DERDE GEDEELTE.[Inhoud]I.AMSTELVREUGD.In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven![150]Maar toen in de eerste jaren van de 18deeeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije[151]schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.[152]Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij …”[153]„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde[154]haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.„Waar zijt ge geweest?”„Hebt ge vlinders gevangen?”„Of bloemen geplukt?”„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:„Dan mogen we dadelijk beginnen!”„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur![155]Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:„Robert van Reijn!”De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:„Zoekt u mij, mijnheer?”„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende[156]gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”„Dus er is haast bij! ô God!”Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.[157]Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.„Mijn vader!” vroeg hij angstig.De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.[158][Inhoud]II.ROBERT VAN REIJN.Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn[159]reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening[160]gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo[161]gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den inKarta-Soerain 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden,[162]zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij[163]liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.….”Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert,[164]die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.[165]Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.„Dank u, Johan, dank u!”„Een beker wijn zal u goed doen jonge … mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen[166]beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”Ook Robert’s gelaat klaarde op.„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”„Ja, ’t is goed!”En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.[167]„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat … nadat alles afgeloopen was.”„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”[Inhoud]III.OOM EN NEEF.Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.[168]Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.[169]Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voorZijnrechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn … zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”[170]„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten …”„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd[171]even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad … mijns broeders!”Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel.…”De dood had hem belet den volzin te eindigen.Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”[172]„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef[173]ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van … van mijn geliefden doode hebt verleend.”„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen,„hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”[174]Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”„Ik ben hier op mijn grond en beveel u.…”„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede,„dan zal ik u dwingen.”En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”[Inhoud]IV.EEN STEM UIT HET GRAF.Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en[175]liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe[176]verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door[177]een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.„Aan mijn Zoon!„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”Toen antwoordde ik beslist:„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder„Suzanna.”En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.„Machteld van Reijn.”Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,[185]den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden zijner kunstschatten neerlag.Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat voorhoofd waarachter hij nooit zulk eenliefdevolbedrog had kunnen vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in helder, duidelijk licht.[186]Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille voorhoofd,„voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch in het heiligdom van zijn herinneringen.Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende Digna’s sierlijk handschrift.„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van Starenwijck.”Verbaasd zag de bediende hem aan.„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds sints jaren sarrend in de ooren had geklonken.[187]„Zijt ge eindelijk beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de tafel en zakte toen loodzwaar in één.Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]
DERDE GEDEELTE.[Inhoud]I.AMSTELVREUGD.In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven![150]Maar toen in de eerste jaren van de 18deeeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije[151]schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.[152]Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij …”[153]„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde[154]haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.„Waar zijt ge geweest?”„Hebt ge vlinders gevangen?”„Of bloemen geplukt?”„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:„Dan mogen we dadelijk beginnen!”„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur![155]Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:„Robert van Reijn!”De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:„Zoekt u mij, mijnheer?”„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende[156]gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”„Dus er is haast bij! ô God!”Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.[157]Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.„Mijn vader!” vroeg hij angstig.De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.[158][Inhoud]II.ROBERT VAN REIJN.Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn[159]reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening[160]gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo[161]gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den inKarta-Soerain 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden,[162]zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij[163]liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.….”Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert,[164]die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.[165]Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.„Dank u, Johan, dank u!”„Een beker wijn zal u goed doen jonge … mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen[166]beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”Ook Robert’s gelaat klaarde op.„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”„Ja, ’t is goed!”En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.[167]„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat … nadat alles afgeloopen was.”„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”[Inhoud]III.OOM EN NEEF.Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.[168]Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.[169]Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voorZijnrechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn … zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”[170]„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten …”„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd[171]even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad … mijns broeders!”Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel.…”De dood had hem belet den volzin te eindigen.Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”[172]„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef[173]ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van … van mijn geliefden doode hebt verleend.”„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen,„hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”[174]Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”„Ik ben hier op mijn grond en beveel u.…”„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede,„dan zal ik u dwingen.”En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”[Inhoud]IV.EEN STEM UIT HET GRAF.Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en[175]liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe[176]verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door[177]een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.„Aan mijn Zoon!„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”Toen antwoordde ik beslist:„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder„Suzanna.”En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.„Machteld van Reijn.”Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,[185]den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden zijner kunstschatten neerlag.Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat voorhoofd waarachter hij nooit zulk eenliefdevolbedrog had kunnen vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in helder, duidelijk licht.[186]Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille voorhoofd,„voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch in het heiligdom van zijn herinneringen.Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende Digna’s sierlijk handschrift.„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van Starenwijck.”Verbaasd zag de bediende hem aan.„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds sints jaren sarrend in de ooren had geklonken.[187]„Zijt ge eindelijk beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de tafel en zakte toen loodzwaar in één.Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]
[Inhoud]I.AMSTELVREUGD.In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven![150]Maar toen in de eerste jaren van de 18deeeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije[151]schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.[152]Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij …”[153]„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde[154]haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.„Waar zijt ge geweest?”„Hebt ge vlinders gevangen?”„Of bloemen geplukt?”„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:„Dan mogen we dadelijk beginnen!”„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur![155]Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:„Robert van Reijn!”De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:„Zoekt u mij, mijnheer?”„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende[156]gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”„Dus er is haast bij! ô God!”Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.[157]Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.„Mijn vader!” vroeg hij angstig.De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.[158]
I.AMSTELVREUGD.
