth, “is zooals u hem terecht noemt, Hollander. Het zal daarom voorzichtiger zijn te wachten, totdat de Hollandschegezant te St. Petersburg geraadpleegd is. En dan blijft het nog de vraag in hoeverre de wetten uitlevering toestaan. Om geen ongelijkheid in ’t leven te roepen, moet ook de kwestie betreffende de uitlevering van den Hertog blijven rusten tot die vraag is beantwoord. De Hertog kan trouwens het land niet verlaten eer de rechtbank zijn zaak geheel heeft onderzocht.”
Orloff begreep, dat hij niet veel verder kwam. De Prinses beantwoordde zijn vragen welwillend en afdoende, zoodat er geen enkele reden te vinden was om zich over de ontvangst te Slavowitz te beklagen. Maar Orloff had nog andere pijlen in zijn koker, en maakte zich gereed die af te schieten.
“Uwe Hoogheid beroept zich op wetten en voorrechten, waarvan het recht van bestaan zou kunnen betwijfeld worden. Berusten zij op het Charter van Czaar Alexander?”
“Maarschalk, ik verzoek u een afschrift van het Charter te doen brengen.”
“Vergeef me, Hoogheid,” zei Orloff snel, een blik wisselend met Bora, die door Zabern gezien en begrepen werd, “geen afschrift! Ik zou gaarne het oorspronkelijk document zien.”
Elizabeth zag hem onderzoekend aan, zonder te vermoeden welk verraderlijk doel zijn vraag had.
“Ge wilt het oorspronkelijk document zien? Dat is een zonderling verlangen. Het Charter werd in duplo geteekend, het voor Rusland bestemde exemplaar werd in de archieven van het Kremlin gedeponeerd—waarom hebt geuworigineel niet geraadpleegd? Wat doet u in Czernovië zoeken, hetgeen in uw eigen land te vinden is?”
“De omstandigheid, Prinses, dat wij in het Kremlin tevergeefs zochten. Wij hebben de beweerde aanwezigheid van dat document niet kunnen constateeren.”
“Debeweerdeaanwezigheid?” herhaalde Elizabeth verbaasd.
“Ja,” antwoordde Orloff, met zulk een onbeschaamden grijnslach, dat men hier en daar een sabel ten halve uit de schee hoorde vliegen. “Ja—want de waarheid is dat Czernovië nooit zulk een Charter bezeten heeft. Hoe het den eersten zoogenaamden President der Oranje-Republiek gelukt is, met den koop der gronden van Rusland enkele vrijheden te verkrijgen, is ons onbekend; vast staat echter dat het verhaal betreffende een Charter, door den Czaar verleend, een samenweefsel van leugens moet zijn, waaraan weldra een einde zal gemaakt worden. De Russische Regeering bezit de bewijzen, dat de onafhankelijkheid van Czernovië op een legende berust.”
Elizabeth lichtte de hand op om aan het toornig gemompel der vergadering een einde te maken.
“En uit het niet-bestaan van het Charter zou volgen—?”
“Dat Czernovië, evenals de andere provinciën, onder het rechtstreeksch bestuur van Rusland behoort te staan.”
Elizabeth zag den gezant verachtelijk aan.
“Gedurende een eeuw hebben zich dus, volgens u, de slimme Russische staatslieden, uit wier midden gij gekozen zijt, om den tuin laten leiden! En erger nog: het Congres van St. Petersburg heeft twee grootmachten in Rusland’s onvergeeflijke domheid doen deelen. Vestig de aandacht van den Czaar eens op het decreet van dat Congres, Graaf Orloff: dáárvan zal het origineelwel niet verdwenen zijn! Het behelst onder anderen deze zinsnede: “De Staat van Czernovië zal volgens het door den Czaar verleende Charter bestuurd worden, behoudens de bij dit Congres nader aangeduide omschrijvingen. Rusland, Oostenrijk en Duitschland worden gevolmachtigd de uitvoering van dit besluit te bewaken.” Zie, Graaf Orloff, zoo sprak het Congres. Het nam dus het bestaan van het Charter aan. En nu zou de Czaar het ontkennen?”
