Zeventiende Hoofdstuk.

Hoe Katina een troïka ment.—Het klooster.—De Russische wijk van Slavowitz.—De troïka komt in het gedrang.—Paul wordt doodelijk gewond.—Felix, Zabern en het raadselschrift.—Zou Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?

Hoe Katina een troïka ment.—Het klooster.—De Russische wijk van Slavowitz.—De troïka komt in het gedrang.—Paul wordt doodelijk gewond.—Felix, Zabern en het raadselschrift.—Zou Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?

Ofschoon Katina alle Russen haatte, had zij toch een eigenschap met hen gemeen—den hartstocht voor wild rijden.

Met voetgetrappel en luide kreten zette zij de paarden steeds tot meer spoed aan. Ze had een lange zweep met een kort handvat, en daarmee knalde ze lustig, doch zonder de paarden te raken. Onder het rinkelen der zilveren bellen, waarmee de duga was behangen, snelden de vurige dieren voort alsof ze een wedstrijd met elkaar hielden, terwijl Katina het span mende met een kracht waarover de drie mannen zich verbaasden.

Was de weg breed, dan spreidde ze de galoppeerende paarden uit als een waaier; en als de weg zoo nauw was, dat men er nauwelijks langs kon, dan wist ze de dieren bij elkaar te houden alsof ze bijna geenruimte innamen, terwijl ze geen oogenblik de snelheid van het voertuig verminderde.

Nu en dan stond ze op, boog zich voorover als een menner van een Romeinsche zegekar, en riep den vrienden vroolijk lachend een “vasthouden!” toe; in het volgend oogenblik vloog de troïka een steile helling af—plotseling spatte en plaste het water om hen heen, en eer men begreep dat het voertuig door een riviertje getrokken werd, beklommen de ponies alweer den tegenover liggenden oever.

De verrassende kunststukken waarmee deze stoutmoedige bestuurster nu eens de troïka langs den rand van een kloof joeg, dan weer een hinderpaal vermeed die zich plotseling in haar weg stelde, gaan alle beschrijving te boven, en elk oogenblik meende Rob, die nog nooit van zulk rijden gehoord had, dat de troïka in splinters zou vliegen. De snelle, wiegende beweging, die sommigen dezelfde gewaarwording geeft als zeeziekte, was wel vreemd, maar op De Vogel en op het jacht van Lane was hij aan zulke ondervindingen gewoon geraakt.

“We zullen met deze snelheid den Maarschalk gauw inhalen,” zei Felix.

“We volgen denzelfden weg niet,” antwoordde Katina. “Ik rijd gewoonlijk dezen weg, al loopt hij om. En vanavond was het me er om te doen u dit klooster te laten zien.”

Ze bracht de troïka tot staan, en wees naar een reusachtig gebouw, dat ongeveer honderd meter van den weg lag, en in middeleeuwsche statigheid tegen den helderen hemel afstak.

“Dit klooster is tevens een sterke vesting en heeftmenigmaal Turksche en Russische legers tegengehouden,” zei Katina. “Hoort ge dat orgel en die zingende monniken wel? Dat klinkt nu al, dag en nacht, onafgebroken door sedert het Petersburger Congres. Men bidt er voor de vrijheid van Czernovië. De bewoners zijn in drie deelen verdeeld; als het eene werkt, rust het andere en zingt het derde. Zoo is het er geen oogenblik stil. En het heeft nooit aan stemmen ontbroken; de bewoners worden steeds aangevuld en bestaan grootendeels uit ontslagen of ontsnapte staatsgevangenen, die Rusland naar Siberië zond. Verdienen zij niet, dat hun gebed verhoord wordt?”

Katina nam de teugels weer op, en opnieuw vloog de troïka voort, zoo snel dat ze nauwelijks den grond scheen te raken. Het majestueuse klooster en de geheimzinnige stemmen verdwenen in de duisternis.

Onophoudelijk vuurde Katina de paarden aan, en een uur na het vertrek kwam Slavowitz in het gezicht, dat sedert de Russische bedreigingen in een sterke vesting was veranderd.

“Zal ik de Troitzka Poort doorrijden?” vroeg Katina.

Paul knikte toestemmend.

“Dat spaart een omweg uit,” zei hij, “en dan zien we meteen eens hoe de stemming in het Russische kwartier is.”

Maar al te spoedig kwam men, het Troitzkoi Prospekt doorrijdend, tot de ontdekking dat die stemming alles behalve rustig was. In Russograd, het kwartier waar door toedoen van Zabern alle Russen of Russischgezinde personen verplicht waren te wonen, heerschte groote opgewondenheid, klaarblijkelijk veroorzaaktdoor het vernemen van ’s Hertogs arrestatie. Ofschoon het reeds laat was, scheen men nog lang niet van plan te ruste te gaan; mannen en vrouwen verdrongen elkaar in de straten en bespraken luid en met heftige gebaren de Czernovische politiek. Russen, Tartaren, Kozakken en andere vreemdelingen, die men wijselijk, ten einde ze beter in het oog te houden, gezamenlijk in Russograd liet wonen, vergaten nu hun onderling getwist en verwenschten eendrachtelijk de vermetelheid van Prinses Elizabeth.

“Ik wou dat die menschen maar wat op zij gingen,” zei Katina, die groote moeite had om haar drie paarden door het gedrang te sturen, “zoo zullen we er nooit doorkomen.”

Daar de straten opgepakt stonden met menschen, en het asfalt door een regenbui van dien middag wat glibberig was geworden, kon het voertuig slechts langzaam voortkomen, en zoo vingen de inzittenden telkens gesprekken op, die om hen heen gevoerd werden.

“Ik zag den Hertog binnenbrengen door de St.-Florian Poort,” zei een vrouw tot een kring omstanders.

“Ze dorsten hem natuurlijk niet door de Troitzka Poort brengen,” voegde haar man er aan toe, die naast haar stond. Op zijn wang was een lange streep opgedroogd bloed te zien.

“Hij reed midden in den troep,” vervolgde de vrouw, “en toen mijn man: “Leve de Hertog” riep, gaf een der ulanen hem een slag met zijn lans.”

“Ja,” riep de man, “en toen de Prinses daarna in haar droschky voorbijkwam, scheen ze ’t zich heelemaal niet aan te trekken dat de Hertog de gevangenis inging.”

“Niet aantrekken, zeg je?” schreeuwde z’n vrouw. “Ik verzeker je dat ik nooit iemand er zoo blij zag uitzien als zij vanavond. Verbeeld je, dat zoo’n meisje zoo maar ’n grooten kerel als de Hertog in de doos kan stoppen! ’t Wordt tijd dat er een soldaat aan de regeering komt, en niet zoo’n kind.”

“Dat wordt ’t zeker,” zei ’n ander. “Bovendien is de Prinses een vijand van den Czaar.De schoenen die ze draagt, zijn op de zolen met het portret van den Czaar bedrukt, dan kan zij bij elken stap op hem trappen.”

Deze anecdote, die natuurlijk niet de minste waarheid bevatte, vond gretig gehoor.

“Ze ontneemt den Hertog zijn bevel over het leger om Zabern in zijn plaats aan te stellen. En waarom Zabern? Omdat hij een Pool is, en de Russen haat!”

Intusschen ging de troïka steeds langzamer voort, totdat ze eindelijk geheel tot staan werd gebracht, omdat de menschen niet konden of wilden op zij gaan.

“Na pravo!” (naar rechts) riepen zij die links stonden nijdig, terwijl zij die rechts stonden even nijdig riepen:

“Na levo!” (naar links.)

Ze konden nu geen enkele richting meer uit, en zoo bleef de troïka midden in een menigte staan, die blijkbaar kwaad in den zin had, en grootendeels uit het lagere deel der bevolking bestond, dat de Russen het “Tshornoi Narod” of “Zwarte Volk” noemen.