In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven![150]Maar toen in de eerste jaren van de 18deeeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije[151]schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.[152]Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij …”[153]„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde[154]haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.„Waar zijt ge geweest?”„Hebt ge vlinders gevangen?”„Of bloemen geplukt?”„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:„Dan mogen we dadelijk beginnen!”„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur![155]Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:„Robert van Reijn!”De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:„Zoekt u mij, mijnheer?”„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende[156]gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”„Dus er is haast bij! ô God!”Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.[157]Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.„Mijn vader!” vroeg hij angstig.De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.[158]
In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen weg moet begeven![150]
Maar toen in de eerste jaren van de 18deeeuw had alles een geheel ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.
Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van het landgoed.
Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te schieten en aan de veldbloemen een gastvrije[151]schuilplaats te bieden; het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen Juli-middag.
Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.
Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.[152]
Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.
„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”
„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. Kan ik dan nooit op u rekenen?”
„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, Digna?”
„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.
„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”
„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”
„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u verbindt; uw moeder houdt van mij …”[153]
„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”
„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”
Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar zacht blozende wangen groefde.
„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”
En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”
„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.
„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen afstand van elkander zouden voortgaan.
„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u scheiden.”
„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”
„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”
Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde[154]haar slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die liefkoozing legde.
De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen allerwege.
„Waar zijt ge geweest?”
„Hebt ge vlinders gevangen?”
„Of bloemen geplukt?”
„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”
Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.
„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is juist geschikt.”
Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, klapten in de handen en riepen uit:
„Dan mogen we dadelijk beginnen!”
„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren palm, nog minder in een vijver verdrinken.”
Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur![155]
Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn macht hield.
Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen raden hoe zij heette:
„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.
Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.
„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.
„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die ’t dichtst bij hem stond.
Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:
„Robert van Reijn!”
De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit en vroeg:
„Zoekt u mij, mijnheer?”
„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende[156]gekomen uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw tegenwoordigheid verlangt.”
„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”
„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”
„Dus er is haast bij! ô God!”
Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik den zijne.
„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”
„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”
„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:
„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet treffe!”
„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende aanmerkingen harer vriendinnen.
Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor allen zijn aantrekkelijkheid verloren.[157]
Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; zij kwam Robert hartelijk tegemoet.
„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”
„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar hand aan zijn lippen brengend.
„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd hebt,” ging zij voort.
Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te paard en reed weg.
Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle bekoorlijkheid verloren.
In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard afsteeg en in het voorhuis stortte.
„Mijn vader!” vroeg hij angstig.
De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.
„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend uit.[158]
[Inhoud]II.ROBERT VAN REIJN.Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn[159]reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening[160]gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo[161]gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den inKarta-Soerain 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden,[162]zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij[163]liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.….”Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert,[164]die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.[165]Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.„Dank u, Johan, dank u!”„Een beker wijn zal u goed doen jonge … mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen[166]beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”Ook Robert’s gelaat klaarde op.„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”„Ja, ’t is goed!”En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.[167]„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat … nadat alles afgeloopen was.”„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”
II.ROBERT VAN REIJN.
Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn[159]reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening[160]gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo[161]gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den inKarta-Soerain 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden,[162]zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij[163]liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.….”Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert,[164]die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.[165]Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.„Dank u, Johan, dank u!”„Een beker wijn zal u goed doen jonge … mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen[166]beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”Ook Robert’s gelaat klaarde op.„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”„Ja, ’t is goed!”En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.[167]„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat … nadat alles afgeloopen was.”„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”
Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig stond.
Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.
Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en zelfs bemind lid was. Ook van zijn[159]reeds sinds tien jaren overleden moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.
Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.
Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was kinderloos gebleven.
Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem deze liefde met woeker teruggaf.
Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn zoon.
Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen werden algemeen op rekening[160]gesteld van een speling der natuur als een gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.
Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke partij voor haar dochters.
Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en degelijk man ontwikkelen.
Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog dagelijks zou betreuren.
Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde atmosfeer van de kantoren. Zoo[161]gebeurde het dikwijls dat de knaap er den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.
Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder was de weduwe geweest van den inKarta-Soerain 1686 vermoorden Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of opwekkenden glimlach.
Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden,[162]zou hij dagen lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom het goedvonden.
Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man harer vrije keuze.
Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij[163]liet den knaap de meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde hem tevreden en dankbaar.
Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de mogelijkheid van trouwen dacht.
„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.….”
Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:
„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”
„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.
Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert,[164]die twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude man wilde hiervan niets weten.
Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn doorgebracht op te offeren.
„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet gaat. Oom vindt het immers goed.”
Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.
Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap langs zijn lichaam.
Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.[165]
Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.
„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.
„Dank u, Johan, dank u!”
„Een beker wijn zal u goed doen jonge … mijnheer bedoel ik. UEd. weet, wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”
„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot voorbeeld te nemen.”
„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”
„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, „maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren last; en mijn vader heeft geen[166]beslissingen genomen, schonk mij geen leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. Weet gij er niets van, Johan?”
„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den laatsten tijd was.”
„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er van!”
Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den ouden, trouwen knecht.
„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer bang wezen voor uw fortuin.”
Ook Robert’s gelaat klaarde op.
„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar schrijven, hoe treurig ik ben.”
„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”
„Ja, ’t is goed!”
En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.[167]
„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”
„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze kamer geweest nadat … nadat alles afgeloopen was.”
„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt dit stuk toch in de eerste plaats toe.”
Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een verzegelden brief, die het opschrift droeg:
Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.
Aan Robert.Te openen als hij 21 jaar oud is.
„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst zijn. Hoe lang nog!”
[Inhoud]III.OOM EN NEEF.Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.[168]Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.[169]Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voorZijnrechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn … zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”[170]„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten …”„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd[171]even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad … mijns broeders!”Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel.…”De dood had hem belet den volzin te eindigen.Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”[172]„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef[173]ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van … van mijn geliefden doode hebt verleend.”„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen,„hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”[174]Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”„Ik ben hier op mijn grond en beveel u.…”„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede,„dan zal ik u dwingen.”En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”
III.OOM EN NEEF.
Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.[168]Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.[169]Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voorZijnrechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn … zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”[170]„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten …”„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd[171]even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad … mijns broeders!”Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel.…”De dood had hem belet den volzin te eindigen.Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”[172]„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef[173]ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van … van mijn geliefden doode hebt verleend.”„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen,„hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”[174]Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”„Ik ben hier op mijn grond en beveel u.…”„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede,„dan zal ik u dwingen.”En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”
Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in deftig zwart gewaad binnentrad.[168]
Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen bloedverwant troost en steun te zoeken.
„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.
„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om een ernstig woord met u te spreken!”
Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en raadselachtig voor.
„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.
Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn oogen rolden van de wangen.
Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.[169]
Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon hij op stroeven toon:
„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid voorZijnrechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle eeuwigheid zijn voorbeschikt.”
Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon opnieuw luid te snikken.
„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom van zijn … zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een scherpe doorn in het oog.”
Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur steunen.
„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken tot een nieuw en beter leven.”[170]
„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche schatten …”
„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans zekerheid voor ons geworden is.
„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten wille van een vreemde.”
Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter snikkend zijn oom vragend aan.
„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.
„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten onrechte uw vader hebt gezien.”
Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.
„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”
Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman als in een schroef omklemd.
„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd[171]even bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde moest maken.”
„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.
„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het voor u, in het eigen schrift uws vad … mijns broeders!”
Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende schrift zijns vaders.
„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel.…”
De dood had hem belet den volzin te eindigen.
Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.
„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben toch zijn zoon!”[172]
„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”
„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij niet ontrooven.”
„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u even vreemd als ik ’t ben.”
„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”
„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”
„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef[173]ik niemands hulp of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille van … van mijn geliefden doode hebt verleend.”
„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te volgen.”
„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen,„hier is mijn plaats en ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, als ge durft!”
„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”
„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds te lang heb ik u aangehoord.”
„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”
„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw bewering moeten staven.”[174]
Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.
„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”
„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge goedschiks deze kamer verlaten?”
„Ik ben hier op mijn grond en beveel u.…”
„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede,„dan zal ik u dwingen.”
En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.
’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.
