De ontvangst te Dover.—De aankomst in Londen.—Het huis in Longmanstreet.—Li’s eerste lezing over een nooit gemaakte Zuidpoolreis.—Alle Londensche heeren wenschen zich een poolmeisje tot vrouw.—Het diner van het Aardrijkskundig Genootschap.—Rob drinkt thee met den Koning.—De kroonjuweelen.
De ontvangst te Dover.—De aankomst in Londen.—Het huis in Longmanstreet.—Li’s eerste lezing over een nooit gemaakte Zuidpoolreis.—Alle Londensche heeren wenschen zich een poolmeisje tot vrouw.—Het diner van het Aardrijkskundig Genootschap.—Rob drinkt thee met den Koning.—De kroonjuweelen.
Nauwelijks was Rob op het dek, of hij hoorde boven het kanongedonder uit de muziek van een groot aantal muziekkorpsen, die aan de kade waren opgesteld, en die onophoudelijk het Engelsche volkslied speelden. Alle huizen in den omtrek waren versierd en bevlagd; alle schepen waren met tallooze kleine vlaggetjes opgetuigd en de in het want staande matrozen joelden. Het was een leven dat hooren en zien hem verging.
Nauwelijks had Lo den jongen in ’t oog gekregen of hij duwde hem aan een arm de kajuitstrap af, en fluisterde hem haastig toe:
“Ga je vlug verkleeden, er ligt een pak voor je in de rookzaal.”
Zoo gauw hij kon, trok Rob het mooie, zwartepak aan, dat hij vond liggen, en waarin hij er zooveel deftiger en ouder uitzag dan te voren, dat hij den spiegel, die hem vertelde dat hij nu zijn eerste gekleede jas aanhad, bijna niet gelooven kon. Toen hij weer naar het dek was gesneld, vond hij daar Li-Lane eveneens stemmig in ’t zwart gekleed, en de overigen in reistoiletten van allerlei kleuren.
Vóor hij daarover zijn verbazing te kennen had kunnen geven, wees Li hem op een stoomsloep, die, met muziek aan boord, snel het jacht naderde.
De sloep kwam op zij, en een deftig heer, in groot ornaat en met een gouden keten om den hals, beklom de scheepstrap. Boven gekomen, trad hij met uitgestrekte handen op Li toe, en zei:
“Mister Lane, als burgemeester van Dover, en daartoe door Z.M. den Koning uitgenoodigd, heet ik u welkom op Engelschen bodem. Het heeft Z.M. behaagd een koninklijken salon-trein tot uw beschikking te stellen, die u onmiddellijk naar Londen zal voeren. Het spijt de burgerij van Dover, dat zij den grooten ontdekkingsreiziger niet eenigen tijd in haar midden zal mogen behouden, doch zij heeft vernomen dat u reeds een woning in Londen gehuurd hebt, en zeer verlangend zijt daar de rust te genieten, die gij na de ontberingen van uw reis zoo ruimschoots hebt verdiend. Het is mij een eer en een voorrecht, u uit naam van den Koning, welkom te heeten op den vaderlandschen grond.”
Li, die deze toespraak met een vriendelijken glimlach en overigens zonder een spier te vertrekken had aangehoord, dankte nu den mayor met een sierlijke, in onberispelijk Engelsch uitgesproken rede.Toen hij zweeg, werd op de stoomsloep een vlaggetje geheschen, en dadelijk daarna brak de muziek en het gebulder van het geschut weer los.
Li en de zijnen werden nu uitgenoodigd den burgemeester naar den wal te volgen, waar ze eenige versierde open rijtuigen vonden gereedstaan, die hen onder het gejuich der menigte naar het station brachten. Li groette en boog naar alle zijden, met de rust en het gemak van iemand, die zooveel groote emoties heeft meegemaakt, dat een huldebetoon als dit hem niet meer overweldigen kan. Li had met den burgemeester, Lo en Rob in het voorste rijtuig plaats genomen en deed den mayor een verhaal van een wonderbaarlijke redding uit de handen van zuidpoolsche wilden, die hij aan het cordate optreden van Rob te danken had, en waaraan het toe te schrijven was dat hij Rob steeds in zijn onmiddellijke nabijheid wilde zien.
“Had deze jonge man mij het leven niet gered,” zoo besloot hij zijn verhaal, “dan zou ik niet in staat geweest zijn de wetenschap met mijn nederige diensten ter zijde te staan.”
De burgemeester vond hierin aanleiding Rob eenige waardeerende woorden te zeggen, die deze met een verlegen buiging beantwoordde.
Onder het gewuif en gejuich der dicht opeen gepakte menschenmassa zette de trein zich in beweging, en daar de reis ook door eenige autoriteiten werd meegemaakt, was men voortdurend verplicht zich te laten complimenteeren en de rol van beroemde mannen te spelen.
Aan de stations, waar opgehouden werd, en mentoespraken moest aanhooren van burgemeesters en presidenten van corporaties, die met haar banieren op het perron stonden, kocht Lo eenige kranten, waarin ze allerlei berichten over zichzelf vonden, die niet weinig vermakelijk waren om te lezen.
In Londen aangekomen, speelde zich het Doversche programma nogmaals af. Muziek, toespraken, gejuich, kanongebulder. Door de drukke straten, die zwart waren van de menschen, reed men in open rijtuigen naar de Longmanstreet, waar twee kolossale huizen voor Lane en zijn gezelschap waren gehuurd.
Nog verscheiden malen moesten de reizigers zich op het balkon aan de geestdriftige menigte vertoonen, die zich niet verstrooide dan nadat Lane een toespraak had gehouden. En ook daarna werd het niet rustig, want den geheelen dag regende het bloemen, invitaties en telegrammen van gelukwensching. Maar vooral werd Li bestormd door verslaggevers van kranten, die hij allervriendelijkst te woord stond, alle inlichtingen gevend die ze wenschten, en door wie hij zich ontelbare malen in allerlei houdingen liet kieken.
Eindelijk tegen den avond, ook doordat Li in de kranten had doen plaatsen, dat hij de eerstvolgende dagen gaarne met rust zou gelaten worden, werd het wat stiller, en zat men gezellig bijeen, hartelijk lachend om de vermakelijke avonturen van dien dag.
Werkelijk vermoeid door de snelle reis en al het eerbetoon, ging men vroeg naar bed. Naf had uitstekend gezorgd; het geheele huis was uitstekend gemeubileerd en van alles voorzien wat men maar wenschen kon, en Rob merkte wel dat Li op de een of andere manier over onuitputtelijke geldmiddelen beschikte.
Toen Rob naar zijn kamer ging en het venster wilde sluiten, hoorde hij beneden op straat wapengekletter. Hij keek naar buiten, en zag dat een compagnie garde-grenadiers een eerewacht had betrokken, en dat twee reusachtige schildwachts met statige passen voor het huis heen en weer liepen.
Den volgenden dag bleef men rustig thuis. Li zat aan zijn schrijftafel, snuffelde in dikke boeken en schreef vele vellen papier vol. Tegen den avond vernam Rob, dat Li een lezing zou houden voor twintigduizend menschen in de groote concertzaal van het Koninklijk Conservatorium. Hij stelde zich veel van die lezing voor, benieuwd wat Li zijn hoorders zou opdisschen, maar toen men den avond daarop in open rijtuigen naar het Conservatorium was gereden en Li het podium had bestegen, stond Rob versteld van de kalmte en de schijnbare kennis van zaken, waarmee Li zijn Poolreis verhaalde. Na een beschrijving gegeven te hebben van zijn ondervindingen en ontberingen gedurende de reis er heen, stond hij uitvoerig stil bij de bizonderheden die de Pool zelf betroffen. Hij schilderde die als een vrij uitgestrekte, zeer bewoonbare streek, waar niet, zooals men dikwijls verondersteld had, het opeengehoopte ijs allen plantengroei en het dierlijk leven onmogelijk maakte, maar waar integendeel weelderige bosschen en een zeer intelligente bevolking gevonden waren, welke laatsten de koene ontdekkers vriendelijk ontvangen had, hoewel zeer verbaasd, dat er buiten hen zelven nog andere wezens op aarde bestonden die er ongeveer als zij uitzagen. De bewoonbaarheid en den plantengroei verklaarde Li hierdoor, dat dewarmte, ontstaan door de wrijving van de aarde om de aardas, groot genoeg was om het ijs over een groote uitgestrektheid te ontdooien. Toen Li vertelde dat de Poolbewoners hoogstwaarschijnlijk afstamden van de leden eener sinds onheugelijke tijden daar aangekomen, doch door de buitenwereld verloren gewaande expeditie, en dat deze expeditie een Engelsche moest geweest zijn, aangezien de heerschende taal een wel is waar verbasterde ofschoon nog zeer begrijpelijke vorm van het Engelsch bleek te zijn—toen Li dit vertelde, barstte er onder het gevleide publiek zulk een daverende storm van toejuichingen uit, dat er volle twintig minuten noodig waren eer het publiek gekalmeerd was en Li zijn rede kon voortzetten. Na eenige wetenschappelijke verhandelingen ten beste te hebben gegeven omtrent de aswenteling der aarde, besloot Li zijn met gespannen aandacht gevolgde lezing door een geestdriftige schildering van de Zuidpoolsche vrouwen te geven. In haar was naar zijn zeggen schoonheid en lieftalligheid harmonisch vereenigd. Aan de Zuidpool kwamen geen ongelukkige huwelijken voor; wie met een Zuidpoolsche trouwde, kon verzekerd zijn van een duurzaam geluk. Deze met gloed en geest uitgesproken slottirade bracht het publiek opnieuw in verrukking, en nog dienzelfden avond wist een verrukt jongmensch zevenduizend handteekeningen van trouwlustige lotgenooten te verzamelen voor het stichten van een “South-Polar-women-import-fund.” Den volgenden dag sprak heel Londen over de plotseling beroemd geworden Zuidpoolschen, en gedurende vele weken werden ze in alle café-concerts in woord en kleedij geprezenen nagebootst aan de hand van de uitvoerige beschrijving, die Li van haar uiterlijk had gegeven.
