[Inhoud]IV.DE VERZOEKING.Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben[205]den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”Robert haalde de schouders op.„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”„Ja.”„Hoe kunt ge dat weten?”„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.[206]Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der[207]zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”[208]Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder AmirangKoesoemowas nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief[209]van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger[210]deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”Radhen Wiro Negoro glimlachte.„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”„’t Is waar, ik vertrap geen wormen … Spreek voort, monster!”„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priesterSheikAbdoelahstookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal[211]mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.… wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden[212]drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravondwas een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”[213]„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas enSheikAbdoelahhet regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte[214]kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”„En wat wenscht ge dan?”„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft[215]zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”„Ik begrijp u niet!”„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”[216]„En wat wilt ge dat ik doe?”„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn.…”„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen[217]zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag[218]de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te[219]verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”Robert stond op en antwoordde met vaste stem:„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”Sidderend kromp Robert ineen.„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”De wacht trad binnen.„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.[220]
[Inhoud]IV.DE VERZOEKING.Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben[205]den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”Robert haalde de schouders op.„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”„Ja.”„Hoe kunt ge dat weten?”„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.[206]Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der[207]zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”[208]Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder AmirangKoesoemowas nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief[209]van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger[210]deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”Radhen Wiro Negoro glimlachte.„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”„’t Is waar, ik vertrap geen wormen … Spreek voort, monster!”„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priesterSheikAbdoelahstookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal[211]mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.… wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden[212]drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravondwas een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”[213]„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas enSheikAbdoelahhet regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte[214]kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”„En wat wenscht ge dan?”„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft[215]zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”„Ik begrijp u niet!”„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”[216]„En wat wilt ge dat ik doe?”„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn.…”„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen[217]zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag[218]de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te[219]verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”Robert stond op en antwoordde met vaste stem:„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”Sidderend kromp Robert ineen.„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”De wacht trad binnen.„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.[220]
[Inhoud]IV.DE VERZOEKING.Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben[205]den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”Robert haalde de schouders op.„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”„Ja.”„Hoe kunt ge dat weten?”„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.[206]Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der[207]zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”[208]Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder AmirangKoesoemowas nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief[209]van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger[210]deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”Radhen Wiro Negoro glimlachte.„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”„’t Is waar, ik vertrap geen wormen … Spreek voort, monster!”„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priesterSheikAbdoelahstookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal[211]mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.… wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden[212]drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravondwas een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”[213]„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas enSheikAbdoelahhet regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte[214]kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”„En wat wenscht ge dan?”„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft[215]zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”„Ik begrijp u niet!”„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”[216]„En wat wilt ge dat ik doe?”„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn.…”„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen[217]zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag[218]de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te[219]verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”Robert stond op en antwoordde met vaste stem:„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”Sidderend kromp Robert ineen.„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”De wacht trad binnen.„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.[220]
IV.DE VERZOEKING.
Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben[205]den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”Robert haalde de schouders op.„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”„Ja.”„Hoe kunt ge dat weten?”„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.[206]Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der[207]zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”[208]Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder AmirangKoesoemowas nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief[209]van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger[210]deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”Radhen Wiro Negoro glimlachte.„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”„’t Is waar, ik vertrap geen wormen … Spreek voort, monster!”„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priesterSheikAbdoelahstookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal[211]mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.… wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden[212]drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravondwas een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”[213]„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas enSheikAbdoelahhet regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte[214]kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”„En wat wenscht ge dan?”„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft[215]zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”„Ik begrijp u niet!”„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”[216]„En wat wilt ge dat ik doe?”„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn.…”„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen[217]zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag[218]de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te[219]verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”Robert stond op en antwoordde met vaste stem:„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”Sidderend kromp Robert ineen.„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”De wacht trad binnen.„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.[220]
Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en van versterking.
„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben[205]den vijand te ontvangen. Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te verdedigen?”
Robert haalde de schouders op.
„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”
„Ja.”
„Hoe kunt ge dat weten?”
„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”
„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”
„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”
De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist door dat gemeenschappelijke weten.[206]
Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij levenslang nieuwsgierig was geweest.
Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien hem geen ongeval overkomen ware.
Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.
„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”
„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der[207]zelfverdediging in het wild om mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van onze vrijheid, van ons bloed?”
„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”
„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”
„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”
„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit.”[208]
Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en danspartijen geen einde.
Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo ruimschoots en zoo openlijk geschonken?
Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder AmirangKoesoemowas nu in Kediri, waar hij bij Soenan Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.
Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief[209]van den Depati van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.
„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.
„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon Pengantin deed het overige.”
„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling zijner moeder!”
„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de liefde van Radhen Goesik nog hooger[210]deed opvlammen? En heb ik u den ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”
Radhen Wiro Negoro glimlachte.
„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”
„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”
„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.
„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”
„’t Is waar, ik vertrap geen wormen … Spreek voort, monster!”
„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche priesterSheikAbdoelahstookt het reeds zoo hevige vuur nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal[211]mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, welke zich uw zoon noemt.”
„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek nu.”
„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”
En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.
„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo zeer! En ook Boeloe Kidoer.… wat zal zij naar hem rondzien maar dan is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij niet meer, neen, nooit meer!”
Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe Kidoer den Bantamschen dwerg.
Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer hij een gewichtig besluit te overwegen had.
„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden[212]drijven mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”
Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou roepen.
Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te zitten.
„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”
„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.
„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”
„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravondwas een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris.”
„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”[213]
„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.
„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu aanstonds vallen mocht?”
„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”
„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met Soerapati’s rijk is het gedaan.”
Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde hij:
„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas enSheikAbdoelahhet regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte[214]kwelt mij nacht en dag; met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”
„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog kunnen u gunstig zijn.”
„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles vereenigd wat ik wenschte.”
„En wat wenscht ge dan?”
„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, ’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft[215]zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”
„Ik begrijp u niet!”
„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer moeder scheidt.”
„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.
„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”
„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk een vizioen.
„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”[216]
„En wat wilt ge dat ik doe?”
„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”
„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn.…”
„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”
Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders ging vleiend voort:
„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen; gij alleen[217]zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”
„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”
„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”
Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van vreugde brengen?
„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep zijn handen vast in de zijne.
Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.
„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.
„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag[218]de oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die zijns vaders terug.
„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”
„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem een troon, een volk!”
„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”
’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:
„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!”
Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden woede:
„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb geopenbaard, leer hen hoe mij te[219]verderven, mij te vernietigen. Ik heb ’t aan u verdiend, ga!”
Robert stond op en antwoordde met vaste stem:
„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets gehoord, niets onderzocht!”
„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”
Sidderend kromp Robert ineen.
„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”
„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”
Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht te roepen.
„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij zijt vorst!”
Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te lezen:
„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”
De wacht trad binnen.
„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” beval de vorst.[220]