Russograd was nooit een veilige plaats voor aanhangers van de Prinses, maar op het oogenblik was hun verschijning voldoende om het fanatisme vandit gepeupel tot een gevaarlijke hoogte te brengen, te meer daar men Paul dadelijk herkende als den Secretaris van Elizabeth. Men was in de troïka slecht voor een verdediging gewapend—Rob en Felix hadden een stok, Paul geen ander middel om zich te verweren dan zijn vuisten, en Katina haar zweep. Toch hield men zich kalm, gereed om zoo noodig van die gebrekkige wapens gebruik te maken.

Katina beproefde nogmaals voorzichtig, de paarden aan te zetten.

“Pas op, menschen!” riep ze, “ga even wat op zij!”

“Pas jij zelf op!” riep een ruwe stem, en een man in een blauwen kaftan en met een rooden baard greep de teugels van een der paarden vast. “Wou je over me heen rijden?”

Katina herkende die stem onmiddellijk. Ze sprong op en riep:

“Arresteer dien man! Hij is een ontsnapte gevangene!”

“Arresteer die vrouw!” riep de man met een grijnslach. “Ze is een ontsnapte gevangene uit Orenburg; de Russische justitie zoekt haar!”

Bevend van woede lichte Katina den zweep op, en zou er den man als met een sabelhouw het gezicht mee hebben opengereten wanneer Felix haar niet wijselijk bij den gordel gegrepen en op haar zitplaats terug gedrongen had.

“En kennen jullie dien man niet?” ging Russakoff voort, op Paul wijzend. “Dat is de Secretaris van de Prinses—nu weet je al genoeg.”

De menigte begon een steeds dreigender houdingaan te nemen, zoodat Paul om zich heen keek om te zien of geen der patrouilles te zien was, die ’s avonds dit kwartier doorkruisten.

“Wemoetener door,” zei Felix vastbesloten, “Katina—de zweep er over!”

Alsof Russakoff deze gefluisterde woorden verstaan had, strekte hij de hand naar Felix uit.

“En dat is de man, die met den Hertog gevochten heeft!” riep hij. “Is dat rechtvaardig menschen, dat de Prinses hem vrij laat, en den Hertog gevangen neemt?”

“Gooit ze er uit!”

“Sla ze den kop af!”

“Scheur ze in stukken!”

Felix sprong op, den stok boven het hoofd zwaaiend.

“Vooruit, Katina!” riep hij, dol van woede, toen een steen haar aan ’t voorhoofd raakte.

Katina boog achterover, en met een kracht die men niet van haar verwacht zou hebben, trok ze de teugels zoo strak aan, dat de paarden gedwongen waren de voorbeenen op te heffen. In de lucht trappelend, beschreven ze zulke gevaarlijke cirkels met hun hoeven, dat de dichtstbijstaande menschen angstig terugweken.

Toen legde Katina met geweld de zweep over het span, liet plotseling de teugels schieten, en met een wilden kreet joeg ze de razend geworden paarden door de menigte, rechts en links slaande met haar weldra rood gekleurden zweep.

Vooruit, Katina! (pag. 244.)Vooruit, Katina! (pag. 244.)

Vooruit, Katina! (pag. 244.)

Vooruit, Katina! (pag. 244.)

De menigte week uiteen als water voor den boeg van een schip, en de troïka schoot als een pijl door de opening heen. Vloeken en verwenschingen, steenenen stukken hout vlogen het voertuig na, dat met zware schokken over enkele gevallen menschenlichamen reed. Nog eenige seconden, en de troïka snelde het Troitzkoi Prospekt af, de woedende menigte ver achter zich latend.

“Bravo, Katina!” riep Felix. “Dat was maar juist op tijd, Secretaris,” zei hij, zich tot Paul keerend.

Maar deze antwoordde niet. Met een kreet van ontzetting zag Felix dat hij een diepe wond in de zijde had, waaruit straalsgewijze het bloed liep.

“O God!” riep Katina verschrikt, de paarden inhoudend, “men heeft hem vermoord!”

Ze hief zachtjes zijn hoofd op, en liet het in haar schoot rusten; intusschen trachtte Felix het bloed te stelpen.

Maar het was te laat.

“Het was Russakoff,” stamelde de stervende. “Denk er aan, Felix, de Furiën—de Furiën—van....”

Hij voltooide dezen zonderlingen zin niet. Nog even bewoog hij de lippen, en zakte toen ineen—dood.

“Russakoff heeft z’n roebels verdiend,” zei Katina somber.

De geheele gebeurtenis was zoo snel afgespeeld, dat het bijna onmogelijk was aan de werkelijkheid ervan te gelooven; maar het beweginglooze lichaam duidde daar maar al te zeer op. Een volle halve minuut staarde Felix hulpeloos op zijn ongelukkigen broeder. Schrik—verbazing—smart—die allen deden hem verstomd en radeloos staan; toen wekten die gevoelens voor een oogenblik een wilde begeerte naar wraak in hem op.

“Ik zal den moordenaar vinden,” zei hij, uit detroïka springend. “Ik zal hem op de plaats neerslaan, al zou het mijn dood zijn.”

Maar enkele woorden van Katina brachten hem tot bezinning. Ze greep hem bij de pols en zei:

“Wie zou er gebaat zijn met uw dood? Ge zult niet gaan. Laat den moordenaar aan Zabern over, die zal hem weten te vinden. De hemel zij gedankt, daar is de Maarschalk!”

Werkelijk hoorde men het getrappel van hoeven, en in de richting van het geluid ziend, bespeurde Felix een troep lanciers met Zabern aan het hoofd.

Toen de Maarschalk de troïka ontwaarde, hield hij zijn paard in, en zei:

“Hoe hebt ge ’t in ’s hemels naam gewaagd op een avond als dezen door Russograd te rijden?”

Toen zag hij het beweginglooze lichaam in de troïka liggen, en met een kreet van schrik sprong hij van zijn paard.

“Van Stralen dood! Mijn God, dat is verschrikkelijk! Van Stralen—dien ik onder de banier van de Prinses hoopte te zien strijden! Dood! En terwijl hij op het punt stond het cijferbericht op te lossen!”

“Ja, het is verschrikkelijk,” zei Felix. “Maar het is nu geen tijd voor woorden. De moordenaar is onder gindsche menigte, en zijn naam is Ivan Russakoff.”

De naam van den spion werkte als een tooverspreuk op Zabern. Hij gaf eenige orders, en eenige oogenblikken later werd de samengeschoolde menigte door tien ulanen met gevelde lansen verspreid; hun doel was de Troitzka Poort te bezetten en zoo den moordenaar het ontsnappen te beletten. Zoo snel mogelijk werdenook ten opzichte der andere poorten dergelijke maatregelen genomen, en de geheele Russische wijk werd vervolgens behendig binnen een cordon ulanen getrokken. Nieuwe detachementen en een sterke politiemacht rukten op Zabern’s bevel aan.

De Maarschalk zag wel in dat het niet gemakkelijk zou vallen de bewoners van de vreemdelingenwijk tot het uitleveren van den spion te bewegen, wiens moord op een gouvernements-beambte hem recht gaf op hun sympathie. Iedereen zou er trotsch op zijn hem een schuilplaats te verstrekken. Daarom kon Zabern er niet mee volstaan halve maatregelen te nemen, maar zou Russograd er eenige uren moeten uitzien alsof de staat van beleg was afgekondigd.

“Denk er aan, Russakoff moet levend gegrepen worden; zijn dood kan me van geen enkel nut zijn,” zei Zabern. “Maar aarzel overigens niet geweld te bezigen wanneer er weerstand geboden wordt. Nikita, stijg af, en help het lijk van den Secretaris vervoeren. Meneer Van Heelstra, het zou me zeer aangenaam zijn als u en uw reisgenoot me naar het Paleis wilden vergezellen.”

Zabern’s uitgebreide voorzorgen mochten niet baten.

Ofschoon alle straten van Russograd werden doorkruist, elk verdacht persoon ondervraagd, ofschoon de politie alle gebouwen onderzocht, en de Maarschalk onmiddellijk een instructie deed openen, die den geheelen nacht voortduurde, en door welker leider een groot aantal getuigen werden gehoord, kwam men niet tot een resultaat.