“Inderdaad, Hoogheid. Alleen wanneer het Charter mij getoond werd, zou de Czaar van zijn twijfel terugkomen. En ik geloof dat het U een kleine moeite zou kosten mij op dit punt tevreden te stellen.”
“Maarschalk Zabern is de Bewaarder van het Charter. Hij zou u zeer zeker het in den oostelijken vleugel van het paleis bewaarde Charter kunnen laten zien. Ik meen echter...”
“Vergun mij op te merken,” viel Zabern de Prinses in de rede, “dat het Charter sinds eenige maanden niet meer in het Paleis berust. Vrees voor brandgevaar deed mij besluiten het in de Czernovische Bank te deponeeren, waar het absoluut veilig is. Het exemplaar, waarvan Uwe Hoogheid spreekt, is een afschrift, te Uwer eventueele raadpleging gereedliggend.”
De natuurlijke wijze waarop Zabern sprak deed Felix zelf bijna de dupe dezer woorden worden. Te meer maakten ze indruk op Orloff, wiens gezicht ontsteltenis uitdrukte. Het Charter in den oostelijken vleugel een afschrift! Dus het complot had slechts de vernietiging van een waardeloos stuk papier ten gevolge gehad—Czernovië stond vast als te voren!
Orloff’s schrik en verslagenheid werden door Bora’sgelaat weerspiegeld. Felix zag het, en hij was benieuwd hoe de man zich hieruit redden zou.
“Ik moet dus aannemen,” sprak hij, “dat men den gezant van den Czaar weigert, het Charter te onderzoeken?”
“Volstrekt niet, Graaf Orloff,” antwoordde Elizabeth op haar beminnelijksten toon. “Ik betwijfel echter of Rusland de voorzichtigheid niet te buiten gaat, door dit onderzoek zonder Oostenrijk en Duitschland te willen verrichten, die toch bij het Petersburger Congres dezelfde rechten van toezicht ontvingen.Zijhebben geen twijfel aan ’t bestaan van het Charter geopperd. Een gezantschap derdrieMogendheden zal ik zeer gaarne in de gelegenheid stellen het gevraagde onderzoek te verrichten.”
Orloff voelde de nieuwe moeielijkheid die hier in ’t leven werd geroepen. Het was ontwijfelbaar, dat Rusland ten opzichte van Czernovië geen ingrijpende maatregelen kon nemen zonder de beide andere mogendheden daar in te kennen, die op hun beurt niet zeer geneigd zouden zijn mede te werken in een onderneming, waarbij alleen Rusland winnen kon. Nog éen kans zag Orloff open, zij ’t dan ook dat hij daarvan geen dadelijk gebruik kon maken.
“De Czaar is voornemens Uwe Hoogheid niet slechts den personeelen titel van Prinses te blijven toekennen, die Zijne Majesteit U eertijds als blijk zijner gunst en vriendschap verleende, doch op een nader te bepalen tijdstip U als Prinses van Czernovië te doen kronen, waartoe de instemming van Oostenrijk en Duitschland reeds is verkregen. Ik zou het mij tot een voorrecht rekenen, Zijne Majesteit Uwingenomenheid met dit plan te mogen overbrengen.”
Elizabeth had dit allerminst verwacht; zij begreep dat het een begin was om de nog slechts in naam bestaande Republiek tot een monarchie, een vazalstaat, daarna een bezitting van Rusland te vervormen. In haar onzekerheid omtrent het te geven antwoord, zag zij Zabern van ter zijde aan; deze vertrok geen spier, doch knikte alleen nauw merkbaar toestemmend met het hoofd.
De Prinses begreep dit teeken, en antwoordde:
“Voorloopig voel ik geen bezwaar deze vriendschapsbetuiging van den Czaar, waarin ik overigens slechts een formaliteit zie, te aanvaarden.”