Den 29enOctober had het groote diner plaats, door het Aardrijkskundig Genootschap aangeboden. Rob zat op een eereplaats, links van de echtgenoote van den secretaris, en rechts van de vrouw van den president, die aan de zijde van Li was gezeten. Het diner, dat eindigde met de aanbieding van het buitengewoon eerelidmaatschap aan den ontdekker James Lane, kenmerkte zich door het overgroote aantal speechen, die Li met onvermoeibaren ijver beantwoordde, daarbij een kennis van zaken ten toon spreidend, waarvan Rob nu en dan verstomd stond.
De 1eNovember eindelijk was bestemd voor de soiree ten Hove. Alle bewoners van De Vogel, Rob incluis, staken zich voor die gelegenheid in rok, en Li gaf zijn metgezellen, vooral den jongsten, voor het vertrek nog de noodige goede lessen met betrekking tot de talrijke voorschriften, waaraan zij zich aan het ceremoniëele Engelsche Hof hadden te houden.
Om klokslag negen uur kondigde de Chambellan met luider stem de komst aan van Sir James Lane en gezelschap, welke betiteling Li er op wees, dat het den Koning behaagd had den grooten ontdekkingsreiziger een onderscheiding te verleenen, waarvoor Li Zijne Majesteit nog niet had bedankt, toen deze zijn vorstelijke mildheid nog verder uitstrekte door zijn beroemden onderdaan dadelijk na de begroeting met de versierselen van het commandeurskruis der Bath-orde te omhangen.
Terwijl de gasten zich al pratend door de ruimezalen bewogen, onderhield de Koning zich zeer vriendelijk met Li en Rob. Zijne Majesteit deed allerlei vragen, die duidelijk blijk gaven van zijn belezenheid over het onderwerp, een belezenheid van vermoedelijk jongen datum. Li gaf uitgebreide, wetenschappelijk getinte antwoordden, en vooral de beschrijving der Zuidpoolsche dames intresseerde den Koning zeer. Toen Li vertelde, dat hij aan de Pool ook uitgebreide diamantvelden had ontdekt, die nog onontgonnen lagen en bestemd waren kolossale schatten op te leveren, begonnen de oogen van den Vorst te schitteren. Merkwaardig was het, dat ’t woord “diamant” nauwelijks was uitgesproken, of een lang, correct-gerokt heer, met een monocle in ’t oog en een orchidee in ’t knoopsgat, die een minuut geleden nog aan ’t andere einde der zaal had gestaan, mengde zich in ’t gesprek, al pratend eenige aanteekeningen in zijn notitieboekje makend. Deze heer werd voorgesteld als Zijner Majesteits Minister van Koloniën.
Toen het gesprek eenmaal op diamanten was gekomen, wist Li door een handige overgang ook de kroonjuweelen in de conversatie te mengen, en hij vroeg, of de edelgesteenten, die den Koning en de Koningin bij de kroning waren aangeboden, werkelijk van een zoo verbazenden omvang waren als de dagbladen, waarin hij de beschrijving had gelezen, vermeld hadden.
In antwoord hierop gaf de Koning een geestdriftige beschrijving van de kroon en den diadeem, die, naar hij zeide, in een zeer kunstig uit hout gesneden kastje werden bewaard, dat steeds zorgvuldig in een brandkast stond gesloten. De brandkast bevond zich in ’s Konings slaapvertrek, en was van een hoogst vernuftigesluiting voorzien, waarvan het geheim alleen aan hem zelf bekend was.
Li deed nog eenige belangstellende vragen, en haalde intusschen al pratend een marokijn leeren étui uit den zak, waarin zich eenige prachtige groote steenen bevonden, welke hij zich veroorloofde den Koning als een souvenir aan de reis aan te bieden. Zijne Majesteit was verrukt over de helderheid en het slijpsel der steenen, die volgens Li door hem zelf aan de Pool waren gedolven, en het behaagde hem het geschenk welwillend te aanvaarden. Toch kon hij, met een kennersblik de juweelen monsterend, de opmerking niet weerhouden, dat de kroondiamanten nog grooter van omvang waren.
Nu gaf Li luide zijn verbazing te kennen. Dat er steenen zouden bestaan, grooter nog dan die, welke het Zijne Majesteit behaagd had als een nederige hulde van een zijner meest getrouwe onderdanen aan te nemen, kwam hem verwonderlijk voor, en hij waagde het zelfs op zeer bescheiden wijze de mogelijkheid te opperen, dat de Koning zich vergiste.
Zijne Majesteit, een-en-al welwillendheid, bood den ontdekkingsreiziger nu aan, zich persoonlijk te gaan overtuigen van de pracht der kroonjuweelen, die door deskundigen op minstens een millioen pond waarde werden geschat, en Li toonde zich verrukt over dit gunstbewijs. Door enkele ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders vergezeld, ging men nu naar het slaapvertrek, waar zich dicht naast het praalbed een sierlijk geornamenteerde brandkast bevond, die door den Koning met enkele onmogelijkte volgen handgrepen werd geopend. Daarna drukte Zijne Majesteit op een veer, en er schoof een kunstig bewerkt houten koffertje te voorschijn, waarvan het deksel zich, eveneens door een druk op een verborgen veer, opende. Nu lagen, achter glas opgesteld, de kroondiamanten in schitterende pracht voor de bewonderende oogen der toeschouwers. Het electrisch licht tooverde de heerlijkste kleurfonkelingen in de geslepen vakken, en allen waren het er over eens, dat nergens ter wereld de weerga van zulk een pracht gevonden kon worden.
Alleen Li scheen meer in bewondering voor het koffertje dan voor de diamanten verdiept te zijn, en vroeg ten laatste:
“Is dit van Indisch maaksel?”
“Juist,” antwoordde de Koning. “Het is een voortbrengsel van Britsch-Indische houtsnijkunst, en een geschenk van den Emir van Paschuda ter gelegenheid onzer Kroning.”
Nadat het gezelschap weer in de zaal teruggekeerd was, liep het gesprek nog eenigen tijd over het koffertje. Li gaf zijn groote belangstelling te kennen voor dergelijke industrie in ’t algemeen, en vertelde dat hij op zijn reizen zooveel merkwaardige voorwerpen van handenarbeid en gebruikskunst had verzameld, dat hij ’t de moeite loonend vond een vergelijkende studie van zuidelijke inlandsche industrie te gaan schrijven. Zelfs had hij al eenige bladzijden voor dat boek op schrift gebracht, met het plan het van talrijke illustraties te voorzien. Daartoe wilde hij vooreerst fotografische opnamen maken van de voorwerpen uit zijn eigen collectie, maar ook zou hijeen dankbaar gebruik maken van al wat museums en particuliere verzamelaars hem konden en wilden bieden.
Zijne Majesteit, die het er op gezet scheen te hebben den gast met gunstbewijzen te overladen, gaf onmiddellijk te kennen, dat hij de eerste wilde zijn die hem in dit schoone werk ter zijde stond, en bood Li het Indische kistje in bruikleen aan. De juweelen konden zoo lang in de brandkast liggen, en wanneer Li beloofde dat hij het koffertje met de grootste omzichtigheid zou behandelen en het niet langer aan zijn bestemming onttrekken dan voor de beschrijving en het doen van opnamen strikt noodig was—in elk geval niet meer dan tweemaal vier-en-twintig uur—dan was er tegen het in leen geven geen enkel bezwaar.
Li stribbelde nog wat tegen, sprak van de te groote eer die hem bewezen werd, meende dat hij het aanbod niet mocht aannemen—doch eindigde met er een dankbaar gebruik van te maken.
En zoo werd dan besloten, dat het koffertje den volgenden morgen onder militair geleide in Li’s hotel zou gebracht worden.
Het was inmiddels vrij laat geworden. Zijne Majesteit trok zich in zijn appartementen terug; de rijtuigen der gasten werden afgeroepen, en ook Li met gezelschap reed in hofkoetsen naar Longmanstreet.
Daar aangekomen, zat men nog enkele oogenblikken gezellig bijeen. Li was klaarblijkelijk zeer ingenomen met den gang van zaken, en zei vroolijk tot Rob:
“Het halve werk is gedaan!”
“Maar ik dacht,” zei Rob, “dat je het koffertjezonderde diamanten te leen kreeg!”