Daar de spion na het nemen der militaire maatregelen niet ontsnapt kon zijn, deed Zabern het onderzoekmet ijver voortzetten. ’s Morgens om zeven uur ontbood hij Nariskin, het politiehoofd in Russograd, en deelde hem mede, dat hij het uit vreemdelingen samengesteld corps politiebeambten, dat in die wijk dienst deed, zou ontbinden, en voortaan de vreemdelingenwijk onder het directe toezicht van Slavowitzsche politie zou stellen. Wanneer Nariskin dergelijke wandaden als die van den vorigen avond niet voorkomen kon, dan moest het met de voorrechten van Russograd maar gedaan zijn. Tevens overhandigde de Minister hem een afschrift van een besluit, waarbij bekend werd gemaakt, dat de vreemdelingenwijk onder militaire bewaking zou blijven totdat de moordenaar was uitgeleverd.

Tot Felix zei hij:

“Ik vrees dat dit alles niet veel helpen zal. De heele bevolking van Russograd doet natuurlijk alles om den spion te verbergen.”

In het Paleis, in een der vertrekken die Paul het laatst bewoond had, lag het lijk van den armen, zoo ongelukkig omgekomen Secretaris. Met sombere gezichten stonden Zabern en Felix naast den doode, beiden vervuld van hun zoo uiteenloopende en toch in veel opzichten overeenstemmende gedachten. Felix sprak de zijne niet uit. Hij wist, dat hij het groote doel, dat hem steeds voor oogen zweefde, niet zonder opofferingen zou kunnen bereiken; maar dat hier nu, als eerste slachtoffer der hem vijandige machten, het ontzielde lichaam lag van zijn eerst kortelings teruggevonden broeder, greep hem meer aan dan hij Zabern blijken liet.

“Een droevig lot!” mompelde Zabern, wiens ietwatruw en onaandoenlijk gemoed toch ontroerd werd door Paul’s ontijdig en tragisch einde. “En ten deele ben ik daar de oorzaak van.”

“Hoe zoo?”

“Het cijferbericht dat ik hem toevertrouwde was de oorzaak van zijn dood.”

“Ge meent, dat hij vermoord werd om te verhinderen dat hij het ontcijferen zou?”

“Juist. De Hertog deinst voor niets terug om zijn verraad te verbergen.”

“Welk bewijs hebt u voor zijn medeplichtigheid?”

“Bewijzen—geen. Maar ernstige vermoedens genoeg. Gisteren morgen vernam de Hertog de gevangenneming van Russakoff, en dat Van Stralen bezig was het cijferbericht te ontraadselen. Het was niet bepaald mijn doel, dat hij dit vernemen zou; Graaf Radzivil, die wel eens wat gemakkelijk aan ’t praten te brengen is, vertelde het hem. Nu, ’t doet er betrekkelijk weinig toe; bovendien hecht ik niet veel aan geheimzinnigheid. Mijn ondervinding heeft me geleerd, dat men zelfs in de gewichtigste politieke kwesties de grootste openhartigheid kan gebruiken. Geheimhouding leidt tot niets, wekt achterdocht. Niets brengt zoo zeer op een dwaalspoor als eerlijkheid.

“Maar ter zake. Radzivil meende te merken, dat de Hertog lang niet op z’n gemak was toen hij van de arrestatie hoorde. Eigenaardig is ’t dat daarna de Hertog een inspectie-bezoek bracht aan de Citadel, in z’n kwaliteit als Leger-Commandant natuurlijk. En nog eigenaardiger is, dat twee uur later Russakoff’s cel ledig gevonden werd. Hoe? Groot is de macht van den roebel!”

“Als de Hertog die macht nu ook maar niet te baat neemt!”

“Ik heb zorg gedragen, dat zijn bewaking aan vertrouwde personen is overgelaten. Maar om op den cijferbrief terug te komen. Die is nog steeds een geheim. En Van Stralen was juist den sleutel op het spoor! Sprak hij daar niet over onderweg? Gaf hij u geen enkele aanwijzing?”

“Niets.”

“De inhoud van dien brief,” zei Zabern, “zou ons de gelegenheid geven Rusland’s geheime plannen te ontmaskeren, maar helaas! waar zullen we den uitlegger vinden!”

De beide mannen hadden onder deze woorden het vertrek verlaten en begaven zich in Zabern’s studeerkamer. De zeer ruime en practische inrichting van het Paleis liet namelijk toe, dat een vleugel geheel aangewezen was voor vergaderzalen, bureau’s voor elk der Ministers, archieven, bibliotheken enz.

Op de gang kwam Rob hen tegemoet, die evenals zij en Katina alles gedaan had om de zaak tot klaarheid te brengen. Katina was ten slotte bij kennissen eenige rust gaan zoeken, en Rob was juist van plan Felix voor te stellen naar het hotel te gaan, daar hij doodmoe was.

Zabern, de man van ijzer en staal, glimlachte even toen hij het vermoeide gezicht van den jongen Hollander zag. Maar hij zei dadelijk:

“De heeren zullen naar rust verlangen. Ik heb een kamer met twee bedden doen inrichten naast mijn studeervertrek. U zult me een genoegen doen daarvan gebruik te maken.”

Felix en Rob namen het aanbod dankbaar aan;de weg naar het hotel was lang, en ze zouden zeker nergens zoo rustig slapen als hier. Bovendien zag Felix in de tegemoetkomingen van Zabern een poging om hem en Rob aan zich te verbinden, waartegen hij niets geen bezwaar had. Integendeel, door zich den Maarschalk tot vriend te maken, hoopte hij zijn doel des te sneller te bereiken.

“Goedennacht, heeren,” zei Zabern, en voegde er glimlachend aan toe: “droom niet van het cijferschrift!”

“Naar aanleiding van dat cijferschrift wilde ik u graag iets vragen, Excellentie,” zei Rob op eens.

Felix keek hem verbaasd aan.

“En dat is?” vroeg Zabern.

“Ik bedacht me zooeven, dat wemisschiente weinig waarde hechtten aan de laatste woorden van den Secretaris....”

“Wat waren die dan?”

“Denk er aan,” zei hij, “het zijn de Furiën!”

“De Furiën?” vroeg Zabern verwonderd, “wat kan hij daarmee bedoeld hebben?”

“Ik voor mij heb er niet anders in gezien dan onsamenhangende woorden, die hij zonder bewustzijn uitsprak, misschien verward door pijn en doodsangst,” zei Felix.

“Het is mogelijk,” vervolgde Rob, “maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat die woorden niet alleen een bepaalde bedoeling hadden, maar zelfs in verband stonden met het cijferschrift.”

Zabern en Felix zagen hem ongeloovig aan, tegelijkertijd toch in hun wanhopen aan de oplossing Rob’s vermoeden aangrijpend als den stroohalm, waarnaar de verdrinkende grijpt.

“En wat meer is,” zei Rob, “ik meen zelfs met behulp van die woorden den sleutel op het spoor te zijn.”

“Is het mogelijk!” riep Zabern verrast.

“Zoudt Uwe Excellentie mij het document, of een afschrift ervan, gedurende enkele uren willen afstaan?”

Zabern’s gelaat drukte aarzeling uit. Zou het voorzichtig zijn, zulke belangrijke staatsgeheimen in handen te geven van iemand, dien hij eerst sedert enkele uren kende?

Rob begreep zijn aarzelen.

“Sluit me desgewenscht onder bewaking op, Excellentie. Bovendien wil ik u elke verklaring afleggen, die ge ten opzichte van mijn vertrouwbaarheid verlangt.”

Maar Zabern’s bezwaren waren reeds verdwenen.

“Ge zult den brief hebben,” zei hij. “’t Is waar, ik bezit alle middelen om mij tegen verraad uwerzijds te waarborgen. Vergeef me dat ik zoo spreek; het belang van den Staat gaat vóor alles, ik behoor daaraan desnoods iedereen, zelfs u, die ik in dezen korten tijd reeds leerde waardeeren, op te offeren. Maar weest verstandig, gaat nu beiden eenige uren slapen, en begeef u dan met frisschen moed aan het werk.”