Orloff, ofschoon hiermee slechts ten halve tevredengesteld, was zoo verheugd eenig terrein gewonnen te hebben, dat hij gretig de nu volgende vraag stelde:
“Wanneer de plechtigheid der kroning plaats heeft, zal het noodzakelijk zijn, eenige wijzigingen aan te brengen in het Charter—in zooverre immers het bestaan daarvan door U wordt volgehouden. Ingrijpende veranderingen zullen dat niet zijn; louter onbeteekenende, doch naar den vorm noodzakelijke wijzigingen, waartegen Uwe Hoogheid in geen geval bezwaren zult hebben. Ik mag er ongetwijfeld op rekenen, dat bij die plechtige gelegenheid het Charter, waarop Uwe Hoogheid den eed van trouw ook in Uw nieuwe waardigheid zult hebben te hernieuwen, aan het volk en aan de vertegenwoordigers van den Czaar zal vertoond worden?”
“Ik noodig u, Graaf Orloff, in ’t bizonder uit, met Maarschalk Zabern zitting te nemen in den Kanselarij-Raad, in welker handen ik dien eed zal afleggen.”
“Onder nadere goedkeuring van mijn Keizerlijken meester reken ik het mij tot een voorrecht die onderscheiding aan te nemen,” zei Orloff, door den rustigen en vasten toon, waarop de Prinses die woorden sprak, nog sterker geschokt in zijn geloof aan het verbranden van het echte Charter.
Wat Zabern betreft, hij voelde dat de Prinses, ofschoon niet anders kunnende handelen, een gevaarlijke belofte gedaan had. Wat zou het gevolg zijn, wanneer op den Kroningsdag inderdaad het Charter bleek te ontbreken? Er welde een vraag naar zijn lippen, die in het volgende oogenblik door de Prinses werd uitgesproken, zij het ook door een geheel andere overweging daartoe geleid. Er kwam een lichte trek van spot op haar gelaat, toen ze vroeg:
“Uw gebieder is zoo welwillend, Graaf Orloff, klaarblijkelijk tot den dag der Kroning het bestaan van ons Charter nog als bewezen aan te nemen. Wanneer nu echter op dien dag zijn vermoedens omtrent het niet-bestaan van dat document inderdaad gegrond blijken te zijn?”
“Zijne Majesteit heeft mij niet gemachtigd die vraag te beantwoorden, Prinses,” sprak Orloff. “Ik meen echter mijn bevoegdheid niet te buiten te gaan, door U nu reeds te verzekeren, dat daarvan ongetwijfeld zeer ingrijpende veranderingen voor Czernovië het gevolg zouden zijn.”
De Prinses vroeg niet verder.
Orloff boog, zeggend:
“Mijn zending is geëindigd.”
“Graaf Radzivil,” zoo wendde Elizabeth zich tot den Premier, “ik verzoek u onzen gast in alle mogelijkeopzichten van dienst te zijn voor den tijd dien hij nog binnen de grenzen van dezen Staat wenscht door te brengen.”
Maar Orloff, weinig ingenomen met den uitslag van zijn zending, en wetend dat hij in Czernovië niet veel vriendelijke gezichten zou zien, wees dit aanbod van de hand, door te verklaren dat hij onmiddellijk naar St. Petersburg wenschte terug te keeren.
“Tegenover den Czaar ben ik verplicht niet te dralen met het overbrengen Uwer antwoorden.”
“De Czaar is om zulk een bescheiden dienaar te benijden. Mijne Heeren, ik verklaar de audiëntie voor geëndigd.”
Zabern was de eerste, die naar oud Poolsch gebruik zijn zwaard trok en dit als beschermend boven Elizabeth’s hoofd uitstrekte; ofschoon dit geen Czernovische gewoonte was, voelden de overige aanwezigen zich onwillekeurig meegesleept door deze uiting van ridderlijk eerbetoon. Een dubbele rij vormend, volgde men zijn voorbeeld, en de schoone heerscheres verliet, met een glimlach en een blos, onder dit veilig gewelf van blinkende klingen de zaal, nagejuicht door kreten van: “Leve de Prinses!”
Zij had een diplomatische overwinning op Rusland behaald, maar niemand wist beter dan zij dat deze slechts tijdelijk was, en dat Rusland elke gelegenheid zou aangrijpen om een nieuwen aanval te wagen.