“Natuurlijk, beste jongen!” lachte Li, “maar ik had ook geen oogenblik gedacht dat ik de diamanten er bij zou krijgen!”
“Maar hoe wil je dan...” begon Rob.
“Geduld maar! Je zult ’t wel zien, hoe ’t nu verder gaat. Nu komt onze geleerde La in actie.”
“Electriciteit overwint alles!” antwoordde deze raadselachtig.
“Ik ben erg benieuwd,” zei Rob. “Maar vertel eens, Li, hoe kwam je aan dien prachtigen diamant? en was ’t eigenlijk niet zonde om dien weg te geven?”
“Niet erg,” zei Li leuk. “Kijk onze alchimist eens lachen—’t is alweer La, die er achter zit. Die fabriceert in z’n vrijen tijd valsche diamanten—van koolstof onder electrischen druk—en je ziet dat z’n uitvinding ons al goed te pas is gekomen!”
Li krijgt het koffertje te leen.—La verricht nieuwe wonderen.—De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.—Hoe hij beetgenomen werd.—De kroonjuweelen zijn gestolen!—Het verhaal van de diefachtige poes.—Li heeft de diamanten te pakken.—De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht van wal.—Terug op De Vogel.—De reis naar Transvaal.—Hoe het met de diamanten afliep.
Li krijgt het koffertje te leen.—La verricht nieuwe wonderen.—De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.—Hoe hij beetgenomen werd.—De kroonjuweelen zijn gestolen!—Het verhaal van de diefachtige poes.—Li heeft de diamanten te pakken.—De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht van wal.—Terug op De Vogel.—De reis naar Transvaal.—Hoe het met de diamanten afliep.
De volgende dagen waren weer gewijd aan lezingen, officiëele bezoeken, feestmaaltijden, waaraan geen einde scheen te komen. Li en zijn metgezellen schenen wel van ijzer te zijn, zoo onvermoeid namen ze aan al die dingen deel, maar Rob werd het nu en dan te machtig, en Li zorgde er dan ook menigmaal voor dat hij tijdig naar bed ging en er voor zijn afwezigheid bij het een of ander feest een geldige reden werd gevonden.
Den 3enNovember werd er aan het hotel in Longmanstreet een kabinetschrijven van den Koning bezorgd, inhoudende dat dienzelfden middag door een officier van de Householdguards, onder geleide vanzes manschappen het koffertje zou bezorgd worden, waarin de beroemde edelsteenen bewaard werden. Toen Li den brief las, glimlachte hij zwijgend. Rob verbaasde zich wat Li met dat kistje doen zou, maar zweeg eveneens en wachtte af.
Des middags werd het kostbare voorwerp gebracht. Li gaf het onmiddellijk aan La over, en nu begaven allen zich in een vertrek, waarvan Rob het bestaan nog niet wist, en waar voor La een geheel laboratorium bleek te zijn ingericht, en wel door Nof, die met zijn vliegmachine des nachts al de benoodigde instrumenten naar binnen had gebracht.
La zette zich aan het werk. Hij maakte een vorm van het zoo gemakkelijk te bewerken en te plooienmonum, die geheel om het kistje sloot, zoodat alle onderdeelen van het snijwerk daarin werden afgedrukt. Uit de kranten wetende, dat het koffertje vervaardigd was van een in Britsch-Indië veelvuldig voorkomende acacia-houtsoort, had hij gezorgd zich reeds lang van te voren een blok van die houtsoort te verschaffen. De monum-vorm werd nu met de opening naar boven gelegd, het houtblok haaks gezaagd, zoodat het eenigszins grooter inhoud had dan de vorm binnenwerks, en vervolgens boven de opening geplaatst. Een sterke electrische stroom werd nu door het monum geleid, en Rob zag tot zijn verbazing, dat een lichte druk boven op het blok voldoende was om dit in den vorm te doen zakken. Het overtollige hout werd door den scherpen rand van den vorm afgesneden, en nadat het monum was weggenomen vertoonde het blok uiterlijk geheel den vorm van het kistje.
Nu sneed La het blok met een zeer dun, doorelectriciteit in gloeiïng gebracht zaagje in tweeën, zoodat hij het in een doos en een deksel scheidde; daarna werden beide blokken eveneens met een monum-vorm geheel volgens het model uitgehold. Ten slotte werden scharnieren aangebracht, en het geheel met een bruine vloeistof bestreken, waardoor het volkomen de kleur van het model verkreeg. En zoo stonden er nu twee treffend op elkaar gelijkende kistjes naast elkaar op de werkbank, die in niets van elkaar verschilden!
Het moeielijkste kwam echter nu eerst. Lo bracht nu tegen den achterwand een zeer smallen tweeden wand aan, die zoo was ingericht, dat hij bij het sluiten van den deksel een op den bodem van het koffertje gelegd voorwerp geheel verborg, zonder dat er uiterlijk iets van dien dubbelen bodem te bemerken was. Opende men opnieuw den deksel, dan bleef die dubbele wand liggen.
Alles was nu gereed.
Toen de termijn verstreken was, vroeg Li een audiëntie bij den Koning aan, ten einde zelf het koffertje te mogen terugbrengen, en zoo de gelegenheid te hebben Zijne Majesteit voor deszelfs groote welwillendheid dank te zeggen.
De audiëntie werd toegestaan. Met belangstelling beschouwde de Koning de foto’s, die Li door La van het kistje had doen maken, en hij was zelfs zoo welwillend den grooten Poolreiziger uit te noodigen zijn hulp te verleenen bij het weder op hun plaats brengen der juweelen. Li nam dit aanbod gaarne aan; met eigen handen legde de Koning kroon en diadeem weer in het koffertje, en toen Li het deksel geslotenhad, wist hij dat de dubbele wand de sieraden geheel bedekte, dat het bij het opnieuw openen van het kistje den schijn zou hebben als was de inhoud verdwenen, en dat men de list niet zou doorzien, omdat de onderwand van het nagemaakte kistje zoo aanmerkelijk veel dunner was dan de zeer zware bodem van het echte, dat de dubbele bodem even diep onder de bovenzijde lag als de enkele bij het oorspronkelijke koffertje.
Nadat de Koning zorgvuldig de brandkast had gesloten en zich nog eenigen tijd met Li onderhouden had, nam deze afscheid.
In het hotel aangekomen, vond hij zijn reisgenooten in gespannen nieuwsgierigheid bijeen.
Hij knikte hen vroolijk toe.
“Alles gaat uitstekend,” zei hij. “Binnen een week zijn de juweelen hier in huis.”
Men was gewoon, dat Li zulke uitspraken niet deed, of de feiten stelden hem in het gelijk. Maar dit nam niet weg, dat men zeer benieuwd was hoe het nu verder met deze geschiedenis zou afloopen. Rob vooral toonde zich zeer verlangend naar den uitslag der onderneming en begreep nog niet goed hoe het gaan moest.
Lang behoefde men niet in spanning te blijven. Reeds den volgenden avond ontving Li bezoek van een in ’t zwart gekleed heer, die zich eenvoudig liet aandienen als mr. Johnson, maar daarna de Eerste Kamerheer van den Koning bleek te zijn, die Li onder vier oogen meedeelde, dat Zijne Majesteit hem den volgenden morgen wenschte te ontvangen, en dat hij daartoe in een gesloten huurrijtuig zou worden afgehaald.
Toen mr. Johnson vertrokken was, en Li de overigen den inhoud van ’t gesprek meedeelde, schrok Rob erg.
“Het geheim van ’t koffertje kan toch niet ontdekt zijn?” vroeg hij angstig.
“Geen sprake van,” antwoordde Li kalm. “Laten we maar tijdig naar bed gaan en rustig slapen, blij dat we van avond eens geen officiëel feest hebben bij te wonen.”
Den volgenden morgen om tien uur kwam het rijtuig voor.
Li steeg in, en weldra bevond hij zich in ’s Konings particulier kabinet. Het gezicht van Zijne Majesteit stond zeer ernstig.
“Mr. Lane,” sprak hij, “ik heb u doen ontbieden in verband met een zeer vreemd geval. Gisterenmiddag opende ik het koffertje, dat de kroonjuweelen bevat, eerlijk gezegd omdat ik nog eens nauwkeurig wilde nagaan of het geen schade had geleden terwijl het in uw handen was. U moet mij dat niet kwalijk nemen; ik hecht zoo aan dat meesterwerk van houtsnijkunst, dat ik er steeds een overdreven zorg aan wijd. Natuurlijk vond ik het in de beste orde, niet het minste spoor van een minder voorzichtige behandeling was er aan te bemerken—iets wat ik trouwens verwachten kon, maar waarvoor ik u toch dankbaar ben.”