De beide vrienden namen dezen raad. ter harte, en zochten de voor hen bestemde kamer op.

Toch konden ze den slaap niet dadelijk vatten. Nog eenigen tijd bespraken ze de gebeurtenissen van dien dag, herdachten weemoedig den dood van Paul, en verwonderden zich over de merkwaardig openhartige politiek van Zabern, die toch zoo zeker van zijn daden en woorden scheen te zijn.

“Dat is een merkwaardig man,” zei Felix. “Hij kan ons tot een machtig vriend en helper worden, maar reken er op, dat hij ons ook zou weten te treffen, wanneer we verraders bleken te zijn.”

Hij zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen:

“Alles gaat goed. Beter dan je misschien denkt, Rob. Al deze verwarde avonturen zullen ons ten slotte tot ons doel brengen; ik zie den weg reeds duidelijk voor me afgebakend liggen.”

Ze hadden zich intusschen ontkleed, en stapten in bed.

Na een oogenblik vroeg Felix:

“Waarin ligt nu de beteekenis van Paul’s laatste woorden? Je hebt me vreeselijk nieuwsgierig gemaakt.”

Maar Rob antwoordde niet. Hij was, door vermoeienis overmand, in een vasten slaap gevallen.

“Verwonderlijk,” dacht Felix, terwijl hij ook langzamerhand zijn bewustzijn voelde wegvloeien. “Wie had gedacht, dat ik nu reeds onder éen dak met Elizabeth zou zijn! En louter door een toeval!”

Toen sliep hij in.

Felix wordt bij de Prinses ontboden.—Het weerzien.—Wederzijdsche ontboezemingen.—Felix wordt tot Secretaris benoemd.—

Felix wordt bij de Prinses ontboden.—Het weerzien.—Wederzijdsche ontboezemingen.—Felix wordt tot Secretaris benoemd.—

Na eenige uren rust genoten te hebben, stond Felix op, van plan om naar het hotel terug te gaan en met Rob nader het cijferschrift te bekijken. Juist toen hij echter Rob wekken wilde, werd er aan de deur geklopt, en werd hem bericht, dat de Prinses, vernomen hebbende, dat de vreemdeling die bij den dood van haar Secretaris aanwezig was, zich in het Paleis bevond, hem in een particuliere audiëntie wenschte te ontvangen.

Felix begreep, dat deze audiëntie geen zeer officiëel karakter zou behouden, en hij voelde een diepe ontroering bij de gedachte dat hij binnen enkele oogenblikken met Elizabeth alleen zou zijn. Hij hield zich tegenover den lakei echter goed, en maakte eenige bedenkingen wat betrof zijn toilet, vragend of er tijd was om zich in het hotel te gaan verkleeden. De lakei deelde hem evenwel mee, dat de Prinses,de omstandigheden begrijpend, genoegen zou nemen met de kleeding die de bezoeker op dit oogenblik aanhad.

Felix werd nu naar een vertrek geleid, waar een kamerheer hem opwachtte, die het noodig oordeelde hem in te lichten omtrent de etiquette, waaraan hij zich te houden had, namelijk dat hij behoorde te blijven staan zoo hij niet tot zitten werd uitgenoodigd; dat hij slechts de vragen te beantwoorden had die hem gedaan werden en overigens uit zichzelf geen opmerkingen mocht maken; dat hij eerst kon heengaan als de Prinses het teeken daarvoor gaf, en dat hij het vertrek achterwaarts behoorde te verlaten, met het gezicht naar de Prinses gericht.

Felix hoorde hem geduldig aan, en moest onwillekeurig glimlachen als hij dacht aan de wijze waarop hij deze voorschriften ten uitvoer zou brengen. Ook trof hem het eigenaardige verschil in zijn verhouding tot Elizabeth, als hij den tegenwoordigen toestand vergeleek bij dien van enkele jaren geleden: toen waren ze beiden zorgelooze kinderen, die elkaar liefhadden, en dacht hij slechts vaag aan de mogelijkheid dat hij eenmaal zijn vader in diens hooge betrekking zou kunnen opvolgen; nu was hij een zwervend avonturier—zij Prinses van Czernovië, geroepen om over enkele jaren een koningstroon te bestijgen! En wie zou zeggen, welke wonderbaarlijke veranderingen de toekomst nog voor hen verborgen hield?

Toen Felix het Witte Salon binnentrad, zag hij Elizabeth aan een schrijftafel zitten, met een potlood aanteekeningen makend op een stapel voor haar liggende papieren. Ze had een ivoorkleurige satijnenjapon aan met een overkleed van witte tulle, dat schitterde van zilveren borduursels. Klaarblijkelijk was ze in een zenuwachtigen toestand. Het potlood beefde in haar vingers. Ze keek niet naar Felix, maar hield de oogen op de papieren voor haar gericht.

Nauwelijks was de kamerheer verdwenen, of ze stond op en snelde op Felix toe. Hij breidde de armen uit en sloot haar aan zijn borst. Eindelijk hadden ze elkaar dan wedergevonden!

Toen de eerste vreugde van het wederzien voorbij was, zei Elizabeth:

“Ga daar zitten. En laten we voorzichtig zijn. In dit Paleis hebben de muren ooren. Vertel me nu: hoe kom je hier? waar heb je dien tijd van onze scheiding doorgebracht?”

Felix deed nu het geheele verhaal. Hoe hij met De Vogel had rondgezworven, de inrichting van het luchtschip in dien tijd steeds verbeterend, en het juiste tijdstip afwachtend om in Czernovië zijn slag te slaan; hoe hij Rob had leeren kennen, en hoe deze zich aan hem had gehecht; hoe De Vogel was verongelukt en hij een oogenblik gevreesd had alle hoop te moeten opgeven; hoe het geluk hem echter gediend had en hij den weg meende gevonden te hebben die naar het doel kon leiden. Kortom, Felix bracht Elizabeth geheel op de hoogte, verhaalde ook dat zijn overige lotgenooten in Turksche gevangenschap verkeerden, maar dat het voor ’t oogenblik verstandig leek geen pogingen tot hun bevrijding in ’t werk te stellen, hoe hard hun lot ook was. Voorloopig was het beter dat men hen allen, vurige vaderlanders, voor dood bleefhouden; nu zij hun sterkste wapen, De Vogel, verloren hadden, was hun kracht meer in een voorzichtig en bedekt optreden te vinden.

Elizabeth bracht hem, voor zooveel noodig, op de hoogte van den politieken toestand. Die was ongetwijfeld zeer moeielijk. Het aantal vreemdelingen in Czernovië vormde verreweg de minderheid en voor ernstige binnenlandsche onlusten behoefde geen vrees te bestaan. De betrekkingen tot het buitenland, vooral die tot Rusland, waren echter zeer gespannen. De Czaar wenschte beslist, dat Elizabeth den Hertog van Bora zou huwen; hij had geduld, hij kon wachten, wilde zelfs niets liever dan den schijn bewaren dat Elizabeth uit zichzelf tot dit huwelijk had besloten—maar zoo Elizabeth den toestand al slepende trachtte te houden, rekenend op Rusland’s geduld, begreep ze toch dat dit spel hoogstens een jaar te spelen zou zijn. Dan zou de Czaar niet aarzelen door dwang te verkrijgen, wat men hem goedschiks niet geven wilde. En in deze moeielijke omstandigheden had ze een Kabinet naast zich, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld, waarvan ze slechts enkele leden geheel durfde vertrouwen. Op Zabern was al haar hoop gebouwd. Wel werd deze door andere beweegredenen geleid dan zij, maar zijn aanhankelijkheid was onverdacht. En eigenlijk was met Zabern de eenige Minister genoemd, op wiens politiek, zoowel tegenover binnen- als buitenland, zij geheel vertrouwen durfde; Radzivil, de Premier, hoewel ongetwijfeld de Prinses zeer toegedaan, was geen krachtige figuur, meer hoveling dan staatsman; Ravenski, te laf om verraad in het groot te plegen, werd zoozeer door zijn eigen belangen enbegeerten gedreven, dat hij nooit iets voor anderen zou kunnen beteekenen; de Hertog—nu, diens Russische gezindheid was onverdacht; en wat de overigen aangaat—meerendeels twijfelaars, mannen wier Ministerschap hun ijdelheid bevredigde, en die niet graag openlijk partij kozen in een zaak die hun gevaarlijk kon worden. Ten slotte vertelde Elizabeth nog van de onvoorzichtigheid die ze eens begaan had, aan Paul te vertellen hoe ze altijd hoopte een middel te vinden om haar huwelijk met Bora te verijdelen, en op welke wijze Ravenski van die bekentenis misbruik had weten te maken. Hij was dus de eenige die haar geheim kende, want—al steunden ook Radzivil en Zabern haar plannen, geheel uitgesproken had ze die tegenover hen nooit. In zoover kwamen nu echter Felix, Zabern en zij zelf overeen, dat de Hertog op de een of andere, mits wettige, wijze op zij geruimd moest worden; daarin lag althans een middel om de onderhandelingen met Rusland langer slepende te houden. En de omstandigheden hadden een begin van uitvoering aan dit plan gegeven, al waren op het oogenblik de gevolgen die er uit zouden voortkomen, nog niet geheel te overzien.