„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”
[Inhoud]IV.EEN STEM UIT HET GRAF.Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en[175]liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe[176]verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door[177]een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.„Aan mijn Zoon!„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”Toen antwoordde ik beslist:„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder„Suzanna.”En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.„Machteld van Reijn.”Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,[185]den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden zijner kunstschatten neerlag.Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat voorhoofd waarachter hij nooit zulk eenliefdevolbedrog had kunnen vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in helder, duidelijk licht.[186]Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille voorhoofd,„voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch in het heiligdom van zijn herinneringen.Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende Digna’s sierlijk handschrift.„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van Starenwijck.”Verbaasd zag de bediende hem aan.„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds sints jaren sarrend in de ooren had geklonken.[187]„Zijt ge eindelijk beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de tafel en zakte toen loodzwaar in één.Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]
IV.EEN STEM UIT HET GRAF.
Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en[175]liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe[176]verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door[177]een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.„Aan mijn Zoon!„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”Toen antwoordde ik beslist:„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder„Suzanna.”En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.„Machteld van Reijn.”Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,[185]den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden zijner kunstschatten neerlag.Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat voorhoofd waarachter hij nooit zulk eenliefdevolbedrog had kunnen vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in helder, duidelijk licht.[186]Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille voorhoofd,„voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch in het heiligdom van zijn herinneringen.Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende Digna’s sierlijk handschrift.„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van Starenwijck.”Verbaasd zag de bediende hem aan.„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds sints jaren sarrend in de ooren had geklonken.[187]„Zijt ge eindelijk beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de tafel en zakte toen loodzwaar in één.Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.[1]
Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en[175]liet zich op den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.
Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.
Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.
Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe[176]verre scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.
„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie Venetiaansche spiegel hing.
Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?
Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; daar was de begonnen brief aan Digna.
Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.
Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem op zijn 21sten verjaardag bestemd was.
„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden tijd.”
Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door[177]een hem onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen vorm op de helft doorgebroken.
Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.
„Aan mijn Zoon!„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”Toen antwoordde ik beslist:„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder„Suzanna.”
„Aan mijn Zoon!
„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit uw geest verdwenen zijn.
„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het leven te danken hebt.
„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.
„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer[178]ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.
„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.
„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een verrassing kon bereiden.
„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de heilaanbrenger was.
„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd![179]
„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.
„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het leven had gered.
„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen en zeide niets anders dan:
„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia en kom er nooit weer terug!”
Toen antwoordde ik beslist:
„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”
„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met verbeten woede,„een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”
„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, dien hij anders nooit zou hebben bezeten.
„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, Hij ziet slechts naar hun harten.”[180]
„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine man niets dan een slaaf.”
„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.
„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn vorstelijke ouders.”
„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.
„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”
„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor mij.”
Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.
„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten moet.”
„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u[181]met gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, dien ik als mijn echtgenoot verlang.”
„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer zal hij mij als zijn zoon erkennen.”
„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”
„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn echtgenoot was.
„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke blijdschap,„laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”
„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem zelfs aan tot een verbintenis.
„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw God?”
„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader afwezig was.
„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde[182]groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.
„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.
„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam ik iets meer van Si Oentoeng.
„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht huwen.
„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn hand aan.
„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest[183]te zijn en dat wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere aanzoeken vrij.
„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.
„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet mijn al te strenge vader mij vertrekken.
„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.… ach mijn hand wordt hoe langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, wanneer zullen het de laatste zijn?
„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn[184]nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok haar achter mijn portret.
„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.
„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling en het lijden uwer moeder
„Suzanna.”
En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn het volgende geschreven.
„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.„Machteld van Reijn.”
„Den 18denvan Oogstmaand AoDi1685 is gestorven op de hoogte van Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den Raad van Indië, den 14denvan Slachtmaand des zelfden jaars op Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden overgereikt als hij zijn 21stejaar bereikt heeft, wenschende dat hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal beschouwen.
„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.
„Machteld van Reijn.”
Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,[185]den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.
Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden zijner kunstschatten neerlag.
Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat voorhoofd waarachter hij nooit zulk eenliefdevolbedrog had kunnen vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in helder, duidelijk licht.[186]
Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.
„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille voorhoofd,„voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”
Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch in het heiligdom van zijn herinneringen.
Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende Digna’s sierlijk handschrift.
„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van Starenwijck.”
Verbaasd zag de bediende hem aan.
„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”
Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.
„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds sints jaren sarrend in de ooren had geklonken.[187]„Zijt ge eindelijk beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”
Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de tafel en zakte toen loodzwaar in één.
Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
[1]