Li boog zwijgend, en de Koning vervolgde:
“Stel u echter mijn verbazing en tevens mijn schrik voor, toen ik de diamanten spoorloos verdwenen vond! Een oogenblik durfde ik mijn oogen niet vertrouwen; ik meende zelfs aan een zinsbegoocheling onderhevig te zijn. Maar het bleek maar al te waar: de diamantenwaren en bleven weg! Had ik ze niet zelf een dag te voren eigenhandig in het koffertje gelegd—het geen u, die daarbij aanwezig was, immers bevestigen kunt—dan zou het verdwijnen mij niet zoo sterk verbaasd hebben als nu. Er is natuurlijk geen andere mogelijkheid dan diefstal—wonderen komen in onzen tijd niet voor! Maar wie is de dief? En hoe had de diefstal plaats? Even zeker als, theoretisch beschouwd, alleen door diefstal de steenen verdwenen kunnen zijn, even vast staat het, dat die diefstal uit een practisch oogpunt eenvoudig ondoenlijk is. Niemand kent het zeer samengesteld geheim van de sluiting der brandkast—deze was trouwens geheel onbeschadigd—maar sterker is, dat de deur van mijn slaapvertrek dag en nacht door twee schildwachten wordt bewaakt, die door mijn ordonnans-officier, den commandant der paleiswacht en mijzelf herhaaldelijk worden gecontroleerd. Ik vraag u: zou men hier niet bijna aan een mirakel gaan gelooven?”
“Het is ongetwijfeld een hoogst merkwaardig geval, Sire,” zei Li nadenkend. “Toch moeten we niet te gauw aan bovennatuurlijke werkingen gelooven of zulk een gebeurtenis te diep onderzoeken. Ik heb wonderen zien verrichten door Indische fakirs, die oppervlakkig beschouwd zuiver hekserij schijnen, en die toch een hoogst eenvoudigen truc tot grondslag hebben. Zoekt men hun oorsprong te ver, dan kan men zeker zijn te dwalen.”
“U bedoelt daarmee, dat....”
“Dat de zaak vermoedelijk veel eenvoudiger is dan we denken. Doch ik ben zoo onbescheiden op Uwer Majesteit’s vermoedelijke plannen vooruit te loopen.”
“Integendeel, ik hecht waarde aan uw advies. U was trouwens degene, die, met mij, de diamanten het laatst gezien heeft, die evenals ik de absolute zekerheid bezit dat ik eigenhandig kroon en diadeem in het kistje plaatste. Ik dacht daarom dadelijk aan u, toen ik die kostbare voorwerpen miste. U kunt misschien helpen een, zij ’t ook zeer vaag, spoor te vinden. Herinner u eens goed, wie waren in onze omgeving, toen u mij het kistje terugbracht? Zag u in de vertrekken en gangen die wij doorgingen, geen personen, wier aanwezigheid daar u vreemd voorkwam? Weet u zeker, dat de beide schildwachten voor mijn kamerdeur stonden? Hebt u duidelijk gezien dat ik de brandkast zorgvuldig sloot? Hebt u bij uw vertrek uit het paleis niets verdacht waargenomen? Zooals u ziet zijn er vragen genoeg, de moeite van het overwegen waard. Niemand weet nog van het verdwijnen der kostbaarheden. Ik verlang ook dat daaraan voorloopig niet de minste ruchtbaarheid wordt gegeven. Juist door in stilte en stelselmatig te werk te gaan, hebben we de meeste kans van slagen. Bovendien zou ik niet gaarne den schijn op mij laden, zulk een kostbaar geschenk als die juweelen slecht beheerd te hebben. Kortom, ik heb alle reden vooreerst alleen op uw hulp te vertrouwen. En ik hoop met succes.”
“De taak, die Uwe Majesteit zich verwaardigt mij op te leggen, is vereerend, maar zwaar. Ik zou verkeerd doen, met mij in de uitvoering daarvan te overhaasten. Wil mij eenige dagen toestaan, waarin ik rustig over het geval kan nadenken. Ik woonde op mijn reizen meer zulke geheimzinnige diefstallenbij, die later bleken een verbluffend eenvoudig verloop te hebben gehad, en het zou mij niet verwonderen als ook hier iets dergelijks in ’t spel was. Instinctmatig voel ik, dat de oplossing hier zeer voor de hand ligt. Misschien zelfs vind ik in de vele aanteekeningen, die ik over mijn reizen maakte, gevallen vermeld, die op dit gelijken. Hoorde Uwe Majesteit ooit, hoe uit den Grooten Tempel te Delhi het Gouden Hart van Boeddha gestolen werd?”
Toen de Koning ontkennend antwoordde vervolgde Li:
“Eenige jaren geleden verdween dat voorwerp plotseling uit den tempel. Er heerschte groote verslagenheid, want de bevolking zag er het voorteeken van een naderend onheil in. Maar ook brak men zich het hoofd met de vraag, hoe die verdwijning mogelijk was. Het Gouden Hart was dien dag in processie door den tempel gedragen, ter gelegenheid van een godsdienstig feest. Daarna had men het voor ieder zichtbaar op zijn gewone plaats boven het altaar gelegd, dat dag en nacht bewaakt werd door biddende priesters. Alle uitgangen van den tempel, ja zelfs de vensters, werden steeds en onder alle omstandigheden door krijgslieden bewaakt. Tien minuten nadat het Hart boven het altaar geplaatst was, en de tempelgangers inmiddels het gebouw ontruimd hadden, strekte de Hoogepriester met een kreet van schrik de hand naar het altaar uit.... De biddende priesters zagen op—het Gouden Hart was verdwenen!”
“En hoe was dit wonder geschied?” vroeg de Koning in gespannen belangstelling.
“Op een bijna kinderachtig eenvoudige wijze, Sire,” vervolgde Li. “Een vreemdeling, hartstochtelijk verzamelaar, bezat een merkwaardig middel om in het bezit te komen van die voorwerpen, welke hij niet door geld machtig kon worden, en die hij toch zoo gaarne aan zijn collectie wilde toevoegen. Dat middel was—een kat! Dit slimme dier was er van jongs af op gedresseerd zich vlug en onbemerkt meester te maken van elk voorwerp, dat zijn meester hem met een enkel gebaar aanduidde. Zoo ging het ook met het Gouden Hart. De zwarte, in de namiddagschemering nauw zichtbare kat deed haar werk voortreffelijk. Ze sloop naar het altaar, had binnen enkele seconden het verlangde voorwerp in haar bek en schoot met onhoorbare snelheid tusschen de priesters door, den tempel uit en haar meester achterna. Later ontdekte men, bij gelegenheid van een anderen diefstal, het vermiste voorwerp in de collectie van den vreemdeling, en zoo kwam ook de kattenlist aan het licht. Toen bleek dus, dat een eenvoudige poes bewerkt had, wat de priesters voor een mirakel van godenhand hadden uitgemaakt.”
“Uw verhaal is even intressant als spannend,” zei de Koning. “En uw ondervindingen op dit gebied geven me hoop, dat u het spoor in deze duistere geschiedenis zult kunnen vinden. Dus—zwijgen tegenover iedereen; zoodra u iets meent gevonden te hebben, ontvang ik bericht.”
Li beloofde nogmaals zijn uiterste best te zullen doen, en keerde toen naar huis terug.
“Over twee dagen!” zei hij alleen tot Rob, die hem vragend aanzag.
Er gingen nu twee dagen voorbij, die Li gebruikte om door middel van de nieuwsbladen te doen rondbazuinen, dat hij in de volgende week voor een paar maanden met zijn jacht den Atlantischen Oceaan ging doorkruisen.
Toen die twee dagen om waren, vroeg Li opnieuw een audiëntie bij den Koning aan, welke dadelijk werd toegestaan.
Zijne Majesteit kwam Li met uitgestrekte handen tegemoet, en vroeg terstond:
“Wel, hebt u kans gezien, eenig licht te vinden in de duistere zaak?”
“Ik geloof inderdaad, Sire, dat ik den dader op het spoor ben.”
“Den dader?” riep de Koning verrast. “Dus u gelooft dat we hier werkelijk met een diefstal te doen hebben?”
“Ik geloof het niet alleen, ik weet reeds zeker, dat er een zeer eenvoudige, hoewel sluw aangelegde diefstal in het spel is. Ik heb echter nog niet alle bewijzen in handen.”
“Maar vertel me dan voorloopig hoe u tot die schitterende ontdekking gekomen bent,” vroeg de Koning nieuwsgierig.
“Vergeef me, Majesteit,” sprak Li, “dat ik Uw geduld nog eenigen tijd op de proef stel. Ik kan me immers vergissen, en zou niet graag willen, dat ik U zoowel als mezelf met een ijdele hoop gevleid had. Vergun me dus, dat ik U niets mededeel, eer ik met volkomen zekerheid kan oordeelen.”
“Ik waardeer en begrijp uw voorzichtigheid, mr. Lane,” antwoordde de Koning, “en ik zal u daaromniet langer met nieuwsgierige vragen lastig vallen, hopende u daarmee tevens te toonen welk een volkomen vertrouwen ik in u stel. Ik wil u op alle mogelijke wijzen van dienst zijn. Zeg mij slechts, waarmee ik u in het belang uwer verdere onderzoekingen van dienst kan zijn.”
“Wanneer het niet te veel van Uw goedheid gevergd is,” zei Li “zou ik gaarne nogmaals tijdelijk in het bezit gesteld worden van het kistje. Het kan me bij mijn nasporingen van groot nut zijn.”
“Met het meeste genoegen zal ik het u nogmaals in gebruik afstaan, en wel voor zoo lang als u het denkt noodig te hebben. U kunt het zelfs nog heden in uw rijtuig meenemen.”
Na deze woorden haalde de Koning zelf het koffertje te voorschijn. Eer hij een lakei ontbood, die het zorgvuldig verpakt in Li’s rijtuig zou brengen, drukte hij nogmaals op de veer, die het deksel deed openspringen, en staarde met weemoedigen blik in de leege ruimte.
“Hoe lang zal het duren, eer ik mijn schatten weer terug heb,” sprak hij met een zucht.
“Misschien korter dan U denkt, Sire,” zei Li. “Ja, ik heb zulke goede verwachtingen van den uitslag mijner pogingen, dat het is alsof ik de juweelen daar reeds weer op den boden van het kistje zie liggen.”
Toen Li in Longmanstreet teruggekeerd was, riep hij zijn getrouwen bijeen. Hij toonde hun het koffertje, deed het open, sloeg den dubbelen wand opzij—en daar lagen voor aller verbaasde oogen de in veelkleurigen glans schitterende kroonjuweelen!
Li bergde de kostbare stukken eenvoudig in hethandtaschje dat hem steeds op reis vergezelde; toen gaf hij het nagemaakte kistje aan Lo, die het twee minuten later door middel van een electrischen stroom tot een fijn poeder verbrand had.
“Ziezoo,” zei Li. “Nu kan de Koning zijn eigen koffertje terug krijgen.”
Drie dagen later was Li opnieuw ten paleize. Hij overhandigde het avontuurlijke kistje weer aan den Koning, en meldde dezen, dat hij nu nog slechts over eenigen tijd moest kunnen beschikken, en de diamanten zouden terecht zijn.
“Wees ervan verzekerd, Majesteit, dat de juweelen aan den rechtmatigen eigenaar zullen teruggegeven worden,” zei hij met een fijn glimlachje.
De Koning was verrukt. Hij drukte Li herhaaldelijk de hand, en beloofde hem de grootst denkbare eerbewijzen als zijn taak tot een goed einde zou gebracht zijn.
“Uwe Majesteit zal vernomen hebben,” zei Li, “dat ik volgens de nieuwsbladen het plan heb eenige maanden in den Atlantischen Oceaan te gaan kruisen. Mijn eigenlijk doel is echter, den dief te achterhalen, die het koninkrijk verlaten heeft, en omtrent wien ik zekere aanwijzingen heb dat hij op weg is naar Zuid-Afrika.”
De Koning kon geen woorden vinden om zijn dankbaarheid te uiten, en toen Li met zijn reisgenooten den volgenden dag in zijn jacht Dover verliet, was hij tot Pair van Engeland verheven, en bezat hij, behalve het grootkruis van de Engelsche Huisorde, een mandaat, dat hem machtigde levenslang uit ’s Konings particuliere schatkist een jaargeld vanvijfduizend pond te trekken. Het jacht was nog geen vijf minuten in zee, of Li strekte de hand uit, en achtereenvolgens plompten de aanstelling tot Pair, de Bathorde, de Huisorde en het mandaat in de golven.
“Ik heb immers de diamanten!” zei hij eenvoudig.
Daarna keerde hij zich tot Rob en vroeg vroolijk:
“Wel—wat zeg je nu van ons avontuur?”
“Ik heb in al mijn boeken van Bertrand nog nooit zoo iets gelezen,” zei Rob, “en die zijn toch wel de mooiste en avontuurlijkste boeken die ik ken. Las je ze wel eens?”
Li had schik in de verbazing van den jongen, en zei:
“In mijn jeugd bestonden er zulke prachtige boeken nog niet. Maar ik maakte er wel eens kennis mee. Ze schijnen in alle talen vertaald te worden, want op mijn vele reizen zag ik ze zoowel in China als in Amerika, op Groenland, in Siberië en op de Zuidzee-Eilanden. Maar dat is zeker, ons diamanten-avontuur is ’n aardig stukje geweest.”
Rob kon niet nalaten te zeggen:
“Alles is je wel erg meegeloopen. Het gebeurde eigenlijk allemaal net zooals je het graag wou. Maar wat zou je nu gedaan hebben als het eens niet zoo vlot van stapel was geloopen?”
“Ach,” zei Li leuk, “dan had ik er wel weer een ander middel op gevonden. Hebben moest ik ze.”
De zeereis was weer even voorspoedig als te voren. Den 15enNovember was men weer op Green-Eiland,met een hoera verwelkomd door Mu, die De Vogel weer op zijn gewone plaats onder de boomen had verborgen. Ditmaal was er geen oorlogsschip te zien dat de reizigers bemoeielijkte.
Enkele uren na de landing kwam ook Nof met de vliegmachine aan, en bracht het voor Rob heerlijke bericht, dat het hem gelukt was den brief aan Rob’s voogd des nachts onbemerkt in de bus te doen. Ook bracht hij eenige kranten mee, waarin al de in ’t Eerste Hoofdstuk vermelde gissingen omtrent Rob’s verdwijning stonden, en waarin allen, de held niet ’t minst, veel schik hadden.
Nof kreeg niet lang rust, want Li gelastte hem dadelijk het jacht naar Dover te brengen, het daar onbeheerd in de haven te laten liggen, opdat de Engelsche regeering er over kon beschikken, en dan met de mee te nemen vliegmachine zich weer bij de overigen te voegen. Het punt van bijeenkomst werd hem door Li schriftelijk in cijfertaal opgegeven.
Alles, wat uit het huis in Longmanstreet in het jacht was geladen, werd nu op De Vogel overgebracht, en men was reisvaardig voor het verdere doel van de onderneming.
Nog denzelfden avond stak De Vogel van wal. De reis ging nu rechtstreeks naar Vrijheid, waar de Transvaalsche Regeering op dat oogenblik haar zetel had. De lucht was voortdurend helder, hoewel koud, en het was een heerlijke gewaarwording met de maximum snelheid, die De Vogel kon ontwikkelen, door den ijlen, drogen dampkring te vliegen. Niet altijd was het gemakkelijk, den juisten weg te vinden; de kinematografische opnamen van den AtlantischenOceaan gaven slechts vage beelden, waarin het oog vergeefs een steunpunt zocht, en zoo moest herhaaldelijk aan zon en sterren gevraagd worden waar men zich bevond. Gemiddeld genomen, ging de reis echter zeer voorspoedig, en in den nacht van den 26enop den 27enNovember werden de Transvaalsche steenen in de tent van den waarnemenden President gedeponeerd, zonder dat deze zich van hun herkomst ook maar in de verste verte rekenschap kon geven.
Men zal zich herinneren, dat op het eind van ’t jaar 1901 de kranten vage, verwarde berichten gaven omtrent een belangrijken diefstal van diamanten aan het Engelsche Hof. Enkele weken daarna werden geruchten weer tegengesproken, en ten slotte vernam men er niets meer van. De toedracht van dit geval weet de lezer nu grootendeels. Er behoeft nog slechts aan toegevoegd te worden, dat de Transvaalsche Regeering, edelmoediger en fierder dan de Engelsche, de diamanten onmiddellijk terugzond, met de laconieke mededeeling dat het haar aan geld niet ontbrak. De Koning gelastte dat men de grootste stilzwijgendheid zou bewaren over deze gebeurtenis, waarin hij zelf immers een min of meer komische rol vervuld had. Meermalen heeft hij daarna de diamanten en het kistje peinzend bekeken; de spoorlooze verdwijning van Sir James Lane, Pair van Engeland, drager van verscheiden hooge orden, heeft hem steeds zonderling toegeschenen—maar het rechte verband der dingen is hem nooit goed duidelijk geworden.
Waarin verteld wordt, hoe ’t maar ’n haartje gescheeld had, of Rob was weer in ’t Vondelpark gaan wandelen.—Li vertelt zijn levensgeschiedenis.—Rob hoort van de stichting der Oranje-Republiek, van Rusland’s booze plannen, van de dappere Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.
Waarin verteld wordt, hoe ’t maar ’n haartje gescheeld had, of Rob was weer in ’t Vondelpark gaan wandelen.—Li vertelt zijn levensgeschiedenis.—Rob hoort van de stichting der Oranje-Republiek, van Rusland’s booze plannen, van de dappere Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.
Eenige dagen na het vertrek uit Zuid-Afrika, terwijl De Vogel met groote snelheid in noordoostelijke richting voortvloog, verzocht Li zijn jongen vriend bij hem in zijn werkkamer te komen. Nadat hij hem had uitgenoodigd te gaan zitten, sprak hij:
“Ik ben je langzamerhand geheel tot de vaste bemanning van het luchtschip gaan beschouwen, Rob. Terwijl ik het onaangenaam blijf vinden, dat ik je van je vrijheid moest berooven, ben ik toch dankbaar dat we zulk een goeden vriend in je gevonden hebben. En het zou me moeielijk vallen van je te scheiden. We stellen trouwens allen op je tegenwoordigheid prijs. Ik heb nooit eenige belofte van je gevergd, en toch heb je je tegenover ons zoo flink, trouw en eerlijk gedragen alsof je door je woord en door verplichtingenaan ons gebonden was. Dat heeft me heel veel genoegen gedaan. En er is nog iets waarvoor je ten zeerste lof verdient. Toen we in Londen waren, heb ik je geheel vrij gelaten; je kon in de stad ongehinderd rondloopen en had alle gelegenheid ons te verraden of te verlaten. Integendeel heb je alles gedaan om onze plannen te doen slagen. We weten nu, dat we een trouw kameraad in je hebben gevonden. Als dank wil ik daar iets tegenover stellen.”
Li zweeg even, en vervolgde toen:
“Wanneer je wilt, zal ik je binnen acht dagen naar Amsterdam terugbrengen.”
Rob aarzelde geen oogenblik met zijn antwoord.
“Als je er niets tegen hebt, Li, dan zou ik liever nog wat blijven.”
Li drukte hem hartelijk de hand, en de glimlach op zijn flink, mannelijk gezicht bewees duidelijk dat het antwoord van Rob hem goed deed. Toch vroeg hij nog:
“Maar verlang je dan niet naar je huis terug?”
“Zeker doe ik dat,” zei Rob, “ik verlang wel terug, want mijn voogd was altijd heel goed voor me, en ook zou ik de zusters en broers graag terugzien. Maar toch zou ik wel hier willen blijven ook...”
“Wanneer je ouders nog leefden, Rob, zou ik er zeker bezwaar tegen hebben dat je nog bleef. In de bestaande omstandigheden durf ik het echter wel op me nemen je nog wat hier te houden, te meer daar het in verband met mijn verdere plannen niet ongewenscht is. Maar we zullen afspreken, dat je volkomen vrij bent zelf den dag van je vertrek te bepalen, endat er iedere vier weken, als de omstandigheden het toelaten en ik een der vliegtoestellen missen kan, een bericht naar je voogd gaat.”
Rob dankte Li voor zijn welwillende beschikkingen. Hij voelde inderdaad nu en dan wel een soort van heimwee naar huis, naar zijn schoolkameraden, naar zijn fiets en zijn voetbal; maar hij merkte toch ook dat dit gevoel langzamerhand minder werd. Het avontuurlijke van dit leven in de lucht trok hem sterk aan, en ook had hij zich langzamerhand zeer aan de goedgehumeurde, vriendelijke en toch zoo flinke en doortastende Vogel-bewoners gehecht. Bovendien verveelde hij zich geen oogenblik; voortdurend werd er voor de noodige ontspanning gezorgd: men maakte muziek aan boord, las elkaar voor, speelde ping-pong, en zelfs La’s aangename en helder-voorgedragen lessen waren hem een uitspanning. Hij voelde zich goed vorderen, en was zelfs verder dan hij op dit oogenblik geweest zou zijn wanneer hij nog op de schoolbanken zat. La legde vooral op algemeene ontwikkeling den nadruk, hield hem op de hoogte van de nieuwste uitvindingen en ontdekkingen, en legde hem de politieke gebeurtenissen en verhoudingen in Europa uit, hoofdzakelijk door middel van de nieuwsbladen, die nu en dan op voorzichtige wijze aan boord gebracht werden. Daartoe daalde De Vogel soms des nachts in een bosch of op een bergtop, en een der “opvarenden” begaf zich naar een nabijliggende stad, uit den rijken costuumvoorraad de noodige vermomming kiezend.
Nadat wederom eenige dagen verloopen waren, had Li opnieuw een ernstig gesprek met Rob
“Over enkele dagen gaan we zeer belangrijke gebeurtenissen tegemoet, Rob,” sprak Li. “Het oogenblik lijkt me nu gekomen je in een geschiedenis in te wijden, die ons allen, behalve jou, bekend is. De geschiedenis namelijk van mij en mijn lotgenooten. Die is de volgende.
“Zooals je uit je geschiedenis zult weten, werd in 1809 door eenige Nederlandsche uitgewekenen, die deels om politieke redenen door Napoleon waren verbannen, deels vrijwillig zich aan de Fransche heerschappij onttrokken, een kolonie gesticht op de Russische grens, ten noordoosten van het Balkanschiereiland. De grond, een uitgestrektheid ongeveer met die van Nederland overeenkomende, werd daartoe van den Russischen Staat gekocht, die zich alleen enkele schijnbaar onbeteekenende rechten van toezicht op de jonge Republiek voorbehield. Tot de voornaamste kolonisten behoorde mijn grootvader, evenals mijn vader en ik Johan Willem van Stralen geheeten. Hij, een vurig patriot, een verwoed tegenstander van Napoleon, tegen wien hij in Spanje, Italië en Duitschland in vreemden krijgsdienst de wapenen had gedragen, werd tot President gekozen. Onder zijn krachtig beheer geraakte de Republiek binnen weinige jaren tot ongekenden bloei; zóo sterk ontwikkelde zij zich zelfs, dat Rusland, wat trouwens te verwachten was, een begeerig oog op den nabuurstaat begon te slaan. Mijn grootvader deed alles om de onafhankelijkheid der Republiek te handhaven. Doch dit was verre van gemakkelijk, vooral daar zijn onvervalscht Hollandsch bloed hem tot geen enkele concessie aan Russische wenschen of zeden liet verleiden. Hij bleef Nederlanderin merg en been, deed alles om de Nederlandsche taal in de kolonie te doen voortleven, en bezielde ook zijn zoon met dergelijke gevoelens. Toen deze, na den dood van mijn grootvader, tot President werd gekozen, werd de strijd tegen den Russischen invloed onverflauwd voortgezet. Maar het was mijn vader niet beschoren zijn taak ten einde te brengen. Hij stierf aan moeraskoortsen, toen ik nog te jong was om naar de hooge betrekking te dingen die nu open kwam, en zijn dood was oorzaak van een menigte verwikkelingen. In den loop der jaren hadden zich talrijke vreemdelingen in de Republiek gevestigd, Turken, Oostenrijkers, maar vooral Russen. Ondanks de uiterste pogingen om het Hollandsch karakter van de Republiek te bewaren, wijzigde zich dit hoe langer hoe meer, en de verkiezingen, die voor de benoeming van een nieuwen President waren uitgeschreven, gaven aanleiding tot heftige tooneelen. De Russische Regeering stookte in ’t geheim, vermeerderde de oneenigheid, en trachtte zoodoende een gelegenheid tot interventie in ’t leven te roepen. Toen er ten slotte een botsing tusschen de Nederlandsche en de Russische partijen plaats had, waarbij enkele schoten werden gewisseld, mengde Rusland zich in de kwestie. Eenige Russische regimenten bezetten de hoofdstad; de orde werd met geweerschoten en knoetslagen hersteld, en een keizerlijke ukaze vermeldde weldra, dat de Czaar goedgevonden had voor de Republiek, die een gevaar voor de naburige staten begon te worden, persoonlijk een nieuwen President aan te wijzen, van wien verwacht kon worden dat hij de orde zou weten te handhaven.
Oogenschijnlijk leek de keuze van dien President zeer neutraal, ja zelfs geheel in den geest van het Nederlandsche deel der bevolking. De Czaar toch had daartoe den hoogbejaarden jeugdvriend van mijn grootvader, den vroegeren staatssecretaris Helmont, aangewezen, die de algemeene achting genoot, bij iedereen, ook bij de vreemdelingen, zeer goed stond aangeschreven, doch die wegens zijn gevorderden leeftijd en zijn zeer wankelbare gezondheid in andere opzichten juist niet de aangewezen man voor een zoo zwaar ambt scheen te zijn. Helmont nam de betrekking aan, deels uit plichtsgevoel, deels onder den dwang der Russische Regeering, tegenover wier verpletterende overmacht de kleine Republiek machteloos was. Hijzelf echter, evenzeer als de heele bevolking, wist dat hij hoogstens voor enkele jaren tegen zijn moeielijke taak opgewassen zou zijn.
De Russische Regeering begreep dat natuurlijk ook; in die wetenschap en in het feit, dat zij de waardigheid van President erfelijk verklaarde in de Republiek, lag echter haar geheele kracht. Helmont toch bezat slechts een enkele dochter uit zijn tweede huwelijk, en toen de oude man stierf, kwam het looden gewicht van de regeeringstaak op de zwakke schouders van het jonge meisje. Zij bezat de energieke, taaie natuur van het Hollandsche ras, en zij aanvaardde het bewind met het volle besef van haar groote verantwoordelijkheid; ja, zij liet de illusie niet los haar land eenmaal geheel van vreemden invloed te bevrijden. Het spreekt echter vanzelf, dat de zwaarte van haar taak haar menigmaal deed wankelen. Het duurde dan ook niet lang, of er deden zich politieke verwikkelingen voor,die de Russische diplomatie opnieuw aanleiding gaven zich in de aangelegenheden der Republiek te mengen. Dat geschiedde in het jaar 1899, juist toen het Europeesch Congres in St. Petersburg plaats had. De Russische afgevaardigden wisten hun belangen zoo goed te bepleiten, en den politieken toestand in de Republiek als zoo gevaarlijk voor de omringende staten voor te stellen, dat de groote mogendheden terwille van den Europeeschen vrede een besluit uitvaardigden, waarbij bepaald werd dat Rusland tot lid der regeering, tevens commandant van het leger, een persoon zou aanwijzen, die in deze functiën aan de mogendheden verantwoordelijk zou zijn voor de rust in de Hollandsche Republiek. Hollandsche—dit woord werd wel is waar in het besluit niet genoemd, want om te meer met elke hoop op toekomstige zelfstandigheid te breken, werd op het Congres tevens de naam Oranje-Republiek in Czernovië, die van de hoofdplaats, Willemstad, in Slavowitz veranderd! En de mogendheden zagen dit schandelijk onrecht aan zonder een hand uit te steken! Alleen het kleine Nederland zond protest op protest, Koningin Wilhelmina deed een kostbaar gedenkteeken plaatsen op het graf van mijn te vroeg gestorven vader, als wilde zij in zwijgende verontwaardiging de plek aanwijzen, waar de vrijheid der Oranje-Republiek van nu aan begraven lag... Overigens zweeg Europa; zwijgend, wreed en koud zag het toe hoe die handvol dappere Hollanders onderdrukt werd, evenals het toegezien had toen de Finnen, de Boeren, de Polen, de Denen verdrukt werden.
“Het Congres-besluit was voor de Republiek het teeken van algemeenen rouw. Toen de eerste vertegenwoordigerder mogendheden—de Russische Hertog Alexander van Bora, achterneef van den Czaar—zijn intocht deed in Willemstad, waren alle vensters en luiken gesloten, de gordijnen neergelaten, de lantarens met krip omwoeld, de vlaggen halfstoks geheschen. Het was een vreeselijke dag, en vele dappere mannen zwoeren toen, dat ze hun leven zouden geven voor de vrijheid van Czernovië!
“Voor mij—en nu zal ik je vertellen op welke wijze mijn geschiedenis aan ’t zooeven verhaalde verbonden is—was deze ommekeer een dubbel zware slag. Ik had het land waar ik geboren was innig lief; van mijn grootvader en mijn vader had ik geleerd voor vrijheid en voor recht te leven—en desnoods te sterven. De langzame maar zekere ondergang van mijn land greep me hevig aan. Maar er was meer. Elizabeth Helmont, die na haar vader’s dood de regeering had aanvaard, was mijn verloofde. Daar ik in dien tijd mijn studiën nog niet geheel voltooid had, was onze verloving nog niet openlijk bekend; maar wij hadden elkaar van kind af aan gekend, waren te samen opgegroeid, hadden elkaar altijd liefgehad. Toen haar zoo onverwacht de eerste plaats in ’s lands vergaderzaal werd aangewezen, gaf dat een vreemde wijziging in onze verhouding, maar wij zagen geenszins in dat die toestand ooit ons toekomstig geluk in den weg zou kunnen staan. Het Congres-besluit viel als een donderslag. Want de bepaling, die ons beiden rechtstreeks trof, was deze: het hoofd van den Czernovischen Staat mocht geen huwelijk aangaan zonder toestemming van den Russischen Souverein.
“De bedoeling hiervan was duidelijk, en de Russische diplomatie liet niet na, er nog menigmaal ondubbelzinnig den nadruk op te leggen, dat alleen een Rus het gouvernementshuis met Elizabeth zou deelen.
“Hoe het kwam, dat ik slechts tweemaal een kort onderhoud met mijn verloofde had over deze voor ons zoo verschrikkelijke gebeurtenissen, zal je straks duidelijk worden. In die enkele uren echter werden we het over twee dingen geheel eens: nooit zouden we een ander dan elkaar toebehooren—maar niet eer, dan zoodra de belangen van het vaderland dit toelieten. We hielden onze liefde hoog, maar ook de toekomst van ons arme land lag ons na aan ’t hart, en het op dit oogenblik lafhartig in den steek te laten om zelfzuchtig eigen verlangens na te streven—dat zou ons beiden tegen de borst gestuit hebben. Ik behoorde onder de eersten die Elizabeth tot standhouden aanmoedigden, die de begaafde, energieke vrouw, in begrippen van eer en zelfverloochening opgevoed, steunden bij haar onvermoeid streven den Oud-Hollandschen naam hoog te houden. Wij hadden geduld, wij konden wachten; eerst ons land, daarna wijzelf.
“Mijn verhaal nadert nu tot de omstandigheden waaronder De Vogel ontstond. Je moet weten, dat ik aan de universiteit te Willemstad voor ingenieur studeerde, en wel speciaal op ’t gebied van machinebouw. Als kind was ik al ’n knutselaar geweest, en ik had altijd gedroomd ’n groot uitvinder te zullen worden. In de electriciteit lag, meende ik, de toekomst, en daar in de Oranje-Republiek reeds sindsjaren in alle bedrijven de stoom was afgeschaft, voertuigen, fabrieken, kortom alle machinale beweging, ook de verlichting, door electriciteit werden gevoed, had die meening een redelijken grond. Het jaar, waarin het Congres-besluit werd uitgevaardigd, voltooide ik mijn studies door een practischen cursus in de werktuigen-fabriek en het laboratorium van den Staats-Adviseur voor technische zaken, de geleerde professor Lingmans, een schatrijk man, die zijn vermogen en zijn leven wijdde aan wetenschappelijke uitvindingen ten bate van den Staat. Het eiland Riva, aan de Zwarte-Zeekust, dat hem persoonlijk toebehoorde, was geheel ingericht voor zijn werkzaamheden; daar woonde dagelijks een honderdtal studeerende jongelui zijn cursussen en proefnemingen bij. Daar werkte hij ook onvermoeid aan zijn bestuurbaar luchtschip, dat hij reeds tot een ongekende trap van volmaking had gebracht. Gelukte het hem zijn theorie geheel in toepassing te brengen, dan zou zijn reeds in heel Europa gevestigde naam met onvergankelijken roem overladen worden. Iedereen wist, dat hij onophoudelijk aan zijn groote uitvinding werkte, maar de details ervan waren een geheim. In een zeer groote loods, waar trouwens meer proeven genomen en uitvindingen gedaan werden waarvan niets uitlekte, was de ballon verborgen, en daar kwamen, behalve Lingmans, slechts enkele ingewijden: de oud-genie-officier Melling, de directeur van de militaire luchtscheepvaart-compagnie Van Woelderen, de gouverneur van de Zeevaartschool Halmans, de luitenant der pantserfort-artillerie Weeningh, de doctor in de chemie Lenthoven en de ingenieur Van Stralen. Wanneer je dienamen hoort, zou je zoo zeggen, dat ’t meerendeels mannen van middelbaren leeftijd waren. Maar dat is niet zoo. Ze wisselden af tusschen de twintig en de dertig; in de Oranje-Republiek riep men bij voorkeur de kundigsten tot openbare ambten, zonder in de eerste plaats naar den leeftijd te vragen; een naar mijn inzicht zeer juist beginsel. Het kwam zoodoende wel voor, dat een kapitein van dertig, twee-en-dertig jaar tot militair adviseur van den Staat werd benoemd, en zoo lang het Hollandsche element onvervalscht was, en de jeugd in de beginselen van mijn grootvader werd opgevoed, kwam zooiets iedereen natuurlijk voor en gaf het nooit aanleiding tot afgunst.
“Om je nu maar dadelijk uit den droom te helpen, wil ik je vertellen, dat de personen die ik je zooeven opnoemde, in dezelfde volgorde genomen, met Lingmans te beginnen, tegenwoordig heeten: La, Mu, Naf, Nef, Nof, Lo—en Li! Ik wil mezelf niet roemen, maar uit de omstandigheid, dat professor Lingmans onder zijn vele leerlingen mij het eerst tot ingewijde in zijn uitvinding had gekozen, kun je opmaken dat ik zijn lessen niet zonder vrucht had gevolgd.
“En nu komt het groote feit, dat de directe aanleiding werd tot onze tegenwoordige onderneming.
“Eén dag vóor Hertog Alexander zijn intocht deed binnen Slavowitz, hadden Lingmans en wij de laatste hand gelegd aan De Vogel. De grendels van het openslaande dak der loods waren losgemaakt; het luchtschip was geheel gereed om op een wenk van den maker, door het stuksnijden van een enkel touw, omhoog te stijgen, de vrije lucht in. Drie dagen later stonden we met ons zevenen op het bovendek vanDe Vogel. Niemand wist, hoever het met ’t werk stond; het liep tegen den avond, alle werklieden en studenten hadden het eiland verlaten; de zon was reeds ondergaan. Het plan van Lingmans was, dien avond op te stijgen, De Vogel boven de stad te doen stilhouden, en dan opeens al de electrische lichten aan boord te ontsteken, zoodat de bevolking verbaasd omhoog zou zien, en weten dat de luchtscheepvaart een nieuw stadium was ingetreden.
“Alles was gereed; op een wenk van La sneed ik het touw door.... De Vogel zette zich langzaam en statig in beweging.... reeds waren we ongeveer vijf-en-twintig meter gestegen.... daar weerklonk een donderend geraas, alsof orkanen en onweders uit alle hoeken van het heelal gelijktijdig losbraken! De hemel was rood en zwavelgeel gekleurd, bliksemflitsen doorsneden het luchtruim, onder ons spatte en schuimde de zee huizenhoog op, een dichte grijze nevel onttrok de aarde aan ons gezicht, een hoos van zand en steenen wervelde omhoog en deed De Vogel hulpeloos ronddraaien....
“Het was een ontzettend geweld. Hooren en zien verging ons, en gedurende enkele minuten waren we allen onze bezinning kwijt. Mu was de eerste die zijn tegenwoordigheid van geest herkreeg; hij draaide den stuurkruk snel en krachtig eenige malen om—als een pijl schoot De Vogel eenige honderden meters omhoog, buiten het bereik der woedende elementen.