“Voor jou te kunnen leven en voor mijn volk!” zei Elizabeth, “ziedaar de illusie die ik verwezenlijkt hoop te zien!”

Toen kwam het gesprek op Paul en zijn treurigen dood.

“Een verschrikkelijke gebeurtenis is dat,” zei Elizabeth bewogen. “Je was getuige van den moord, vertel me alles er van!”

Felix deed het geheele verhaal, dat, op zichzelfreeds droevig, nog pijnlijker voor Elizabeth werd door de gedachte, dat het ongeval zoo spoedig nadat zij hem als secretaris ontsloeg, plaats gegrepen had. De ontroerde uitdrukking van zijn gelaat, waarmee hij haar beslissing had vernomen, zou nooit uit haar herinnering gaan. Ze gevoelde het verlies diep, te meer daar hij niet alleen haar trouwe helper, maar ook haar trouwe vriend was geweest; en langen tijd zat ze met Felix over hem te spreken, over zijn aanhankelijkheid en zijn uitstekende diensten.

“Ik zal een nieuwen Secretaris moeten benoemen,” zei ze. “Felix—jij moet zijn plaats innemen. Wil je dat?”

Geen betrekking kon hem meer aanlokken dan die; hij zou er door in dagelijksch gezelschap van Elizabeth zijn. Maar hij voelde toch ook de bezwaren ervan.

“Zal die benoeming geen aanstoot geven?”

“Waarschijnlijk wel; aan sommigen ten minste. Maar ik kan daarmee geenrekeninghouden. Het Czernovische deel der bevolking keurt al wat ik doe onvoorwaardelijk goed; de Russischgezinden zullen natuurlijk de noodige tegenwerpingen maken. Maar wat hindert dat!”

“Men zal ’t verdacht vinden, dat je mij kiest, een vreemdeling, dien je gisteren voor het eerst zag.”

“Het ambt van Particulier Secretaris is geen officieele betrekking; de keuze van den persoon is geheel aan mij. Het kan heeten dat ik, juist om beide partijen tevreden te stellen, een vreemdeling kies, en dat jij daartoe in aanmerking kwam omdat je getoond hebt, mijn belangen te behartigen.”

Felix voelde zich nog niet geheel gerustgesteld,maar hij zag toch te veel voordeel in het plan om er niet op in te gaan.

“Welnu, Hoogheid,” zei hij schertsend, “ik neem de benoeming aan!”

“Dat is goed! Je zult zien, dat het minder verbazing zal wekken dan je denkt. Men is hier aan vreemde dingen gewoon, en men weet bovendien dat ik doorgaans doe wat ik zelf wil. En nu moeten we onze maskers weer opzetten en onze rol behoorlijk spelen, want ik zal den Maarschalk Zabern doen roepen, opdat hij mijn besluit verneemt.”

Elizabeth gaf orders den Maarschalk te doen ontbieden, en deze liet zich spoedig daarna aandienen.

Toen hij binnentrad, zag hij Felix scherp aan, als verwachtte hij op diens gelaat iets te zullen lezen omtrent den aard van zijn langdurig onderhoud met de Prinses. Maar Felix was, als hij wilde, even ondoordringbaar als Zabern zelf, en zijn gezicht verraadde niets.

“Welk nieuws is er omtrent Russakoff?” vroeg de Prinses.

“Het spijt mij, Hoogheid, te moeten melden dat de spion nog niet teruggevonden is.”

“Het zal hem blijken, dat hij niet veel gewonnen heeft door een man, die mij trouw was, te dooden om zijn Hollandsche afkomst. Want ik heb hem vervangen door een anderen Hollander, die nu reeds getoond heeft mij even trouw te zullen zijn. Maarschalk—mijn nieuwe Secretaris.”

Zabern boog.

“Het kabinet zal zeker met die benoeming ingenomen zijn,” antwoordde hij.

“Het is een aangelegenheid, Maarschalk,” antwoorddeElizabeth hoog, “die buiten de waardeering van het Kabinet valt.”

Zabern ging op een ander onderwerp over.

“Hoogheid, de Hertog van Bora verzoekt U een vraag te mogen stellen.”

“En die is?”

“Zijne Genade zou gaarne weten hoe lang zijn gevangenschap duren zal.”

“In elk geval totdat deze striem van het gelaat van mijn Secretaris verdwenen is. Overigens verzoek ik u de zaak voor het Hooggerechtshof aanhangig te maken, geheel volgens de daarvoor gestelde regelen. Wil ook dit den Hertog mededeelen.”

“Het zal mij een genoegen zijn, Hoogheid,” antwoordde Zabern ironisch, “den Hertog Uw beslissing over te brengen.”

De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.—Een opstootje in de Kamer.—Wat het orkest van Mengelberg op z’n geweten heeft.—Felix verslaat zes tegenstanders.—De Furiën!—

De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.—Een opstootje in de Kamer.—Wat het orkest van Mengelberg op z’n geweten heeft.—Felix verslaat zes tegenstanders.—De Furiën!—

Toen Zabern en Felix, die gezamenlijk het Paleis hadden verlaten, het park doorstaken, kwamen hen twee heeren, waarvan een in uniform, tegemoet, aan wie Felix door Zabern werd voorgesteld.

De jongere van de twee, die blond haar had, blauwe oogen, en een gezicht dat op een doorloopend goed humeur scheen te wijzen, was Dorislas, de Minister van Financiën. De ander, die er ’n beetje knorrig uitzag, was Miroslav, de Commandant van de Citadel, en, zooals Zabern er bijvoegde, “op het oogenblik de bewaker van den Hertog.”

“Ja—de Hertog!” zei Dorislas tot den Commandant. “Ik verwonder me erover, dat ge de citadel nog niet tegen geweld te verdedigen gehad hebt. Zullenonze vrienden in Russograd niet in verzet komen?”

“De citadel heeft dikke muren,” antwoordde de Commandant alleen.

“En ik heb last gegeven,” voegde Zabern er bij, “den Hertog te doen fusileeren, wanneer de bevolking hem met geweld zou trachten te bevrijden.”

“Geen halve maatregel!” lachte Dorislas. “En vindt de Prinses dat goed?”

“Waarschijnlijk niet,” antwoordde Zabern droog. “Maar ook in het meest verlichte land moet men onder dringende omstandigheden z’n toevlucht tot geweld nemen. Bovendien ben ik tot Minister van Oorlog ad interim aangewezen. Desverkiezend kan ik in geval van dreigend gevaar van de zijde der vreemdelingen, tot buitengewone maatregelen overgaan.”

“Je spreekt erover, collega,” schertste Dorislas, “alsof je er naar verlangt, dat ze herrie zullen gaan maken!”