Het gezelschap verspreidde zich. Orloff vertrok onmiddellijk naar St. Petersburg. De Hertog, met wrok in het hart, volgde de Prinses naar haar studeervertrek, ten einde eens voor al uit haar eigenmond te vernemen, of zij inderdaad voornemens was van een huwelijk met hem af te zien. De Ministers zochten den Hoftuin op, waar zij het gebeurde bespraken.
“De Czaar zal zich daar niet bij neerleggen,” zei Radzivil, “en toch kon de Prinses moeielijk anders spreken, wilde zij haar waardigheid ophouden.”
“Hebt ge op de twee verraders gelet?” zei Zabern tegen Felix, die met hem in de Troonzaal was achtergebleven. “Ze zullen nu wel aan het succes van hun complot gaan twijfelen. En Orloff is zoo goed als overtuigd, dat het Charter nog ongedeerd is.”
“Toch heeft hij vermoedens, vrees ik,” zei Felix. “U hebt de moeielijkheid verschoven, doch tijdelijk. Wat zal er gebeuren, als het Charter op den kroningsdag ontbreekt? En is eigenlijk die kroning op zichzelf niet een gevaarlijk ding?”
“Ach,” antwoordde Zabern luchtig. “Komt tijd, komt raad. Ik zal er wel wat op vinden. En wat die kroning betreft—zoo iets bedreigde ons elken dag. Het bericht kwam alleen wat vroeger en onverwachter dan ik gedacht had. De kroning is natuurlijk het voorspel van het huwelijk—of van een annexatie. Maar zoover zijn we nog niet!”
“Veroorloof me nog een vraag. Gelooft u, dat de Hertog de eenige verrader is in het Kabinet?”
“Geen oogenblik,” lachte Zabern. “Er is nog een tweede vogel dien ik knippen wil. En de Prinses weet even goed als gij wien ik bedoel—Ravenski!”
“U weet alles, Maarschalk!”
“Heel veel ten minste. Ik wist alleen tot nu toe niet, wat de Prinses mij eerst gisteren meedeelde,en wat zij ook u had verteld: het tooneel dat tusschen haar en Ravenski plaats greep. Wel, Ravenski beteekent als tegenstander niet veel. Bovendien staat zijn verraad op zichzelf. Hij tracht alleen zijn eigen persoon te bevoordeelen. Laat hem maar aan mij over.”
Daarna, als waren al deze dreigende gevaren van weinig gewicht, ging de Maarschalk luchtig op een ander onderwerp over:
“Zie ik u vanavond op het bal masqué?”
“Zonder twijfel,” antwoordde Felix. Had de Prinses, die in haar costuum en achter haar masker onherkenbaar zou zijn, niet beloofd met hem te dansen? “Maar zult u er zijn, Maarschalk?” ging hij voort. “Ik dacht niet dat u een man voor muziek en dans was!”
“Dat ben ik ook niet. Maar de maskerade, die vanavond op bevel der Prinses gegeven wordt, is iets meer dan louter een feest. Ook op een bal sluit men de politiek niet buiten. Maar ge zult het wel zien. Let op mijn woorden: op het bal van dezen avond zal de geschiedenis van Czernovië geschreven worden. Tot ziens!”
Met deze woorden ging Zabern heen, en zocht de kamer op waar hij Katina had achtergelaten.
Hij vond haar in nadenken verzonken bij het venster zitten; een revolver lag naast haar. Hij had verwacht met onstuimige verwijten ontvangen te zullen worden; in plaats daarvan zag ze hem met een blijden glans in de oogen aan. Zabern verwonderde zich over die merkwaardige verandering.
“Je gevangenschap is geëindigd, Katina,” zei hijvriendelijk. “Orloff is vertrokken.”
“Ik weet het,” antwoordde ze, “want ik heb hem zien gaan. Hij nam zijn weg door den tuin, en van uit dit venster kon ik hem duidelijk waarnemen. O, Maarschalk Zabern”—Katina tikte met den vinger op de revolver—“dat was niet handig van u, mij mijn wapen niet te ontnemen!”
“En waarom maakte je er geen gebruik van?” vroeg Zabern, die voelde den steek te verdienen. “Deed de gedachte aan Czernovië...”
Katina verborg haar gelaat in de handen.