“Langzamerhand begonnen we den omvang van het gebeurde te overzien. Het bleek dat een geweldige zeebeving het gansche eiland met al wat er op was had verwoest, voor honderdduizenden aan waarde, al La’s kostbare bezittingen, vernietigend!
“De kalmte van La was bewonderenswaardig. “Mijn doel is immers bereikt,” zei hij rustig. “De Vogel vliegt—en hoe!” En toen voegde de even geleerde als edele man er aan toe: “Hoe gelukkig, dat er geen menschen op het eiland waren! Daarvoor moeten wij in de eerste plaats dankbaar zijn.”
“Daar zweefden wij nu honderden meters boven de aarde. Het was inmiddels geheel donker geworden, onze lichten, toen nog niet zoo volmaakt als nu, doorboorden slechts moeielijk den zwaren nevel. We bezaten ook nog niet die uitstekende middelen om ons te oriënteeren, en Mu kon in ’t minst niet vaststellen waarheen hij ons bracht. Toen gelastte La, den ballon zwevende te houden, en we kwamen in de commandantskamer bijeen om te beraadslagen over hetgeen ons te doen stond.
“Mij, als jongste, werd het eerst mijn meening gevraagd. Ik had die al gereed. In de beide dagen na den intocht van Hertog Alexander had ik, in wanhopige gesprekken met Elizabeth, op de onzinnigste middelen gepeinsd om een uitweg te vinden. Als gevolg daarvan was een plan in me gerijpt, dat ik niemand, ook Elizabeth niet, had meegedeeld. Alleen had ik me voorgenomen, het La in vertrouwen ter beoordeeling voor te leggen. Ik wilde hem, niet minder vurig patriot dan ikzelf, voorstellen, zijn uitvinding in dienst te brengen van het vaderland. Wetend, over welke verschrikkelijke wapenen La beschikken kon, hoe onuitputtelijk zijn geniale hersens waren in het uitvinden van middelen om de natuurkrachten aan zijn wil te onderwerpen, had ik ingezien dat niets ter wereld in staat zou zijn met vrucht een strijd te beginnentegen den onoverwinnelijken Vogel, voorzien als deze was van alle denkbare hulpmiddelen om den wil van een handvol vastberaden mannen tot zelfs den machtigsten potentaten der aarde op te dringen. Kort en goed: ik stelde de vergadering voor, reeds nu, op dit oogenblik, La’s beginsel in toepassing te brengen: alles voor het vaderland! Jong en geestdriftig als ik was, hield ik een gloeiende rede, wees nogmaals op het schandelijk onrecht dat ons land werd aangedaan en eindigde met te zeggen, dat wij, door ons van den persoon van Hertog Alexander, ja desnoods van den Czaar zelf, meester te maken, de toekomst van de Oranje-Republiek in handen hadden! En wat beteekende het voor ons, zulk een slag te slaan? De groote snelheid, die De Vogel ontwikkelen kon, stelde ons immers in staat, plotseling van uit groote hoogte neer te schieten, den Prins of den Czaar op een wandeling of een rijtoer te verrassen, en ons dan met onzen kostbaren buit uit de voeten te maken. Als voorwaarde, waarop we onzen gevangene zouden uitleveren, konden we dan de meest volkomen waarborgen vragen voor de onafhankelijkheid van ons land!
“Toen ik uitgesproken had, heerschte er eenige seconden diepe stilte. Mannen als de daar vergaderden waren niet gewend overijlde besluiten te nemen of in de vervoering van het oogenblik een voorstel toe te juichen, waarvan zij de degelijkheid nog niet grondig hadden onderzocht.
“La was de eerste die sprak.
“Het voorstel van Van Stralen hangt nog in de lucht,” zei hij. “Maar het komt me voor, dat het zeer goed tot een levensvatbaar plan is uit te werken.Ja, ik ben daarvan zoo overtuigd, dat ik nu reeds wijs op de groote voordeelen, welke het zooeven gebeurde ongeluk voor ons heeft. Riva is verwoest, met al wat er op was. Van het feit, dat wij ontkomen zijn, is niemand bewust; evenmin zijn er sporen te vinden die dit feit zouden kunnen uitwijzen. Ieder is ervan overtuigd, dat wij zijn omgekomen; over acht dagen zijn de opvolgers voor onze betrekkingen aangewezen. Meer wil ik voorloopig hierover niet zeggen. Overhaasting is schadelijk. Voor heden breng ik daarom alleen in rondvraag, of iemand er iets tegen heeft, tot morgenochtend met De Vogel verborgen te blijven, om daarna tot nadere beraadslagingen over te gaan. We hebben dan allen tijd tot nadenken gehad.” Niemand had hiertegen bezwaar, en zoo hield Mu dien nacht De Vogel achter een dikke wolkenlaag drijvende.
“Den volgenden morgen riep La ons opnieuw bijeen en sprak:
“Wat mij betreft, ik ben besloten, evenals Van Stralen, op De Vogel te blijven en onze aanwezigheid voor ieder verborgen te houden, totdat we op goede grondslagen een operatieplan hebben gebouwd, in elk geval niet weer naar de aarde terug te keeren eer we de volkomen zekerheid hebben dat een onderneming, als door Van Stralen voorgesteld, totaal onuitvoerbaar is. We zijn allen ongetrouwd; ik geloof niet, dat er bezwaar is, gezamenlijk die onderneming door te zetten. Natuurlijk is ieder echter vrij, te doen wat hij wil. Morgenochtend komen we opnieuw bij elkaar. Wie dan besloten heeft heen te gaan, zal ik op de aarde terugbrengen; het spreekt vanzelf datik van hem volkomen geheimhouding verwacht.”
“Den volgenden morgen vergaderden we wederom, en zooals te verwachten viel, wenschte niemand zijn vrijheid terug.
“Toen stelden we een uitgebreid programma op, waarvan de hoofdinhoud hierop neerkwam, dat we Hertog Alexander, een bekend jager, op een zijner jachtpartijen in de boschrijke streken rond Willemstad zouden trachten op te lichten. Er werd echter tevens besloten, dat we daartoe niet zouden overgaan, eer De Vogel, die ondanks zijn hooge mate van volmaaktheid, nog in zijn kindsheid verkeerde, volkomen voor zijn taak berekend zou zijn. Daarom zwierven we nog vele maanden rond, dien tijd gebruikend om de talrijke verbeteringen aan te brengen, die ons luchtschip tot zijn tegenwoordige ontwikkeling brachten. In dien tijd stichtten we ook onze nederzetting op Green-Island, benevens een verborgen schuilplaats in de hoogste toppen van het Himalaya-gebergte, waar we nu en dan neerdaalden als we—wat in ’t begin dikwijls gebeurde—er naar verlangden weer eens vasten grond onder de voeten te hebben. In die periode verdeelden we ook onze werkzaamheden zooals die op ’t oogenblik verdeeld zijn, en werd ik op uitdrukkelijk verzoek van La, die zijn tijd geheel aan nieuwe uitvindingen en verbeteringen wilde blijven wijden, tot commandant benoemd. We kregen toen ook onze tegenwoordige onpersoonlijke namen, en kwamen langzamerhand tot de gewoonten en gebruiken, die jij nu ook hebt leeren aannemen, en die niet anders zijn dan de vervolmaking van de reeds jaren in de Oranje-Republiek heerschende beginselen.
“In al dien tijd heb ik Elizabeth niet gezien; dat zij echter getrouw is gebleven aan haar overtuigingen, daarvan ben ik zeker. Door courantenberichten en geregelden spionnendienst zijn we steeds op de hoogte gebleven van de politieke gebeurtenissen in Europa, speciaal in Czernovië, en we weten ook dat binnen enkele weken het juiste oogenblik gekomen is om onzen slag te slaan. Hertog Alexander wordt algemeen genoemd als de aanstaande gemaal van Elizabeth, en zijn nakomelingen zullen de koningskroon ontvangen, om Czernovië als Russischen vazalstaat te regeeren.
“Onze tocht naar Engeland is slechts een uitstapje geweest, een afwijking van het programma, die ik mij meende te mogen veroorloven. Nu gaat het recht op Slavowitz aan, en je begrijpt hoe ik er naar verlang mijn vaderland terug te zien, het te bevrijden, en”—besloot Li zijn lang verhaal met een diepen zucht—“Elizabeth wederom de mijne te noemen!”
Rob had gespannen geluisterd; toen Li geëindigd had, zwegen beiden geruimen tijd.
Rob’s bewondering voor deze dappere mannen, die al hun moed en hun kennis in dienst stelden van hun ideaal, groeide met het oogenblik, en vooral voelde hij eerbied voor de zelfverloochening, waarmee Li zijn toch zoo zwaar wegende persoonlijke belangen aan de goede zaak ten offer bracht. Hij drukte Li krachtig de hand, en beloofde alles in het werk te stellen om naar vermogen van krachten tot de bereiking van het grootsche doel mede te werken.
Toen zij weer naar hun bezigheden terugkeerden, was elk hunner overtuigd in den ander een waar en trouw vriend gevonden te hebben.