Dorislas en Miroslav waren, zooals bleek, op weg naar de schermzaal, die midden in den Hoftuin stond. Het was hun gewoonte daar elken dag bijeen te komen om zich in de behandeling der wapenen te oefenen, een gewoonte, die in Czernovië, waar lichaamsoefeningen hoog staan aangeschreven, niets buitengewoons heeft. Het Gouvernement moedigt er het verstandig ontwikkelen van lichamelijke kracht zeer aan; op alle lagere scholen behooren gymnastiek, zwemmen en schermen tot de verplichte leervakken, aan de inrichtingen van hooger onderwijs zijn daaraan ook oefeningen in het paardrijden, roeien en schieten toegevoegd.

Zabern noodigde Felix uit mede een kijkje te gaan nemen in de schermzaal.

“En het cijferschrift, maarschalk?” zeide de nieuwe Secretaris.

“Ik sprak uw jongen vriend zooeven,” antwoordde Zabern. “Hij wilde me nog niets zeggen, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij goed op weg was. Mij dunkt, het werk is aan hem toevertrouwd. Laten we hem niet storen. En wat ons beiden betreft, we hebben afleiding verdiend. Een partij sabel zal ons naar geest en lichaam verfrisschen.”

Felix had geen verdere bezwaren, en terwijl hij zich bij den Commandant voegde, volgde Zabern met Dorislas op eenigen afstand.

“Maarschalk, wat beteekent dezen geheimzinnige geschiedenis?” vroeg de Minister van Financiën met een zijdelingschen blik op Felix. “Er loopt een vreemd gerucht, dat hij en de Prinses elkaar vroeger gekend hebben, en dat dit bleek uit een gesprek tusschen hem en den Hertog op de veranda van het Hotel Czernovië—van welk gesprek een kelner iets schijnt te hebben opgevangen. Op dat gesprek volgt een duel met den Hertog; de Prinses, daarvan onderricht, snelt den Hollander te hulp, verwijst haar aanstaanden Gemaal naar de citadel, maar laat den anderen duellant ongemoeid. En nu brengt u het verrassende nieuws dat de Prinses dezen Van Heelstra haar Secretaris heeft gemaakt. Wat beteekent dit alles?”

“Vraag dat Hare Hoogheid,” zei Zabern droog, en van onderwerp veranderend, voegde hij er bij: “gebeurde er iets bizonders in de kamerzitting gisteravond?”

“Wat, Maarschalk! hebt ge daarvan niet gehoord?” riep Dorislas, terwijl zijn gezicht de uiterste verbazing te kennen gaf.

“Gehoord? Ik heb niets gehoord. Ik ben tot zeven uur in den morgen bezig geweest met het spoor van dien Russakoff te zoeken, en daarna heb ik geslapen. Wat voor nieuwe dwaasheid hebt gij en de rest van het Ministerie dan weer in mijn afwezigheid uitgehaald?”

“Wel, er werd ter sprake gebracht, dat de Czaar zich zeer duidelijk had uitgelaten over het huwelijk van de Prinses met den Hertog van Bora; de Russisch-gezinde afgevaardigde Lojgoroucki vroeg daaromtrent nadere inlichtingen aan de Regeering, en sprak de wenschelijkheid uit, dat men omtrent de gevoelens der Prinses aangaande deze omstandigheid nauwkeurig werd ingelicht.”

“Dat is nog al brutaal. En—werd hij op z’n nummer gezet?”

“Radzivil antwoordde voor zijn doen zeer voorzichtig, wees er op dat de persoonlijke gevoelens van de Prinses geen regeeringszaak waren.”

“En zoo liep alles zeker met een sisser af?”

“Het zou zeker zoo gegaan zijn, als de uitgever Lipski, de afgevaardigde der Slavowitzsche Russen, den boel niet bedorven had. Hij haalde een nummer van zijn avondeditie uit den zak, en las een stuk voor, waarin leelijke noten gekraakt worden over de gezindheid der Prinses tegenover Rusland, ja, waarin zelfs gewezen wordt op de mogelijkheid van een staatsgreep, door de partij der Prinses te ondernemen. Lipski verklaarde, de verantwoordelijkheid voor het artikel in de Kolokol niet op zich te willen nemen, maar daar hij verzekeren kon, dat het afkomstig was van een hooggeplaatst, invloedrijk en welingelichtpersoon, meende hij toch dat het de aandacht der Volksvertegenwoording ten zeerste waard was.”

“De vent liegt natuurlijk alles,” viel Zabern hem in de rede. “Dat artikel zal hij zelf wel geschreven hebben.”

“Juist toen hij uitgesproken had,” vervolgde Dorislas, “drong het bericht van de arrestatie van den Hertog in de vergaderzaal door. Een onbeschrijfelijk tumult greep plaats. Allen schreeuwden door elkaar. “Dat is de staatsgreep!” riepen de Russen. “Gooit de vreemdelingen er uit!” riepen de Czernoviërs. Het lukte den voorzitter niet de orde te herstellen, en de vergadering werd een half uur geschorst.”

“Hij had dien Lipski door de boden er uit moeten laten zetten,” bromde Zabern. “En toen?”

“Een half uur daarna zette men de vergadering voort. Lipski diende een motie in, luidend, dat de Kamer de zienswijze der Regeering wenschte te vernemen omtrent haar gedragslijn tegenover de Russische eischen nopens het huwelijk der Prinses.”

“De vlegel! Natuurlijk juichten de Russen. Was Ravenski er?”

“Neen. Hij waagt zich niet graag in ’t gewoel, en verkoos de Opera boven de Kamer.”

“De lafaard! Ik wou dat ik er geweest was!”

“In de Opera? Nu, dat was wel de moeite waard, want....”

“Geen gekheid. Wat gebeurde er daarna?”

“Wel, men begon over de motie te stemmen. En ze werd aangenomen.”

“Aangenomen? Terwijl de vreemdelingen in de minderheid zijn?”

“Vergeet niet, dat Mengelberg hier gisteravond was.”

“Mengelberg?” vroeg Zabern. “Wie is dat? Wat had die in de Kamer te maken?”

“In de Kamer?” lachte Dorislas. “Daar was hij niet. In de concertzaal van de Opera. Maar u weet toch wel wie Mengelberg is! Heel de wereld kent hem.”

“De duivel mag hem halen. Verder.”

“Wel, bijna alle leden van onze partij woonden het concert bij. Men speelde de Piet-Hein-Rapsodie van Van Anrooy. Prachtig. Subliem. Jammer dat u er niet was. Ze waren er bijna allemaal, onze partijmannen.”

“Een zekere ezel, Dorislas genaamd, niet uitgezonderd. Maar wat drommel, liet Radzivil jullie dan niet door soldaten naar de Kamer sleepen?”

“Radzivil zond Opalinski naar de Opera. Opalinski kwam binnen. Juist had Mengelberg den dirigeerstok opgeheven. Opalinski’s schoenen kraakten. Mengelberg keek hem zoo doordringend aan, dat hij geen voet meer dorst verzetten. De muziek begon, en toen het stuk uit was, was de motie aangenomen. Toen we de Kamer binnenkwamen, werden we door het hoongelach der Linkerzijde begroet.”

“Nu—laat ze plezier hebben van hun motie. Ik zal Radzivil wel dicteeren wat hij er op antwoorden moet.”

Het viertal had nu de schermzaal bereikt. Boven den ingang wapperde de Czernovische vlag—rood-wit-blauw, met een gouden ster in het midden.

Zabern wees naar de vlag. “De ster is er nog,” zei hij. “De leid-ster vanCzernovië. En zoo lang ik er ben, zal ze niet uitdooven.”

Men ging naar binnen. Daar dit gebouw gedurende Felix’ afwezigheid was gesticht, behoefde hij geen verwondering te veinzen over de grootsche inrichting er van. Trouwens, er was onder Elizabeth’s bestuur zooveel ontstaan en gewijzigd, dat het Felix doorgaans gemakkelijk viel niet te verraden dat hij een geboren Czernoviër was. Zijn hem zelden verlatende kalmte, en de gewoonte om weinig te spreken, kwamen hem daarbij te hulp.