“Het was zelfzuchtig van me—maar, neen, niet het heil van Czernovië weerhield mijn hand. Iets... iemand anders.”
“Iemand? Iemand, die zooveel invloed op je heeft, dat...”
Katina knikte zwijgend. Daarna zag ze Zabern in de oogen, en vulde zijn woorden aan:
“Iemand, dien ik zoo liefheb, dat ik om zijnentwil zelfs mijn wraak ondergeschikt maakte aan zijn verlangen.”
“Dus jij, Katina—de wraakzuchtige, onbesuisde Katina—je bent ontvankelijk voor die zachtere gevoelens?”
“Hebt ge daaraan ooit getwijfeld?”
“Ik had me er aan gewend, te denken dat je hierin evenzoo zou zijn als ik—ongevoelig voor alles, behalve voor onze liefde tot het vaderland!”
“En is dat waarlijk zoo, Maarschalk? Is er in uw hart werkelijk voor zachtere gevoelens geen plaats? Zou zij, die u liefheeft, nooit op wederliefde mogen hopen?”
Er was een oogenblik stilte.
Toen scheen het, alsof Zabern, de stoere, ruwe Zabern, die nooit vrees had gekend, die gespot had met dood en gevaar—alsof die sterke man zwak was geworden als een kind.
“Katina!” was ’t eenige wat hij stamelen kon. En op de knieën neervallend verborg hij het hoofd in haar schoot.
“Dus mij heb je lief. Mij, den leelijken ouden kerel met éen hand, en een verweerd gezicht vol sabelhouwen! En dat terwijl duizend jonge Czernoviërs op leven en dood zouden willen vechten om jou als bruid te verwerven!”
“Maar geen van hen is immers als Zabern!” zei Katina, in haar verwarring blozend en bevend tegenover een aandoening, sterker dan ze ooit in haar leven gevoeld had.
Zabern drukte haar in zijn armen.
“Katina,” sprak hij, en nooit had ze geweten dat zijn stem zoo zacht en welluidend kon klinken, “Katina, kus me!”
Zoo waren dan deze twee onwrikbare, onoverwinnelijke menschen in enkele oogenblikken weerloos gemaakt en tot slaven van een macht, die sterker is dan alle Zaberns en Katina’s ter wereld: de Liefde!
Nog geruimen tijd zaten ze te samen, en de Maarschalk ging zoo geheel in deze voor hem nieuwe gewaarwordingen op, dat, toen op zeker oogenblik een Secretaris aan de deur klopte, meldend dat hij regeeringsbrieven te overhandigen had, Zabern alle politiek vergat en den Secretaris toeriep, de papieren aan den duivel te brengen.
“Dat blijft in de familie,” mompelde de verschrikte Secretaris, terwijl hij, verwonderd over dezen uitval, heenging.
“Ik geloof toch wel,” zei Katina, “dat dit prettiger is dan opgehangen te worden voor het dooden van Orloff!”
“Dat is het zeker,” antwoordde Zabern. “En het doodschieten van Orloff zou bovendien een veel te lichte straf voor hem geweest zijn. Ik weet iets anders voor hem. En daarbij heb ik jou hulp noodig.”
“Als ik er toe in staat ben, beschik dan over me.”
“Je hebt slechts je pen te gebruiken om me te helpen. Luister hoe. Maar bedenk, dat ik je een staatsgeheim toevertrouw, dat zelfs de Prinses en het Kabinet onbekend is.”
Zabern zette haar nu zijn plan uiteen, eindigend met de woorden:
“Nu begrijp je dus hoe je me helpen kunt?”
“O Ladislas!” zeide ze, ernstig het hoofd schuddend, “ik geloof dat je me toch aan de galg wilt brengen!”
“Dat zal je meevallen!” lachte Zabern. “Dit plan is het eenig mogelijke om Czernovië te bevrijden. Slechts jij en ik mogen het weten, en niemand zal het zoo goed als jij kunnen uitvoeren. Je zult het dus doen?”
“Ik zal alles doen wat je me vraagt,” antwoordde Katina eenvoudig.
Dadelijk na haar vertrek schreef Zabern een brief van den volgenden inhoud: