[Inhoud]III.DE GUNSTELING DES VORSTEN.Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek dergamelansen die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.[195]Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op[196]maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:„Neen, nog weet niemand er van!”De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën[197]liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”[198]Radhen Goesik sidderde.„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”„Ik weet niet welk staatsbelang.…”„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”[199]En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer[200]moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:[201]„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder hethalf weggeschovengordijn Radhen Goesik.„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.…”„Gunt ge mij die niet eens!”„Welnu, spreek spoedig!”„Als wij alleen zijn!”„Verlaat ons dan, Robert!”De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.[202]„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over uKoesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestigejaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat[203]kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”[204]Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”
[Inhoud]III.DE GUNSTELING DES VORSTEN.Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek dergamelansen die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.[195]Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op[196]maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:„Neen, nog weet niemand er van!”De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën[197]liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”[198]Radhen Goesik sidderde.„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”„Ik weet niet welk staatsbelang.…”„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”[199]En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer[200]moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:[201]„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder hethalf weggeschovengordijn Radhen Goesik.„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.…”„Gunt ge mij die niet eens!”„Welnu, spreek spoedig!”„Als wij alleen zijn!”„Verlaat ons dan, Robert!”De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.[202]„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over uKoesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestigejaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat[203]kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”[204]Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”
[Inhoud]III.DE GUNSTELING DES VORSTEN.Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek dergamelansen die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.[195]Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op[196]maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:„Neen, nog weet niemand er van!”De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën[197]liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”[198]Radhen Goesik sidderde.„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”„Ik weet niet welk staatsbelang.…”„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”[199]En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer[200]moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:[201]„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder hethalf weggeschovengordijn Radhen Goesik.„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.…”„Gunt ge mij die niet eens!”„Welnu, spreek spoedig!”„Als wij alleen zijn!”„Verlaat ons dan, Robert!”De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.[202]„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over uKoesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestigejaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat[203]kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”[204]Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”
III.DE GUNSTELING DES VORSTEN.
Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek dergamelansen die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.[195]Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op[196]maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:„Neen, nog weet niemand er van!”De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën[197]liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”[198]Radhen Goesik sidderde.„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”„Ik weet niet welk staatsbelang.…”„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”[199]En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer[200]moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:[201]„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder hethalf weggeschovengordijn Radhen Goesik.„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.…”„Gunt ge mij die niet eens!”„Welnu, spreek spoedig!”„Als wij alleen zijn!”„Verlaat ons dan, Robert!”De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.[202]„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over uKoesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestigejaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat[203]kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”[204]Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”
Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht tusschen buffel en tijger was.
Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.
Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend deed de muziek dergamelansen die van Europeesche instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij geklommen.[195]
Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met arendsveer op het indrukwekkende hoofd.
Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste eereplaats naast den vorst gegeven.
Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op[196]maar niets kwam eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.
De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de vorst verklaarde echter niet waarom.
„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg hij aan Robert.
„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” antwoordde de jonge man.
„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten hoe Soerapati hof houdt.”
„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, „wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”
„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”
„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.
Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:
„Neen, nog weet niemand er van!”
De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën[197]liggen en de vorst steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon beklom.
Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.
Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.
„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, „die daar naast den vorst gezeten is.”
„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma een snik onderdrukkend.
„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.
„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”
„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.
„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.
„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit rijk, wee zijn vorsten!”[198]
Radhen Goesik sidderde.
„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot.”
„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”
„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”
„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met zijn volk en zijn gezin speelt.”
„Ik weet niet welk staatsbelang.…”
„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzingen te overladen.”
„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:
„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan ooit ben ik uw meester.”[199]
En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen deelnamen.
Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.
„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt zich ondanks hemzelf.”
Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.
De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.
„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”
„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”
„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn opdat ge mij den brief uwer[200]moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”
De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.
„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe waardigheid.
„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit rekenschap te vragen.”
Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.
„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”
Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan had.
Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.
Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op Roberts schouders en sprak met doffe stem:[201]
„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”
Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder hethalf weggeschovengordijn Radhen Goesik.
„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden spot.
„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, „we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke bezigheden.”
„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete gezelschap van uw nieuwen vriend.”
„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.…”
„Gunt ge mij die niet eens!”
„Welnu, spreek spoedig!”
„Als wij alleen zijn!”
„Verlaat ons dan, Robert!”
De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat van hem afwendde en verliet het vertrek.
„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.[202]
„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.
„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”
„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”
„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande over uKoesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u tegenover mij stelt uit kleingeestigejaloezie. Bedenk welke gevaren voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”
„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door u gevleid en geëerd en waarom? Wat[203]kan die jongeling u wezen, wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”
Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:
„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, nu zijn wij allen verloren!”
Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer uit, ondanks haar heftigen tegenweer.
„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”
„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een avonturier, een slaaf!”
Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.
„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen hooren.”[204]
Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.
„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe gekomen is.”
Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, die in de aangrenzende kamer wachtte.
„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u voor de vrouwen!”