Door een ruime en koele voorhal bereikte men een enorme zaal, versierd met wapenrustingen, zwaarden, musketten, pistolen, schilderijen van veldslagen en wapenfeesten, en portretten van beroemde schermers.

“Als het aan mij lag,” zei Zabern, “zou ik ieder, die in een verantwoordelijke betrekking voor bevordering werd voorgedragen, hier willen brengen. Een partij sabel van tien minuten zou me beter inlichten omtrent z’n karakter dan een onderzoek of een examen van een maand.”

Felix maakte deze woorden, in verband met zijn benoeming tot Secretaris, onwillekeurig op zichzelf toepasselijk, en hij begreep wederom dat Zabern ook nu van zins was hem—in wien hij een aanhanger van zijn plannen vermoedde—nader op de proef te stellen en te leeren kennen.

Onder de hooggeplaatste personen en officieren, die zich in de zaal bevonden, merkte Felix ook Graaf Radzivil op, en het trof hem dezen zeventigjarigen man te zien aanvallen en pareeren met al de lenigheid van een jongen van zestien. Maar meer nog verrastehem een aantal dames, die aan het andere einde der zaal aan het schermen waren; Zabern vertelde hem dat de doctoren deze oefeningen zeer hadden aanbevolen, en dat de Czernovische dames er blijkbaar behagen in hadden. Ook maakte hij hem opmerkzaam op een afgescheiden deel der zaal, dat op bepaald verlangen der Prinses voor iedereen toegankelijk was; op dit oogenblik waren er twee meisjes aan het schermen, in een van wie Felix dadelijk Katina herkende, terwijl Zabern hem vertelde dat de andere haar zuster Juliska was.

Toen Zabern binnenkwam, hadden de meesten hun partijen gestaakt, en men zag met eenige nieuwsgierigheid naar den vreemdeling dien hij meebracht. Zabern stelde Felix aan het gezelschap voor, en weldra begreep ieder dat dit de merkwaardige Hollander moest zijn die het gisteren tegen den Hertog had durven opnemen. Er ontstond een gefluister, er werden blikken gewisseld, en ten slotte zei Zabern lachend tot Felix:

“Deze dames en heeren zijn benieuwd, eenige staaltjes van uw schermkunst te zien, opdat men er zich een denkbeeld van kan vormen hoe het duel van gisteren ongeveer afgeloopen zou zijn.”

Felix verklaarde zich bereid een of meer partijen te trekken, hopend dat zich iemand als zijn tegenstander zou willen beschikbaar stellen.

“We hebben hier,” zei Zabern, “de zes beste schermers in Czernovië na den Hertog. Wanneer ge een van hen kunt verslaan, zullen we ons eenig denkbeeld kunnen vormen van hoe het hem onder uw handen vergaan zou zijn.”

De zes kampioenen waren, in volgorde van hunverdienste: Zabern, Miroslav, Dorislas, Radzivil, Brunowski, de President der Kamer, en Nikita, de ordonnans van Zabern.

“Wanneer we een zevende moesten kiezen,” fluisterde Zabern tot Felix, “ik verzeker u, dan zou die geen man zijn, maar niemand anders dan Katina.”

Felix voorzag zich van een scherm-sabel en zeide, gereed te zijn een der genoemde heeren, of zoo men wilde, allen achtereenvolgens, te ontmoeten. Daar hij niet geneigd was zelf een tegenstander aan te wijzen, ontstond er een vriendschappelijke woordenwisseling over de vraag wie zich het eerst zou aanbieden. Na eenige aarzeling trad Graaf Radzivil naar voren.

Allen kwamen naderbij om het gevecht goed te kunnen zien. Er werden stoelen voor de dames in een kring gezet, en de heeren stelden zich daarachter op.

Felix begreep wel, dat volstrekt niet alle aanwezigen hem gunstig gestemd waren. Men kende hem nauwelijks bij naam, en bovendien zou menigeen weinig gesticht zijn over zijn benoeming tot Particulieren Secretaris, een betrekking die menigeen in stilte begeerde, en die nu toegewezen was aan een onbekende, al was hij dan ook door zijn nationaliteit aan Czernovië verwant. Deze omstandigheid prikkelde Felix te meer om zich tot het uiterste in te spannen.

Toen hij tegenover Radzivil stond, was het hem eerst een vreemde gewaarwording een zoo veel ouderen tegenstander te moeten bestrijden; weldra bleek hem echter dat Radzivil’s arm niets van zijn jeugdige kracht of lenigheid had verloren. Felix was niettemin beslist de meerdere; binnen vijf minuten slaagde hij er in den Graaf verscheiden houwen toe te brengen en hem tenslotte te ontwapenen. De sabel vloog door de lucht en zou Katina getroffen hebben, wanneer deze niet met haar schermdegen behendig een afwerende beweging had gemaakt.

Zabern, die met een onbewegelijk gezicht had staan kijken, scheen ingenomen met den uitslag.

“Dat kan den beste gebeuren!” zei Dorislas, overtuigd dat de Premier toch de sterkste van beiden was. Hij zelf volgde op Radzivil, en weer stond Zabern elke beweging van Felix met aandacht te beschouwen.

Dorislas was een beter schermer dan Radzivil, maar ditmaal had zijn driftig verlangen om de eer van Czernovië te wreken hem te pakken; hij maakte te weinig werk van zijn verdediging, viel te onstuimig en roekeloos aan, en in korter tijd dan de eerste maal was het Felix gelukt hem herhaaldelijk eenige houwen toe te brengen, zonder zelf een enkele maal getroffen te worden.

“Mooi zoo!” zei Zabern, klaarblijkelijk zeer in z’n schik. “Dat kan den beste gebeuren, Dorislas!”

Dorislas zag zoo beteuterd rond bij dit zoo weinig verwachte resultaat, dat de toeschouwers onwillekeurig in lachen uitbarstten.

“Zeg maar niets, Dorislas!” werd er geroepen, “je bent immers morsdood!”

Felix begon in hun achting te stijgen.

Daarna waagde Miroslav een partij, en opnieuw keek Zabern zoo gespannen toe, dat het wel leek of zijn eigen leven van den afloop afhing.

Gebruik makend van de les die Dorislas ontvangen had, begon de Commandant zeer voorzichtig en kalm, hoofdzakelijk de slagen afwerend. Toen hij echtereenige malen, door de afwering heen, getroffen werd, verdween zijn bedaardheid gauw. Hij gaf Felix meer moeite dan zijn voorgangers, maar ten slotte werd ook hem de sabel uit de hand gewrongen.

Zabern verkneukelde zich.

“Dat is boffen, en geen schermkunst!” riep Miroslav opgewonden. “Ik moet nog een partij met u doen, meneer Van Heelstra; dat loopje zal u geen tweede keer lukken.”

Felix was hier dadelijk toe bereid, maar verscheidene heeren protesteerden. De Hollander had volgens hen niets ongeoorloofds gedaan, en er was geen enkele reden waarom Miroslav een kans meer zou krijgen dan de anderen.

“Miroslav schijnt in een slecht humeur vandaag,” fluisterde een dame tot den achter haar staanden heer.

“Hij heeft er ook reden toe,” antwoordde deze. “De Prinses schijnt hem zeer hard te hebben gevallen over de ontsnapping van Russakoff.”

“De heer Van Heelstra moest nu zijn arm eens wat rust geven,” merkte een der aanwezigen op.

Maar Felix, die van de gunstige stemming wenschte te profiteeren, verklaarde volstrekt geen vermoeidheid te gevoelen.

“Nu ben ik aan de beurt,” zei Zabern, een sabel in zijn linker en eenige hand nemend. “Ik raad u aan voorzichtig te zijn.”

De waarschuwing was niet overbodig. Zabern werd algemeen beschouwd als de beste schermer na den Hertog, en Felix had weldra gemerkt, dat hij ditmaal een tegenstander gevonden had, die hem minstens in behendigheid gelijk stond. De Maarschalk hadeen arm van staal; en een man, die op menig slagveld in de loop van een geladen geweer had gezien, zou niet gauw zijn koelbloedigheid verliezen bij een schermpartij. Kalm en bedachtzaam deed hij enkele schijn-uitvallen om den ander op de proef te stellen; daarna nam hij een verdedigende houding aan, wachtend op het gunstige oogenblik. Felix zag geen kans door het defensief van Zabern heen te breken, en deze vierde partij nam daardoor een slepend karakter aan, dat scherp afstak tegen de schitterende en onstuimige partijen die voorafgingen. Reeds begon men te vreezen, dat er vooreerst geen eind kwam aan dit gevecht, toen Zabern opeens in de houding terugkwam, met zijn wapen salueerde, en zei:

“Ik heb voldoende gezien, dat ik uw mindere ben, meneer Van Heelstra. Gaarne verklaar ik me overwonnen.”

En, merkwaardig genoeg, Zabern scheen zelf met deze bekentenis van zijn nederlaag zeer ingenomen te zijn.

“Ik ben het niet met u eens, Maarschalk,” antwoordde Felix. “Niemand kan zeggen hoe de partij zou afgeloopen zijn. Tegen uw rechterhand zou ik het in geen geval uitgehouden hebben.”

Hij wendde zich nu naar de beide overblijvende tegenstanders, Brunowski en Nikita.

“Zouden we ’t hierbij maar niet laten?” vroeg de President. “Voor Nikita en mij zijn de kansen nu toch verkeken.”

“Misschien wil de heer Van Heelstra u beiden tegelijk te woord staan,” zei Zabern lachend.

Brunowski vond in ’t eerst iets vernederends indit voorstel, maar daar hij toch zelf begonnen was met zijn minderheid te erkennen, stemde hij ten slotte er in toe.

De dames stonden nu op, de stoelen werden verplaatst, en men vormde een wijderen kring, daar de drie mannen veel ruimte noodig zouden hebben.

“Duizend roebels tegen honderd dat de Hollander wint,” zei Zabern tegen Dorislas, die echter, als verstandig financier, de weddenschap afsloeg.

De vijfde partij vormde een schitterend slot.

Brunowski en Nikita, aangetast in hun eergevoel, maakten ’t den vreemdeling uiterst moeielijk. Hoewel niet zulke kranige schermers als Zabern, waren hun krachten toch lang niet gering te achten, en Felix was weldra een heel eind door hen teruggedrongen. De vorige partijen schenen bij deze vergeleken kinderspel. Aanval en afwering volgden elkaar zoo snel op, dat de toeschouwers de verblindend vlugge bewegingen der wapens bijna niet konden volgen. Nikita’s sabel was overal tegelijk, Brunowski’s kling suisde in fluitende cirkels door de lucht.

Maar het gelukte hun geen van beiden den tegenstander te treffen. Felix liet zich tot tegen den muur terug dringen, steeds afwerend; toen sloeg hij met een geweldigen houw Nikita’s sabel aan splinters, en bracht tegelijkertijd Brunowski een slag op den borstbeschermer toe, die den President den adem benam en hem een oogenblik deed terugdeinzen. Van die seconde maakte Felix gebruik—rinkelend vloog Brunowski’s sabel door een glasruit.

De omstanders zagen elkaar in ademlooze verwondering aan. Daarna weerklonk een levendig gejuich;alle haatdragende gevoelens waren verdwenen en in oprechte bewondering overgegaan.

“Zoo iets hebben we nog nooit in Czernovië gezien,” zei een stem.

“Tienduizend duivels,” bromde Zabern bij zichzelf, “waarom heeft de Prinses gisteren dat duel niet laten doorgaan?”

En luider voegde hij er aan toe:

“Dames en heeren, we zullen toestemmen, dat de Hertog alle reden heeft tot dankbaarheid.”

Niemand sprak hem tegen en Zabern’s oogen glinsterden van genoegen.

Op dit oogenblik kwam Katina langs; ze had uit de verte alles gade geslagen, en was nu op ’t punt met Juliska naar huis te gaan. Bij den Maarschalk bleef ze even staan, als wilde ze een verzoek tot hem richten.

“Maarschalk,” fluisterde ze, “u hebt een proef genomen! Is het niet zoo? Zeg me eens waar u over denkt op het oogenblik?”

“Dat het een vroolijk feest zal worden, het huwelijk van de Prinses!” antwoordde Zabern in orakeltaal. Dadelijk daarop vroeg hij haar luid:

“Laat ons eens zien, Katina, dat de Czernoviërs schieten kunnen, al kunnen ze niet schermen!”

Katina liet nu een witgeschilderd houten bord aan den muur hangen, ging op tien passen afstand staan en legde een aantal geladen revolvers naast zich. Vervolgens schoot ze de eene revolver na de andere zoo snel af, dat er nauwelijks een oogenblik stilte tusschen twee schoten was te vernemen. Als resultaat daarvan vertoonde zich een groot ovaal op het bord.Toen de revolvers opnieuw geladen waren, zette Katina haar kunststuk voort en binnen het ovaal verschenen lijnen en punten, die uit het geheel het portret van een man deden ontstaan, waarvan het origineel dadelijk door sommigen der aanwezigen werd herkend.

“Orloff, de gouverneur van Warsim!” riepen verscheiden stemmen.

“Begrijpt ge, waarom ik dit geleerd heb?” vroeg Katina fluisterend aan Zabern. Deze knikte zwijgend, en zei, rondziende naar Felix:

“Kan iemand dit nadoen?”

Er werd ook voor Katina in de handen geklapt, maar niemand waagde het zich met haar te meten en ook Felix glimlachte ontkennend.

Langzamerhand verliet het gezelschap de schermzaal; tegenover zulke meesters als er heden middag aan ’t woord waren geweest, schrok men terug voor het ten toon spreiden van zooveel zwakkere krachten.

“En hoe maakt onze gevangene het?” vroeg Radzivil onder het weggaan den Commandant der citadel.

“’n Beetje uit z’n humeur,” antwoordde Miroslav. “Hij brengt zijn tijd hoofdzakelijk door met het drinken van ouden Rijnwijn, en in zichzelf te zitten mopperen. Tusschen twee haakjes, hij scheen vooral zeer verontwaardigd dat we hem fouilleerden, want hij scheurde enkele dingen, die we hem wilden ontnemen, van woede in stukken. Nu, ’t was dan ook niet plezierig voor hem, maar ’t is nu eenmaal regel in de citadel.”

“Wat verscheurde de Hertog?” vroeg Zabern, die de laatste woorden gehoord had, achterdochtig.

“Niets bizonders, een boek,” antwoordde Miroslav. “Ik liet de snippers door een soldaat opvegen, en zag toen toevallig den titel op een stuk van den omslag staan.”

“Hoe heette het?”

“Tooneelspelen van Aeschylus. ’t Was zonde van ’t mooie boekje.”

“Het is jammer, dat ge dat boek niet hebt kunnen redden. Zijn de overblijfselen misschien nog te vinden?”

“Al het afval in de citadel wordt tweemaal daags verbrand; u weet, zoo wil de Inspecteur van den Militairen Gezondheidsdienst het.”

“Dat is heel jammer,” zei Zabern nadenkend. “Als goed soldaat had ge moeten bedenken, Commandant, datelkeaanwijzing, ook de kleinste, van waarde is. Ik ben ervan overtuigd, dat de Hertog een grondige reden had om dat boek te verscheuren. Aeschylus, Aeschylus—” herhaalde hij, “wat schreef die ook weer? Mijn Grieksch heeft me wel wat in den steek gelaten.”

Op eens maakte Felix een driftige beweging.

“Mijn God, Maarschalk! Ik weet het: Aeschylus schreef onder anderen “De Eumeniden, of De Furiën!”

Zabern greep Felix bij den arm, en nam hem ter zijde.

“De sleutel van het cijferschrift,” fluisterde hij. “Dat waren de laatste woorden van Van Stralen:—de Furiën!”


Back to IndexNext